In vakantiestemming naar je vakantiebestemming met Psalm 121

We zitten midden in ‘de grote vakantie’, zoals we bij ons in het dorp vroeger de zomervakantie noemden. Veel mensen gaan dan weg, op reis naar de plek waar ze vakantie houden. Sommige mensen gebruiken nog een wegenkaart. Andere mensen een routeplanner. De meesten volgen de ‘Route du Soleil’ – de zon achterna. Eén van mijn favoriete zomerliedjes gaat daarover: het prachtige nummer ‘Une belle histoire’ van Michel Fugain.

In Israel gingen veel mensen ook elk jaar op reis. Elk jaar gingen ze naar dezelfde plek. Naar Jeruzalem. Lopend. Voor de kinderen was dat echt een vakantiereis. Denk maar aan Jezus toen hij 12 was en voor het eerst meemocht. Voor de vaders en moeders en andere volwassenen was het geen vakantiereis. Nee, voor hen was het een pelgrimstocht. Ze wilden God opzoeken in de tempel. Want ze wisten: God heeft ons gemaakt. Hem behoren wij toe. Zijn volk zijn wij, de schapen die Hij weidt. Die God wijst ons ook de weg. Hij geeft ons leven zin. Als we zijn aanwijzingen volgen, komen we op de reis door het leven veilig bij Hem aan, want zijn liefde duurt eeuwig. En in Jeruzalem staat de tempel van God, daar woont de HERE bij zijn volk. Dus willen de gelovigen van toen daar graag naar toe. Met een loflied trekken ze door de tempelpoort naar binnen en in de voorhof van de tempel heffen ze een lofzang aan. Dat is Psalm 100. Het is goed de HEER te ontmoeten waar Hij te vinden is. Daar word je in hun geloof versterkt. Door voor de HERE zingen, naar zijn woorden te luisteren, door offers te brengen – schuldoffers voor je zonden en dankoffers voor Gods vergevende liefde. Dat is goed voor je geloof, daar word je rustig van, dan vindt je hart vrede. Maar voor je bent waar je wezen wilt, moet je een hele reis maken. Om de moed er in te houden, zongen de gelovige Israelieten op weg naar Jeruzalem hun pelgrimsliederen. Psalm 121 is er één van, waarschijnlijk de meest bekende en geliefde. Een lied voor onderweg, onderweg naar het huis van de HERE hun God.

Dat is zoveel eeuwen later nog steeds zo. Als je christen bent, zoek je de zin van het leven nog steeds verderop: in het nieuwe Jeruzalem – de Lichtstad met zijn paarlen poorten. Terwijl we onderweg zijn, noemt Psalm 121 de HERE ‘de wachter van Israel’. Dus niet van jan en alleman – hoewel, God zorgt voor heel zijn schepping en is dus voor alle mensen goed. Maar Israel is zijn eigen volk met een speciaal plekje in z’n hart. En van dat Israel maken sinds Pinksteren alle gelovigen over heel de wereld deel van uit – iedereen die echt in God én in zijn Zoon Jezus Christus gelooft. Ook voor hun kinderen heeft de HERE een speciaal plekje in zijn hart. Later zal Jezus het zo zeggen: ‘God wil niet dat ook maar één van de kleinsten verloren zal gaan.’ Daarom hebben zoveel mensen Psalm 121 in hun hart gesloten. Het beschrijft heel onze levensweg. Als je christen bent weet je: ik ben onderweg naar het Vaderhuis, daar zal ik mijn Heer ontmoeten. En onderweg mag ik al van zijn aanwezigheid genieten, in de Bijbel, door de Heilige Geest, in al het goede van de schepping, samen met al die andere reisgenoten die ook hun blik gericht houden op Jezus als Leidsman en Redder en Voltooier van ons geloof.

