Ik ben geen zondaar – de theologie van de DoorBrekers

Onder deze titel heeft Peter Paauwe, voorganger van ‘DoorBrekers’ in Barneveld, deze zomer een serie van zeven preken gehouden. Als afsluiting heeft ‘DoorBrekers Worship’ begin september 2017 een mooi opwekkingsnummer uitgebracht,  ook met de titel ‘Ik Ben Geen Zondaar’.  De tekst is als volgt:

1) U nam de eerste stap, strekte uw hand uit, vanuit de eeuwigheid werd U een mens.

U brak de vijandschap door uw genade, verzoening werd gebracht voor iedereen.

Refrein: Hoe heerlijk, hoe groot is uw naam. Verlosser, wij aanbidden uw naam.

Messias, U maakt alles nieuw. Alles is nieuw.

2) Mijn zonden uitgewist, redding ontvangen,

in U een nieuwe mens, van zonden bevrijd. U maakte mij vrij.

3) Het is volbracht, de prijs betaald, eens voor alle zonden.

Of ik nu val of ik nu sta, ik ben geen zondaar. Ik ben geen zondaar.

Ik vind het een mooie tekst. OK, je kunt over de zin ‘verzoening werd gebracht voor iedereen’ nog wel een boom opzetten, maar die woorden verwijzen naar uit 1 Johannes 2:2. Ik vind de tekst vooral hierom  goed, omdat het heel bijbels is om onderscheid te maken tussen wat ik als christen dankzij Jezus Christus in de ogen van God ben (Zijn geliefd kind! Géén zondaar meer!) en wat ik als christen nog steeds doe zolang ik hier op aarde rondwandel (Een struikelende zondaar). Want zo ideaal als in de reklame waarin alle kritiek op een persoon met een vrolijke glimlach en zonder enig onvertogen woord in ontvangst genomen wordt (“Annet? Die taart van jou is echt niet te hachelen” ), zo perfect worden wij in dit leven nog niet vernieuwd naar het beeld van God, want die volmaaktheid ligt nog achter de horizon en bereiken we pas na dit leven, zoals Paulus in bv. Filippenzen 3:12-21 heel erg duidelijk maakt. Er zit volgens de Bijbel nog wel een verschil tussen ‘zondaar zijn’ en ‘zonde doen’ volgens mij.

In het  Reformatorisch Dagblad van 15 september plaatste de CGK-theoloog Michael Mulder toch wat kritische opmerkingen bij dit lied (klik hier). Want volgens hem houdt Peter Paauwe, de voorganger van DoorBrekers, er een bedenkelijke uitleg op na. Hij zou met ‘Ik ben geen zondaar meer’ bedoelen, dat er bij een christen geen zonde meer kan zijn als hij echt opnieuw geboren is. Want wie opnieuw geboren is, is kind van God, is overgezet van de duisternis van het rijk van de duivel in het licht van het koninkrijk van de hemelen en dus kun je niet meer zondigen omdat je uit God geboren bent. Zo staat het immers in 1 Johannes 3 vers 9?

Ik dacht: dat wil ik toch even uit de mond van Peter Paauwe zelf horen. Dus heb ik één van zijn zeven preken beluisterd. Ze dragen allemaal als titel ‘Ik Ben Geen Zondaar’, gelukkig met een nummer erachter en een tweede titel. Hoewel ik de titel van deel 4 erg interessant vond (‘Ik Ben Vrijgemaakt’ ;-), heb ik me beperkt  tot deel 6: ‘Ik Kan Niet Zondigen’.

DoorBrekers StellingEn inderdaad, Peter Paauwe doet een flink aantal uitspraken in die preek van drie kwartier die mooi klinken, maar niet bijbels zijn. Hij husselt namelijk door elkaar wie we dankzij Jezus Christus zijn en hoe we in de praktijk van alle dag als volgeling van Christus leven. Of eigenlijk: hij haalt het niet door elkaar, nee, hij benadrukt voortdurend alleen maar dat eerste. Ongeveer op deze manier:  als je tot geloof komt en Jezus als Heer aanvaardt, wordt je in één keer van het koninkrijk van de duisternis overgeplant in het koninkrijk van de hemel. “En in dit koninkrijk heb ik geen zonde meer, in dit koninkrijk ben ik verlost van de zonden, ben ik verlost van de macht van de zonden, en ik ben continue rein, ik ben continue heilig, ik ben continue vergeven, ik heb het eeuwige leven, ik zit in de hemel, en als ik in de hemel ben kan ik geen zonde hebben.” Dat is, lijkt mij, wel heel kort door de bocht. Natuurlijk hoef je al je zonden niet telkens opnieuw te belijden. Maar dat is wat anders dan dat je niet meer in zonde valt (1 Joh. 2:1) en kan ons hart ons aanklagen (1 Joh. 3:20). Maar daar hoor je Peter Paauwe niet over. Want, en dat is de tweede uitglijder, hij zegt alweer voortdurend in zijn preek dat christenen de wet niet meer kunnen overtreden omdat die wet bij het koninkrijk van de duisternis hoort en niet bij het koninkrijk van de hemel, want daar regeert alleen maar de wet van genade, vrijheid, Geest, waarheid en overwinning. En dus, zegt hij: “Ik kan wel overtredingen hebben, maar het wordt geen zonde omdat ik niet onder de wet ben.” Peter Paauwe haalt daarvoor Maarten Luther aan, want die heeft 500 jaar geleden voor de grootste opwekking ter wereld gezorgd. In zijn uitleg van de Galaten (hier digitaal na te lezen)  zou Luther ook voortdurend benadrukken, dat een christen die zich helemaal aan Christus toevertrouwt, een nieuwe mensen geworden, burger van Gods nieuwe wereld, “waar geen wet is, geen zonde, geen geweten, geen dood, maar de meest vrije vreugde, gerechtigheid, genade, vrede, leven, heil en heerlijkheid.” En Luther zei daar nog iets bij: “Daarom is het de hoogste kunst en wijsheid van de christen, niets te willen weten van de wet (…) en moeten christenen zo voor God leven,  alsof er helemaal geen wet is.” Want, zegt Luther daarbij: “Als u namelijk de wet niet uit uw gedachten zet en uw gedachten niet zo op de zuivere genade zou richten, dan kunt gij niet zalig worden.” Dus, zie je wel …  Luther zei het zelf: “Waar geen wet is, daar is ook geen overtreding”! En zo komt Peter Paauwe tot zijn conclusie dat je als christen geen zonde meer kunt doen. Want bij God is er geen wet die je veroordeelt, maar mag je altijd leven van genade en van Gods overvloed, word je nooit veroordeeld en altijd vrijgesproken, of je nu staat of struikelt.

Tsja … nu snap ik ook waarom er in de clip van “Ik Ben Geen Zondaar” een moderne Luther voor komt die alleen maar deze éne stelling aan de kerkmuur timmert. Het is een nogal eenzijdige boodschap als je alles op één grote hoop gooit en zelfs Maarten Luther voor je karretje wilt spannen. Die heeft namelijk wel wat meer gezegd dan dat je niet meer onder de wet hoeft te leven als christen. En Luther heeft al helemaal niet gezegd dat hij nooit zondigt, omdat de wet alleen maar geldt in het koninkrijk van satan. Integendeel, op maandag 18 september kreeg ik mijn wekelijks Luther-citaat in de mailbox binnen (abonneren kan via www.maartenluther.com). Deze keer ging die over het onderwerp ‘Tegelijk heilig en onheilig’ . Wat hij in één van zijn Paaspreken uit 1533 zei is volgens mij zo Bijbels als wat en niet zo eenzijdig als de theologie van de DoorBrekers in Barneveld:

 “Een Christen is op hetzelfde moment een zondaar en een heilige, tegelijk slecht en goed. Want wat onze persoon aangaat zijn we in zonden, en wat onze eigen naam aangaat zijn we zondaren. Maar Christus geeft ons een nieuwe naam. Hij noemt ons: ‘Uw-zonden-zijn-u-vergeven’. Die naam houdt in: omwille van Christus zijn al uw zonden vergeten en vergeven. Zo is het beide wáár: de zonden zijn er – want de oude-Adam is nog niet helemaal gestorven – en ze zijn er ook niet, omdat God ze om Christus’ wil niet wil zien.

Voor mijn ogen zijn ze er, ik zie en voel ze wel degelijk! Maar hier is Christus – Hij laat aan mij verkondigen: ’Ik moet boete doen.’ Dat is: ik moet belijden dat ik een zondaar ben, én in Zijn Naam vergeving van zonden geloven (vgl. Handelingen 5:31).

Want de boete – hoewel deze niet gemist kan worden – is op zich niet genoeg om de zonden weg te nemen. Het moet zovér met je komen dat je in de Naam van Christus gelooft en zó ook voor jezelf de vergeving van zonden ontvangt. Waar dit geloof is, daar ziet God geen zonden meer. Want daar sta je voor God niet in je eigen naam, maar in de Naam van Christus – Hij kleedt en versiert je met Zijn genade en gerechtigheid.

