Geloofsvoorbeelden die van hun voetstuk vallen

Ik had, toen ik een jaar of 16 was, een hele goede band met de jongerenwerkster in onze kerk, met Astrid. Ze was toen net een jaar of vijf getrouwd met Ronald en ze vroeg mij regelmatig om op Bianca, hun dochtertje van drie, en Romy van bijna één te passen. Astrid heeft mij echt geleerd hoe belangrijk het is om te geloven. Ze liet mij zien hoe fijn het is om een persoonlijke relatie met God als mijn Vader en met Jezus als mijn Redder en Vriend te hebben. Ze heeft vaak met me gebeden en zo heb ik ook zelf geleerd om alles tegen God te durven zeggen. Dankzij haar heb ik op m’n 19e belijdenis gedaan. Zij was echt een geloofsheld voor mij. Een middel van God om mij tot geloof te brengen.

Nu ben ik 27. Ik heb vijf jaar op kamers gewoond en ben vorig jaar op 1 april met Wilco getrouwd. Samen wonen we nu in een andere plaats. Ik ben erg blij dat hij ook gelooft en we voelen ons al aardig thuis in onze nieuwe gemeente. Maar laatst hoorde ik van m’n ouders, dat Astrid een half jaar geleden van de ene op de andere dag gescheiden is en bij een collega van haar werk is ingetrokken. De scheiding was binnen een paar maand rond. M’n moeder heeft Astrid nog opgezocht, maar ze wil geen enkel contact meer met mensen van de kerk. M’n vader praat af en toe na kerktijd wel eens met Ronald. Die snapt er helemaal niets van dat Astrid zo radicaal haar leven omgegooid heeft. Hij kan echt niet geloven dat het allemaal schijn geweest is, zoals ze zei toen ze die avond in november haar spullen pakte. Dat ze nooit echt van hem gehouden heeft en zich altijd al had afgevraagd of God en Jezus echt bestaan. Bianca en Roma zijn nu 14 en 12. Die beide meiden willen, nu ze zelf mogen kiezen, niet bij hun moeder en haar nieuwe vriend wonen. Alleen Bertram van 7 woont de ene week bij haar en de andere week, samen met zijn beide zussen, bij Ronald.

Toen ik dit hoorde, raakte ik zelf ook een beetje van slag. Hoe kan het, dat de persoon die het meeste voor mij betekend heeft in mijn ontwikkeling als christen, zo plotseling haar geloof kan verliezen? En als het waar is wat ze zegt, dat ze altijd maar gedaan heeft alsof ze echt geloofde in God en Jezus, weet je, soms voelt het voor mij net alsof ik er ingetrapt ben. Is het christelijk geloof dan een verkooptruc? Als je het maar goed weet te brengen, geloven mensen er vanzelf in? En hoe kan God iemand die het zelf niet echt geloofde, als middel gebruiken om van mij een bewuste christen te maken die wel echt blij is met haar geloof? Ik merkte bij mezelf dat niet alleen Astrid van haar voetstuk gevallen was, maar dat ik ook zelf begon te twijfelen aan mijn geloof. Hoe stevig sta ik in mijn schoenen als mijn geloofsvoorbeeld zo plotseling een draai van 180 graden maakt?

Zaaier handvol zaadInmiddels ben ik weer een paar maand verder. Weet je wat ik heel opmerkelijk vond? Dat ik in de afgelopen tijd regelmatig antwoord kreeg op mijn vragen.

Een gastpredikant preekte een keer over kerkverlating. Het ging onder andere over Demas. Die zat samen met Titus, Timoteüs en Lukas in het zendingsteam van Paulus. De gemeente in Kolosse krijgt ook van hem de groeten. Maar even later haakte Demas plotseling af, want “hij heeft deze wereld lief gekregen.” De dominee zei toen, dat dit voor Paulus een bittere pil is geweest. Maar zelf liet Paulus zich er niet door ontmoedigen. Sterker nog, in diezelfde brief geeft hij Timoteüs de opdracht om gewoon de boodschap van Jezus Christus te blijven verkondigen, of de mensen er nu naar willen luisteren of niet. En ook moet Timoteüs niet bang zijn voor het lijden, bijvoorbeeld als mensen weglopen. Integendeel, hij moet gewoon z’n werk als verkondiger van het Evangelie blijven doen.

