Vol verlangen zingen op weg naar die grote dag

Ik merk de laatste tijd, dat liederen over de grote dag dat Jezus terugkomt, mij erg aanspreken. Gisteren, op een doordeweekse vrijdag in mei, was het weer twee keer raak. Eerst op de Generale Synode in Ede. Daar zongen we tussen de middag onder sprankelende pianobegeleiding van Aurelia het Opwekkingslied Er is een dag. En ’s avonds in de GKV van Houten begon de trouwdienst van Derk & Martine met Tienduizend redenen, fantastisch begeleid door de plaatselijke band. Vooral bij de coupletten over de grote dag dat Jezus terugkomt krijg ik een brok in mijn keel van ontroering.

wederkomst blauwe luchtBij Opwekking 585 zit het hem in vers 2:  “Er klinkt geschal wanneer de graven opengaan en doden opstaan, voor eeuwig levend door zijn kracht” en in het prachtige refrein: “Spoedig zullen wij Hem zien en voor altijd op Hem lijken en Jezus kennen zoals Hij is, amen! Nooit meer tranen, nooit meer pijn, want wij zullen met Hem leven in zijn nabijheid, voor altijd. Amen, amen!” Luister naar http://www.youtube.com/watch?v=_aMyWk4ooBs – een weergave van de mannendag Assen 2011.

En bij Opwekking 733 krijg ik vooral koude rillingen bij het derde couplet: “En op die dag, als mijn kracht vermindert, mijn adem stokt en mijn einde komt, zal toch mijn ziel uw loflied blijven zingen; tienduizend jaar en tot in eeuwigheid.” Op YouTube is dit (totdat Karla haar natuurfilm-versie nog eens vrij geeft voor publikatie) de topper: http://www.youtube.com/watch?v=KeVjB-SXqwU

Maar ik heb het ook bij Liedboek 267, een prachtig gezang over “Zalig die in Christus sterven, de doden, die de hemel erven, voor wie Hij woning heeft bereid”  en “Hij overwon het graf, wist onze tranen af, halleluja! Hij ging ons voor de heemlen door. Hij voert ons mede in zijn spoor.”

En bij Liedboek 114: “Ik zag een nieuwe hemel zich verheffen” met de versregels ”De Koning die zijn troon heeft in den hoge, houdt bij de mensen hof en alle tranen zal Hij van hun ogen afwissen tot zijn lof.”

Of neem de laatste regels van verschillende coupletten van de geloofsbelijdenis uit Gezang 123 van het Geref. Kerkboek: “zie hoe het eeuwig leven straalt” en “… totdat Hij nog eens komen zal … na glorieus bazuingeschal” en ‘Ik weet: mijn vlees wordt opgewekt en zal dan, met mijn ziel verbonden, weer leven, eeuwig, onbevlekt.”

Net als het in z’n eenvoud schitterende Gezang 75 uit hetzelfde Geref. Kerkboek: “Nu gaan de bloemen nog dood, nu gaat de zon nog onder” met z’n “Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde” en het laatste couplet: “Zin voor de eeuwige dag. Zing voor zijn komst en zeg Amen. Zing voor de heer die ons samen daar al van eeuwigheid zag.”

Waar komt dat door, dat ik juist daar steeds weer zo door geraakt? Het heeft niet alleen met de muziek te maken. Hoewel: de opbouw van al deze liederen is heel sterk. Het is bij mij ook niet pas gekomen door het boek van Todd Burpo, ‘De jongen die in de hemel was’, (zie mijn weblog: https://ernstleeftink.wordpress.com/2013/06/12/in-de-hemel-is-de-heer-en-colton-heeft-jezus-daar-gezien/),  ook al ben ik daardoor wel meer gaan nadenken over het leven na dit leven. Het komt vooral, denk ik, door het grote contrast dat ik soms ervaar tussen onze sterfelijkheid en eindigheid aan de ene kant, en de hemelse heerlijkheid, het mooie vooruitzicht en het geweldige perspektief dat het geloof in de terugkomst van Jezus onze Heer mij geeft. Ik denk dat ik dat gevoel van ontroering vooral gekregen heb na het overlijden van mijn vader, vorige maan precies 20 jaar geleden.  Het is echt mijn ervaring, dat je als christen op een andere manier met je verdriet omgaat dan de andere mensen die geen hoop hebben (zoals Paulus in 1 Tess. 4:13 zegt). Liederen die over de eeuwigheid gaan, raken mij vanaf die tijd met vaste regelmaat.