Dat doet Hij, hoewel je in eigen waarneming een arme zondaar bent en vol zit met zwakheid en ongeloof. Toch hoef je daarvan geen doodschrik te krijgen – hoe zou je anders de prediking van de boete nog kunnen horen? Daarom, zeg dan: ‘Ach Heere, ik ben een arme zondaar, dat weet ik, maar U zegt: “Zo zal het toch niet met je blijven, want Ik heb bevel gegeven dat in Mijn Naam vergeving van zonden gepredikt moet worden”’ (vgl. Lukas 24:47).”

Tenslotte: als het Woord van God bij de DoorBrekers in Barneveld nogal eenzijdig verkondigd wordt (“Als ik geen zondaar meer ben, kan ik ook niet meer zondigen”), is het lied ‘Ik Ben Geen Zondaar’ dan ook automatisch fout? Nee, dat denk ik niet. Volgens mij maakt setting waarin je het zingt het verschil. Dus klik maar aan: titel ‘Ik Ben Geen Zondaar’.

 

Advertenties

HOUDT GOD ONS VOOR DE GEK? –de paradoxale overeenkomst tussen Gijsbert van den Brink en Mart-Jan Paul–

Het gaat spannend worden de komende maanden. Tenminste, voor iedereen die het onderwerp ‘schepping en/of evolutie’ erg interessant vindt. Op 22 september 2017  is er in Nijkerk een reeds volgeboekt congres met als titel Evolutie. Stel dat het waar is … Op dit congres staat het boek ‘En de aarde bracht voort’ met als ondertitel ‘Christelijk geloof en evolutie’ van Gijsbert van de Brink centraal. Het verscheen vlak voor de zomer. Van den Brink is ervan overtuigd dat het scheppingsverhaal en de gangbare evolutietheorie goed met elkaar te verenigen zijn.  Acht andere wetenschappers zullen hun visie geven op het standpunt van Van den Brink. Eén van hen is Mart Jan Paul.  Eind augustus verscheen zijn boek ‘Oorspronkelijk’ met  als ondertitel ‘Overwegingen bij schepping en evolutie’. Hij is het grondig oneens met Van den Brink en vindt dat de kloof tussen het christelijk geloof en het aanvaarden van de evolutietheorie zo diep en breed is, dat die twee als het er op aan komt onverenigbaar met elkaar zijn. Daarom kiest hij voor de Bijbel als belangrijkste informatiebron over het hoe het leven op aarde ontstaan is en zich ontwikkeld heeft. Dus komt er op 4 november 2017 in Kampen een vervolg op het congres in Nijkerk, namelijk een studiedag onder de titel Oorsprong. Op die dag zullen beide auteurs stevig met elkaar in gesprek gaan en samen met de deelnemers een aantal thema’s uitwerken.

God die misleidt?

Nu heb ik het boek van Mart Jan Paul nog niet gelezen. Ik heb mijn informatie gehaald uit het uitgebreide interview met hem in het Nederlands Dagblad van 30 augustus 2017 . Het boek van Gijsbert van den Brink heb ik wel gelezen. Wat mij meteen opviel was het volgende: beide schrijvers gebruiken de uitdrukking dat er sprake zou zijn van misleidende informatie door God als er geen evolutie zou zijn geweest (Van den Brink) of als het scheppingsverhaal in Genesis 1 en 2 niet letterlijk zo gebeurd zou zijn (Paul).

Brink, Gijsbert van denGijsbert van den Brink gebruikt het woord ‘misleiden’ in verband met de fossielen die in de aardlagen zitten. Als de fossielen die God bij de schepping heeft meegeschapen zonder dat ze ooit echt geleefd hebben, “kunnen we – uitgaande van de schijnleeftijdtheorie – alleen maar aannemen dat God ze [die fossielen] door de aardlagen heeft verspreid  nooit om ons te misleiden.” En even later (ook op blz. 44): “Welk belang zou God erbij hebben om ons zo massaal om de tuin te leiden? Is God niet de Waarachtige en Betrouwbare bij uitstek? Bovendien, als God ons in de natuur voor de gek houdt, hoe weten we dan dat Hij dat niet ook doet in de Schrift?”

Paul Mart-JanMart Jan Paul vindt juist dat er sprake van misleiding zou zijn, wanneer de gegevens uit Genesis niet waar zouden zijn. In het ND zegt hij: “Dat kan ik niet geloven: dat God informatie over de schepping zou hebben gegeven, waardoor de kerk 2000 jaar lang is misleid.” Hij is van mening dat de evolutietheorie uitgaat van een materialistisch wereldbeeld. God wordt systematisch buitengesloten. Zelf kiest hij daarom voor een wetenschappelijke benadering die wél met God en met de Bijbel rekent. Dus kiest hij uiteindelijk voor het zogenaamde ‘jonge-aarde-creationisme’ – de wetenschap die uitgaat van een schepping in zes dagen enkele duizenden jaren geleden.

Ik vond het opvallend dat beide auteurs het woord ‘misleiden’ gebruiken, maar dat hun moeite precies tegenovergesteld is. Van den Brink neemt de resultaten van ‘het boek van de natuur’ zo serieus, dat hij niet meer geloven kan en wil, dat God in de Bijbel een exact verslag van de schepping heeft gegeven. Paul neemt het gezag van de Bijbel als het betrouwbare woord van God zo serieus, dat hij niet geloven kan en wil dat de aarde in werkelijkheid via de lange weg van evolutie tot stand gekomen is.

Kortsluiting

Leonard J Vander ZeeErgens ontstaat bij beiden een soort kortsluiting, zou je zeggen. Want de Bijbel en de natuur laten allebei zien wie God is, zegt artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. De Amerikaanse theoloog Leonard J. Vanderzee bracht dat prachtig onder woorden aan het begin van zijn indrukwekkende lezing ‘From Stardust tot he New Jerusalem – Preaching the Gospel in an Evolving Universe op de BioLogos-conferentie ‘Evolution and Christian Faith’ van 30 juni – 2 juli 2015 in Grand Rapids:

I was brought up on the Belgic Confession, and I knew the idea that God has revealed himself in two books,” in the book of revelatioan called the Bible and in the book of nature, which is Gods creation. And I knew that science is the study of God’s revelation in nature, in the quarks and the galaxy’s and the DNA, and it therefore could not finally contradict what the Bible says, because God does not speak in two voices.

De oorzaak van de kortsluiting is volgens mij bij beide schrijvers onder andere te vinden in het probleem van het lijden. Als het leven op aarde zich namelijk in miljoenen jaren ontwikkeld heeft, is er ook sprake geweest van heel veel lijden, pijn en dood onder de dieren. Dat vindt Gijsbert van den Brink in het interview dat hij op 22 juni in het ND gaf één van de grootste vragen: “het immense lijden dat levende wezens al sinds de vroegste tijden heeft getroffen, de dood van talloze dieren – hoe kan God zo’n wereld geschapen hebben?” In zijn boek komt hij niet verder dan de konklusie: “wij mensen bevinden ons niet in de positie om de motieven te beoordelen die de soevereine God gehad kan hebben om een wereld te scheppen waarin zoveel lijden voorkomt.” (pag. 328/329) Het lijkt erop dat Mart Jan Paul met hetzelfde probnleem worstelt, want hij zegt in het interview van 30 augustus: “Dat de wereld goed begon, dat er geen dood was – ik raak er steeds meer van overtuigd: óók geen dieren die elkaar doden – dat (…) dat zijn gegevens die de hele Bijbel doortrekken. Die blijven niet overeind als je de evolutietheorie omarmt.”

Wat is ‘goed’?

Zou het kunnen dat beide theologen onder de invloed van onze hedendaagse cultuur een te hoge waarde aan dierenwelzijn toekennen en een te idealistisch, idyllisch beeld van hoe de aarde zou moeten zijn als God die aan het einde van zijn scheppingswerk ‘zeer goed’ noemt? Zelf heb ik er niet zoveel problemen mee om te aanvaarden dat zwaluwen vóór de zondeval zich tegoed deden aan vliegen en andere insecten, dat de leeuwen alleen maar konden overleven door af en toe een antilope te verschalken en dat zeehonden dagelijks hun vaste portie vis verorberden. De mensen moesten heerschappij voeren over de dieren (Gen. 1:26), de aarde onder hun gezag brengen (Gen. 1:28) en de tuin van Eden bewerken en bewaken (Gen. 2:15). Dat hoort allemaal al bij de goede Douma Jochemschepping en is niet pas aan de orde na de zondeval, zoals Jochem Douma in zijn boek ‘Genesis’ schrijft (blz. 21). Douma wijst er ook op, dat God meteen na de zondeval kleren van dierenvellen geeft in plaats van de schorten van vijgenbladeren die Adam en Eva  zelf snel aan elkaar geregen hadden. Ook is Douma van mening dat al vóór de zondeval roofvogels andere dieren moest doden om aan voedsel te kunnen komen (beide blz. 22). Als je dieren geen menselijke eigenschappen toekent en als je als het goede van de schepping niet invult volgens de menselijke gelukscategorieën, is voor mij een ruige schepping geen probleem, ook niet als het om de natuurlijke dood van dieren gaat.