Ook vandaag komen mensen door teamwerk tot geloof, zei die dominee. Het begint al bij je ouders. En daarna vaak de meesters en de juffen op school. Maar ook al die anderen mensen die actief zijn in de kerk, die je meemaakt op een jeugdkamp of die je toevallig ergens hoort spreken vormen je in je geloof. En vergeet de invloed van christelijke idolen niet – in de muziek en in de sport bijvoorbeeld. De dominee zei er in die preek ook nog bij, dat Paulus goed kon relativeren. Voor Paulus is niet de persoon die over Jezus vertelt het belangrijkste, maar het geloof in Jezus Zelf. Dat schrijft hij in de brief aan de Filippenzen. ‘Er zijn geloven die over Christus vertellen met goede bedoelingen. Zij doen het uit liefde. Maar er zijn ook gelovigen die over Christus vertellen met verkeerde bedoelingen. . Zij denken alleen aan zichzelf, ze zoeken ruzie en zijn jaloers. Maar wat doet het er eigenlijk toe! Wat telt is dat Christus verkondigt wordt. Of het nu uit valse of oprechte motieven gebeurt – dát het gebeurt maakt me blij.’

Zo’n preek hielp me wel. Maar ik bleef het lastig vinden. Astrid is echt een geloofsvoorbeeld voor mij geweest. Hoe vaak heb ik niet aan haar gevraagd: ‘Maar wat vind jij hier nu van? Hoe zou jij dat doen? Loop jij ook tegen dit soort dingen aan?’ Of het nu om uitgaan ging of om waarom er zoveel ellende in de wereld is; of over die leuke jongen van het MBO waar ik toen verliefd op was, maar die geen helemaal geen zin had zich in het geloof te verdiepen; of over de vraag waarom Jezus toen wel veel mensen beter maakte en nu niet – ze begreep me zo goed, ze had zoveel goede adviezen, en als ze het niet wist, zei ze: ‘Je hoeft niet eerst alle antwoorden te hebben om toch van God te houden.’ Vooral dat laatste ben ik nooit vergeten. Geloven gaat niet om bewijs, het gaat niet om regels, het gaat om God en Jezus Zelf. En nu gooit zij dat allemaal overboord en wil er niets meer van weten.

Wat me ook geholpen heeft was een avond met de jeugdleiders en catecheten. Wilco en ik werden in september namelijk gevraagd om samen aan een groepje jongeren catechisatie te geven. Dat hebben we nu net een seizoen gedaan. Er was iemand uitgenodigd die ergens anders fulltime jongerenwerker was. Hij zei: ‘Weet je wat ik soms heel frustrerend vind? Dat ik in mijn eigen kerk veel met jongeren bezig ben, maar dat, als ze tot geloof komen, het altijd ergens anders door komt. Want die spreker op de EO-jongerendag, of dat tienerweekend van Noorderwind Events met Wytze en Willianne Koop , of dat indrukwekkende getuigenis tijdens dat optreden van die gave christelijke band – dát heeft me geraakt, zeggen veel jongeren, dáárdoor viel bij mij pas echt het kwartje van het geloof en wil ik nu echt bij Jezus horen en voor Hem gaan! Nou, zei die jongerenwerker, dat vind ik dus soms heel frustrerend, voor al die ouders, voor al die mensen in de kerk die kinderclub doen, een vereniging leiden of catechisatie geven. En ook voor mijzelf, want ik steek echt wel meer dan 40 uur per week in mijn baan als jongerenwerker. Wij lopen ons de longen uit het lijf om het geloof over te dragen, en dan komt er op één avond of in één weekend iemand langs, en die mag gelijk cashen! Maar, zei hij er meteen bij: ‘Het heeft ook wel iets moois. Want weet je … iemand kan alleen maar cashen, als er eerst heel veel voorwerk is gedaan. Het is net als met de gelijken is van de zaaier. Er kan pas geoogst worden, als er eerst gezaaid is. En iedereen heeft z’n eigen plek daarin. Het woord van God zaaien is misschien wel minder leuk werk. Want je weet nog niet wat er allemaal aan geloof tevoorschijn komt. Maaien geeft veel meer voldoening, want dan zie jij dat iemand echt tot geloof komt en z’n hart aan Jezus geeft. Maar weet je: de oogst binnenhalen is het resultaat van een hele lange periode. En daarin is iedereen belangrijk.’

