VRIJGEMAAKT? – 2

De bundel ‘VVrij gemaakt boekrijgemaakt?’ blijft de tongen losmaken en de pennen in beweging zetten. Eerder verwees ik al naar de reaktie van collega Joost Smit op zijn weblog (zie Vrijgemaakt?). Nu heeft collega Klaas van den Geest er op zijn weblog pastorklaas.nl een analyse aan gewijd die op z’n minst verrassend genoemd kan worden. Een heel eigen insteek dus, die ik graag hieronder in z’n geheel herblog.

Vrijgemaakt?

Kunstenaars

Opmerkelijk goed geschreven, dat boekje Vrijgemaakt? Allemaal begaafde schrijvers, jonge mannen en vrouwen die kunnen boetseren met woorden. Een aantal auteurs zijn domineeskinderen, een aantal is theoloog. Veel domineeskinderen blijken opvallend veel te houden van boeken, kunst en muziek. Is er een verband tussen domineesgezinnen en kunst/muziek/literatuur? Volgens een onderzoek wel. Heel wat pastorieën puilen uit van de boeken. In heel wat predikantsgezinnen zijn kunst en muziek geliefd. Ik heb genoten van de manier waarop sommige bijdragen geschreven zijn. De mooiste trouwens van mensen uit andere studies en achtergronden. Het zijn bijna allemaal verhalenvertellers, deze getalenteerde dertigers.

Wij zijn cultureel of we zijn niet

Deze waarnemingen zijn volgens mij niet onbelangrijk als je dit boek wilt begrijpen. Wat me treft is een grote sensitiviteit voor de cultuur: als leefwereld van nu, maar ook zoals die het meest sprekend tot uiting komt in allerlei kunstvormen. En daarmee houden deze jonge mensen ons wel een spiegel voor. Hebben we als gereformeerden voldoende culturele antenne? En zijn we ons er van bewust hoe sterk we als kerk en gelovigen zelf door de cultuur beïnvloed zijn?

Want in dit boek komen mensen aan het woord, die zich in de ‘vrijgemaakte’ wereld van de cultuur afgesloten hebben gevoeld. En die dat als beklemmend en beperkend hebben ervaren. En terecht: want als we de menselijke cultuur buiten sluiten, sluiten we onszelf buiten. Of anders gezegd: we ontkennen of amputeren dan zelfs een stuk van onszelf.

Dat lijkt een deel van de boodschap te zijn van dit boek. Hier zijn mensen aan het woord, die niet de ruimte voelden om echt te léven. Dat leven zelf werd afgeknepen, kon zich niet ontplooien, ze konden geen vleugels uitslaan. Confronterend en veelzeggend vind ik bijvoorbeeld wat Arjen schrijft. Hij zegt: de oude routekaart bracht me nergens. Niet bij God, niet bij mijn eigen diepste zoeken. Het was een bril die iedereen moest opzetten en waardoor iedereen hetzelfde zou zien. Maar wie ben je dan zelf, wat is jouw identiteit? Is er ruimte voor een weerwoord, voor anders denken, anders geloven?

Je kunt dit boek heel makkelijk en snel afdoen. Als je het als een aanval ervaart op jouw eigen kerkelijke verleden en identiteit. Maar je kunt het ook als een kans zien. Dan ga je op zoek naar wat hier eigenlijk aan de orde wordt gesteld. En dat is wat mij betreft deze vraag: hoe hebben we ons als ‘vrijgemaakten’ opgesteld in verhouding tot de cultuur van onze tijd? Hebben we die cultuur niet vaak ontkend? Hebben we die culturele omgeving niet vaak onvoldoende onderkend, ook bij onszelf? Hoe vaak is onze eigen waarneming niet voor waarheid aangezien en gepresenteerd? Hoe sterk hebben we niet een eigen wereld geschapen, los van de echte, daarvan afgescheiden?

Vroeg of laat krijg je daarvan de rekening gepresenteerd. Als je een binnenwereld creëert, en de buitenwereld als bedreigend ziet of als slecht kwalificeert, dan voed je een generatie op zonder de tools om zelfstandig in die wereld te staan. Je gaat een taal spreken en een cultuur in stand houden, die geen werkelijk contact maakt met die buitenwereld. Dat is gebeurd, dat hebben we gedaan. Er was onvoldoende oog voor de cultuur als werkelijkheid. Ook een werkelijkheid waarvan we zelf deel uit maken. Cultureel zijn we allemaal: we maken er deel van uit. Dat is inherent aan het bestaan zelf: wij zijn cultureel of we zijn niet…

De kerk vormt daarop geen uitzondering. Maar ons idee daarover was anders, we dachten die cultuur buiten te kunnen houden.

Omgaan met je opvoeding

Ik zeg: we. Want ik kan me niet boven die kerk verheffen. Ik maak er deel van uit, heb er zelf deel aan. Ook al heb ik zelf het gevoel, dat dit boek ook geschreven had kunnen zijn door vijftigers. Door de vaders en moeders van deze jonge ‘vrijgemaakten’.