Het gelijk ligt vooral bij …

Er is dus een merkwaardige, paradoxale overeenkomst in de standpunten van Van den Brink en Mart Jan Paul. Toch komen ze totaal verschillend uit. Wie heeft het gelijk het meest aan zijn kant?

Matthijs HaakIk neig toch naar Van den Brink. Maar wel met een kanttekening die de Dordtse dominee Matthijs Haak begin 2016 in één van zijn blogs maakte. Hij herhaalde dat op zijn FB-pagina op 30 augustus 2017 in deze bewoordingen: “Het christelijke gesprek is momenteel zo dat de vraag ‘past het christelijk geloof bij wetenschappelijke inzichten?’ overheerst. (Vd Brink stelt steeds deze vraag). Aan een eigen verhaal komen christenen daarom niet echt toe, terwijl dat juist nu zo hard nodig is.”

Dat is ook mijn kritiek op het boek van Van den Brink. Hij plooit de Bijbel naar de evolutietheorie. Dat doet hij zonder tekort te doen aan het gezag van de Bijbel, dat wil ik er meteen nadrukkelijk bij zeggen. Maar het voelt een beetje als bij de Brexit. Net als Europa is de evolutietheorie duidelijk de bovenliggende partij, en het christelijk geloof is net als het Verenigd Koninkrijk de onderliggende partij. Om het met de vooruitziende blik die Matthijs Haak begin 2016 al had te zeggen: als Van den Brink wetenschappelijke gegevens presenteert, is het een en al zekerheid wat de klok slaat. Als het bij hem over de Bijbel gaat, dan zijn het vooral vragen of hoe Genesis gelezen moet worden? Wetenschappelijke inzichten vormen dus het frame en de Bijbel komt er nogal bekaaid van af. Dat is te marginaal om met een overtuigend eigen christelijk verhaal te komen (zoals Vanderzee wel gedaan heeft)

Wat het standpunt van Paul betreft, ben ik op grond van het interview minder enthousiast. Ondanks overstelpende bewijzen vóór natuurlijke, biologische evolutie zegt hij in het ND dat de evolutietheorie echt niet zoveel sterker staat dan het betrouwbare verslag van de Bijbel. Daarbij gebruikt hij drie nogal suggestieve argumenten, namelijk: “[A] Waarom werd Darwin bijvoorbeeld in zijn tijd meer aangevallen door vakgenoten dan door theologen? Dat zou je niet verwachten. [B] Bedenk daarbij dat de evolutietheorie sterk gevormd is door het vooruitgangsgeloof van de negentiende eeuw. [C] En wist je dat Darwins grootvader al kwam met gedachten van natuurlijke evolutie? Die visie zat in de familie. Wat is nu aangetoond en wat is levensovertuiging?, vraag ik mij dan af.”

Dit vind ik onder de maat. Wat [A] betreft vind ik het logisch dat iemand met een kompleet nieuwe theorie eerst binnen zijn vakgebied kritisch bevraagd wordt. Als het om [B] gaat doet Paul net alsof objectief toetsbare feiten en intellectuele theorieën haast per definitie gewantrouwd moeten worden omdat ze uit een verdachte hoek komen. En argument [C] is ook nog eens postuum onder de gordel. Als het ook maar voor 10% waar zou zijn, kunnen we het boek van Mart Jan Paul meteen ongelezen in de oud-papier-container gooien omdat zijn grootvader uit de zware hoek van de Gereformeerde Bond kwam, waar zelfs de 1000 jaren in Openbaringen nog letterlijk genomen werden. Vooral

Toch ga ik ook het boek van Paul aanschaffen en lezen en heb ik me ook voor vervolgronde ingeschreven. Ik ben erg benieuwd hoe beide theologen inhoudelijk op elkaars boek zullen reageren. Vooral, omdat er best veel van afhangt. Of misschien ook wel niet. Ieders mening over schepping en/of/door evolutie is gebaseerd op geloof. Ik geloof dat mijn God de Schepper van hemel en aarde is. En als het om het ontstaan daarvan gaat, ben ik het van harte met Jochem Douma eens (blz. 45): “Wij worden in Genesis 1 niet ingelicht over hoe wij ons intellectueel het scheppingsproces moeten voorstellen, maar hoe wij existentieel aan God als Schepper verbonden zijn.”

 

Over schepping, evolutie, DNA en het christelijk geloof

Bretagne 2Met een prachtig uitzicht op de Bretonse kust (gevormd in miljoenen jaren of door zondvloed) begon ik met het lezen van ‘En de aarde bracht voort’  – het nieuwste, tamelijk pittig geschreven boek van de gereformeerde theoloog Gijsbert van den Brink (hij is de broer van Thijs, één van de bekende gezichten van de EO). Hij gaat in op de vraag hoe je de kern van het christelijk geloof, namelijk schepping, mens als beeld van God, zondeval, verlossing, voorzienigheid en nog een paar andere thema’s, kunt verbinden met de gangbare evolutietheorie. Want die heeft als wetenschappelijke verklaring over het ontstaan van de aarde en de ontwikkeling van het leven op aarde hele sterke argumenten, vindt Gijsbert van den Brink. Dus doet hij een erg interessante poging om te ontdekken of en hoe bijbelgetrouw geloven en het accepteren van de evolutietheorie samen kunnen gaan. Het is een erg goed geschreven boek, ook als je het niet in alles of misschien wel in alles niet met de schrijver eens bent. Terecht staat op de achterflap de “een onmisbare bijdrage is aan het actuele debat over schepping en evolutie.”

Gijsbert vd Brink - En de aarde bracht voort.jpgEr komt dan ook een congres over dit boek op vrijdag 22 september. Daarin gaan acht deskundigen (theologen en natuurwetenschappers) met Gijsbert van den Brink in debat. Het congres is nu al volgeboekt en verplaatst van een congrescentrum naar een kerkgebouw met 600 zitplaatsen! Eén van de interessante vragen waar dit boek op ingaat is de kwestie van de “ingeschapen ouderdom en schijnleeftijd” van de aarde. God zou de aarde dan geschapen hebben met kant en klare fossielen in allerlei aardlagen die wetenschappelijk gezien miljoenen jaren oud zijn. Gijsbert van den Brink wijst die theorie af omdat God ons dan zou misleiden, want “welk belang zou God erbij hebben om ons zo massaal om de tuin te leiden? Is God niet de Waarachtige en Betrouwbare bij uitstek? Bovendien, als God ons in [het boek van] de natuur voor de gek houdt, hoe weten we dan dat Hij dat niet ook doet in de Schrift?” Dit citaat vind ik één van de minder geslaagde taxaties in zijn boek. En zo zijn er wel meer, nog kritischer vragen te stellen. Maar wat je er ook van vindt, het boek is verplichte stof voor iedere christen die hier echt in geïnteresseerd is of het een lastig onderwerp vindt.

Bruce Buff HemelbewijsMaar goed … de vakantie is er niet alleen om dit soort boeken te lezen, dus heb ik ook twee Grishams uitgelezen én een detective die dit jaar verschenen is, nl. Hemelbewijs – het debuut van de Amerikaan Bruce Buff. Daarin doet een professor een baanbrekende DNA-ontdekking waarmee hij kan bewijzen dat het heelal door God is geschapen en waarmee de mens een flinke stap naar de onsterfelijkheid zou kunnen zetten. Het eerste is tegen het zere been van een niet-gelovige vriend van de professor. Het laatste is natuurlijk een reden dat er van alles helemaal uit de hand loopt omdat hooggeplaatste heren en een enkele dame met kwade bedoelingen dit recept van eeuwig leven graag in handen willen krijgen. Qua verhaallijn vond ik het een mager 7-tje. Bovendien is het te snel en dus wat slordig vertaald (‘nucleus’ en ‘assumptie’ zijn echt geen Nederlandse woorden, overbodige herhalingen, twee verschillende namen voor hetzelfde ex-vriendinnetje).

Wat ik wél heel boeiend vind, is de beschrijving van de baanbrekende DNA-ontdekking van de professor. Kort gezegd gaat het over hoe het DNA functioneert. Er is te weinig basismateriaal in het DNA om alle ontwikkelingen en functies alleen vanuit biologische processen te kunnen verklaren, want dan zouden embryo’s er veel langer dan negen maanden over doen om tot volwaardige baby’s uit te groeien in de buik van hun moeder en zouden veulens niet meteen na de geboorte kunnen opstaan en lopen. Ergens moeten die processen in het DNA door algoritmen gestuurd zijn. En algoritmen zijn een soort parameters. Die kunnen alleen maar van te voren zijn bedacht en ingesteld. En als je als mens die code weet te kraken, je hoeft ze maar ietsje bij te stellen, en je krijgt een totaal andere uitkomst. Zou er inderdaad in het DNA zo’n code zitten? Zo ja, dan wijst dat op een Schepper. En dat zou de oorsprong van het leven kunnen verklaren. Iets wat de evolutietheorie van Darwin niet kan. Dit vind ik een razend interessante hypothese. Maar het gaat mijn lekenverstand ver te boven. Dus ik hoop dat iemand het me nog eens goed uitleggen kan.

