KERST komt niet zomaar uit de lucht vallen

Bij iets onverwachts zeggen we wel eens:  ‘het komt zomaar uit de lucht vallen’. Dat gevoel kun je bij Kerst ook hebben. Vooral als je aan de herders denkt. Voor hen kwam, letterlijk, die ene engel en daarna het hele Engelenzang Wandkleedengelenkoor zomaar uit de lucht vallen. Toch is dat niet helemaal waar. De engel (misschien was het wel Gabriël) zegt namelijk tegen hen: Jullie hoeven niet bang te zijn, want ik breng jullie goed nieuws. Het hele volk zal daar blij mee zijn. Vandaag is jullie Redder geboren: Christus, de Heer. Hij is geboren in Betlehem, de stad van David.

ZO IS HET BELOOFD!

Het is dus beloofd. Als je je Bijbel een beetje kende als gelovige Israeliet, wist je dat God beloofd had dat er een Redder zou komen die de mensen zou bevrijden uit de macht van de duivel, uit de greep van het kwaad en uit de invloedsfeer van de zonde. Meteen na de zondeval in het paradijs deed God die toezegging al, in de allereerste belofte van verlossing: Vijandschap sticht Ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en die van haar, zij verbrijzelen jou de kop, jij bijt hen in de hiel. Wanneer dat zou gebeuren, zei de HERE er niet bij, maar beloofd is beloofd: de duivel zal het niet redden, God zal hem verslaan, en heel veel mensen terugwinnen. Ja, dat is wat God wil: mensen terugbrengen bij Hem, terug bij God, terug bij onze Schepper. Die belofte is God blijven herhalen, heel het Oude Testament door. Het wordt allemaal ook steeds konkreter: de beloofde Redder komt uit het volk van Abraham, uit het koningshuis van David en zal worden geboren in het gehucht Betlehem.  De gelovigen in het Oude Testament hebben er lang op moeten wachten.Dat was niet altijd even gemakkelijk. Soms lieten ze de moed zakken. Maar uiteindelijk is Jezus Christus wel gekomen. Die ene aartsengel en daarna het hele engelenkoor bij de herders kwam niet zomaar uit de lucht vallen.

ZO IS HET GEBEURD!

Eeuwenlang verwacht – eindelijk gekomen. Zo hebben de gelovigen het ervaren toen ze hoorden en zagen, dat de lang beloofde Redder eindelijk gekomen was. Ze kregen, als dat nodig was, zelfs een extra teken. En daarna zingen ze van blijdschap: zo is het gebeurd!

Neem Maria. Als zij hoort dat ze de moeder van Gods Zoon mag worden, neemt ze graag haar plek in in Gods verlossingsplan. Ze jubelt het uit, zo jong als ze is, een jaar of 15 waarschijnlijk: Mijn ziel prijst en looft de Heer, mijn hart juicht om God, mijn redder: Hij herinnert zich zijn barmhartigheid jegens Abraham en zijn nageslacht tot in eeuwigheid, zoals Hij aan onze voorouders beloofd heeft.

Neem Zacharias. Negen maanden kon hij geen stom woord uitbrengen, maar als hij weer praten kan, jubelt hij het uit, omdat de kleine Johannes als hij groot geworden is, aan Gods volk hun geestelijke redding bekend mag maken: de vergeving van hun zonden. Dus jubelt ook hij het uit: Geprezen zij de Heer, de God van Israel. Hij heeft zich om zijn volk bekommerd en het verlost. Een reddende kracht heeft Hij voor ons opgewekt uit het huis van David, zijn dienaar. Dankzij de liefdevolle barmhartigheid van onze God zal het stralende Licht uit de hemel over ons opgaan.

Neem Simeon. Hoe blij is hij als hij op zijn oude dag in de tempel het kindje Jezus op de arm mag nemen. Dan jubelt ook hij het uit: Met eigen ogen heb ik de redding gezien die U bewerkt hebt ten overstaan van alle volken: een Licht dat geopenbaard wordt aan het heidendom en dat tot eer strekt van Israel, uw volk.