A5 20Maar laten we elkaar niet wijs maken, dat we er al zijn, dat ons niets overkomen kan. Eerder omgekeerd: in het groot en in het klein gebeurden er heel veel dingen die je niet van te voren zag aankomen. En wat je niet ziet aankomen, daar kun je als een berg tegenop zien. Of het komt als een vloedgolf over je heen. En dat hakt er allemaal zwaar in. De vraag is: wat doe je dan? In de meeste vertalingen begint Psalm 121 met een vraag, en geen kleintje ook: Ik sla mijn ogen op naar de bergen; vanwaar komt mijn hulp? Maar misschien heeft de BGT het wel bij het juiste eind en moet ook vers 1, net als de andere verzen, een uitroepteken zijn: Ik kijk omhoog naar de bergen. Daar komt mijn help vandaan! Daar – waar ik de tempel al zie schitteren op de top van de berg Sion!  Dan heb je zorgen, is er twijfel, krijg je te maken met tegenslag, lijd je pijn en ken je verdriet. Maar je weet ook: God is er altijd bij! Bij Hem mag ik schuilen. Hij gaat met mij mee! Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt, dus wie kan er beter de wacht over mij houden?

Sterker nog: die God is bij de mensen komen wonen. Hij wil kontakt met ons. Hij zorgt voor nieuwe perspektieven. Hij gééft ons Jezus en vérgeeft ons onze zonden. Je mag naar Hem toe, naar de tempel in Jeruzalem in die tijd, naar elke christelijke kerk in onze tijd waar Jezus Christus centraal staat. Dat is goed voor je geloof, daar vindt je hart vrede. Voor een gezond geloofsleven, om te groeien in wijsheid en vertrouwen, moet je bij de HERE zijn. Op de plaats waar Hij zich laat vinden: in de tempel, zoals de 12-jarige Jezus al heel goed wist. In zijn gemeente, want daar wil Jezus onze Heer door zijn Woord en Geest in ons midden zijn. Als je je dat als goede gewoonte aanleert – lees je Bijbel, bid elke dag, ieder zondag naar de kerk – zul je bij speciale momenten de HERE opzoeken en Hem bedanken of om hulp vragen. Want zo eindigt Psalm 121: De HEER houdt de wacht over je gaan en je komen van nu tot in eeuwigheid. In de oude vertaling van 1951 stond het misschien nog wel mooier: De HERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren. Heel het mensenleven zit vol met zulke kantel-momenten. Maar hoe het ook gaat, welke periode je ook ingaat en hoe je er ook uitkomt, de Bijbel in Gewone Taal zegt het heel direkt: De HEER beschermt je, overal, waar je ook gaat, je leven lang. Geloof je dat? Dan kun je rustig op vakantie gaan. Of weer aan het werk gaan. En elke zondag vol vertrouwen naar de kerk gaan. Want God beschermt mij mijn leven lang. Hoe kun je dat zeker weten? Nou, de Bijbel is je routekaart! Daarin staat wie er voor mijn verlossing zorgt: Jezus Christus. En in de Bijbel staat, wie er voor mijn geloof zorgt: de Heilige Geest. En in de Bijbel staat, wie er altijd voor mij zal zorgen: mijn Vader die hemel en aarde gemaakt heeft. En ook al is het dan een komen en gaan van allerlei verschillende momenten – ‘Hou vol, hou vol, Hij laat niet los’!

cropped-bergtop-belalp-header.jpgDurf jij daarop te vertrouwen? Op de HERE, die ook jouw Herder wil zijn? Een Herder die nooit slaapt, maar altijd goed oplet? Durf je daar om te vragen? Of Hij, die hemel en aarde gemaakt heeft, ook in deze vakantie én in het nieuwe seizoen over jou getrouw de wacht wil houden? Durf je deze Psalm mee te zingen? Een psalm vol bemoediging, een psalm waardoor de Heilige Geest ervoor wil zorgen dat je het volhoudt om te geloven. Wat er ook gebeurt, dit is waar ik op vertrouw: ‘Mijn hulp komt van de HEER die hemel en aarde gemaakte heeft. Hij is mijn wachter. Hij waakt over mijn leven.’

Tauren Wells zong het prachtig lied ‘Hills and Valleys’, waarin dit vertrouwen ook heel sterk tot uitdrukking komt.