Bretagne 1Ondertussen heb ik wel mooi mijn derde detective gelezen in Bretagne. Maar ik vond het ook meteen een goede aanvulling op het theologische boek van Gijsbert van den Brink. Al was het alleen maar omdat het, ook al is het beslist niet wetenschappelijk geformuleerd, wel een aantal hele prikkelende uitspraken doet over wat je allemaal uit het DNA kunt afleiden. Zelfs misschien wel het bestaan van God – als meer dan acceptabele theorie tegenover de evolutietheorie van Darwin.

Meer info over beide boeken: Gijsbert van den Brink, En de aarde bracht voort – christelijk geloof en evolutie, Uitgeverij Boekencentrum, 2017, € 22,99; Bruce Buff, Hemelbewijs, Uitgeverij Kok, 2017, € 22,50

 

In vakantiestemming naar je vakantiebestemming met Psalm 121

We zitten midden in ‘de grote vakantie’, zoals we bij ons in het dorp vroeger de zomervakantie noemden. Veel mensen gaan dan weg, op reis naar de plek waar ze vakantie houden. Sommige mensen gebruiken nog een wegenkaart. Andere mensen een routeplanner. De meesten volgen de ‘Route du Soleil’ – de zon achterna. Eén van mijn favoriete zomerliedjes gaat daarover: het prachtige nummer ‘Une belle histoire’ van Michel Fugain.

In Israel gingen veel mensen ook elk jaar op reis. Elk jaar gingen ze naar dezelfde plek. Naar Jeruzalem. Lopend. Voor de kinderen was dat echt een vakantiereis. Denk maar aan Jezus toen hij 12 was en voor het eerst meemocht. Voor de vaders en moeders en andere volwassenen was het geen vakantiereis. Nee, voor hen was het een pelgrimstocht. Ze wilden God opzoeken in de tempel. Want ze wisten: God heeft ons gemaakt. Hem behoren wij toe. Zijn volk zijn wij, de schapen die Hij weidt. Die God wijst ons ook de weg. Hij geeft ons leven zin. Als we zijn aanwijzingen volgen, komen we op de reis door het leven veilig bij Hem aan, want zijn liefde duurt eeuwig. En in Jeruzalem staat de tempel van God, daar woont de HERE bij zijn volk. Dus willen de gelovigen van toen daar graag naar toe. Met een loflied trekken ze door de tempelpoort naar binnen en in de voorhof van de tempel heffen ze een lofzang aan. Dat is Psalm 100. Het is goed de HEER te ontmoeten waar Hij te vinden is. Daar word je in hun geloof versterkt. Door voor de HERE zingen, naar zijn woorden te luisteren, door offers te brengen – schuldoffers voor je zonden en dankoffers voor Gods vergevende liefde. Dat is goed voor je geloof, daar word je rustig van, dan vindt je hart vrede. Maar voor je bent waar je wezen wilt, moet je een hele reis maken. Om de moed er in te houden, zongen de gelovige Israelieten op weg naar Jeruzalem hun pelgrimsliederen. Psalm 121 is er één van, waarschijnlijk de meest bekende en geliefde. Een lied voor onderweg, onderweg naar het huis van de HERE hun God.

Dat is zoveel eeuwen later nog steeds zo. Als je christen bent, zoek je de zin van het leven nog steeds verderop: in het nieuwe Jeruzalem – de Lichtstad met zijn paarlen poorten. Terwijl we onderweg zijn, noemt Psalm 121 de HERE ‘de wachter van Israel’. Dus niet van jan en alleman – hoewel, God zorgt voor heel zijn schepping en is dus voor alle mensen goed. Maar Israel is zijn eigen volk met een speciaal plekje in z’n hart. En van dat Israel maken sinds Pinksteren alle gelovigen over heel de wereld deel van uit – iedereen die echt in God én in zijn Zoon Jezus Christus gelooft. Ook voor hun kinderen heeft de HERE een speciaal plekje in zijn hart. Later zal Jezus het zo zeggen: ‘God wil niet dat ook maar één van de kleinsten verloren zal gaan.’ Daarom hebben zoveel mensen Psalm 121 in hun hart gesloten. Het beschrijft heel onze levensweg. Als je christen bent weet je: ik ben onderweg naar het Vaderhuis, daar zal ik mijn Heer ontmoeten. En onderweg mag ik al van zijn aanwezigheid genieten, in de Bijbel, door de Heilige Geest, in al het goede van de schepping, samen met al die andere reisgenoten die ook hun blik gericht houden op Jezus als Leidsman en Redder en Voltooier van ons geloof.

A5 20Maar laten we elkaar niet wijs maken, dat we er al zijn, dat ons niets overkomen kan. Eerder omgekeerd: in het groot en in het klein gebeurden er heel veel dingen die je niet van te voren zag aankomen. En wat je niet ziet aankomen, daar kun je als een berg tegenop zien. Of het komt als een vloedgolf over je heen. En dat hakt er allemaal zwaar in. De vraag is: wat doe je dan? In de meeste vertalingen begint Psalm 121 met een vraag, en geen kleintje ook: Ik sla mijn ogen op naar de bergen; vanwaar komt mijn hulp? Maar misschien heeft de BGT het wel bij het juiste eind en moet ook vers 1, net als de andere verzen, een uitroepteken zijn: Ik kijk omhoog naar de bergen. Daar komt mijn help vandaan! Daar – waar ik de tempel al zie schitteren op de top van de berg Sion!  Dan heb je zorgen, is er twijfel, krijg je te maken met tegenslag, lijd je pijn en ken je verdriet. Maar je weet ook: God is er altijd bij! Bij Hem mag ik schuilen. Hij gaat met mij mee! Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt, dus wie kan er beter de wacht over mij houden?

Sterker nog: die God is bij de mensen komen wonen. Hij wil kontakt met ons. Hij zorgt voor nieuwe perspektieven. Hij gééft ons Jezus en vérgeeft ons onze zonden. Je mag naar Hem toe, naar de tempel in Jeruzalem in die tijd, naar elke christelijke kerk in onze tijd waar Jezus Christus centraal staat. Dat is goed voor je geloof, daar vindt je hart vrede. Voor een gezond geloofsleven, om te groeien in wijsheid en vertrouwen, moet je bij de HERE zijn. Op de plaats waar Hij zich laat vinden: in de tempel, zoals de 12-jarige Jezus al heel goed wist. In zijn gemeente, want daar wil Jezus onze Heer door zijn Woord en Geest in ons midden zijn. Als je je dat als goede gewoonte aanleert – lees je Bijbel, bid elke dag, ieder zondag naar de kerk – zul je bij speciale momenten de HERE opzoeken en Hem bedanken of om hulp vragen. Want zo eindigt Psalm 121: De HEER houdt de wacht over je gaan en je komen van nu tot in eeuwigheid. In de oude vertaling van 1951 stond het misschien nog wel mooier: De HERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren. Heel het mensenleven zit vol met zulke kantel-momenten. Maar hoe het ook gaat, welke periode je ook ingaat en hoe je er ook uitkomt, de Bijbel in Gewone Taal zegt het heel direkt: De HEER beschermt je, overal, waar je ook gaat, je leven lang. Geloof je dat? Dan kun je rustig op vakantie gaan. Of weer aan het werk gaan. En elke zondag vol vertrouwen naar de kerk gaan. Want God beschermt mij mijn leven lang. Hoe kun je dat zeker weten? Nou, de Bijbel is je routekaart! Daarin staat wie er voor mijn verlossing zorgt: Jezus Christus. En in de Bijbel staat, wie er voor mijn geloof zorgt: de Heilige Geest. En in de Bijbel staat, wie er altijd voor mij zal zorgen: mijn Vader die hemel en aarde gemaakt heeft. En ook al is het dan een komen en gaan van allerlei verschillende momenten – ‘Hou vol, hou vol, Hij laat niet los’!

cropped-bergtop-belalp-header.jpgDurf jij daarop te vertrouwen? Op de HERE, die ook jouw Herder wil zijn? Een Herder die nooit slaapt, maar altijd goed oplet? Durf je daar om te vragen? Of Hij, die hemel en aarde gemaakt heeft, ook in deze vakantie én in het nieuwe seizoen over jou getrouw de wacht wil houden? Durf je deze Psalm mee te zingen? Een psalm vol bemoediging, een psalm waardoor de Heilige Geest ervoor wil zorgen dat je het volhoudt om te geloven. Wat er ook gebeurt, dit is waar ik op vertrouw: ‘Mijn hulp komt van de HEER die hemel en aarde gemaakte heeft. Hij is mijn wachter. Hij waakt over mijn leven.’