wederkomst verwachtingTwee bijzonder fraaie nummers wil  ik hier nog noemen. Ze staan op twee CD’s die ik vaak in de auto meeneem als ik wat langer onderweg ben. De eerste is een vrij recente, maar ik krijg er regelmatig kippevel van. Het is een magnifiek nummer, omdat het bezingt hoe wij gemaakt zijn om voor God te zingen en hoe wij, gerechtvaardigd tot onze dood, onze magnifieke God mogen verheerlijken. Oftewel: U2 – Magnificent – http://www.youtube.com/watch?v=krGg2UYa_CA. En de tweede is al van jaren terug, toen Ralph van Manen nog in de gospelrock zat met zijn groep Target. Van hun CD met dezelfde titel heet het laatste nummer ‘Revelation’.  Via YouTube niet te beluisteren, maar lees de tekst hieronder. Als je weet dat de opbouw van het nummer perfekt aansluit op de tekst, zul je ook begrijpen waarom de tranen me soms over de wangen biggelen als ik het in de auto met de volumeknop op 10 draai.

REVELATION – Target (de vroegere band van Ralph van Maanen)
When I look around me in this world, I wonder how long it will last
Oh people, please, pay attention to Gods Word, for this time soon will be past …
When will there be no more dying, no more tearing apart?
When will there be no more crying, no more broken hearts?
When will He wipe the tears from you eyes, and make all things new?
When will He give the water of life and live among us too?

 

     … and I saw a new earth, I saw a new sky,  for the present one had gone by.
    And I saw the new Jerusalem, I saw this Holy City, and it was glowing like a gem …
And there will be no more dying, no more tearring apart.
And there will be no more crying, no more broken hearts.
He’ll wipe the tears from you eyes, and make all things new.
He’ll give the thursty water of life and live among us too.
Advertenties

Welke G/geest is er uit de fles? – enkele gedachten bij de diskussie over vrouw & ambt

Rond het millennium, zo’n 15 jaar geleden, hoefde je geen profeet te zijn om aan te voelen dat er in het orthodox- bijbelgetrouwe deel van Nederland de komende 25 jaar de items ‘vrouwen en ambten’ en ‘homoseksualiteit’ de twee meest gevoelige onderwerpen zouden worden, waarop we ons als kerken en christenen flink zouden moeten gaan bezinnen. Tenminste, ik voelde me 15 jaar geleden, vlak voor we het jaar 2000 instapten, geen profeet toen ik dit zo hier en daar liet vallen.

DEPUTATEN M/V IN DE KERK

Inmiddels zijn we 15 jaar verder en is binnen de GKV het onderwerp ‘vrouwen en ambten’ een hot item. Drie jaar geleden benoemde de Generale Synode van Harderwijk een deputaatschap M/V in de kerk met de opdracht na te gaan of het op grond van de Schrift geoorloofd is om naast broeders ook zusters in het ambt van diaken en/of ouderling + predikant te benoemen. Het deputaatschap schreef een kort rapport met als conclusie: “de visie dat naast mannen ook vrouwen in de kerkelijke ambten mogen dienen past binnen de bandbreedte van wat als schriftuurlijk en gereformeerd kan worden bestempeld.” (blz. 33 van hun rapport). Ze doen dit omdat ze van mening zijn, dat in elke cultuur de hoofdzaak voor de kerk van Christus is en blijft: de verspreiding van het evangelie. “Voor ons als 21e eeuwse bijbellezers zijn niet alleen de voorschriften van Paulus richtinggevend, maar ook de manier waarop Paulus met zijn context omging, en de gerichtheid op het volgen van Christus.”(blz. 21 van hun rapport). Dat betekent konkreet: “Christenen in onze tijd zijn geroepen om het evangelie met kracht te verkondigen en onnodige belemmeringen moeten vermeden worden.” (blz. 32 van hun rapport).

EN TOEN GING HET OPEENS OM DE VISIE OP HET AMBT

Tsja, je kon er natuurlijk op wachten, op al die stevige reakties ter linker- en ter rechterzijde. Het lijkt wel, alsof het op de landelijke synode van de GKV bijna nergens anders meer over gaat. De geest is duidelijk uit de fles. En die zal er ook niet in terug geduwd kunnen worden. In de diskussie zie je nu, dat de vraag of vrouwen ook ouderling of predikant mogen worden, verschuift naar de vraag hoe we in de gereformeerde traditie omgaan met de ambten. Met als teneur: onze driedeling (predikant, ouderling, diaken) is wel heel erg star als je het vergelijkt met de vele gaven, funkties en ambten in het Nieuwe Testament. En met als tweede teneur: als we dan toch vinden dat het regeerambt alleen voor mannen is weggelegd, laten we dan een kleine raad van oudsten (alleen mannen) instellen en daaronder alle verkondigende, evangeliserende, pastorale en diakonale taken hangen, die allemaal door mannen en vrouwen uitgevoerd mogen worden.