Foto’s: de bergen in Vorarlberg/Wormserhütte en in Wallis/Bel-Alp – Karla Leeftink Natuurfotografie – http://www.karlaleeftink.com

Advertenties

Een hartstochtelijk pleidooi voor christelijke vrijheid

“Paulus gebiedt dat men God zal aanroepen met uitgestrekte handen en een ontbloot hoofd. Maar wanneer ik met aandacht tot God kan bidden met een bedekt hoofd en zonder uitgestrekte handen, en toch de eerbied en de orde in de gemeente niet verstoor, voorwaar, ik ben aan zo’n voorschrift niet verbonden.”

“Voorwaar, het is een voorschrift van Paulus dat vrouwen hun hoofd behoren te bedekken, en toch zou het tegen de christelijke vrijheid ingaan, wanneer men alle volken en iedere christen persoonlijk zó daaraan wil binden als het niet anders geoorloofd is.”

Deze zinnen vloeien in 1568 uit de pen van Marnix van Sint Aldegonde. Waarom? Nou, in de Nederlandse vluchtelingengemeente te Londen was sinds 1564 grote on­enig­­heid ontstaan over het het gebruik van twee getuigen bij de doop. De nieuwe predi­kant, Godfried van Wingen voerde, met instemming van de kerkenraad, in fe­bru­­ari van dat jaar dit als verplichting in. Met nadruk werd gesteld, dat dit gebruik van ouds in de christelijke kerk in gebruik­ was, niet in strijd is met de Schrift en voor het functioneren van de kerk in Loden noodzakelijk was. Enkele diakenen protes­teer­den hiertegen. Maar de kerkenraad hield voet bij stuk. De zaak escaleerde en diverse pogingen om de vrede te herstellen mislukten. De kern van het kon­flikt draai­de om de vraag: bezitten ambtsdragers het gezag en de autori­teit om bindende besluiten te nemen waar alle gemeenteleden zich verplicht aan moeten houden?

Marnix Aldegonde portret 2Om aan de ‘Wingense Twisten’ (zoals het inmiddels heette) een einde te maken, gaf de Londense kerkenraad in maart 1568 een brochure uit met 27 stellingen over de christelijke vrijheid en over het gezag en de bevoegdheid van de kerkenraad om bindende voorschriften op te leggen aan de gemeente. Kort samengevat komt het hier op neer: een kerkenraad in het belang van de gemeente regels en voorschriften op te stellen. Als die niet tegen de Bijbel in gaan, moeten gemeenteleden zich daaraan onderwerpen. Deze taak hebben zij van Christus ontvangen, net zoals de overheid van God de bevoegdheid ontvangen heeft om wetten te maken en te handhaven die goed zijn voor de burgers van het land.

De kerkenraad stuurde deze brochure ter goedkeuring naar verschillende kerken, waaronder Geneve, Heidelberg en Emden. Marnix van St. Aldegonde woonde in die periode vlak bij Emden. Hij heeft in twee uitgebreide brieven gereageerd op de 27 stellingen van de kerkenraad van Londen, waarschijnlijk in opdracht van de kerkeraad van Emden. Het oordeel van Marnix over de 27 stellingen is vernietigend. Maar zeven ervan kunnen de toets van de kritiek doorstaan als je ze naast de Bijbel legt. Dat komt, aldus Marnix, omdat de kerkenraad van Londen op twee punten behoorlijk de mist in gaat.