Dat werd mij duidelijk uit onder andere het verhaal van Bettelies. Bevlogen ouders, begonnen met E&R, open gezin, alles bespreekbaar, kritisch op de kerk maar wel met God in hun leven. Hoeveel van die vijftigers zijn er niet, die ook worstelen met die kerk? Ze waren zelf al het product van de sixties, kritisch tegenover gezag en establishment. Zij voelen ook al hun leven lang, maar zeker vandaag de dag, dat we iets in stand hielden wat onhoudbaar was. Die kerk zit in onze bagage, in onze genen mag je wel zeggen.

En dat is meteen ook een stukje zwakte van dit boek. Een deel van de schrijvers is uit deze kerk weg gegaan. Ze staan er nu buiten, wilden het van zich afschudden. Ik erken dat dat soms moet, om zo dat verleden te verwerken en ergens in je leven neer te zetten.

Maar het verschil met veel vijftigers is, dat die vijftigers blijven. Ik voel dat zelf ook: eindeloos kritisch op de kerk, tegelijk eindeloos loyaal eraan. En daar scheiden de wegen. Die dertigers, ook mijn eigen kinderen, maken juist hier een andere keus. Ze zijn kritisch. Maar niet meer loyaal. Tenminste, niet loyaal aan zoiets institutioneels als de kerk. Wel loyaal aan zichzelf. Authentiek willen ze zijn: kernwoord van de postmoderniteit. En dat is mooi: als je kritisch bent, moet je eerlijk zijn, jezelf volgen. Je denkt niet van boven naar beneden, maar van binnen naar buiten. Je aanvaardt geen waarheid of normativiteit die van bovenaf wordt opgelegd. Je wilt er zelf achter staan, zelf kiezen, vanuit je eigen individualiteit waarheid vinden en ervaren.

En dus nemen ze afstand. En al snap ik die stap en keuze, hier heb ik mijn vragen. Vragen die voortkomen uit een psychologische waarneming. Uit de ontwikkelingspsychologie weten we, dat een mens zijn of haar opvoeding zelfstandig moet verwerken. Je zoekt een bepaalde positie los van of tegenover je ouders. En dus moet je ook een eigen verhouding vinden met wat je ouders je hebben meegegeven. En als de kerk van die opvoedingsbagage een dominant bestanddeel is, moet je dus ook zoeken naar een eigen relatie dáármee.

Heel veel mensen, ook vijftigers en zestigers, zijn zich daar nauwelijks van bewust. In pastorale contacten merk ik dat maar al te vaak. Ervaringen met je ouders, de opvoeding die je meekreeg, de plek van de kerk en het geloof daarin, die zijn veelsoortig en veelzijdig. Anders gezegd: die ervaringen zijn gemengd, zowel positief als negatief. Er zit ook veel pijn tussen, vervreemding, eenzaamheid, gevoelens van afwijzing. Hoe geef je die een plek binnen je eigen identiteit? Hoe vind je een balans, hoe krijg je vrede met je verleden, hoe integreer je die bagage in wie je nu bent?

Die worsteling zie ik in dit boek. Maar die zoektocht maken we dus allemaal. Waar komt de onvrede in mijn leven vandaan? Wat maakt dat ik een gat voel, of pijn, iets wat zeurt en schrijnt? En daar komt dan wat ik zie als een denkfout: velen zien dan de kerk als de bron van hun pijn. Ze gaan die kerkelijke cultuur zien als de oorzaak van hun gevoelens van eenzaamheid en onvrede.

Het zou voor sommigen wel eens heel verhelderend kunnen zijn, als ze die onvrede niet op de kerk projecteren maar in gesprek gaan met hun ouders. De kerk is maar een deel van je bagage, zij het vaak een dominant stuk. En een mens moet in gesprek komen met zijn eigen verleden. Dat moet een gesprekspartner van je worden, om niet te zeggen een vriend.

Ik geef toe: dat is een mooi ideaal. Vaak komen we niet verder dan afstand nemen van dat deel dat zeer doet, en het diep weg te stoppen. Om er hopelijk ooit nog weer in je leven een nieuwe relatie mee te vinden. Dat wens ik deze dertigers toe: een stukje afstand om niet de pijn maar de waarde te kunnen gaan zien van dat kerkelijke verleden. Misschien vind je er toch iets kostbaars in, iets wat je met liefde in je hart sluit. Misschien dat je achter je ouders iemand anders gaat herkennen.

Seks

En dan nog iets opvallends in het boek: seks. Als we de cultuur ontkennen, ontkennen we het leven. Als we het leven en onszelf ontkennen, ontkennen we ook onze lichamelijkheid.  En dus onze seksuele gevoelens.

In enkele bijdragen valt die onbalans , of misschien zelfs fascinatie met seks op. Ook alweer zo herkenbaar, moet ik onmiddellijk zeggen. Vijftigers zullen in hun eigen leven nog veel meer die ambivalentie herkennen ten opzichte van hun lichamelijke gevoelens. De boze wereld moest buiten blijven, maar het boze vlees was binnen. En daar moesten we maar mee in het reine zien te komen. Zonder enige begeleiding, zonder werkelijk gesprek erover. Als je zelf niet hebt leren praten over seks, heb je vaak ook niet geleerd het werkelijk te accepteren. Ook alweer zo’n psychologisch dingetje. En als je niet hebt geleerd er mee om te gaan, worden die onbeheersbare gevoelens al gauw geduid als duister en ‘zondig’.