Dat vind ik een afleidingsmanoeuvre in de discussie over de vraag of de vrouw in het ambt mag, en een geforceerde oplossing om het gezag van de man over de vrouw formeel veilig te stellen. Mijn nieuwe profetie is dat we op deze manier over drie of zes of negen jaar geen stap verder zijn gekomen. Het wordt, via een andere insteek, gewoon een herhaling van zetten.

VANDAAG DE DAG: EEN TOTAAL ANDERE TIJD

Laten we eerlijk erkennen dat onze cultuur op veel punten totaal anders is geworden dan Romeins-Griekse-Joodse cultuur van 2000 jaar geleden. Soms past onze tijd gewoon op geen enkele manier meer in de kaders van toen. En dus geef ik deputaten helemaal gelijk als ze zeggen, dat we naast exegese (Schriftuitleg – wat zegt Paulus in die context) ook hermeneutiek (Schrifttoepassing – hoe gaat Paulus met zijn context om) nodig hebben. En daarna moet je de vertaalslag naar vandaag durven maken.

Dat laatste vind ik een zo spannende exercitie, dat ik haast vanzelf in de conservatieve houding verval. Het is veel veiliger om bijbelse voorschriften één op één over te zetten naar vandaag toe. Maar daarmee sluit ik niet alleen mijn ogen voor deze tijd, maar sluit ik ook de kerk van Christus op in de verleden tijd en in een eigen subcultuur. En dat noem ik dan ‘opkomen voor het gezag van Gods Woord tegenover de geest van deze tijd’, maar in feite durf ik niet op de Geest te vertrouwen. En dat komt waarschijnlijk omdat we niet genoeg geloof hebben én te weinig bidden om wijsheid.

DE INHOUD VAN HET EVANGELIE

Na deze persoonlijk, wat filosofisch-psychologisch-theologische gekleurde ontboezeming denk ik vooral na over de vraag: wat hoort tot de vormen van het Evangelie van Jezus Christus en wat behoort tot de inhoud? Ik schreef daar al eerder iets over in mijn blog https://ernstleeftink.wordpress.com/2013/08/09/de-koffie-en-het-glas-over-winkelen-op-zondag/. Als het gaat om de verkondiging van Jezus Christus als de enige Naam op aarde die de mensen redding biedt (Hand. 4:12), vind ik het belangrijker dat dat Evangelie verkondigd wordt dan de vraag wie dat Evangelie verkondigt. Ik herinner mij een uitspraak van mijn vader, toen 30 jaar geleden in mijn geboorteplaats de toenmalige behoudende synodaal-gereformeerde kerk een vrouwelijke predikant kregen: ‘Ze hebben liever een vrouw uit Apeldoorn dan een man die in Amsterdam bij Kuitert in de leer geweest is.’ Het was toen vrij gebruikelijk dat sommige vrouwen aan de Theologisch Universiteit van de CGK studeerden om daarna bijbelgetrouw predikant te worden in de voorlopers van de PKN. En dat was, als je het principeel bekeek, zoals mijn vader zei, uit twee kwaden toch duidelijk de minst slechte kiezen. Beter een Truus op de kansel die Gods Woord verkondigt dan een Joop op de kansel die Gods Woord om zeep helpt.

Ik vond dat een terechte opmerking van mijn vader. En ik heb lange tijd gedacht: als noodsituatie is het niet verkeerd. In noodsituaties kwamen ook Debora en Chulda bovendrijven. Maar nu ben ik van mening, dat we het niet over een noodsituatie hebben. Het gaat niet om twee kwaden. Het gaat om vorm en inhoud.

DE POPPETJES EN DE INHOUD

Er worden verschillende argumenten aangedragen die voor of tegen vrouwen in het ambt van ouderling en predikant pleiten. Het zou geweldig zijn als we het erover eens kunnen worden, dat geen van beide standpunten onschriftuurlijk is. Die gezamenlijkheid is namelijk een voornaam kenmerk van de Geest. Als dat vertrouwen er is, kunnen we ook van elkaar verdragen, dat we in deze tijd een verwijzing naar de schepping minder zwaar laten wegen dan de impact die het in onze samenleving heeft op de voortgang en de acceptatie van het Evangelie om geen vrouwen toe te laten tot de ambten.