Tauren Wells zong het prachtig lied ‘Hills and Valleys’, waarin dit vertrouwen ook heel sterk tot uitdrukking komt.

Foto’s: de bergen in Vorarlberg/Wormserhütte en in Wallis/Bel-Alp – Karla Leeftink Natuurfotografie – http://www.karlaleeftink.com

Via Ethiopië naar Assen-Peelo

Marije en Lyan.pngOp zondag 9 juli deden twee jonge christenen van 18 en 19 jaar belijdenis van hun geloof. Eén van de twee werd ook gedoopt. In de dienst, met veel Opwekking en twee prachtige persoonlijke getuigenissen, lazen we het verhaal van de eerste niet-jood die tot geloof kwam. Dat verhaal staat in Handelingen 8:26-40. In het boek Handeling zie je, dat vanaf Pinksteren het Evangelie van Jezus Christus in steeds wijdere kringen de wereld over gaat. Dat had Jezus ook gezegd: de Heilige Geest zal jullie kracht geven om mijn getuigen te zijn, van Jeruzalem –> Judea –> Samaria –> de uiteinden van de aarde. Daarom begint het boek Handelingen in Jeruzalem en eindigt het in Rome. Wat daarop volgt is geschiedenis. En die geschiedenis loopt tot vandaag in Assen-Peelo. Maar … de eerste 100% niet-joodse christen in Handelingen die gedoopt wordt is een Afrikaan! Dus kun je zeggen: Het evangelie van Christus is via Ethiopië naar Assen-Peelo gekomen. Drie dingen daarover:

1) De Heilige Geest zet deze Ethiopiër op het spoor van de God van Israel

In het gebied tussen Ethiopië en Soedan in regeerde in de bijbelse tijd een vorstendom met aan het hoofd voornamelijk koninginnen met de titel ‘Kandakè’. Deze Ethiopiër was haar minister van financiën. We weten niet hoe hij in aanraking is gekomen met het geloof van Israel. Wel weten we dat er in die tijd al grote joodse gemeenschappen bestonden in het gebied tussen Egypte en Ethiopië. Hun nakomelingen heten de Falasja’s en zijn begin jaren negentig van de vorige eeuw erkend als een aparte joodse stam. Velen van hen zijn 15 – 20 jaar geleden naar Israel geëmigreerd.

Deze Afrikaan uit Ethiopië heeft een drie-dubbele achterstand.

  • Hij is een afstammeling van Cham en geldt daarom als vervloekt.
  • Hij is gecastreerd. Op een eunuch in die tijd werd net zo neergezien als vaak nog op homofielen vandaag. Ook al is hun positie niet helemaal vergelijkbaar, ze zijn allebei wel ‘gesneden’ (oude vertaling) of ‘onvruchtbaar’ (NBV) om het met de woorden van de Here Jezus uit Mat. 19 te zeggen. Net als een derde kategorie: mensen die niet trouwen omdat ze zich helemaal willen inzetten voor Gods Koninkrijk. Het brengt alledrie evenveel moeite met zich mee. En diskriminatie. Niet voor vol worden aangezien. Maar tegelijk: voor God is geen enkele ongetrouwde te min. Ook een homofiel of een gecastreerde eunuch niet.
  • Als heiden mag de Ethiopiër in de tempel niet verder dan in de buitenste voorhof komen. En omdat hij gecastreerd is, zal hij nooit kunnen toetreden tot het jodendom, ook niet als ‘jodengenoot’.

Toch is er bij de Afrikaan geen reden tot verbittering. De HERE Zelf legt het verlangen in zijn hart om meer van de God van Israel die ook de Schepper van hemel en aarde is, te weten te komen. De HERE Zelf is het, die hem tot aanbidding brengt en ervoor zorgt dat hij blijft geloven en op de terugweg zelfs een boekrol meeneemt. Zo maakt de HERE Zelf de kring steeds wijder en neemt Hij steeds nieuwe mensen op in zijn gemeente. Zo bereidt God de gelovige christenen uit Israel erop voor dat er nog heel veel andere mensen zijn, die Hij ook roept, die Hij ook welkom heet bij zijn volk en met wie Hij uit genade een eeuwig verbond wil sluiten. Want de kerk komt niet in de plaats van Israel. De kerk is het vanaf Pinksteren Israel zoals God het altijd bedoeld heeft. Want bij Gods volk hoort iedereen die in de voetsporen van het geloof van Abraham treedt door te geloven in degene naar wie Abraham uitkeek: Jezus Christus, de Zoon van God.

2) De Heilige Geest zoekt deze Ethiopiër op met de Bijbel

De Here Jezus maakt door een engel aan Filippus duidelijk, dat hij de eenzame weg naar Gaza op moet gaan. De Geest Jezus geeft Filippus de opdracht om die heiden-minister en afstammeling van Cham aan te spreken. De Afrikaan leest in boekrol van Jesaja en Filippus legt hem die woorden uit en vertelt hem over Jezus. Hij begint met de vernedering en het lijden van Christus. Jezus offert zichzelf helemaal op voor anderen. Zo radikaal, dat de vraag opkomt: wat bereikt Hij daarmee? Dat leidt tot indringend zelfonderzoek: erken je dat de zonde zó diep in je zit, dat Jezus daar zó diep voor moest gaan? Eérst erkenning van je diepste ellende – pas dan gaat de verlossing echt glanzen! Ook dat verkondigt Filippus vervolgens. Door het geschreven en gepredikte Woord geeft Jezus Christus Zichzelf en wil Hij Zichzelf bekend maken! Door het geschreven en gepredikte Woord wil Jezus Christus mensen in het hart grijpen! In de Bijbel Zelf en overal waar de Bijbel wordt gelezen en uitgelegd – dáár kom je Jezus tegen. Dáár openbaart Jezus Christus zich in zijn volle rijkdom en genade. Waar de Bijbel open gaat, wordt Hij aanvaard als Heer en Zoon van God. Dus: lees je bijbel, elke dag. Daarin gaat het over God en Jezus. Lees over Hem. Dan zul je blijven geloven.

3) De Heilige Geest brengt deze Ethiopiër tot geloof en blijdschap

Ethiopiër Handelingen 8De Heilige Geest zorgt in een ongelooflijk snel tempo voor een krachtig en sterk geloof in het hart van deze Ethiopische minister Dijsselbloemë. Hij legt ook het verlangen in het hart van elke gelovige om gedoopt te worden. Filippus pusht de Afrikaan niet. Integendeel: hij vraagt er zelf om! De tegenvraag van Filippus en de geloofsbelijdenis van de Afri-kaan horen niet bij de originele tekst van dit hoofdstuk, maar het is goed te begrijpen, dat een aantal handschrif-ten het er toch bij heeft staan. Zo gaat het namelijk altijd: als je als volwassene tot geloof komt, mag je worden gedoopt als je je geloof in Jezus ook openlijk belijdt. Daarnaast geeft de Heilige Geest blijdschap in het hart van elke gelovige. De weg ligt open! Door het geloof in Jezus. Ook al gaan de wegen van Gods kinderen uiteen – op elk levenspad gaat Jezus met je mee. Je mag weten: mijn hemelse Vader zorgt voor mij, Jezus redt mij en de Heilige Geest versterkt steeds mijn geloof.

De erfenis van Eva – over de vrouwen in de gemeente van Efeze

Wat was voor Paulus de aanleiding om aan Timoteüs te schrijven dat vrouwen in de kerkelijke samenkomsten geen onderwijs mogen geven en geen gezag over mannen mogen uitoefenen? In februari 2002 schreef Jan Boersma, predikant binnen de GKV, hier een kort verhaal over in het blad CV/Koers. Ik vond het interessant genoeg om het voor het voetlicht te halen nu de GKV-kerken besloten hebben om vrouwen in de ambten toe te laten en mag het met instemming van de schrijver hier plaatsen. De gecursiveerde woorden in dit verhaal zijn citaten uit 1 Timoteüs 2:9-15.

De erfenis van Eva

Paulus staart naar het plafond. Hij zucht. Hij is blij dat deze dag is afgelopen en dat hij nu eerst een paar uur kan slapen. Van dit soort dagen moet je er niet te veel hebben. Het verhaal waarmee Trofimus vandaag aankwam uit Efeze, is in elk geval niet bevorderlijk voor zijn nachtrust. Timoteüs en de andere leiders van de gemeente in Efeze hebben het moeilijk. Allerlei zaken dreigen daar uit de hand te lopen. Het gezag van de apostel is nodig om orde op zaken te stellen in de gemeente. Gelukkig was Silvanus meteen bereid om samen aan een brief te beginnen. Maar moeilijk is het wel. Want sturen op een afstand, hoe doe je dat op een goede manier? Lang ligt Paulus te denken en te woelen, voordat hij eindelijk in slaap valt.