Wat geef je dan door aan de volgende generatie? Een generatie die opgroeit in een wereld waarin seks net zo gewoon bij het dagelijkse leven hoort als eten en drinken? Hoe die generatie dat heeft ervaren lees je hier in meerdere bijdragen in het boek. De één na de ander is op zoek naar bevrijding uit een sfeer van geheimzinnigheid en beklemming. Onze culturele emancipatie is ook een lichamelijke bevrijding. In enkele bijdragen lijkt dat te leiden tot een pendelbeweging naar de andere kant: eindelijk vrij, leef je leven, grenzeloos!

Ook hier kan ik niet anders dan constateren, dat we een onbetaalde rekening gepresenteerd krijgen. We hebben over seksualiteit vooral gesproken in Hooglied-termen. Maar hebben we echt intimiteit en tederheid laten zien? Dat je van je lichaam en elkaar aan het genieten bent? En ook de keerzijde: zien we ook de duistere kant, het stukje pijn en eenzaamheid dat met seksualiteit verbonden is, onder ogen? Klinkt dat door in de manier waarop we daarover iets doorgeven?

Anders zijn die prachtige Hooglied-woorden niet meer dan verheven verbaliteit. Zonder werkelijkheidswaarde. De dertigers prikken daar doorheen: wees authentiek, wees jezelf.

Kerk waarheen

Lammert Kamphuis ziet de GKv als een laatste bolwerk van de verzuiling. Ik herken dat niet zo: er is al lang geen ‘groot verhaal’ meer. Dat wij dé kerk zijn, de enige, daarmee hebben we al lang gebroken. Dat begon al af te brokkelen in mijn studietijd, de jaren ’80 vorige eeuw. Toen hadden voor het eerst enkele aanstaande predikanten de euvele moed om op een kerkelijk examen te zeggen: ik weet niet of Paulus alleen aan de GKv een brief zou schrijven. Dat leidde toen nog tot afwijzing, je moest het examen overdoen om kandidaat (proponent) te kunnen worden. Maar het hek was van de dam, het was al niet meer te houden.

Nogmaals, daarmee ontken ik beslist niet dat wij die exclusiviteit in onze genen dragen. Zelfs als je er zelf niet aan bijgedragen hebt, heeft die sfeer nog lange tijd doorgewerkt, als een benauwende etensgeur die nog dagenlang in huis blijft hangen. In die zin moet je opnieuw naar die vijftigers en zestigers kijken. Daaronder vind je nog steeds mensen die in die wereld ondergedompeld zijn geweest en het nog in zich dragen. En soms is dat trekje ook in de kerk echt nog wel vrij prominent te voelen. Jongere generaties storen zich daaraan en ervaren die sfeer in de kerk als vervreemdend. Waar het nog sterk aanwezig is, ervaren ze de kerk zelfs als een vijftig-plus-instituut.

Toch denk ik, dat die vijftigers ook een generatie zijn die de transitie hebben ingeluid. Ze hebben bakens verzet. Alleen hebben ze dat nog voorzichtig gedaan, wilden ze het lijntje niet breken. De nieuwe generaties hebben daarin minder scrupules, ze gaan meer voor zichzelf. Dat bedoel ik zeker niet als een oordeel, misschien bewonder ik ze daarom wel juist. Wat ik niet deed en doe, doen zij wel. Ik heb veel respect voor de huidige generatie jonge theologen, mensen als Reinier Sonneveld en Rikko Voorberg. Maar het zijn wel theologen buiten of op de rand van de kerk. Ik herken hun zoektocht, existentieel. Ze raken heel duidelijk snaren bij mij. Maar ik voel me nog te zeer verbonden met de kerk om daar buiten te gaan experimenteren. Hun 7x7christendom is radicaal, maar durf ik het aan om het initiatief te nemen onszelf opnieuw uit te vinden?

In die zin daagt dit boek me uit. Want ‘gewoon doorgaan’ is geen optie meer. Intelligente, getalenteerde en hoogopgeleide jongeren laten ons dan ver achter zich. Wat overblijft zijn ja-knikkers en aardige mensen met grijs haar. En dan hebben we toch echt een generatie verloren.

Wat zou onze Heer dan willen?

Advertenties

One thought on “VRIJGEMAAKT? – 2

  1. Misschien dat veertigers de verbinding kunnen maken tussen de authentieke en creatieve maar niet loyale dertigers en de vijftigers die binnen de paadjes bleven. in mijn generatie zie ik een combinatie van loyaliteit aan de kerk gecombineerd met de vrijheid om buiten de bekende paadjes te gaan. Met daabij grote sympathie voor mensen die grote stappen durven te zetten omdat ze toch ergens een zekere loyaliteit blijven herkennen in de pionierende dertigers.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s