GODS GEEST SCHRIJFT WEGEN EN DOET WEGEN

Ik weet dan al wat de critici zullen zeggen: dan pas je je aan de moderne tijd en laat je de huidige cultuur heersen over het Schriftgezag. Daarmee is de geest uit de fles. Ik denk daar nu anders over. De poppetjes horen in onze westerse cultuur niet meer bij de inhoud. Ook voor ons niet, op geen enkel terrein. Behalve in de kerk. Dat werkt vervreemdend en werpt onnodige barrières op. Daarom heb ik geen bezwaar tegen een predikant m/v – als hij of zij Christus maar publiek verkondigt. En ik heb geen bezwaar tegen een ouderling m/v – als hij of zij Christus maar bij de mensen thuisbrengt. Jezus Christus, onze gekruisigde en opgestane Heer, Hij is de inhoud van ons geloof. Die inhoud moeten we vasthouden, bewaren en uitdragen. Als we elkaar daarop vinden, is in heel de discussie over ‘vrouw en ambt’ de Geest uit de fles. Hem hebben we nodig. Want alleen de Geest leidt ons in Gods waarheid. Alleen de Geest wijst ons op grond van Gods Woord Gods wegen aan in deze tijd. En alleen de Geest geeft wijsheid om vanuit Gods Woord te wegen wat onze Heer daarmee vandaag tegen ons wil zeggen.

Lees ook mijn twee volgende blogs: Geestelijke wijsheid i.p.v. ongeduld of afstel bij vrouw in ambt en Wijsheid ipv ongeduld bij vrouw in ambt.

Cremeren – ja of nee

Vandaag laat de meerderheid van de Nederlanders zich cremeren in plaats van begraven. Dat is een ontwikkeling die razendsnel gegaan is. In 1950 liet nog maar 2% van de Nederlanders zich cremeren. In 1970 was dat aantal gestegen naar 15%. Daarna ging het hard. In de jaren ’90 van de vorige eeuw kwam het omslagpunt en vandaag de dag laat bijna 2/3 van de Nederlanders zich cremeren. Je komt het dus overal tegen, zou je zeggen. Toch is dat niet waar. Want onder gereformeerden komt crematie bijna niet voor. Ik heb zelf in de afgelopen 22 jaar dat ik dominee ben nog nooit een crematieplechtigheid geleid. En ik ken gemeenteleden van boven de 60 die nog nooit een crematie hebben bijgewoond. Blijkbaar kiezen bijna alle niet-christenen voor cremeren, terwijl orthodoxe christenen voor meer dan 90% de voorkeur aan begraven geven. Als dat zo is, hoe ga je dan met cremeren om? Persoonlijk als christen en ook als gereformeerde kerk?

GEEN MEDEWERKING AAN EEN CREMATIE?

In januari 2014 heb ik over ‘begraven en cremeren’ gepreekt (zie Zondag 16 HC 2014 – crematie preek en liturgie). Twee maand later schreef dominee Martin de Boer in de Gereformeerde Kerkbode van 8 maart 2014 hier ook over. Hij vindt dat je vanuit de Gereformeerde Kerk geen medewerking mag geven aan een crematie van gemeenteleden. “Het past ambtdragers van Christus’ gemeente niet om … zich officieel te presenteren bij een crematie.” (zie www.kerkbode.nl – waar na een paar maanden de artikelen digitaal na te lezen zijn). Dominee De Boer komt tot dit standpunt omdat volgens hem overduidelijk is, dat begraven de normale manier van lijkbezorging is in de Bijbel. Cremeren in de vorm van lijkverbranding komt in de Bijbel maar één keer voor vanwege een pestepidemie (Amos 6:10) en het is een schande als de lichamen van gestorven mensen verbrand in plaats van begraven worden. Bovendien belijden we in onze Apostolische Geloofsbelijdenis dat onze Heer Jezus Christus is gestorven én begraven én is opgestaan uit de dood. In 1 Korintiërs 15 verbindt Paulus de begrafenis en de opstanding van Christus aan die van ons. Hij gebruikt daarbij het beeld van het zaaien. Begraven is zaaien. Straks volgt de opstanding en komt het lichaam verheerlijkt weer tevoorschijn. Net als bij Christus.

