Memento Mori – gelovig gedenken als gemeente van Christus

‘Eeuwigheidszondag’. In veel protestantse kerken worden op deze zondag de gemeenteleden die in het afgelopen jaar gestorven zijn herdacht. Op de (één-na-)laatste zondag van november. Laatst werd aan mij daarom de vraag gesteld: ‘Waarom gedenken wij in onze kerk de overledenen op 31 december en niet op de (één-na) laatste zondag van november?’ Mijn antwoord was: ‘Omdat we als gelovigen niet leven bij het kerkelijk jaar, maar bij de christelijke jaartelling.

Oudjaarsavond of ‘Eeuwigheidszondag’?

Kaars brandendIn de gereformeerde kerken bestaat al meer dan 150 jaar de gewoonte om op Oudjaarsavond een kerkdienst te beleggen. Daarin blikken we als gelovigen terug op wat het afgelopen jaar ons gebracht heeft. Alle ingrijpende momenten uit het leven krijgen daarin een plaats. En dus gedenken we in die kerkdienst ook de gemeenteleden en de geliefden van gemeenteleden die het afgelopen jaar zijn overleden. Persoonlijk vind ik zo’n kerkdienst op 31 december een heel natuurlijk moment. Alle belangrijke gebeurtenissen gebeuren op een bepaalde datum en die datum zoveel jaar ‘na de geboorte van Christus’. Maar er is ook een andere ontwikkeling in onze kerken. Namelijk: als je het liturgisch helemaal goed wilt doen, zou je de overledenen moeten gedenken op de laatste zondag van het kerkelijke jaar. Dat is eind november, een week voordat de vier zondagen van advent beginnen. Ik schreef daar een paar jaar geleden al eens een blog over met als titel Oudejaarsdienst 31 december – gelovig terugkijken, gelovig gedenken. In dat artikel haalde ik een collega aan die in de Gereformeerde Kerkbode van het Noorden in dec. 2013 een pleidooi voerde voor de invoering van ‘Eeuwigheidszondag’. Hij vroeg zich af: moeten we als kerk de overledenen herdenken in de deining van het wereldlijke jaar of in het ritme van de kerk en in de cadans van de heilsfeiten? Hij koos voor het laatste. In tegenstelling tot mij. Ik zal uitleggen waarom.

Als gelovige leef ik bij de christelijk jaartelling

Ik leef, als ik voor mezelf spreek, als gelovige veel meer bij de christelijke jaartelling dan bij het kerkelijk jaar. Iedereen van ons is in dit leven geboren op die ene, door God bepaalde datum in het jaar 1900- of 2000-zoveel. En de dag waarop de HERE het leven terugneemt koppelen we ook die ene datum uit de christelijke kalender. Dus komt een zondag in november op mij over als een onnatuurlijk, geforceerd en kunstmatig moment. Voor mijn gevoel gedenk ik dan de gemeenteleden en geliefden die overleden zijn wél in geloof, maar níet in het ritme van het gewone, dagelijkse leven. Een kerkdienst op Oudjaarsdag vind ik juist een heel natuurlijk, zinvol en kostbaar moment. In mijn beleving laten we aan het eind van het jaar als gelovigen samen Gods licht schijnen over alles wat er in het afgelopen jaar gebeurd is. Op de dag (tegenwoordig zelfs alle vijf dagen na Kerst) dat heel de wereld uitgebreid stilstaat bij weer een jaar voorbij, geven wij als christelijke gemeente daar de meest optimale invulling aan, namelijk met de Bijbel open en de blik vol emotie achterwaarts, vol vertroosting omhoog en vol verwachting vooruit gericht. Geef mij daarom dus maar een kerkdienst op Oudjaarsdag. Echt, 31 december is dé meest geschikte avond om onze geliefden in geloof te gedenken.

Deining en willekeur

Toen ik dit aan mijn collega liet weten reageerde hij begin januari 2014 als volgt.

Ik vind je argumentatie voor de Oudejaarsavond als gedenkmoment nogal zwak. Je schrijft : ‘Het ritme van de jaartelling is een scheppingsgegeven’. Ja dat lijkt me nogal logisch. Maar waar begint dat jaar? Dat is arbitrair. Als de kerk daarin wil kiezen voor een eigen cadans naast of misschien zelfs gegenüber de rest van de wereld lijkt me dat zo slecht nog niet. En dan kun je het reguliere jaarwisselingsgebeuren nog steeds kerkelijk zeer goed invullen in een terugkijken met de kalendermatige jaaroverzichten. Maar dan kies je wel stelling op het punt van: de kerk denkt in de deining van wat Christus hier op aarde heeft gedaan. En dan is Advent Nieuwjaar. Ik hoop dat je deze overpeinzing enige kans en stilte wilt geven en ben benieuwd naar je reactie.