Nou, toen ik dat hoorde, bedacht ik me opeens: dat klopt. Astrid was voor mij degene die me definitief over de streep trok. Zij was de maaier. Zij heeft de oogst binnengehaald. En ik heb heel lang gedacht dat vooral zij heel belangrijk geweest is voor mijn geloof. Maar nu kijk ik daar toch wat anders tegenaan. Alles wat mijn ouders me meegegeven hebben is net zo waardevol geweest. En de gereformeerde scholen waar ik op gezeten heb met die paar leraren die ik nog steeds niet vergeten ben. En de dominee van mijn tienerjaren, ook al snapte ik zijn preken lang niet altijd. En zo kan ik nog wel meer mensen noemen. De meesten van hen zijn niet van hun geloof afgevallen. Dus eigenlijk … ik geloof dat ik vooral moet kijken naar de inhoud van het geloof. Ook als mensen mij enorm tegenvallen of als ik ze niet kan volgen in hun keuzes, zoals bij Astrid. Raar eigenlijk, dat ik daar zo mee zat. Want als je mij zou vragen: zou jij hetzelfde willen doen als haar? Dan denk ik: nee, ik zou mijn geloof in God en Jezus niet zomaar kunnen opgeven.

Toen er vanuit de steden mensen naar hem toe gekomen waren en er zich een grote menigte verzameld had, vertelde Jezus deze gelijkenis‘Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. Terwijl hij daarmee bezig was, viel er wat zaadop de weg. Het werd vertrapt en door de vogels opgegeten. Er viel ook wat zaadop rotsachtige bodem, maar toen het opschoot, droogde het uit door gebrek aan water. Ander zaad viel tussen de distels, en toen de distels opschoten verstikten ze het. Maar er viel ook wat zaad in vruchtbare aarde, en dat bracht honderdvoudig vrucht voort toen het was opgeschoten.’ Hij voegde er met luide stem aan toe: ‘Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren.’ Zijn leerlingen vroegen hem wat deze gelijkenis betekende. Hij antwoordde: ‘Jullie mogen de geheimen van het koninkrijk van God kennen, maar de anderen krijgen alles in gelijkenissen te horen, opdat ze zien zonder inzicht en horen zonder iets te begrijpen. Dit is de betekenis van de gelijkenis: Het zaad is het woord van God. Het zaad op de weg, dat zijn zij die geluisterd hebben, maar daarna komt de duivel en graait het woord weg uit hun hart, om te voorkomen dat ze worden gered door te geloven. Het zaad op de rotsachtige bodem, dat zijn zij die het woord vol vreugde aannemen wanneer ze het horen, maar het schiet geen wortel; ze geloven zolang het hun goed uitkomt, maar als ze op de proef worden gesteld, worden ze afvallig. Het zaaddat tussen de distels valt, dat zijn zij die wel geluisterd hebben, maar door zorgen en rijkdom en de genoegens van het leven worden ze gaandeweg verstikt, zodat ze geen vrucht dragen. Het zaad in de vruchtbare grond, dat zijn zij die met een goed en eerlijk hart naar het woord hebben geluisterd, het koesteren en door standvastigheid vrucht dragen. Lukas 8:4-15 NBV

