DOUMA’s afscheid van de GKV – een mix van principe en heimwee

Professor Douma heeft de GKV verlaten. ‘Duidt dit eens. Wat is er aan de hand?’ vroeg een kennis me. Het is een principiële keus volgens Douma zelf. Maar wanneer hij rekenschap van zijn overstap aflegt in het boek “Afscheid” valt mij ook op, dat Douma heimwee heeft naar vroeger. Terwijl de GKV stappen vooruit zet, is er bij Douma sprake van een retro-effekt: terug naar de vertrouwdheid van de vroegere vrijgemaakte kerk. Dat gevoel vindt Douma bij de GKN, de mildere variant van de twee nieuw-vrijgemaakte kerkgenootschappen die in 2003 en 2008 zijn ontstaan. De GKV is veranderd. Maar Douma ook. In Douma Jochemtegengestelde richtingen. Dus groei je uit elkaar. En trekt Douma een streep en zet een stap. Maar is die stap logisch in het licht van Douma’s vroegere opvattingen? In 2001, dus ruim 13 jaar geleden, beschreef Douma in zijn boek “Hoe gaan wij verder?” de ‘ontwikkelingen in de gereformeerde kerken (vrijgemaakt)’. Dacht hij toen net zo als nu in “Afscheid”?

VROUW IN AMBT EN SCHRIFTGEZAG IS PRINCIPIEEL

Douma  verlaat de GKV vanwege de genomen besluiten over de vrouw in het ambt door de synode van Ede in het voorjaar van 2014. Daar is volgens hem principieel ruimte voor gegeven. Nog niet door de vrouw in het ambt toe te laten binnen de GKV. Maar wel doordat de GKV besloten heeft te streven naar kerkelijke eenheid met de NGK. Daarbij is gezegd dat de vrouw in het ambt binnen de NGK geen principieel struikelblok meer is. Volgens Douma is daarmee de eigenlijke beslissing gevallen. En dat is, zegt Douma, gebeurd op grond van een andere visie op de verhouding tussen (om het eens kort en bondig te zeggen) ‘Schrift en cultuur’. Douma is van mening, dat de GKV door vrouwen toe te laten in de ambten “aan de cultuur boven de Schrift voorrang geven, in plaats van de Schrift over de cultuur te laten beslissen.” (Afscheid, blz. 23). En daar moeten we het als lezer mee doen. Douma haalt wel verschillende keren aan, dat de GKV in haar diskussie over de vrouw in het ambt en in haar samensprekingen met de NGK uitspreekt, dat we elkaar vinden in de erkenning en de aanvaarding van het gezag van Heilige Schrift. Maar hij gaat inhoudelijk nauwelijks in op de argumenten van de voorstanders voor de vrouw in het ambt. Die argumenten liggen vooral op het vlak van de hermeneutiek – een moeilijk woord voor hoe je de vertaalslag maakt van wat er toen in de Bijbel geschreven is en hoe je dat vandaag in de praktijk toepast. Het enige wat Douma zegt is “dat wij tegen het culturele standpunt in moeten vasthouden aan een rangorde tussen man en vrouw, met consequenties voor het kerkelijk ambt.” (Afscheid, blz. 24). Volgens Douma mogen vrouwen in de maatschappij alle leidinggevende functies bekleden, want dat gebeurde in de Bijbel ook wel. Maar de Bijbel kent geen priesteressen en vrouwelijke oudsten en Jezus stelde geen vrouwen als apostel aan. Punt.