We leven nu alweer bijna in 2017. Ik heb er niet permanent over nagedacht, maar toch wel regelmatig. En ik ben nog steeds niet van mening veranderd. Integendeel. Als 1 januari een willekeurig moment is, is de kalender van het kerkelijk jaar dat al helemaal. Die is namelijk gebaseerd op de geboorte van onze Heer. Volgens mij is overtuigend aangetoond dat dat niet op 25 december in de winter plaatsgevonden heeft.  Bovendien, waarom zouden we als kerk een alternatieve jaarcyclus invoeren en ons daarmee naast of zelfs tegenover de wereld gaan opstellen? Ik denk dat het veel beter is om een christelijke invulling te geven aan wat we in de samenleving belangrijke momenten vinden. Je moet als kerk daar zijn, waar de mensen zijn. Dus houden we op 24 december een Kerstnachtdienst en blikken we op 31 december gelovig terug op het afgelopen jaar, met speciale aandacht voor wie in dit jaar des HEREN door Hem uit dit leven zijn weggenomen. Dat is voor mij geen willekeurig moment, maar daarmee deinen we als kerk van Christus mee op het ritme van de wereld die Hij in zijn hand houdt.

Voor wie nog wat meer wil lezen: Eind december 2013 schreef ik dus de blog Oudejaarsdienst: gelovig terugkijken en gelovig gedenken. Eind december 2014 schreef ik nog twee stukjes. De eerste ging over waarom wij in de Oudjaarsdienst kaarsen aansteken: Kaarsen met oudejaarsavond. In het tweede stuk stond de tekst van de gedichten die bij het ontsteken van de vier kaarsen zijn voorgelezen: Als het leven soms pijn doet op Oudejaarsavond.

Wanneer laat je je kind dopen?

‘Ik heb de indruk dat ouders de doop van hun pasgeboren kind tegenwoordig wat uitstellen. Als die indruk klopt, waar komt dat dan door? En wat vinden we daar van?’ Daarover raakten we als ouderlingen en predikant met elkaar in gesprek op een kerkenraadsvergadering.

Na veertien dagen of na anderhalve maand?

De eerste vraag die beantwoord moet worden is natuurlijk of de indruk van de ouderling die dit onderwerp aankaartte klopt. Ik denk dat het antwoord ‘JA’ is. Vroeger lieten ouders hun pasgeboren kindje vaak op de tweede of derde zondag na de geboorte dopen. Dat gebeurt nog wel, maar het komt ook wel vaak voor, dat er een maand of anderhalve maand tussen geboorte en doop zit. Wat zou daar de reden van zijn? En hoe erg is het om de doop een paar weken uit te stellen?

Liever een paar week later, want …

Waterdruppel 1Ik herken de tendens om kinderen iets later te laten dopen. Als ik  voor mezelf na ga waar dat door komt, denk ik aan de volgende redenen:

  1. Een aantal keren heb ik van jonge moeders gehoord, dat ze de doop van hun eerste kind niet helemaal bewust hebben meegemaakt, omdat ze toen nog ‘netjes’ hun kleine op de tweede of derde zondag lieten dopen. Daarom nemen ze bij een tweede kind liever wat langer de tijd om te herstellen, zodat ze de doop goed mee kunnen beleven.
  2. Soms is de baby te vroeg geboren of moet de moeder echt herstellen van de bevalling. Bij een vroeggeboren baby of als de kleine ziek in de eerste weken ziek wordt is het goed te begrijpen dat de doop een aantal weken opgeschoven wordt. En het lijkt mij ook goed te verdedigen dat je met de doop van je zoon of dochter wacht totdat de moeder weer fit genoeg is om bij de doop aanwezig te zijn.
  3. Een doopdienst is tegenwoordig meer dan vroeger ook een hoogtepunt in de familie. Daar willen vooral de grootouders (en soms zelfs de overgrootouders) graag bij aanwezig zijn. En vaak ook de kersverse ooms en tantes. Dat betekent wel dat er veel agenda’s op elkaar afgestemd moeten worden.
  4. Vaak vinden ouders het ook prettig wanneer de eigen predikant de doop bedient. En omgekeerd is dat, als ik voor mezelf spreek, ook het geval. Ook dan is het wel even goed kijken naar de meest geschikte zondag, omdat de dominee niet altijd in de eigen gemeente voorgaat (of plotseling ziek wordt) en er regelmatig speciale diensten op het rooster staan.
Zo spoedig mogelijk?