En weet je … de zondag daarop preekte onze eigen dominee over de gelijkenis van de zaaier. Hij vertelde erbij, dat die gelijkenis drie keer in de Bijbel staat. Het is dus best een belangrijke les van Jezus, anders zou de Heilige Geest het niet zo vaak hebben laten opschrijven. Matteüs begint met: ‘Kijk!’ Goed opletten dus bij dit voorbeeld. En Markus met: ‘Luister!’ Serieus nadenken dus over de betekenis. De dominee vertelde ook, dat juist in Lukas een paar dingen net iets anders staan. In Markus gaat het vooral om God. Hij is de zaaier die het Woord zaait, zegt Jezus daar. Maar in Lukas legt Jezus alle nadruk op wat er met het zaad gebeurt. “Het zaad is het Woord van God,” zegt Hij daar. God zaait zijn Woord overal. Hij wil alle mensen graag bereiken. Hij zaait het goede nieuws in de harten van de mensen, zegt Jezus als Hij deze gelijkenis uitlegt. Maar dan komt ook meteen de duivel erbij. Die is er als de kippen bij om het gestrooide zaad weg te pikken, nog voordat het wortel schieten kan. Alleen in Lukas vertelt de Heer Jezus waarom hij dat zo graag wil. Want God wil graag, dat mensen tot geloof komen. Dat kan alleen als je het goede nieuws over Jezus accepteert. Geloof in Hem en je bent gered. Ja, staat er in Lukas bij: als het geloof echt honderdvoudig vrucht draagt in iemands leven – dat zijn de mensen die met een goed en eerlijk hart naar het woord hebben geluister, het koesteren en leven zoals God het wil, zonder op te geven.

Kijk, en daar snapte ik dus niks van bij Astrid. Ze leek zo overtuigd christen te zijn. En ze heeft mij mijn geloof echt een boost gegeven. Bij haar was het zaad echt in goede grond gevallen. Het leverde veel vrucht op. In elk geval bij mij. En dan geeft ze het toch op!

De dominee zei, dat de duivel er alles aan doet om het zaad zo snel mogelijk weg te pakken. Hij is er inderdaad als de kippen bij. Hij graait en rooft het weg uit hun hart, staat er. Maar in Lukas staat er nog wat bij. Als het zaad op de weg valt, vertrappen mensen het of eten vogels het op. De duivel, Gods grote tegenspeler, doet er dus alles aan om te verhinderen dat mensen gaan nadenken over God en Jezus als ze voor het eerst iets over het christelijk geloof horen. Je familie en je vrienden verklaren je voor gek (mensen lopen en vallen over je heen) en zelf probeert de duivel je gedachten te beïnvloeden (als God bestaat … / … opstaan uit de dood?). Dus blijft het bij een oppervlakkige kennismaking die meteen ook weer voorbij is – het ene oor in, het andere oor uit. Dat kan binnen de kerk net zo goed gebeuren als daarbuiten, zei de dominee in zijn preek. Daarmee slaat de duivel z’n eerste slag. Maar als mensen wél interesse hebben en zich er verder in verdiepen, heeft hij nog twee taktieken.

De eerste is ‘verdrukking en vervolging’, staat er in Matteüs en Markus. Oftewel, zegt Lukas in één woord: ‘beproeving’. Sommige christenen geven het meteen op als ze het moeilijk krijgen. ‘Vanwege het woord’, dus om hun geloof, zeggen Matteüs en Markus erbij. De dominee typeerde hen met ‘mooi-weer-gelovigen’. Ze hebben echt innerlijk het geloof aanvaard, het was echt meer dan een impuls. Ook als het nieuwe er af is, blijven ze geloven. Maar het is alleen maar so far, so good. Misschien is dat het wel geweest bij Astrid. Dat er dingen in haar leven gebeurden, waar ze zich als christen geen raad mee wist. Ga je dan met je problemen naar God toe? Of geef je dan je geloof op, omdat je dan ook van die problemen af denkt te zijn?

Want die derde taktiek van de duivel, dat kan ik me bij haar haast niet voorstellen. Die laat hij los op mensen die uiteindelijk meer voor dit leven gaan. Dat zijn feeling-good-christenen, zei de dominee. Hun geloof maakt hen gelukkig, maar als iets anders hen gelukkiger kan maken, stappen ze langzaamaan over. ‘Gaandeweg worden zij verstikt’ staat er letterlijk. Andere dingen worden steeds belangrijker dan het geloof, zoals rijkdom en een prettig leven, want dan heb je minder zorgen – denk je. Nou, dat kan ik me bij Astrid niet voorstellen, dat het zo gegaan is. Zij en Ronald gaven niks om luxe, hoefden niet een grote auto en naar het buitenland op vakantie.