Wat ik jammer vind is, dat Douma niet ingaat op hele integere studies over de positie van de vrouw in de Bijbel en in de culturen van toen. En dat hij ook helemaal niet ingaat op de ontwikkeling van de positie van de vrouw in de maatschappij van vandaag. Het blijft bij een uitspraak, dat “de culturele factor van belang is”, maar “daarmee moeten we niet het hoofd-zijn van de man ontkennen.” (Afscheid, blz. 24). Dat vind ik echt te kort door de bocht. Eigenlijk zegt Douma daarmee, dat wie voor de vrouw in het ambt is, uitspreekt dat man en vrouw volstrekt gelijk zijn. Terwijl volgens mij binnen de GKV er een ontwikkeling is geweest van ‘onderdanigheid’ naar ‘gelijkwaardigheid’. Aan die ontwikkeling heeft ook Douma een belangrijke bijdrage geleverd in de afgelopen 50 jaar. Al was het alleen maar op het maatschappelijke vlak door bv. al in een vroeg stadium voorstander van vrouwelijke raadsleden binnen het GPV (één van de voorlopers van de ChristenUnie) te zijn. Daarin volgden later minder progressieve vrijgemaakten zoals dr. W.G. de Vries, die in 1981 schreef: “Er is geen terrein afgebakend waar de man alleen een roeping of de vrouw alleen een taak zou hebben.” (in de bundel Vrouw en man – een plaatsbepaling, GSEV-reeks, nr. 6, 1983, blz. 6). Toen kwam ook al de opvatting voor, dat dit zou kunnen betekenen, dat mannen en vrouwen overal kunnen worden ingezet binnen het Koninkrijk van God, ook binnen de kerk als ambtsdragers. Nu lijkt dit standpunt breder gedeeld te worden. Maar het wordt door Douma weggezet als “We hebben Paulus tegen” (Afscheid, blz. 27), want die “harde tekst wordt met een eigen hermeneutiek zo zacht gemaakt dat ze onze wens om de vrouwen ambtsdrager te laten worden, niet meer in de weg staat.” (Afscheid, blz. 26). Voor Douma een duidelijk signaal dat de GKV ‘een kerk in verval’ is.

DE REST IS HEIMWEE

Na zijn verantwoording in hoofdstuk 1 en zijn principiële punt in hoofdstuk 2 gaat Douma in op ‘binding aan de belijdenis’ en ‘visie op de kerk’ in hoofdstuk 3. Daarna volgt de invulling van de kerkdienst met steeds meer Opwekking en steeds minder voorlezing van de Tien Geboden en catechismusprediking in hoofstuk 4. En in hoofdstuk 5 gaat het over huwelijk en andere samenlevingsvormen en over homoseksualiteit. Ook daarin is het verval in de GKV zichtbaar. Als ik op deze punten Douma vergelijk met hoe hij er in 2001 in Hoe gaan wij verder? over daDouma - Hoe verdercht, kan ik mij niet aan de indruk onttrekken, dat hij in 2014 de ontwikkelingen betreurt die hij zelf als een van de eersten in gang gezet heeft. In 2001 schreef Douma milder over variaties in de eredienst (bij gezangen “valt niet altijd zo makkelijk aan te tonen … dat het evident in strijd komt met wat de Schrift ons leert.” (Hoe nu verder?, blz. 54) en over de Tien Geboden: “Het is zeer zinvol naar de blijvende wet van God te luisteren … met nieuwtestamentische oren.” (Hoe nu verder?, blz. 132) In 2001 schreef Douma nog dat de kerken voor grote problemen staan als het om seks voor het huwelijk, samenwonen en echtscheiding gaat. “Maar dat is nog wat anders dan de strijd opgeven en … berusten in de nu eenmaal gegroeide situatie.” (Hoe nu verder?, blz. 128) En hij vindt het “weldadig” dat bij echtscheiding kerkeraden hun “herderlijke zorg voor de betrokkenen gestalte geven in troost, bemoediging en vermaan” (Hoe nu verder?, blz. 139) En in 2001 kreeg Douma van een kerkeraad de vraag of een gelovige zuster die lesbisch was en met een zuster uit de gemeente samenwoonde, belijdenis van haar geloof mocht doen. Uit het advies dat hij gaf citeert Douma o.a., “dat als twee homofiel geaarde broeders of zusters wel zijn gaan samenwonen, dit niet zonder meer moet worden afgekeurd en met de kerkelijke tucht bestraft moet worden. Zo zou het onjuist zijn om het samenleven van homofiele broeders en zusters, voor wie het geloof van beslissende betekenis is, in verband te brengen met de (homo)seksuele verwildering die in Genesis 19 en Romeinen 1 ter sprake wordt gebracht.” (Hoe nu verder?, blz. 143) Belangrijk is dan wel, dat de kerkeraad vanuit de Bijbel blijft spreken over homoseksuele relaties blijft spreken en dat deze twee zusters dat ook accepteren. Maar omdat de kerkeraad overtuigd is van de oprechtheid van haar geloof, kan de ene zuster wel belijdenis doen. Douma zegt erbij: “Tot een soortgelijke oplossing is het ook in andere gemeenten gekomen.” (Hoe nu verder?, blz. 144) Maar nu spreekt Douma stellige woorden over een kerk die de norm over het bijbels onderricht met betrekking tot homoseksualiteit aan het veranderen is. Hij gaat helemaal niet in op pastorale afwegingen die kerkeraden individueel maken. Integendeel, hij gooit het allemaal op één grote hoop door te zeggen dat de teneur in de GKV is: “Laten we dan niet moeilijk blijven doen over homoseksualiteit. Onze cultuur is grondig veranderd. We kijken inmiddels toch anders aan tegen de vrouw in het ambt en tegen acceptatie van homoseksualiteit!?” (Afscheid, blz. 67) en dat de GKV hard op weg is een kerk te zijn die “het homoseksueel samenleven als geoorloofde levensstijl in haar midden aanvaardt”, tenzij “de GKV op het laatste moment zich bekeert en haar heilloze weg duidelijk en compromisloos verlaat.” (Afscheid, blz. 168) In mijn ogen zijn dit enigszins ongenuanceerde uitsmijters, waarin ik niet de toon herken die Douma bezigde over het omgaan met homoseksuele broeders en zusters toen hij in de reeks Ethische Bezinning het boek Homofilie publiceerde.