BEGRAVEN IS BIJBELS!

Als het om de keus vóór begraven gaat, kijk ik er net zo tegen aan als dominee De Boer. Het begraven van geliefden is een prachtige symbolische handeling, waardoor je als christen een hoopvol getui­genis aflegt van je christelijk geloof – vooral van het geloof, dat het met de dood niet is afgelopen, maar dat het wachten is op de opstanding van de doden. Bij een crematie mis je voor het grootste deel de bijbelse symboliek van de graankorrel die je zaait en de weer opkomt en uitgroeit tot iets prachtigs. Zo is voor mij in elk geval begraven niet alleen maar een bijbelse gewoonte, maar ook een zaak van een positieve, christelijke levensstijl: ik geloof, ook als de dood zo dichtbij komt, in de opstanding van dit gestorven lichaam.

NIET DEMONSTRATIEF TEGEN CREMEREN

Maar ik ben het niet eens met het standpunt, dat je als Gereformeerde Kerk op geen enkele wijze kunt meewerken met een crematie, zoals dominee De Boer stelt. Of (wat hij niet zegt, maar wat ik ook nog wel eens hoor), dat wie als christen voor crematie kiest, zondigt, en dat wie als christen een crematieplechtigheid bijwoont, zondig gedrag stilzwijgend goedkeurt. We leven namelijk in een andere tijd dan een eeuw geleden. Veel mensen die toen voor cremeren kozen, deden dat vaak bewust om aan te geven dat ze niet geloofden in een leven na dit leven. Dus keerden bijna alle christenen en alle kerken zich tegen crematie.

Die tijd is voorbij. Dat afzetten tegen het christelijk geloof kom je bij de meeste crematies niet meer tegen. In z’n algemeenheid is het wel waar wat prof. Douma op blz. 159 van zijn boek Rondom de dood schrijft: “Crem­atie is een symptoom van onze gesecu­lariseerde wereld. We kunnen de groei­ende voorkeur voor creme­ren niet los­denken van heel de moderne levens- en wereldop­vatting, zelfs als men crema­tie ‘slechts’ verdedigt als de gezond­ste, goed­koopste, vlugste en netste manier van lijkbezorging.” Maar dat wil nog niet zeggen, dat iemand die zich laat cremeren, dat uit anti-christelijke motieven doet. Dus moet je als christenen ook niet meer principieel afwijzend tegenover elke crematie staan en als gereformeerde kerk daar zó demonstratief op tegen zijn, dat je elke medewerking aan een crematie weigert.

ZELF POSITIEF KIEZEN VOOR BEGRAVEN

In onze tijd zijn er gewoon twee opties: begraven of cremeren. Je kunt nu dus kiezen, ook als christen. Het mooie daarvan is, dat je niet meer ergens op tegen hoeft te zijn. Je kunt nu heel goed duidelijk maken, waarom je zelf vol overtuiging ergens vóór bent. Ik geloof echt, dat dat een veel positievere insteek is. Vanuit de Bijbel kan ik heel goed duidelijk maken, waarom ik als christen zelf vanuit mijn geloofsover­tuiging ervoor kies om straks begraven te willen worden. Die optie wordt volgens mij in de Bijbel zo duidelijk aangewezen, dat he best mag zeggen dat het ook vandaag voor een christen nog echt de voorkeur verdient boven cremeren. Maar zonder elkaar te veroordelen of af te schrijven als iemand toch voor crematie kiest.

Want van je eigen gedrag gaat het meest een getuigenis uit. Daar raakte ik ruim 20 jaar van overtuigd, toen ik mij voor het eerst in dit onderwerp moest verdiepen. De kerkeraad van de GKV an Zaamslag, waar ik toen dominee was, wou zich alvast bezinnen op dit onderwerp, omdat het omslagpunt van begraven naar cremeren toen net bereikt was. Ik kwam toen het volgende stukje tegen in het landelijke kerkblad van de Gereformeerde Gemeente.

Vanuit dit alles mag het duidelijk zijn, dat we ons verre moe­ten houden van het crematorium. Als een predikant meent dat hij aan­wezig moet zijn bij een crematie om daar het Evangelie te laten horen, dan bedriegt hij zichzelf. Zijn boodschap wordt ont­kracht. Hij hoort daar niet. En dat geldt ons allemaal. Wij mogen door onze tegenwoor­digheid geen deel hebben aan dit heidense gebruik. Wie zwijgt stemt immers toe? Gezien onze belijdenis is het ons onmoge­lijk om een crematie bij te wonen of op eni­gerlei wijze onze medewerking hieraan te geven. Kost het ons vriendschap of klandizie, het zij zo. De gunst des Heeren moet ons meer waard zijn dan de gunst van men­sen.