De volgende dag zitten ze met z’n drieën bij elkaar in de werkplaats: Paulus, Silvanus en Trofimus. Al snel komt het gesprek weer op de situatie in de gemeente van Efeze. Het is duidelijk dat Trofimus zich zorgen maakt. “Eén ding heb ik gisteren nog niet verteld,” zegt hij. En zuchtend gaat hij verder: “Sommige vrouwen maken er echt een toestand van. Niet allemaal hoor, maar er zijn er een paar bij… Niet te zuinig. Ze zeggen dat ze in de samenkomsten het woord willen voeren, omdat ze ook iets te zeggen hebben.” Paulus kijkt naar Trofimus. “Ja en? Wat is dan het probleem?” Trofimus kijkt zorgelijk. “Timoteüs heeft al een paar keer de samenkomsten voortijdig af moeten sluiten vanwege het tumult dat die vrouwen maken. Het lijkt af en toe meer op een kippenhok dan op een eredienst.” Paulus moet even lachen als het beeld zich al te letterlijk aan hem opdringt. Maar de ernst van de situatie wint het.

“Vertel eens precies wat er aan de hand is,” zegt hij tegen Trofimus. “Wel,” begint Trofimus aarzelend, “Een aantal vrouwen in de gemeente zijn aan het doorslaan. Het begon met één of twee van hen, maar al gauw deden een heleboel anderen ook mee. En dan bedoel ik, dat ze zichzelf op een verkeerde manier op de voorgrond dringen. Ze roepen allerlei dingen over vrijheid en waardigheid, maar het is duidelijk dat ze wel een klokje hebben horen luiden, maar ze weten niet waar de klepel hangt.” “Wat bedoel je precies?” wil Paulus weten. “Nou,” gaat Trofimus verder, “Toen ze net bij de gemeente hoorden, waren ze blij met alles. En vooral dat ze nu eindelijk echt meetelden. Als vrouwen, bedoel ik. Je weet wel: omdat voor onze Heer alle mensen evenveel waard zijn.” Paulus knikt en Trofimus gaat verder: “Maar de laatste tijd hebben ze daar een vreemde draai aan gegeven. Nu ze de vrijheid hebben geroken, is het net alsof ze geen enkele leiding meer willen aanvaarden. Ook niet de leiding van onze Heer. En wat Timoteüs ook zegt, ze luisteren niet naar hem. Ondertussen dragen ze die ideeën van hun wel uit in de gemeente. Je kunt het aan allerlei dingen merken. Zoals ze zich kleden, bijvoorbeeld. Tunica’s en sieraden – het is allemaal op henzelf gericht: om te laten zien dat zij er wezen mogen. Heel opzichtig. Af en toe is het zelfs regelrecht uitdagend. Je kunt je wel voorstellen wat voor effect dat op een aantal mannen heeft,” besluit Trofimus met een zucht. Paulus kijkt nadenkend voor zich uit. Dan zegt hij langzaam: “Ik wil hier eerst even rustig over na kunnen denken. Silvanus, vanavond gaan we verder met de brief. En dan eerst over dit element.”

’s Avonds zitten Paulus en Silvanus bij elkaar in de bovenkamer. Samen proberen ze de draad van de brief weer op te pakken. “Het lijkt me dat we met de praktische elementen moeten beginnen,” zegt Paulus. “Het laatste dat we opgeschreven hebben, was ook een praktisch punt: over het gedrag en de houding van de mannen. Als we nu beginnen bij een praktisch punt over de vrouwen, sluit dat goed aan.” Ineens knipt hij met zijn vingers. “Ik heb het,” zegt hij. “ Op dezelfde manier ook de vrouwen, dubbele punt. Daarmee is het in één keer heel duidelijk aan elkaar gekoppeld. En daarmee is ook duidelijk, dat heiligheid niet alleen een opdracht is voor mannen, maar voor alle gelovigen.” Silvanus is al aan het schrijven: ‘Op dezelfde manier ook de vrouwen:’. “Oké, en nu die woorden over kleren en zo. Schrijf maar op: ‘dat zij passend gekleed zijn en zich bescheiden en ingetogen opmaken. Laten ze niet willen opvallen door hun haardracht, gouden sieraden, juwelen of dure kleren.’”

Paulus wrijft even in zijn ogen. “Wat is er?” vraagt Silvanus. “Er moet nog iets bij,” zegt Paulus. “Op deze manier zou het kunnen lijken, alsof een vrouw er niet mooi en vrouwelijk uit mag zien. En dat is natuurlijk niet de bedoeling.” “Wat wil je precies zeggen?” wil Silvanus weten. “Ik denk aan de woorden van Trofimus. Dat er vrouwen zijn die aan zulke uiterlijke dingen hun status en hun zekerheid ontlenen. Alsof de waarde van hun leven bepaald wordt door hun vrouwelijkheid en hoe ze dat weten te presenteren. Al of niet met een erotische lading.” “Jij wilt dus eigenlijk zeggen, dat ze de waarde van hun leven ergens anders moeten zoeken,” probeert Silvanus te helpen. “Ja, precies. Want je moet de zekerheid in je leven niet zoeken bij jezelf, maar bij Christus. Respect hebben voor God. En dat laten zien in je leven, in je doen en laten. Dat zijn de sieraden, waar je leven echt mooi van wordt. Vul maar aan: ‘maar door goede daden, zoals dat hoort voor vrouwen die ervoor uit willen komen dat ze God eren.’”

Paulus staat op van de bank, waar hij tot dan toe op gezeten heeft. “Even de benen strekken,” zegt hij. “Want nu komt het moeilijkste gedeelte. Het probleem is dat die vrouwen allerlei dingen roepen zonder dat ze de diepgang van het evangelie gepeild hebben. Zoiets moet het dus worden: dat ze eerst meer van het evangelie gaan begrijpen; dat ze eerst leren luisteren en zich rustig houden. Ja, schrijf dat maar op: ‘een vrouw moet stil en volgzaam naar het onderricht luisteren.’ Dat zijn de trefwoorden, Silvanus: stil en volgzaam. Voordat je iets kunt zeggen over de blijde boodschap, moet je eerst leren om te luisteren, om stil te zijn en niet voor je beurt te praten.”

De pen van Silvanus gaat zacht krassend over het papier. Als hij klaar is, knikt hij. “Ook het woord volgzaam is goed gekozen, denk ik,” merkt hij op. “Het is een goede inhoudelijke omschrijving. Om leiding te kunnen geven in de naam van Christus moet je eerst zelf geleerd hebben wat het betekent om Hem te volgen. Ik neem tenminste aan dat je dat bedoelt.” Even denkt hij na. Dan gaat hij voorzichtig verder: “Maar is het niet te algemeen geformuleerd? Ik bedoel: het is duidelijk wat de boodschap is, maar als je het accent een klein beetje anders legt, lijkt het alsof een vrouw nooit iets zou mogen zeggen. Alsof iedere vrouw altijd alleen maar stil en volgzaam moet zijn. En dus nooit haar mond open mag doen of leiding geven.” Paulus kijkt hem vreemd aan. “Denk je?” vraagt hij. Maar na een poosje nadenken schudt hij zijn hoofd. “Dat lijkt me behoorlijk vergezocht,” zegt hij langzaam, “om dat erin te willen leggen. In elk geval zal Timoteüs die conclusie nooit trekken. En ik denk ook de anderen in Efeze niet. Want dat geldt voor mannen natuurlijk net zo goed: dat je begint met stil zijn en volgzaam zijn. Denk maar aan Trofimus bijvoorbeeld. Nu is hij in staat om leiding te geven. En hij doet het goed, vind ik. Maar in het begin was dat heel anders. Toen wist hij nog maar weinig en hij moest nog een heleboel leren. Als het goed is, leg je niemand overhaast de handen op. Vrouwen niet, maar mannen ook niet. Maar we hebben het nu niet over mensen in het algemeen, het gaat nu over die vrouwenbeweging in Efeze.”

“Maar zou je dan niet beter andere woorden kunnen kiezen?” stelt Silvanus voor. “Ik denk het niet,” zegt Paulus. “Op deze manier komt de bedoeling hopelijk heel duidelijk over. Hoe die vrouwen in Efeze zich op moeten stellen. Ik geloof niet dat ze meteen zullen gaan denken aan een algemene regel. Tenminste, dat kan ik me niet goed voorstellen. Denk alleen al aan wat ze meegemaakt hebben van Priscilla: hoe die in staat is om anderen te onderwijzen in de weg van het geloof. Dat hebben ze in Efeze van dichtbij meegemaakt. Hebben we toen ooit gezegd dat ze haar mond moest houden, omdat ze een vrouw is? En dat ze daarom geen onderricht mag geven? Of heb ik ooit beweerd dat Junia geen echte apostel is, omdat ze een vrouw is? Dat zou toch onzin zijn!”

Paulus haalt geagiteerd zijn schouders op. “Of denk aan de vrouwen die in allerlei gemeentes optreden als profetes. Nee, volgens mij ben je nou bezig om spijkers op laag water te zoeken, Silvanus.” Al pratend wordt zijn gezicht roder. Met grote gebaren onderstreept hij zijn boosheid. “We hebben immers altijd benadrukt dat het evangelie een mens zijn oorspronkelijke waarde weer terug geeft. Ik bedoel de waarde die God bij de schepping aan de mens gegeven heeft. Allerlei verschillen die mensen later aangebracht hebben, tellen voor God niet mee.”