Neem Paulus. Die kwam wel op een heel speciale manier met Jezus zijn Verlosser in aanraking. Toen hij ‘om’ was, heeft hij nooit iets anders meer gedaan dan aan iedereen die het maar horen wil te zeggen: Deze boodschap is betrouwbaar en verdient onze volledige instemming: Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaars te redden. Ik was de eerste en juist over mij heeft Christus Jezus zich ontfermd, zodat ik een voorbeeld werd voor allen die in Hem geloven en het eeuwige leven zullen ontvangen.

ZO IS HET GEGAAN!

De tijd is niet stil blijven staan. Vandaag leven we ± 2015 jaar na de geboorte van Jezus Christus, het Kerstkind. We leven in een totaal andere tijd als toen. Maar God is niet veranderd. En wij ook niet. Tenminste, volgens de Bijbel zijn wij nog steeds mensen die, als het erop aan komt, onszelf niet kunnen redden, omdat we allemaal zondaars zijn en schuldig voor God staan. Als je dat erkent, weet je ook, dat je iemand anders nodig hebt die jouw redding is. Iemand waarvan God beloofd heeft: “Daar zal Ik voor zorgen!” Aan dat vooruitzicht klampten de gelovigen in het Oude Testament zich vast: “Maar straks kómt er Iemand!” Het is beloofd, wisten Adam en Eva, en Abraham, en David, en Jeremia, en Micha. Toen het allemaal uit kwam, waren de gelovigen in het Nieuwe Testament er enorm blij mee: “Nu ís er Iemand gekomen!” Het is gebeurd, geloofden Maria, Zacharias, Simeon en Paulus.

Wat zal dan vandaag jouw en mijn reaktie zijn? Ik hoop dat heel veel mensen met Kerst zeggen: “Hij is ook voor mij gekomen!” Dan is Jezus Christus niet alleen maar een kindje dat dik 2000 jaar geleden geboren is in een stal, maar ook de Persoon die nu woont in het hart van gelovige mensen. Dan heb je ervaren: zoals het beloofd en gebeurd is, zo is het ook gegaan in mijn leven. Jezus heeft ook mij gered en weer op de weg naar God gezet. En daar ben ik, net als al die andere gelovigen van vroeger en nu, heel erg blij mee!

 

Kerstfeest
Je vroeg mij, om een kerstgedicht te schrijven;
ik kan natuurlijk op de vlakte blijven
en spreken van de herders en de stal,
van engelen, die het heelal
vervulden met hun jubelende zingen,
van al die mooie, wonderlijke dingen
bij de geboorte van de Zoon van God –
maar ‘k bleef daarbij dan zelf wel buiten schot.

 

Ik zou ook wel van vrede kunnen spreken,
van volkeren die hun verdragen breken,
die mensenrechten treden met de voet;
van wanhoop, want men weet niet hoe het moet
om ooit op aarde vrede te bewerken,
omdat de zwakken vluchten voor de sterken,
omdat ze hulp’loos schreeuwen: ‘Waar is God?’
Maar dan nog bleef ik zelf wel buiten schot.

 

Het is zo makkelijk om God te vragen
je zonde als de nevel weg te vagen,
te bidden om de vreugd die niet vergaat,
terwijl je alles bij het oude laat;
maar Bethlehem is tot een eeuwig teken
dat wie God aanroept, met zichzelf moet breken;
hij houdt zijn leven niet meer buiten schot:
doeltreffend is de liefdepijl van God!
Nel Benschop – De stem uit de wolk (verzamelde gedichten), Kerstfeest 1982, pag. 350

 

 

 

Advertenties

Philippus Roorda – ‘Wel zok aan Jezus Christus overgeft, dij zien leven komt goud terecht.’

Roorda NDOp 8 december was ik aanwezig op de begrafenis van meneer Roorda, geboren op 20 april 1924, overleden op 3 december 2015. ‘Meneer Roorda’ – zo ben ik hem altijd blijven noemen, mijn oud-leraar Latijn op het Gereformeerd Lyceum, zoals het Gomaruscollege in mijn tijd (1977-1983) nog heette. Hij was voor veel leerlingen een schrijver op het tablet van mijn hart, zoals Koert van Bekkum het op 7 december prachtig onder woorden bracht op het theologenblog van het Nederlands Dagblad.