Toen de dominee het nog een keer op een rijtje zette, wist ik het zeker. Astrid hoort zeker niet bij de oppervlakkige mensen, bij wie het geloof het ene oor in, het andere oor uit ging. Ze hoort denk ik ook niet bij de feeling-good-christenen, die worden ingepakt door de welvaart van deze tijd. Nee, ik ben er vast van overtuigd dat Astrid bij die tweede categorie hoort. Als het gaat stormen in je leven, word je als mooi-weer-gelovige gemakkelijk omvergeblazen. En blijkbaar is de eerste echte geloofscrisis pas rond haar 35e gekomen. Waarom? Ik heb geen flauw idee..

Maar hoe moet ik hier nu mee omgaan? Nou, er is nog een vierde groep mensen die het woord hoort. En daarvan zegt Lukas, hij alleen, dat ze ernaar luisteren en het begrijpen. Ze nemen het gezaaide woord met een oprecht en goed hart aan, ze koesteren het en door niet op te geven, maar vol te houden draagt hun geloof vrucht. Kijk, zei de dominee – je kunt je afvragen waarom veel mensen niet geloven. En erg verdrietig worden en zelfs in verwarring raken als christenen om je heen hun geloof langzaam kwijtraken of er plotseling mee kappen. En hoe dichter dat bij komt, hoe pijnlijker dat is. Maar nog belangrijker is de vraag: hoe is het met je eigen hart? Stel jij je open voor God? Wil jij Jezus niet kwijt, ook als je Hem niet begrijpt? Wil je graag dat je geloof sterker wordt, ook door tegenslagen?

Toen ik dat hoorde, dacht ik: ja, dat wil ik! Ik was zelfs bijna gaan staan om dat te hardop te zeggen die zondag, aan het eind van de preek. Maar ja, dat durfde ik niet zo goed. Dus heb ik het maar opgeschreven. En aan Wilco laten lezen. Hij was blij met mijn verhaal. Je hart zit niet alleen op de goede plaats, zei hij tegen mij. Je hart richt zich ook op de goede dingen, want jouw geloof hangt niet af van geloofshelden. Je zoekt en vindt je zekerheid bij Jezus. Ik ben blij, lieverd, dat Hij de vaste grond van jouw geloof is.’

Advertenties

Wat beloven bruid en bruidegom elkaar als ze trouwen in de kerk?

trouwkaart algemeenBinnenkort mag ik als dominee weer een trouwdienst leiden. Dat vind altijd prachtig. Iedereen is blij met het bruidspaar. De trouwdienst zelf is voor hen vaak het hoogtepunt van de dag. Want in de kerk herhalen ze hun beloftes aan elkaar en ontvangen ze Gods onmisbare zegen over hun huwelijk.

Net als bij een doopbediening en bij viering van het avondmaal kun je tegenwoordig kiezen welk formulier je wilt gebruiken voor de kerkelijke inzegening / bevestiging van je huwelijk. Het zijn twee korte formulieren, de één uit 1999 en de ander uit 2014. Allebei even sprankelend qua taalgebruik. De keus laat ik graag aan het stel dat trouwt.

Ik kwam wel een probleempje tegen. Namelijk: wat beloven bruid en bruidegom elkaar nu precies als ze in de kerk hun JA-woord herhalen? Tot 2014 was dat geen probleem.

Aan de bruidegom werd gevraagd: Beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je vrouw te zorgen? Beloof je haar voor te gaan in alle dingen die naar Gods wil zijn?

En aan de bruid werd gevraagd: Beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je man te zorgen? Beloof je hem te helpen en hem te volgen, in alle dingen die naar Gods wil zijn?