1/ De taak en de bevoegdheid van ambtsdragers

Marnix is het absoluut niet eens met het standpunt dat een kerkenraad allerlei regels bindend op mag leggen aan de gemeente. De enige taak die ambtsdragers hebben is, ervoor te zorgen dat iedereen in de gemeente zich aan Gods wet houdt. Daarbij moeten ze met wijsheid en onderscheidingsvermo­gen rekening houden met de situatie van het moment. Want het gezag van de kerkenraad is niet hetzelfde als het gezag van de overheid. Dat blijkt wel, zegt Marnix, uit hoe Petrus heel anders over de positie van de oudsten als hoeders van de kerk spreekt (1 Pt. 5:2-3) dan over de positie van de overheid (1 Pt. 2:13-17). De overheid moet je gehoorzamen in alle besluiten die niet tegen Gods Woord ingaan. Een kerkenraad moet je gehoorzamen in alle besluiten die rechtstreeks uit Gods Woord voortvloeien of voor de orde en de rust in de gemeente nodig zijn. Alleen in dat laatste geval is het gezag van de ambtsdragers ge­lijk aan het gezag van Christus. Marnix verwijst daarbij naar de woorden van Paulus: ‘Ik geef u het volgende gebod, nee, niet ik, maar de Heer’ (1 Kor. 7:10). Maar in zaken die de ambtsdragers niet direkt uit hoofde van hun ambt of uit Gods mond aan de gemeente voorhouden, mogen zij wel advies geven, maar niet gebieden. Anders maken ze misbruik van het gezag van Christus. Dat verbiedt Paulus bij eigen menin­gen. Hij maakt duidelijk onderscheid, als hij zegt: ‘Ik heb geen voorschrift van de Heer, maar geef mijn eigen mening, als iemand die ook de Geest van God bezit’ (1 Kor. 7:25+40).

2/ Het karakter van kerkelijke regels

Volgens Marnix mag een kerkenraad nooit bindende voorschriften aan de gemeente opleggen in zaken die niet direkt uit Gods Woord hun ambt voortvloeien, want dan gaat men heersen over de gewetens van de gelovigen. Marnix wijst op de gebruiken van de oude kerk, zoals olie in de doop, water in de avond­­maals­wijn, afbeeldingen van het kruis en feest- en vastendagen. Al die zaken kwamen op uit een te res­pek­teren verlangen naar een goede orde in Gods gemeente en dienden tot opbouw van het geloof. Maar toen het een gebod werd en de kerk gehoorzaamheid eiste, werd het een tirannie over de gewetens.

Hoe moet je dan wel met kerkelijke regels omgaan? Nou, zegt Marnix voortdurend:

Blijf altijd kijken naar het doel van een bepaling. Als je de bedoeling daarvan kunt nakomen zonder je aan de letter daarvan te hoeven houden, mag niemand zo’n regel bindend opleggen. Anders wordt de christelijke vrijheid beperkt door menselijke voorschriften.

Marnix staaft zijn gevoelen over de christelijke vrijheid met de volgende teksten: Hand. 15:10+28, heel Rom. 14, 1 Kor. 7:23, 1 Kor. 8, Gal. 3:25, Gal. 4:9-10 en Kol. 2:15-23.

Hij noemt ook de voorschriften van Paulus dat mannen moeten bidden met opgeheven handen (1 Tim. 2:8) en onbedekt hoofd (1 Kor. 11:4) en dat vrouwen zelfs altijd hun hoofd behoren te bedekken (‘een macht op hun hoofd’ = ‘een decksel het welcke beduydt dat sy onder eens anders macht is’ aldus de Deux-Aes-Bijbel uit 1562 n.a.v. 1 Kor. 11:10). Maar het gaat tegen de christelijke vrijheid in om deze regels bindend voor te schrijven aan alle christenen.

Verder haalt Marnix de uitspraken van het apostelconvent van Jeruzalem uit Handelingen 15 aan. Daar werd besloten dat niet-joodse christenen zich moesten onthouden van het eten van vlees waar het bloed nog in zat en wat aan de afgoden gewijd was. Toch was dat geen bindend voorschrift waar alle christenen zich tot in lengte van jaren aan moesten houden. Het werd slechts voor een bepaalde tijd ingesteld om samen de liefde en de eenheid te onderhouden en om ergernis te voorkomen.

Als het om praktische zaken gaat, geldt hetzelfde. Dan moet je je aan de gezamenlijke afspraken houden. Bijvoorbeeld als het gaat over de manier waarop de sakramenten bediend worden. Als de kerkenraad besluit om het avondmaal aan tafel te vieren, mag ik dat niet ergens in een hoekje van de kerk op eigen gelegenheid doen, zegt Marnix. Maar dat is dan niet omdat dit besluit mijn geweten bindt (“want by God en gheldt niet oft ik stae oft zitte”), maar omdat het doel van deze bepaling duidelijk is, namelijk dat het avondmaal ordelijk en tot Gods eer gevierd wordt.