“Rustig maar,” onderbreekt Silvanus hem lachend, “je hoeft mij niet te overtuigen. Ik ben al overtuigd. Ik bedenk alleen maar hoe de woorden in deze brief misschien over kunnen komen bij anderen.” De relativerende woorden van Silvanus hebben meteen hun uitwerking: Paulus ontspant zich. Er verschijnt een voorzichtige glimlach op zijn gezicht. Dan gaat hij verder: “Weet je, volgens mij zou er een heleboel gewonnen kunnen worden, als die vrouwen gaan beseffen dat ze een andere houding moeten hebben. Want nu het zo gaat, wordt er op een verkeerde manier leiding gegeven in de gemeente.”

Silvanus denkt even na. Dan zegt hij: “Als je dat bedoelt, kun je dat er ook bij zeggen, lijkt me. Om misverstanden te voorkomen.” Paulus knikt. “Een goed idee,” zegt hij. “Schrijf maar op: ‘Ik sta niet toe dat ze onderricht geeft of gezag uitoefent over de man. Nee, ze moet stil zijn.’” Langzamerhand verschijnt er een grijns op het gezicht van Paulus. Dan zegt hij langzaam: “Ik denk trouwens wel, mijn beste Silvanus, dat deze woorden op dezelfde verkeerde manier uitgelegd zouden kunnen worden. Maar het doet in elk geval heel duidelijk recht aan de situatie in Efeze.”

Paulus gaat verzitten. Intussen heeft Silvanus een kan wijn en paar bekers gehaald. Als de bekers gevuld zijn, hervat Paulus het gesprek: “Hiermee kan Timoteüs wel aan de gang. En als de dames nog enig respect hebben voor een apostel van Christus, zullen ze zich ook laten gezeggen. Alleen, ik zou ook graag willen, dat ze daar zelf ook van overtuigd raken en dat ze inzien dat het zo moet. En daarom zoek ik nog iets van een motivatie die hen aan kan spreken.” “Ik snap het,” knikt Silvanus. “Met stroop vang je meer vliegen dan met azijn.” “Dat is wel heel kort door de bocht,” reageert Paulus lachend. “Ik dacht eigenlijk meer aan iets anders. Want waarom gaat het uiteindelijk? Dat we vanuit liefde en toewijding bezig zijn voor onze Heer. Niet met tegenzin of alleen maar vanuit een plichtsgevoel. Zo’n sfeer zou ik ook graag weer terug willen hebben in de gemeente van Efeze.” “Hmmm.” Silvanus wrijft nadenkend door zijn haar. “Het gaat erom dat ze eerst moeten luisteren en volgzaam zijn. Eerst het evangelie in zich opnemen. Misschien dat ze dan later wel onderwijs kunnen geven.” “Precies,” zegt Paulus. “Als ze daarvoor de gaven hebben, en als de Heer duidelijk maakt dat Hij hen daarvoor gebruiken wil.”

Ineens lichten zijn ogen op. “Ik heb het! Eva! Dat is een prima voorbeeld.” “Eva? Hoe bedoel je dat? Wat heeft Eva er nou mee te maken?” “Nou, ik bedoel: kijk naar de schepping. Eerst is Adam gemaakt en daarna Eva pas. Is zij daarmee minder dan Adam? Absoluut niet. Ook al verscheen ze pas later op het wereldtoneel, toen ze er eenmaal was, was ze er ook helemaal. Een vrouw naast Adam en tegelijk tegenover hem. Maar hoe dan ook: niet onder hem. En dat is ook precies wat ik die vrouwen in Efeze mee wil geven. Het is helemaal niet erg als ze in de gemeente later op het toneel verschijnen, en als ze eerst een poos op de achtergrond moeten blijven. Daar ben je niet minder om. En je hoeft dus ook niet het gevoel te krijgen dat je terug gezet wordt. Kijk maar hoe blij Adam was, toen God Eva gemaakt had. Schrijf maar op: ‘Adam is het eerst geschapen, daarna Eva.’” Silvanus haast zich om de woorden van Paulus op het papier te krijgen.

Even is het stil. Dan zegt Paulus: Ik wil nog even verder over Adam en Eva. Want in die geschiedenis zitten nog meer elementen die we naar voren kunnen halen.” “Waar denk je dan aan?” vraagt Silvanus. “Ik zie het zo niet meteen.” “Ik denk aan wat ik zonet zei. De Heer heeft Eva bedoeld als een vrouw naast en tegenover Adam. Wanneer gaat het verkeerd? Als de één probeert om boven de ander te staan, om de ander te overheersen of te manipuleren. De ellende daarvan kun je overal om je heen zien, als mannen verkeerd met hun vrouw omgaan, omdat ze hun vrouw als sloofje gebruiken of als voetveeg of erger. Maar andersom kan natuurlijk ook: dat vrouwen proberen om mannen opzij te zetten, omdat ze zelf vooraan willen staan. Dat is precies wat er nu in Efeze gebeurt.” “Maar hoe zie je dan een lijntje lopen vanuit de geschiedenis van Adam en Eva?” wil Silvanus weten. “Nou, dat lijkt me nogal duidelijk. Want wanneer krijgt dat schitterende verhaal zo’n tragische wending? Als Eva op een verkeerde manier het initiatief neemt, en als ze haar man overhaalt om met haar mee te doen aan het kwaad. Die gebeurtenis maakt heel duidelijk, dat niet alleen mannen de fout in kunnen gaan door een verkeerde manier van leiding geven, maar vrouwen evengoed. Met andere woorden: die vrouwen moeten niet de illusie hebben dat zij boven elke kritiek verheven zijn. Ze moeten gaan beseffen dat de satan ook via hun binnen zal komen, als hij die gelegenheid krijgt. Ik wil dat ze eerlijk en kritisch gaan kijken naar hun houding en naar hun optreden. Want als ze dat niet doen, zou het wel eens verwoestende gevolgen kunnen hebben, zoals ook die actie van Eva verwoestende gevolgen heeft gehad.”

“Hoe wil je dat ik dat opschrijf?” vraagt Silvanus. “Ga maar gewoon verder: ‘En Adam werd niet misleid; het was de vrouw die zich liet misleiden en het gebod van God overtrad.’” Zonder te pauzeren praat hij verder: “En schenk nog eens wat wijn in, als je wilt.” Even is Silvanus van zijn stuk gebracht. Dan begint hij te lachen. “Ik neem aan dat ik dat niet op hoef te schrijven.” Paulus fronst zijn wenkbrauwen. Hij begrijpt niet meteen waar Silvanus het over heeft. Maar als de humor tot hem doordringt, begint hij ook te lachen. “Nee,” zegt hij, “dat bewaren we voor Timoteüs.” “Wil jij dan intussen de olie even bijvullen?” vraagt Silvanus, “want zo te zien zal die lamp het niet al te lang meer volhouden.”

Als ze allebei weer aan tafel zitten met een volle beker wijn en bij een lamp die weer helder licht geeft, zegt Paulus: “Zo, nu zijn we er bijna. Eigenlijk had ik hiermee af willen sluiten, maar ik wil toch nog iets meer zeggen. Die opmerking van jou, dat deze woorden misschien verkeerd kunnen vallen en dat vrouwen zich achteruit gezet voelen, is bij me blijven haken. Daarom lijkt het me goed om toch ook heel nadrukkelijk het positieve te benoemen.” “Prima,” reageert Silvanus. En terwijl hij zijn pen weer in de inkt doopt, zegt hij: “Ik ben er klaar voor.”

Paulus denkt hardop na: “Het belangrijkste is natuurlijk dat mensen gered worden en dat ze door Christus een plek krijgen in het koninkrijk van God. Dat wil ik ook meegeven aan de dochters van Eva in Efeze: dat ze gered zullen worden uit een wereld die op weg is naar de ondergang. Maar hoe kan ik dat het beste onder woorden brengen?” “Wil je dat van mij weten?” vraagt Silvanus aarzelend, “of ben je nu in gesprek met jezelf?” Paulus kijkt op. “Het was niet rechtstreeks voor jou bedoeld, nee. Maar ik vind het natuurlijk prima als je meedenkt. Dat weet je wel. Trouwens, dat doe je toch wel. Ook ongevraagd.” Silvanus grinnikt. “Kom op,” zegt hij, “we hebben nog iets af te maken. Je wou nog iets zeggen over die vrouwen, dat ze zich moeten richten op de dingen die werkelijk belangrijk zijn: het eeuwige leven.” “Klopt,” zegt Paulus. “Want wat ze nu laten zien is niet de navolging van Christus in liefde en toewijding. Dat moet er nog bij. Het moet dus worden dat de Heer iets geweldigs met hen wil: dat ze een plek krijgen in zijn koninkrijk. En tegelijk dat ze dat koninkrijk alleen kunnen bereiken op de weg van geloof en van liefde.” “Hoe moet ik dat precies opschrijven?” “Wacht even, want ik ben er nog niet helemaal.” Paulus trekt een diepe rimpel tussen zijn ogen. “Nu zouden ze nog steeds het idee kunnen krijgen dat zij voor het koninkrijk van God verwezen worden naar de zijlijn. Alsof er voor hun niks te doen is. En dat is natuurlijk niet zo. Er is genoeg te doen. Ook voor hun.” “Zeg dan iets over het grootbrengen van kinderen.” Dankbaar kijkt Paulus zijn vriend aan. “Dat is een goeie. Een heleboel vrouwen zullen zich daarin kunnen herkennen, omdat het een groot deel van hun leven vult of gevuld heeft. En het is ook werkelijk één van de belangrijkste taken binnen het koninkrijk van God. Silvanus, je bent onbetaalbaar.” “Ik weet het,” reageert Silvanus droog. “En de verleiding is groot om daar een snedige opmerking bij te maken.”