Twee dingen wil ik graag doorgeven, omdat het blijvende indruk op mij gemaakt heeft. Het eerste is een briefwisseling van bijna 19 jaar geleden. Toen kreeg ik op mijn verjaardag het boekje ‘Joar en dag’ – een bundeltje met bijna 30 Groningse overdenkingen n.a.v. kerkelijke feestdagen en bijzondere gebeurtenissen in het leven. Eén van die overdenkingen ging over Leven met als tekst Johannes 17:3 (“Dit is  t aiwege leven, dat ze Joe kennen”) en was geschreven door Ph. Roorda. Mede naar aanleiding van die overdenking schreef ik hem een brief die ik begon in het Gronings en vervolgde in het Nederlands. 

Beste Roorda,

Sins joar en dag heb ik docht, dat joe gain aspiroaties haren om pastor te worden. Moar òflopen week laangde mien bruier mie n luddek boukje mit Grunneger overdenkns tou. ’t Was nog veur mien joardag. En verdold, dou ik aan t lezen goan was, zag ik in ainen joen noam stoan, en ik dochde: “Is Roorda ook bie profeten?” Joa, dochde ik, dat is e zien haile leven al, moar den wel in andere zin, meer old-testamentisch, vergreld op oewassen in gemainte van Christus, dij doar nait maggen. Dizze menaier van ‘profetisch optreden’ past meer in traditie dij je ien Neije Testament tegen kommen: deurgeven van Gods riekdom ien hoop dat mensen deur Geest ien t hart roakt worden.

In zijn antwoord komt duidelijk naar voren, wat meneer Roorda altijd gedreven heeft als hij weer eens de publiciteit zocht als kritikaster van vrijgemaakte eigenaardigheden. Hij begon te vertellen dat hij net bezig was het bijbelboek Amos te vertalen in het Gronings en dat dat zo lekker ging, want Amos is “een boer is, deur de Heer achter de baisten vothoald, die één allesbeheersende overtuiging heeft en daarmee losbrandt tegen ’t schietvrome volk.” En vervolgens legde hij de link met mijn opmerkingen:

‘Vergreld op oetwazzen in gemainte van Kristus dij doar nait wezen maggen’ daar heb je de éne kant van mij wel juist mee uitgedrukt. Door de nadruk óp en veelvuldige herhaling vàn dat aspect is het tweede wel eens wat in de verdrukking gekomen; maar wees overtuigd dat het me in wézen altijd om het tweede is gegaan: ‘deurgeven van Gods riekdom’. Mijn laatste jaren op onze school heb ik me dat goed gerealiseerd. Toen heb ik dan ook als uitgangspunt genomen: Rom. 5:1 en Ex. 34:6 en 7a, dat op allerlei manieren terugkeert in heel het O en NT, tot in de spijtige reactie van Jona toe.

En natuurlijk kon hij het niet laten om nog een opmerking te maken over het feit dat ik de Groningse aanhef met Beste Roorda begonnen was, en daarna in het Nederlands overstapte met Nogmaals, geachte meneer Roorda.  Dat vond hij “een typisch verschil, dat idiomatisch geheel correct is”, want in het Gronings drukt men zich wat ruiger en minder ‘correct’ uit als in het Nederlands.

Roorda Aiweg levenDeze ontboezeming van meneer Roorda, dat het hem er bij alles altijd om ging om Gods rijkdom in Jezus Christus centraal te stellen, is mij altijd bijgebleven. In het twee pagina’s grote interview in het Nederlands Dagblad van 18 mei 2013 benadrukt hij ook de ruimte van Gods genade in Jezus Christus. “Het geopende graf stelt mij in de ruimte” is een van de laatste zinnen van dat interview. En dat is ook de oproep waar Ph. Roorda zijn Groninger meditatie mee afsluit: “Wel zok aan Jezus Christus overgeft, dij zien leven komt goud terecht.”

En dan de tweede herinnering. Onder één van de lessen Hebreeuws in de vijfde of zesde klas van het Lyceum (onder Latijn werd nooit over welke actuele onderwerpen dan ook gesproken) ging het over Pasen. We zongen toen in onze GKV-kerken nog maar een handjevol gezangen, dus je had op Paaszondag niet zoveel keus. Dat vond meneer Roorda meer dan jammer, want het mooiste Paaslied aller tijden was toch wel Daar juicht een toon, daar klinkt een stem. De vier verzen van dat lied, daar zat de hele rijkdom van het christelijk geloof in, vond hij. Elk jaar met Pasen móet je daarom wel beginnen met het zingen van dit lied.