Ook laat Marnix zien, dat men over die dingen, die naar hun aard noch goed, noch slecht zijn, van mening kan verschillen. Het hangt dan van de omstandigheden af welke beslissing je neem. Paulus was bereid om Timoteüs te besnijden, maar bij Titus wilde hij het beslist niet, omdat het toen als principekwestie aan alle gelovigen werd opgedrongen.

Marnix Aldegonde Repos Ailleurs
Marnix is verder heel scherp in zijn analyse als het gaat om de vraag wie de oorzaak is van de grote onenigheid in de kerkelijke gemeente van Londen. Dat zijn niet de gemeenteleden die protesteren tegen het verplichte gebruik van doopgetuigen. Nee, dat is de kerkenraad zelf! Die kent zichzelf ten onrechte de macht en de bevoegdheid toe om buiten Gods Woord om bindende regels op te leggen aan heel de gemeente. Daarmee zijn ze heersers geworden over Gods kudde in plaats van hoeders die in zachtmoedigheid en nederigheid de schapen weiden. Oftewel: de schuld van de onenigheid ligt bij niet bij die kerkleden die van hun christelijke vrijheid gebruik willen maken, maar bij de ambtsdragers die vanwege hun positie met gezag andere mensen willen binden in vrije zaken.

Het argument dat je als christen rekening moet houden met andermans overtuiging en geen aanstoot of ergernis mag geven, gaat hier niet op. Want, zegt Marnix, ik doe geen beroep op de christelijke vrijheid tegenover zwakke medechristenen, maar tegenover een instantie die heel de gemeente een onschriftuurlijk juk op wil leggen. Omdat zoiets in Gods gemeente niet geoorloofd is, ben ik wel verplicht om daar openlijk tegen te protesteren.

Marnix’ drijfveer: de regel der liefde

Aan het begin van zijn eerste brief geeft Marnix al aan, wat zijn belangrijkste motief is om te reageren op de stellingen van de kerkenraad van Londen. Hij heeft gehoord dat de grote onenigheid die in Londen ontstaan is, veroorzaakt werd door een zeer kleine, lichte en bijna lachwekkende oorzaak. Hij vindt het verschrikkelijk dat christenen Gods heilzame Woord en de waarheid van zijn Zoon Jezus Christus zo schandelijk misbruiken en verdraaien om hun eigen gelijk te halen, elkaar in de haren te vliegen, zonder in christelijke liefde elkaar ook maar enigszins tegemoet te willen komen omdat ze onbuigzaam vasthouden aan wat ze zich als de enige waarheid in het hoofd gehaald hebben. Maar als je je echt wilt laten leiden en sturen door Gods Woord, vraagt Marnix zich af, waarom zie je dan niet, dat daarin de liefde, de eenheid en de vrede het eerste en het laatste is, wat ons door Christus wordt opgelegd? Dat is de manier, waarop we in de gemeente met elkaar om moeten gaan. Dan plaatsen we elkaar niet meteen buiten Christus en zeggen we niet dat iemand van het ware geloof is afgevallen als hij het niet in alles met ons eens is. Als christen mag je blijven staan in de vrijheid die Christus met zijn bloed voor hem of haar verworven heeft.

Christelijke vrijheid vandaag

Uit dit hele verhaal heb ik twee dingen geleerd.

calvijn-portret-nlHet eerste is niet zo belangrijk, maar wel opvallend. Blijkbaar werd er in de tijd van Calvijn al zeer verschillend gedacht werd over de reikwijdte van “de ordeninghe, van Paulo voorgehouden, dat de vrouwen sullen met bedecten hoofde ghaen”, zoals Marnix het uitdrukt, die in bevindelijke kringen samen met Jean Taffin als één van de voorlopers van de Nadere Reformatie wordt gezien. Als iemand als Marnix in 1568 al de conclusie trekt dat het tegen de christelijke vrijheid ingaat om alle volken en iedere gelovige persoonlijk dit bindend op te leggen, zou dat kerkenraden in 2017 erg voorzichtig moeten maken om op grond van één exegese bindend voor te schrijven hoe men in de zondagse eredienst gekleed moet gaan en daar zelfs de sanctie van afhouding van het Heilig Avondmaal aan te verbinden.