Voor veel van deze onderwerpen geldt, dat Douma in de jaren ‘70, ‘’ 80 en ’90 pleitte voor openheid en tolerantie in plaats van wettische strakheid. Maar in 2014 kan hij de resultaten van die openheid niet meer meemaken en worden alle ontwikkelingen getypeerd als ‘generale trekken van verval’ en ‘het verbleken van het gereformeerde karakter’ omdat binnen de GKV ‘de cultuur boven de Schrift voorrang geven’. Dat zijn grote woorden die volgens mij volstrekt geen recht doen aan de manier waarop het overgrote deel van de plaatselijke GKV-kerken vanuit Gods Woord met al deze onderwerpen bezig zijn.

Dus ben ik geneigd te zeggen: Douma heeft, naast één principieel punt (de vrouw in het ambt op grond van verkeerd Schriftgebruik) vooral heimwee naar de tijd van vroeger, toen verschillende zaken die nu tot grote diversiteit leiden, nog grote uitzondering waren. Dat onderstreept hij zelf door te schrijven, dat verontruste GKV’ers te adviseren: “kies nog niet definitief voor het lidmaatschap van een kerk buiten de GKv of buiten de groep kerken die uit de GKv voortkomen.” (Advies, 79) Daarom kiest Douma voor het tweede nieuw-vrijgemaakte kerkgenootschap. Als je je daar bij voegt, ben je reformerend bezig en ga je, door te breken met de GKV, toch door “in een lijn die ons blijft verbinden aan het moois dat we in Afscheiding, Doleantie en Vrijmaking hebben ontvangen.” (Advies, 79). Wat een andere Douma kom ik hier tegen dan de Douma die in de jaren ’70 al schreef dat de sleutel voor kerkelijke eenheid bij de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk lag en in Hoe nu verder? oproept om serieus werk te maken van eenheid met de CGK en als het enigszins mogelijk is ook de NGK.

HOE MILD IS GROEPERING NUMMER 2?

Douma kiest dus voor de herkenbaarheid van vroeger. In een klein nieuw-vrijgemaakt kerkverband (GKN) waar volgens hem niet gezegd wordt dat de GKV een valse kerk is geworden. Dat zegt het andere kleine nieuw-vrijgemaakte kerkverband (DGK) volgens hem wel, dus bij die “radicale groepering” (Afscheid, blz. 69) wil Douma zich niet voegen. Bovendien zou de DGK zichzelf ‘de enige ware kerk’ in Nederland noemen, en de GKN niet. De toon van de GKN zou dus “duidelijk milder” (Afscheid, blz. 69).