Tijdens de indrukwekkende begrafenis van Philippus Roorda kwamen beide herinneringen bij mij weer boven. Romeinen 5:1-11 werd gelezen, samen met Kolossenzen 1:12-20 en Zondag 23:60 en Zondag 1:1 van de Heidelbergse Catechismus. En het verwonderde mij niet, dat we op de begraafplaats na het neerdalen van de kist ‘Daar juicht een toon, daar klinkt  een stem’ zongen. Meneer Roorda’s mooiste Paaslied, waarvan ik niet weet of hij het ook kende in het Gronings.

1/ Doar klinkt een toon joechaait een stem,
dij gaalmt deur hail Jeruzalem.
Doar gloort het nije mörgenrood:
de Zeun van God ston op oet dood!

 

2/ Gain graf huil Doavids Zeun omkneld,
Hai overwon dei staarke held.
Hai steeg oet ‘t graf deur aigen kracht,
joa, Hai is God, omkled mit macht!
3/ De angel is tou dood oethoald,
want alles is veur ons betoald.
Wèl in geleuf mit Jezus gait,
dij vreest veur dood en duvel nait.

 

4/ Want nou Heer Jezus opstoan is,
begunt ons nije leven wis!
Een leven deur zien dood beraid,
een leven in zien heerlekhaid.

En zo werd de mensaap beeld van God?

Ergens halverwege het evolutieproces besloot God van een mensaapachtige voorouder een mens te maken door hem de levensadem en de goddelijke Geest in te blazen. Daardoor ontvingen twee ‘hominiden’ van God een moreel bewustzijn, een vrije wil, het verstand, de taal en de liefde voor God. Oftewel: toen God op een gegeven moment in de geschiedenis besloot het ‘project mens’ te starten en met Adam en Eva een relatie aan te gaan, maakte Hij twee inmiddels tot mensaapachtigen geëvolueerde schepselen tot zijn beelddrager.

Theïstische evolutie

Veel christenwetenschappers hangen deze gedachte aan op grond van goede wetenschappelijke theorieën die stevig gefundeerd zijn op veel waarnemingen en experimenteel onderzoek. Puur materieel lijkt ons DNA sterk op dat van chimpansees en is het met name onze opmerkelijke menselijke geest die het verschil maakt tussen mens en dier. Toch noemen ze zich theïstisch evolutionist, omdat ze er gewoon niet bij kunnen (net als veel niet-religieuze wetenschappers trouwens) dat deze ingenieuze wereld helemaal uit toeval en chaos ontstaan is. Als christenen geloven ze echt in een scheppende God, maar vinden de bijbelse beschrijving van de schepping historische poëzie. Genesis 1 bezingt de werkelijkheid van de schepping meer dan dat het die letterlijk beschrijft.

 Geforceerde ‘hominide’-verklaring

Als je de opbouw van met name Genesis 1 bekijkt, is het mogelijk om te veronderstellen dat de historische werkelijkheid van de schepping op een literaire wijze beschreven wordt. Deze opvatting kent binnen de gereformeerde Schriftuitleg een legitieme plaats. Maar waarom moet je dan je toevlucht nemen tot de geforceerde verklaring, dat God ergens in het evolutieproces van miljarden jaren door middel van een eenmalig ingrijpen plotseling twee (of beter: een groep) mensaapachtige voorouders heeft opgewaardeerd tot mensen die geestelijk gezien Gods evenbeeld zijn en op Hem lijken? Ik denk dat deze verklaring over het ontstaan van de mens als enig intelligente zoogdier door elke andere wetenschapper gekraakt wordt als pure speculatie.

Een consequent christelijke toepassing van de theïstische evolutie of de Intelligent Design-gedachte moet er wel toe leiden dat je openlijk erkent dat er ergens een goddelijk ingrijpen heeft plaatsgevonden. Als je de Bijbel als uitgangspunt neemt, gebeurde dat toen de HERE God één mensenpaar schiep. Een christen-wetenschapper die daar aan begint te twijfelen, legt het ingrijpen van God ergens anders. Dat lijkt me tamelijk willekeurig. Niet als wetenschapper, want die begint altijd ergens met zijn hypothese en gaat dan de discussie aan over de houdbaarheid van zijn theorie. Maar wel als gelovige: waarom zou je zelf een ander uitgangspunt nemen dan de Bijbel doet, als je dat tenminste echt als Gods Woord ziet en als het meest bevredigende antwoord op alle levensvragen?