Veel belangrijker vind ik een andere les. Die hou ik me, sinds ik op dit onderwerp afstudeerde in 1990/1991, altijd voor ogen. Namelijk: wat is het doel van elke regel of afspraak die je tegenkomt in de Bijbel en in de kerk? Kun je het doel ervan nakomen zonder je aan de letter van dat voorschrift te houden? Dan mogen we elkaar aan zulke uitspraken niet binden, maar moeten we elkaar de ruimte geven om elk op onze eigen manier naar eer en geweten invulling te geven aan het principe dat achter zo’n bijbelse of kerkelijke uitspraak ligt.

Marnix van Sint Aldegonde voerde bijna 450 jaar geleden een hartstochtelijk pleidooi voor de christelijke vrijheid. Vandaag is het nog net zo actueel als toen.

Wie belangstelling heeft in een uitvoerige beschrijving van de adviezen van Marnix van Sint Aldegonde n.a.v. de Wingense Twisten, kan een kopie van dat hoofdstuk uit mijn scriptie aanvragen via ernstleeftink@xs4all.nl

 

Via Ethiopië naar Assen-Peelo

Marije en Lyan.pngOp zondag 9 juli deden twee jonge christenen van 18 en 19 jaar belijdenis van hun geloof. Eén van de twee werd ook gedoopt. In de dienst, met veel Opwekking en twee prachtige persoonlijke getuigenissen, lazen we het verhaal van de eerste niet-jood die tot geloof kwam. Dat verhaal staat in Handelingen 8:26-40. In het boek Handeling zie je, dat vanaf Pinksteren het Evangelie van Jezus Christus in steeds wijdere kringen de wereld over gaat. Dat had Jezus ook gezegd: de Heilige Geest zal jullie kracht geven om mijn getuigen te zijn, van Jeruzalem –> Judea –> Samaria –> de uiteinden van de aarde. Daarom begint het boek Handelingen in Jeruzalem en eindigt het in Rome. Wat daarop volgt is geschiedenis. En die geschiedenis loopt tot vandaag in Assen-Peelo. Maar … de eerste 100% niet-joodse christen in Handelingen die gedoopt wordt is een Afrikaan! Dus kun je zeggen: Het evangelie van Christus is via Ethiopië naar Assen-Peelo gekomen. Drie dingen daarover:

1) De Heilige Geest zet deze Ethiopiër op het spoor van de God van Israel

In het gebied tussen Ethiopië en Soedan in regeerde in de bijbelse tijd een vorstendom met aan het hoofd voornamelijk koninginnen met de titel ‘Kandakè’. Deze Ethiopiër was haar minister van financiën. We weten niet hoe hij in aanraking is gekomen met het geloof van Israel. Wel weten we dat er in die tijd al grote joodse gemeenschappen bestonden in het gebied tussen Egypte en Ethiopië. Hun nakomelingen heten de Falasja’s en zijn begin jaren negentig van de vorige eeuw erkend als een aparte joodse stam. Velen van hen zijn 15 – 20 jaar geleden naar Israel geëmigreerd.

Deze Afrikaan uit Ethiopië heeft een drie-dubbele achterstand.

  • Hij is een afstammeling van Cham en geldt daarom als vervloekt.
  • Hij is gecastreerd. Op een eunuch in die tijd werd net zo neergezien als vaak nog op homofielen vandaag. Ook al is hun positie niet helemaal vergelijkbaar, ze zijn allebei wel ‘gesneden’ (oude vertaling) of ‘onvruchtbaar’ (NBV) om het met de woorden van de Here Jezus uit Mat. 19 te zeggen. Net als een derde kategorie: mensen die niet trouwen omdat ze zich helemaal willen inzetten voor Gods Koninkrijk. Het brengt alledrie evenveel moeite met zich mee. En diskriminatie. Niet voor vol worden aangezien. Maar tegelijk: voor God is geen enkele ongetrouwde te min. Ook een homofiel of een gecastreerde eunuch niet.
  • Als heiden mag de Ethiopiër in de tempel niet verder dan in de buitenste voorhof komen. En omdat hij gecastreerd is, zal hij nooit kunnen toetreden tot het jodendom, ook niet als ‘jodengenoot’.