Ik heb daar toen in het regionale kerkblad van het Zuiden daar als volgt op gereageerd.

Wat voor indruk maken wij als gelovi­gen op mensen, als wij op het allerzwaarste moment van afscheid nemen niet naast hen willen staan? (…) Daar komt nog een belangrijk aspekt bij. Hóe leggen wij als we sterven een christe­lijk getuige­nis af van ons geloof in de opstanding? Door onze eigen begrafenis! Níet door on­ze af­wezigheid op de crematie van onze collega of buur­man. Integendeel: wie goed doet, zal goed ontmoeten. Als wij als christenen óns meele­ven be­to­nen, ook door op een crematie aan­wezig te zijn, zullen zij ook hun mee­leven beto­nen, door op de begrafe­nis van ónze ge­liefden aan­wezig te zijn. Dan mag je hopen en bid­den, dat door het christe­lijk karak­ter van zo’n  be­grafenis er een getuigenis uit­gaat van het geloof waarin wij leven en ster­ven.

Uiteindelijk is dat het belangrijkste. Geloof je dat niet de dood, maar Jezus Christus het laatste woord heeft? Hoe laat je dat merken als je zelf in diepe rouw bent? En hoe laat je dat merken als je met anderen meeleeft?

P.S.: in de preek n.a.v. Zondag 16 ga ik dieper in op de Bijbelteksten over dit onderwerp en de conclusies die je daar verder uit kunt trekken. Zie Zondag 16 HC 2014 – crematie preek en liturgie

‘TE VROEG OF TE LAAT, MAAR NIET DUBBEL’

– over één doop tot vergeving van zonden –

“Eén van de ongelukkigste kerkscheidingen heeft te maken met de doop.” Dat is de zin waarmee de Amerikaanse theoloog J.I. Packer in zijn boek Groeien in Christus  het onderwerp ‘De doop en kleine kinderen’ behandelt (blz. 112-114). Een half jaar geleden gaf ik op mijn weblog  weer, wat Packer over het verband tussen doop en belijdenis schreef. Voor wie het nog eens lezen wil: https://ernstleeftink.wordpress.com/2013/10/23/waarom-zou-ik-belijdenis-doen/

Op die blog kreeg ik verschillende reakties. Een aantal ging over de vraag over waarom sommige christenen de kinderdoop niet erkennen en daarom die doop vaak zelfs nog een keer over doen. Wat Packer daarover zegt, vind ik opnieuw zo waardevol, dat ik het (iets ingekort en deels in eigen woorden) hier weergeef, met daarna nog wat eigen gedachten.

WEL OF GEEN KINDEREN DOPEN?

Niemand zal beweren dat alle kinderen gedoopt moeten worden, maar in de meeste kerkgenootschappen worden kinderen van gedoopte ouders (in de meeste gereformeerde kerken: die zelf belijdenis van hun geloof hebben afgelegd) gedoopt. Voor de baptisten is dit echter geen doop (want kleine kinderen kunnen immers de vereiste geloofsbelijdenis niet uitspreken) of zij zien het als een onrechtmatige doop (want, zo zeggen zij, het is niet duidelijk apostolisch en ook pastoraal gezien niet verstandig). Door alle baptisten wordt erop aangedrongen de doop uit te stellen totdat er sprake is van bewust geloof. Anderzijds hebben sommigen uit de verbondstheologie afgeleid, dat God heeft bevolen dat de baby’s van gelovigen allemaal gedoopt moeten worden. Velen zijn van mening dat, hoewel de kinderdoop door de kerk zelf is ingesteld, deze toch een betere theologische, historische en pastorale grond heeft dan wat de baptisten willen. Dus moet men volgens hen de kinderdoop waarderen als ‘beter passend bij de instelling van Christus’ (Anglican Article XXVII – in de gerformeerde kerken stemmen de ouders in met de uitspraak dat een kind van gelovige ouders ‘in Christus voor God heilig is en daarom als lid van zijn gemeente gedoopt behoort te zijn’).