En aan beiden werd vervolgens gevraagd: Zul je heilig met elkaar leven, elkaar nooit verlaten, maar elkaar trouw blijven in goede en kwade dagen, in rijkdom en armoede, in gezondheid en ziekte, totdat Christus terugkomt of de dood jullie zal scheiden? Beloof je in je huwelijk overeenkomstig het evangelie te leven?

2009-03 badeendjesOp de synode van 2014 komt daar verandering in. De deputaten die over de liturgische formulieren gaan constateren: “Tegen de huidige tekst van de huwelijksvragen en –beloften bestaat een vrij grote weerstand.” Als reden noemen zij “de ongelijkheid in de belofte van bruidegom en bruid.” Volgens de deputaten berust deze formulering op een omstreden uitleg van Efeze 5 die niet algemeen gedeeld wordt in onze kerken. Daarom stellen ze voor om bij de eerste vragen de “elementen die al te zeer voor discussie vatbaar zijn” weg te laten en voor een eenvoudiger belofte te kiezen waarbij “in ieder geval liefde, trouw en zorg benoemd worden” en die voor bruidegom en bruid gelijk is:

Bruidegom/bruid, beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je vrouw/man te zorgen?

Maar in hetzelfde deputatenrapport stond ook het nieuwe tweede huwelijksformulier. En daarin waren de beloften weer verschillend:

Bruidegom, beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je vrouw te zorgen?

Bruid, beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je man te zorgen? Beloof je hem te helpen en hem te volgen, in alle dingen die naar Gods wil zijn?

Volgens de synodeverslagen is die laatste versie aangenomen. Vanaf 2014 waren dit dus de vastgestelde trouwbeloften (incl. het vervolg dat voor bruid en bruidegom gelijk gebleven is). Niet helemaal consequent, vond ik. Waarom zou je als bruid meer moeten beloven dan als bruidegom? Dus heb ik me altijd maar gehouden aan de formuleringen die tot 2014 afgesproken waren. Want ik ben het heel erg eens met de opmerking van de deputaten, dat bij alle liturgische formulieren de vragen die gesteld worden, gelijk dienen te zijn.

TrouwringenToen kwam eind 2017 het nieuwe Gereformeerde Kerkboek uit. De teksten van de liturgische formulieren waren al vastgesteld in 2011, maar de deputaten hebben nog wat kleine taalkundige correcties toegepast.

Maar wat is er tot mijn stomme verbazing nu met de beloften van bruidegom en bruid gebeurd? Precies het omgekeerde! Nu belooft de bruid minder dan de bruidegom:

Bruidegom, beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je vrouw, te zorgen? Beloof je haar voor te gaan in alle dingen die goed zijn in Gods ogen?

Bruid, beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je man, te zorgen?

Ik snap het niet meer. Het is volgens mij van tweeën één.

Of bruidegom en bruid beloven alleen maar dat ze in liefde voor elkaar zullen zorgen. Dan haal je alle moderne gevoeligheden uit de trouwbelofte en beperk je je tot de kern.

Of bruidegom en bruid beloven elkaar, dat hij haar in liefde voor zal gaan en dat zij hem in liefde zal volgen en helpen. Dan hou je je meer aan de globale invulling die je ook in de Bijbel leest.

Persoonlijk heeft het laatste mijn voorkeur. Als kerk hoeven we niet alle verschil tussen man en vrouw weg te poetsen als we in een trouwdienst een stukje bijbels onderwijs over het huwelijk geven.

Dus wat mij betreft voegen we beide varianten 2014 en 2017 samen door zowel aan de bruidegom als aan de bruid elk gewoon de toegespitste, bijbels gefundeerde vraag te stellen:

Bruidegom, beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je vrouw, te zorgen? Beloof je haar voor te gaan in alle dingen die goed zijn in Gods ogen?

Bruid, beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je man, te zorgen? Beloof je hem te helpen en hem te volgen in alle dingen die goed zijn in Gods ogen?

Zullen jullie heilig met elkaar leven, elkaar nooit verlaten, maar elkaar trouw blijven in goede en kwade dagen, in rijkdom en armoede, in gezondheid en ziekte, totdat Christus terugkomt of de dood jullie zal scheiden? Beloof je in je huwelijk vanuit het evangelie te leven?