Werken met de hypothese ‘evolutie’

Als christen kan ik in de wetenschappelijke discussie tot op zekere hoogte best uit de voeten met de hypothese van de evolutietheorie. Ook als je gelooft in een zesdaagse schepping, kun je de ontwikkeling van de aarde wetenschappelijk gezien terug-beredeneren. Neem bijvoorbeeld de eerste eiken die God op de derde dag schiep. Die hadden wel meteen driehonderd jaarringen en waren dus op hun scheppingsdag wetenschappelijk gezien 300 jaar oud. Hetzelfde geldt voor de aardolie en het aardgas in de grond. Het ontstaat in een proces van eeuwen, leert de wetenschap ons.  Dus kan en moet je  voor het wetenschappelijk onderzoek uitgaan van die duizenden jaren voordat de natuurlijke processen van dierlijk en plantaardig materiaal boven de grond uiteindelijk tot vorming van aardolie en aardgas diep onder de grond geleid heeft. Wat is er op tegen om op die manier evolutietheorie met haar miljoenen jaren als werkhypothese te gebruiken? Niet veel, lijkt mij. Als gelovige kun je een andere mening over het daadwerkelijke ontstaan van het heelal en de aarde hebben. Persoonlijk geloof ik niet in de tot nu toe moeilijk te bewijzen stelling van de evolutietheorie dat soorten geleidelijk in elkaar overlopen. Ik denk dan eerder, dat God voor bepaalde levensvormen dezelfde principes gebruikt heeft en dat er sprake is van ‘sprongsgewijze evolutie’ van het ene domein naar het andere domein. Dat strookt ook wel met de opbouw van het scheppingsverhaal van Genesis 1 – met als sluitstuk de mens als kroon op Gods schepping.

En al die fossielen dan?

Heeft de HERE God dan een aarde geschapen inclusief de fossielen van dinosaurussen en dergelijke erin? Dat is een punt. Als ik mijn verstand uitschakel zeg ik eigenlijk hetzelfde als wat iemand in de jaren ’50 tijdens een gesprek waarin het over dit soort vragen ging, op z’n Zwols tegen mijn vader zei: ‘Gait, dat hef de ‘ERE d’r allemaol inne-stupt.’ Dat is in mijn optiek wel een wat al te gemakkelijke oplossing, want hoe zit het dan met de mammoet en de dinosaurus? De optie dat die bij de zondvloed niet mee mochten, is ver gezocht. Dan zoek ik het liever in een oprekken van de tijd tussen schepping en zondvloed. Die was langer dan een kort momentje ‘hemel en aarde’ + ‘zes-keer-24-uur’ + de optelsom van de levens van de stamvaders uit de geslachtsregisters van Genesis 5.  Anderzijds hoort bij een schepping in zes dagen ook, dat net als de aardolie en het aardgas, ook de fossielen er bij ingeschapen zijn als verstening van dierlijk en plantaardig leven. Probleem is dan, dat ‘de dood’ er voor het natuurlijke leven wel bij hoorde. Die veronderstelling is niet door alle gereformeerde theologen afgewezen. Adam en Eva geloofden dat ze als mens niet zouden sterven zolang ze niet zouden zondigen, maar wisten wel van de seizoenen en van het rotten van bladeren, vruchten en dus ook het dood gaan van dieren. Deze ‘hypothese’ stelt ons ook voor vragen als het om geloof en wetenschap gaat. Maar je schaamt je er dan niet voor om uit te gaan van een werkelijk goddelijk ingrijpen aan het begin van onze geschiedenis. En het voorkomt dat je je toevlucht moet nemen tot nogal aanvechtbare aannames, zowel bijbels-theologisch als wetenschappelijk gezien, over een goddelijk ingrijpen in de geest van mensaapachtige voorouders.

In het begin schiep God de hemel en de aarde. 
Mag dat ook zijn met alles erop en eraan en erin?

 

Eerder blogde ik een drieluik dit onderwerp:
21/9 God maakte een stofje en zag het met plezier miljarden jaren groeien
26/9 Een goed christelijk gesprek over schepping en evolutie – kan dat?
30/9 Een geloofwaardige versie 2.0 van het scheppingsverhaal?