VOOR KINDERDOOP – MAAR GEEN GODDELIJK BEVEL

De besnijdenis van de jongetjes onder het oude verbond op Gods bevel (in Gen. 17:9-14), gekoppeld aan Paulus’ verzekering (in 1 Kor. 7:14) dat onder het nieuwe verbond de kinderen van de gelovigen samen met de ouders ‘geheiligd’ (toegewijd aan God en aangenomen door Hem) zijn, geeft vele bijbelgetrouwe christenen de overtuiging dat de kinderdoop juist is. Als de ouder-en-kind-saamhorigheid onder Gods verbond een onveranderlijk feit is, waarop Gods vroegere bevel van de besnijdenis (het toenmalige verbondsteken voor jongetjes) was gebaseerd, hoe kan men dan nu de doop (het teken van het nieuwe verbond) aan kinderen onthouden? Bovendien is het wel bijna zeker dat de apostelen de kinderdoop praktiseerden. De ‘huizen’ (dat wil zeggen huishoudingen met uitgebreide gezinnen) van Lydia, van de gevangenisbewaarder in Filippi en van Stefanas werden gedoopt (Hand. 16:15 + 33 en 1 Kor. 1:16). Het is moeilijk te geloven dat Lukas en Paulus ‘huis’ gezegd zouden hebben zonder verdere aanduiding, als ze ons hadden willen doen begrijpen dat baby’s principieel van de doop uitgesloten waren. Hierdoor is de kinderdoop van tegenwoordig zeker gerechtvaardigd. Toch moet ook worden toegegeven, dat nergens in de Schrift staat, dat het dopen van kinderen een goddelijk bevel is.  We mogen ervan uitgaan, dat de goddelijke Auteur, die de menselijke schrijvers bestuurde, dat ook niet heeft willen doen.

TEGEN KINDERDOOP – MAAR NIET DOORSLAGGEVEND

Tegelijkertijd kunnen ook de argumenten tegen de kinderdoop niet doorslaggevend genoemd worden.   *1* Er wordt beweerd dat het belijden van het geloof deel uitmaakt van de doop. Maar het Nieuwe Testament zegt dit nergens; het is een aanvechtbare gevolgtrekking uit  feit dat in het Nieuwe Testament, maar ook later, volwassenen nooit werden gedoopt zonder zo’n belijdenis te hebben afgelegd.   *2* Er wordt als argument aangevoerd, dat van gedoopte kinderen nooit geëist kan worden dat ze belijdenis van hun geloof zullen doen. Maar gelovige ouders die hun kinderen lieten dopen, wijzen hun kinderen op de noodzaak van persoonlijke bekering en op persoonlijk geloof; zij sporen ze aan om zelf en oprecht hun zonden en geloof te belijden als ze daar oud genoeg voor zijn. Om als volwassene een volwaardig lid van de kerk te kunnen worden, staat de persoonlijke belijdenis centraal. Met andere woorden, de kinderdoop eist bekering van de volwassene die als kind gedoopt is.   *3* Er wordt beweerd dat de kinderdoop de leer van de veronderstelde wedergeboorte en verlossing zonder geloof aanmoedigt. De baptisten schudden hun hoofd als ze horen hoe in het doopformulier staat dat God in de doop bevestigd dat een baby ook erfgenaam van Gods rijk, een kind van God en een lid van Christus’ gemeente is geworden. Maar hiermee wordt vooral gezegd, wat God van zijn kant aan geestelijke zegeningen en voorrechten ook aan de kinderen van de gelovigen belooft. Willen ze ooit werkelijk ontvangen worden, dan moeten ze eerst bevestigd worden door het geloof in Christus. Zoals een Anglicaanse aartsbisschop ooit zei: ‘Ik heb er alleen profijt en voordeel van als ik begrijp welk geschenk God in de doop voor mij heeft verzegeld en als ik er inderdaad mijn hand op leg in het geloof.’

VOOR DE EEN TE VROEG – VOOR DE ANDER TE LAAT …

De baptisten dragen kinderen op (een ‘droge doop’ in de ogen van de kinderdopers) en dopen later met water. Protestanten, gereformeerden en katholieken dopen de kinderen die later belijdenis van hun geloof afleggen (een ‘droge doop’ in de ogen van de baptisten). Het zou niet moeilijk moeten zijn voor kinderdopers en voor volwassendopers om in wederzijds respect elkaar hierin te vinden, want bijbels en pastoraal gezien zijn beide praktijken (Gode zij dank) parallel van betekenis.

…DUS WAAROM DAN TOCH DUBBEL?