Toch is er bij de Afrikaan geen reden tot verbittering. De HERE Zelf legt het verlangen in zijn hart om meer van de God van Israel die ook de Schepper van hemel en aarde is, te weten te komen. De HERE Zelf is het, die hem tot aanbidding brengt en ervoor zorgt dat hij blijft geloven en op de terugweg zelfs een boekrol meeneemt. Zo maakt de HERE Zelf de kring steeds wijder en neemt Hij steeds nieuwe mensen op in zijn gemeente. Zo bereidt God de gelovige christenen uit Israel erop voor dat er nog heel veel andere mensen zijn, die Hij ook roept, die Hij ook welkom heet bij zijn volk en met wie Hij uit genade een eeuwig verbond wil sluiten. Want de kerk komt niet in de plaats van Israel. De kerk is het vanaf Pinksteren Israel zoals God het altijd bedoeld heeft. Want bij Gods volk hoort iedereen die in de voetsporen van het geloof van Abraham treedt door te geloven in degene naar wie Abraham uitkeek: Jezus Christus, de Zoon van God.

2) De Heilige Geest zoekt deze Ethiopiër op met de Bijbel

De Here Jezus maakt door een engel aan Filippus duidelijk, dat hij de eenzame weg naar Gaza op moet gaan. De Geest Jezus geeft Filippus de opdracht om die heiden-minister en afstammeling van Cham aan te spreken. De Afrikaan leest in boekrol van Jesaja en Filippus legt hem die woorden uit en vertelt hem over Jezus. Hij begint met de vernedering en het lijden van Christus. Jezus offert zichzelf helemaal op voor anderen. Zo radikaal, dat de vraag opkomt: wat bereikt Hij daarmee? Dat leidt tot indringend zelfonderzoek: erken je dat de zonde zó diep in je zit, dat Jezus daar zó diep voor moest gaan? Eérst erkenning van je diepste ellende – pas dan gaat de verlossing echt glanzen! Ook dat verkondigt Filippus vervolgens. Door het geschreven en gepredikte Woord geeft Jezus Christus Zichzelf en wil Hij Zichzelf bekend maken! Door het geschreven en gepredikte Woord wil Jezus Christus mensen in het hart grijpen! In de Bijbel Zelf en overal waar de Bijbel wordt gelezen en uitgelegd – dáár kom je Jezus tegen. Dáár openbaart Jezus Christus zich in zijn volle rijkdom en genade. Waar de Bijbel open gaat, wordt Hij aanvaard als Heer en Zoon van God. Dus: lees je bijbel, elke dag. Daarin gaat het over God en Jezus. Lees over Hem. Dan zul je blijven geloven.

3) De Heilige Geest brengt deze Ethiopiër tot geloof en blijdschap

Ethiopiër Handelingen 8De Heilige Geest zorgt in een ongelooflijk snel tempo voor een krachtig en sterk geloof in het hart van deze Ethiopische minister Dijsselbloemë. Hij legt ook het verlangen in het hart van elke gelovige om gedoopt te worden. Filippus pusht de Afrikaan niet. Integendeel: hij vraagt er zelf om! De tegenvraag van Filippus en de geloofsbelijdenis van de Afri-kaan horen niet bij de originele tekst van dit hoofdstuk, maar het is goed te begrijpen, dat een aantal handschrif-ten het er toch bij heeft staan. Zo gaat het namelijk altijd: als je als volwassene tot geloof komt, mag je worden gedoopt als je je geloof in Jezus ook openlijk belijdt. Daarnaast geeft de Heilige Geest blijdschap in het hart van elke gelovige. De weg ligt open! Door het geloof in Jezus. Ook al gaan de wegen van Gods kinderen uiteen – op elk levenspad gaat Jezus met je mee. Je mag weten: mijn hemelse Vader zorgt voor mij, Jezus redt mij en de Heilige Geest versterkt steeds mijn geloof.