Of deze waarnemingen van Douma kloppen, is voor mij zeer de vraag. Ook de tweede groep nieuw-vrijgemaakten heeft nog geen enkele andere kerkverband als ware kerk erkend. En ze waren ook niet erg mild toen ze de dolerende kerk van Dalfsen met ds. E. Heres (en in het kielzog daarvan de net ontstane nieuw-vrijgemaakte kerk van Assen die zowel de predikanten R. van der Wolf als E. Hoogendoorn en hun eigen oud-predikant E.Heres) het mes op de keel zetten in het maken van een keus voor één van GKN Vaste Rotsbeide nieuw-vrijgemaakte kerkverbanden. Met als gevolg dat de dolerende nieuw-vrijgemaakte kerk van Dalfsen scheurde en dat de nieuw-vrijgemaakten in Assen ds. Heres niet meer hebben toegelaten op hun kansel. En als Douma met nadruk andere verontrusten oproept, geen nieuw kerkverband te stichten, maar aan te sluiten bij een bestaand verband (Afscheid, blz. 73), vraag ik me af: waarom kiest hij dan voor het twééde nieuw-vrijgemaakte kerkverband dat twee ex-GKV-predikanten sinds 2008 hebben opgezet terwijl sinds 2003 al een nieuw-vrijgemaakt kerkverband was?

VAN HARTE GEREFORMEERD – WEDERZIJDS?

Douma heeft met zijn vrouw een gemeente gevonden “waar we ons thuis kunnen voelen”. En dat, terwijl de GKV geen ‘valse kerk’ zijn. Hooguit een kerk ‘in verval’. Vroeger veroordeelden we zulke stappen. Nu stapt iedereen stukken gemakkelijker over. Zelfs Douma. Gelukkig blijft de onderlinge band als christenen bestaan, zegt hij in zijn laatste paragraaf. Dat ben ik met hem eens. En in zijn laatste woorden spreekt hij de hoop uit, dat iedereen mag “proeven dat wij in het spoor van onze Heer en Heiland gereformeerde christenen willen blijven.” Ja, dat proef ik. Maar proeft Douma dat ook nog bij mij en vele anderen, die van harte gereformeerd willen zijn in de GKV?

 

Over verontruste vrijgemaakten zie de twee blogs Saul en David – jongerendag en landelijke dag en Over krekeltjes,  korenbloemen en zwart-witte koeien

Over de vrouw in het ambt zie de twee blogs Welke G/geest is er uit de fles?  en  Geestelijke wijsheid i.p.v. ongeduld of afstel bij vrouw in ambt

Advertenties

8 thoughts on “DOUMA’s afscheid van de GKV – een mix van principe en heimwee

  1. Hallo Ernst, Als warm voorstander van de vrouw in het ambt en oprecht de GKv dank voor je genuanceerde analyse. Ook op school hadden wij al geconstateerd dat het misschien wel ‘schuldgevoel’ is wat Douma drijft. Was hij in 70-er jaren niet ons lichtende voorbeeld? Hopelijk ondergaan wij zelf ook niet een retro beweging bij het ouder worden. Goede zondag en geniet in de vrijheid van Christus ontspannen van deze dag.

  2. Bedankt voor dit krachtige stuk. Fijn dat je de tekst ook hebt voorzien van duidelijke bronnen. Ondanks de reeds eerder in reacties genoemde nuances,is het een zeer duidelijk stuk!

  3. Zonder nu in discussie te willen gaan over de vrouw in het ambt: Typisch dat MANNEN er niet uit zijn. Maar ook dat MANNEN hierover in de toekomst gaan beslissen. Gelukkig in Christus is noch man, noch vrouw …

  4. Lieve mensen. Waar maak we ons druk om dogma’s of ‘”een” algemene christelijke kerk. Ik snap het niet meer waar kom je van daan, waar ben je geboren , hoe ben je beïnvloed. Voor mij geldt je geloof in je roots heel algemeen in God, in Allah of hindoe of ????
    Wij hebben een genadige God en rekent niet af voor je afkomst, laten we ruim denken en ons vertrouwen stellen op een opvoeding op een ruimdenkende lieve heer die niet afrekent op onze eigen geschiedenis.
    Niet bedoeld om te verzetten maar uit liefde. Groet een blijvende zoekende. Cor. Hoogenboom.

  5. Stuitend om te lezen dat je tot de conclusie komt dat er een onzuivere kant aan het vertrek van Douma zit, namelijk heimwee. Als er iets is wat je hem kunt verwijten dan dit niet. Hij is zichzelf gebleven : Schriftgelovig, de Gemeente is niet van theologen maar van Christus.
    Jammer dat de Bijbel dicht blijft in je kerkpolitieke stuk.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s