Met bovenstaande zinnen eindigt Packer zijn hoofdstuk. Het zou mij heel wat waard zijn, als evangelischen/baptisten en gereformeerden in elk geval van elkaar zouden accepteren, dat we het bij één doop houden. De eenheid die de Geest ons geeft bestaat ook uit één doop, zegt Paulus in ef. 4:5 en dat spreken christenen wereldwijd ook uit met de geloofsbelijdenis van Nicea: ‘Wij belijden één doop tot vergeving van zonden.’ Dan kun je van elkaar vinden dat de doop te vroeg of te laat bediend wordt, maar een dubbele doop, dat kan en mag bijbels gezien niet.

Helaas is mijn optimisme dat we elkaar in één doop kunnen vinden, er in de ruim 20 jaar dat ik predikant ben, niet groter op geworden. Alle ‘kinderdopers’ (om de term van Packer te gebruiken) hebben geen moeite met de volwassendoop. Ze dopen immers zelf ook volwassenen die op latere leeftijd tot geloof komen. Vaak kunnen ze zelfs wel accepteren dat andere christenen hun kinderen de keus laten om zich pas bij hun geloofsbelijdenis als volwassene te laten dopen. Dat is dan weliswaar ‘te laat’, omdat je God zo’n twintig jaar laat wachten voor Hij zijn beloften, die Hij zo graag aan de gelovigen én hun kinderen wil geven, op iemand mag zetten. Maar uiteindelijk Gods keus voor mij (in de doop) en mijn keus voor God (in mijn belijdenis) bij elkaar.

PACKER TE OPTIMISTISCH

Maar Packer is te optimistisch als hij denkt dat baptisten zich omgekeerd ook in de praktijk van de kinderdoop kunnen vinden, ook al passen ze die niet toe in hun eigen gemeente. Want veel baptisten zien de doop niet, zoals Packer wel doet, als teken van Gods beloften die een leven lang gelden en meegaan. Ze vinden echt dat “de doop een teken van jouw antwoord op Gods aanbod van vergeving van zonden en eeuwig leven. Dáárvan leg je getuigenis af in de doop.” (citaat uit het boek ‘Dopen en laten dopen’ van E.W. van der Poll, p. 130)

Ja, dan wordt het natuurlijk onmogelijk om de kinderdoop als een echte doop te aanvaarden, ook al vind je dat die twintig jaar ‘te vroeg’, omdat het beter is om Gods beloften en de gelovige aanvaarding daarvan dichter op elkaar te laten aansluiten. Want de doop ís voor veel baptisten niet God tastbare belofte aan jou. En dus is de kinderdoop, met alle respect voor de bedoeling van de gelovige ouders, geen echte doop, maar een jammerlijke dwaling, zoals een baptistenvoorganger mij eens vertelde.

WAT GOD BELOOFT VRAAGT OM GELOOF

Dat laatste vind ik ook, maar dan juist omgekeerd. Als God zijn stempel al op mijn leven gezet heeft, hoef ik bij mijn belijdenis God niet nog een keer te laten uitspreken dat Hij mij werkelijk op zijn Drie-Enige Naam zet. Natuurlijk vraagt de doop om persoonlijk geloof. Of je nu als volwassene of als kind gedoopt wordt. Maar in de kern van de zaak gaat het om de vraag: waar zet de doop een streep onder? Onder wat God belooft of onder wat jij gelooft? Volgens mij is de Bijbel daar in grote lijnen vrij duidelijk over. De doop is Gods ‘getuigenis’ aan mij: Hij neemt mij dankzij het offer van Jezus Christus weer aan tot zijn kind. En wat Hij beloofd heeft, blijft van kracht, mijn leven lang. Dat hoeft dus nooit opnieuw te gebeuren. Er is maar één doop tot vergeving van zonden. God vraagt niet aan zijn kinderen of ze zich nog een keer willen laten dopen. Hij vraagt of ze hun leven lang erop willen vertrouwen dat Hij hun Vader, Verlosser en Vernieuwer is. De doop vraagt om geloof. Bij je belijdenis. En telkens weer. Voel maar aan je voorhoofd als je als kind gedoopt bent. Herinner je hoe je ondergedompeld of besprenkeld werd toen je als volwassene gedoopt werd. God heeft zijn Naam op jouw leven gezet en jouw naam in zijn handpalm gegrift. Dat zegt je doop!

Over de kinderdoop schreef ik nog een paar blogs:
Wanneer laat je je kind dopen?
Sela over de doop
Kinderdoop normaal – uitstel soms – herdoop nooit