In de kerkorde die tot 1 juli 2015 in onze kerken geldig was staat in artikel 56: Aan de kinderen van de gelovigen zal de doop als zegel van Gods verbond zo spoedig mogelijk bediend worden in de openbare eredienst. In de nieuwe kerkorde die vanaf 1 juli 2015 is ingevoerd staat in artikel C39.1: De heilige doop wordt als zegel van Gods verbond bediend aan de pasgeboren kinderen van de gelovigen. ‘Zo spoedig mogelijk’ is dus vervangen door ‘pasgeboren’.

doopvont Jozefkerk AssenMaar hoe snel moet je de doop dan bedienen? In onze gereformeerde traditie van de afgelopen 150 jaar is er twee keer een periode geweest dat veel kerkleden zeiden: zo snel mogelijk is in principe meteen op de eerste zondag na geboorte. De aanhangers van deze gedachte werden de ‘vroegdopers’ genoemd. Rond 1890 werd deze gedachte nogal sterk gepromoot door Abraham Kuyper. En meteen na de Vrijmaking in 1944 waren er ook veel predikanten die erg nadrukkelijk voor de vroegdoop waren.

De reden daarvoor was niet, zoals bij de Rooms-Katholieke kerk, dat de doop de erfzonde wegwast en dat baby’tjes die ongedoopt stierven, niet in de hemel konden komen. Maar in de tijd van Kuyper en bij een aanzienlijke minderheid na de Vrijmaking vond men het erg belangrijk dat je de Drie-Enige God niet liet wachten om zijn teken en zegel op het voorhoofd van je kind te zetten. Als de HERE zulke prachtige beloften aan je kind wil geven, hoe haal je het dan in je hoofd om te zeggen om Hem twee of drie weken of zelfs anderhalve maand te laten wachten? Soms zette de vader deze mening zelfs door terwijl de moeder daar helemaal niet blij mee was. Ik herinner mij uit mijn jeugd een situatie dat de moeder bij de derde zwangerschap zei: ‘Ik hoop maar dat de baby op zondag geboren wordt, dan kan ik er deze keer op de volgende zondag hopelijk wel bij zijn.’

Toch hebben de aanhangers van de vroegdoop nooit de meerderheid gekregen in de Gereformeerde Kerken. En in het Noorden van het land al helemaal niet. Want daar waren de meeste kerken uit de Afscheiding (1834 – Hendrik de Cock) afkomstig en niet uit de Doleantie (1886 – Abraham Kuyper). Hendrik de Cock stond erom bekend, dat hij graag beide doopouders bij de doopvont zag verschijnen.

Van uitstel komt geen afstel

Dat betekent niet, dat wie niet voor de vroegdoop zijn, de kinderdoop onnodig willen uitstellen. Het argument om te wachten met de doop totdat ook de moeder erbij kan zijn, is juist goed te verklaren vanuit de doopvragen. Daarin beloven beide ouders dat ze hun kind gelovig zullen opvoeden. Die taak rust namelijk op de schouders van beide ouders. En in het doopformulier staat ook de zin, dat we in de kerk de doop bedienen ‘tot eer van God, tot versterking van ons geloof en tot opbouw van de gemeente’. Die tweede reden geldt toch zeker ook voor de moeder! Juist als het allemaal niet zo vlotjes gegaan is tijdens de zwangerschap, bij de bevalling of in de weken erna. In een vorige gemeente was dit het argument van een moeder die pas twee maanden na de bevalling weer in staat om in de kerk te komen. Dat kun je toch geen onverantwoord uitstel van de doop noemen? Het was juist een hele blijde en bemoedigende zondag voor deze moeder dat ze na zo’n moeilijke periode van bijna een jaar bij de doopvont stond om haar JA-woord te geven en samen met haar man haar kind ten doop te houden!

Niemand wil God onnodig laten wachten

Doop - eerste belofteHet klopt wel dat de doop in onze kerken de laatste jaren wat wordt uitgesteld. Ook worden er in sommige vrijgemaakt-gereformeerde kerken aparte doopzondagen belegd. Maar voor zover ik weet is dat overal 1x per maand en nergens 2x of 3x per jaar, zoals je in andere kerken nog wel eens ziet. Het komt dus bijna nooit voor dat een baby pas na een aantal maanden gedoopt wordt. In de doopgesprekken (en die doe ik in alle gevallen altijd zelf) merk ik ook bij niemand dat men heel gemakkelijk de doop uitstelt. Men vindt het eerder jammer als het toch wat langer duurt, ook al zijn de redenen daarvoor goed te begrijpen. De periode tussen geboorte en doop blijft dus beperkt. Want God wil iets heel moois geven aan weer een nieuw klein kindje van Hem: zijn eeuwige beloften als Vader, Zoon en Heilige Geest. De doop is daar teken en zegel van. Dat moment is zo waardevol, dat in onze kerken niemand die zondag onnodig uit wil stellen.

Over het goed recht van de kinderdoop schreef ik al eerder een paar blogs:
Sela over de doop
Te vroeg of te laat, maar niet dubbel
Kinderdoop normaal – uitstel soms – herdoop nooit