Maar Paulus’ hoofd staat nu niet naar humoristische opmerkingen. “De vrouwen in Efeze hoeven zich niet nutteloos te voelen na de opmerkingen die ik eerder gemaakt heb. Ze blijven volop meedoen. Want wat is belangrijker dan je kinderen vertellen over God en over zijn grootheid en wat is meer waardevol dan het doorgeven van je liefde voor Christus aan je kinderen? Bovendien,” onderbreekt Paulus zichzelf, “is het ook iets dat Timoteüs op een goede manier duidelijk kan maken aan hen. Want zo heeft hij het zelf ook ervaren, hoe belangrijk een moeder kan zijn. Ga maar na wat hij zelf allemaal wel niet te danken heeft aan zijn moeder Eunike en zelfs aan zijn grootmoeder Loïs. Silvanus, ik denk dat we daarmee dit gedeelte wel af kunnen sluiten.” Paulus dicteert en Silvanus schrijft: ‘Maar ze zal kinderen ter wereld brengen en zo gered worden, als ze volhardt in geloof, liefde en een God toegewijd en ingetogen leven.

Tevreden kijkt Paulus naar het papier. “Volgens mij hebben we alle reden om dankbaar te zijn,” zegt hij. “En laten we dat maar meteen concreet maken. Dan kunnen we meteen ook vragen of deze woorden zegenrijk mogen doorwerken.” Zo besluiten de beide vrienden deze inspannende dag met een gezamenlijk gebed.

 

‘Laat ons de rustdag wijden’ – welke rustdag (sabbat of zondag) en waarom?

De meeste christenen vieren de zondag als rustdag. Het is ‘de dag des HEREN’ zoals we het plechtig uitdrukken. Maar wat is de reden, dat God in de Tien Geboden ons oproept de rustdag te onderhouden? Je kunt je er van afmaken door te zeggen: ‘Dat is toch wel duidelijk. Omdat God het wil en goed voor ons vindt. Het staat in het vierde gebod. Zes dagen werken, één dag rust.’ Toch is dat net even te gemakkelijk. Want de Tien Geboden staan twee keer in de bijbel. In nagenoeg dezelfde bewoordingen. Alleen bij het Vierde Gebod worden er twee verschillende motiveringen gegeven om de sabbat te vieren. Dus dat is probleem 1. Probleem 2 is de vraag: waarom zijn de meeste christenen overgestapt van de sabbat naar de zondag als HEER-lijke dag?

Exodus en Deuteronomium

De eerste keer dat we de Wet van God in de bijbel tegenkomen, is in Exodus 20. Daar ontvangt Mozes bij de verbondsslui­ting op de berg Sinai de twee stenen platen met de Tien Woorden van het verbond die God er eigenhandig in gegraveerd heeft. In Deuteronomium 5 komen we de Wet van de HERE opnieuw tegen. Daar worden de Tien Geboden door Mozes her­haald vlak voor de intocht in het land Kanaän. Dat is veertig jaar later. Beide keren wordt er een andere reden gegeven waarom gelovigen zich aan het Vierde Gebod moeten houden.

In Exodus 20 staat: 8 Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. 11 Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en heilig verklaard.

In Deuteronomium 5 staat: 12 Neem de sabbat in acht, zoals de HEER, uw God, u heeft geboden; het is een heilige dag. 14b Want uw slaaf en slavin moeten evengoed rusten als u. 15 Bedenk dat u zelf slaaf was in Egypte totdat de HEER, uw God, u met sterke hand en opgeheven arm bevrijdde. Daarom heeft Hij u opgedragen de sabbat te houden.

Waarom twee verschillende redenen?

Hoe is die geheel verschillende motivering van het Vierde Gebod nu te verklaren? In de loop der tijden zijn er veel oplos­singen voor dit probleem aangedragen. Hier volgen de drie belangrijkste.

  1. De meest eenvoudige verklaring is deze: we nemen aan dat in Exodus 20 de precie­ze tekst van de Tien Geboden staat. In Deuterono­mium 5 heeft Mozes bij de herhaling van de Wet zich enige vrijheid veroor­loofd. Daarbij werd hij geleid door Gods Geest. Op zich is deze veronderstelling wel te verdedigen. Er zijn zo’n twintig verschillen tussen de tekst van de Tien Geboden in Exodus 20 en in Deuteronomium 5. Waarschijnlijk heeft Mozes bij de herhaling een paar keer een woord vervangen (‘Hou de sabbat in ere’ wordt ‘Neem de sabbat in acht’) en heeft hij een enkele keer de volgorde van een zin omgekeerd of een kleine toevoeging erbij gegeven. Zulke kleine ver­schil­len treffen we ook in het Nieuwe Testament aan wanneer de bijbelschrijvers citaten uit het Oude Testament aanhalen. Hier is het verschil alleen wel zo groot, dat we Mozes ervan zouden moeten be­schul­digen, dat hij een heel andere reden voor de sabbat zou hebben bedacht.
  2. De tweede verklaring is deze: in Exodus 20 hebben we met de echte tekst van de Tien Geboden te maken. In Deuteronomium 5 is sprake van een eerste uitleg en toepassing van Gods Wet door Mozes. Maar zowel in Exodus 20 als in Deuteronomium 5 wordt ons voorgehouden, dat God ‘deze woorden‘ sprak. Waaraan ontlenen wij dan het recht om te zeggen: in Exodus 20 spreekt de HERE en in Deuteronomium 5 spreekt Mozes, die door Gods Geest geïnspireerd is. De bijbel noemt in beide gevallen de HERE als enige spreker.
  3. De derde verklaring is deze: zowel de verwijzing naar de schep­ping in Exodus 20 als de verwijzing naar de uittocht in Deuteronomi­um 5 horen níet bij de Tien Geboden zoals de HERE Zelf die op de stenen platen gegrift heeft, maar zijn er later aan toegevoegd. Anders gezegd: het Vierde Gebod is oorspronkelijk korter geweest. Het is ook moeilijk voor te stellen, dat de beide versies naast elkaar op dezelfde stenen plaat van de Wet gestaan hebben. Daar komt nog een argument bij: in het eerste gedeelte van het Vierde Gebod is de HERE Zelf aan het woord. Hij spreekt ons toe in de eerste per­soon: ‘Hou de sabbat in ere / Neem de sabbat in acht’. Als daarna de motivering volgt, wordt er over God gesproken in de derde per­soon: ‘Want in zes dagen heeft de HERE …’ en ‘… totdat de HERE, uw God, u … bevrijdde’. Als je aanneemt dat het in beide gevallen om een toevoeging van Mozes gaat, is de persoonswisseling helemaal niet vreemd, maar ligt zij voor de hand.

Deze derde oplossing spreekt mij het meest aan. Het lijkt heel radi­kaal. Maar het gaat erom, dat je als gelovige eerbied hebt voor de eenheid van de bijbel. Daarom moet je het verschil tussen Exodus 20 en Deute­ronomi­um 5 respekteren en mag je niet zeggen, dat één van de twee versies minder belang­rijk of minder origineel is. Beide motive­ringen van het sabbatsgebod zijn door de Heilige Geest ingegeven en hebben door zijn leiding een plaats in de bijbel gekregen, ook al ontbraken ze op de stenen tafels. Deze opvatting wordt ook verdedigd door prof. J.P. Lettinga, die Hebreeuws gegeven heeft aan onze Theologische Universiteit. Zijn argumenten staan in het boek ‘De Tien Geboden deel 1’ van prof. J. Douma, blz. 148-151.

De bedoeling van de rustdag

Maakt het nu veel uit, welke reden gegeven wordt, waarom wij van de HERE één dag in de week moeten rusten van ons werk? Ik denk van niet. De motivering van het Vierde Gebod om de rustdag te houden is wel verschillend, maar niet met elkaar in tegen­spraak. Integendeel, ze vullen elkaar aan. De verwijzing naar de schepping geeft aan, dat ook God uitrustte na zes dagen werken. Zo mogen wij, als kinderen van God, ook uitrusten en adem scheppen na onze werk­week. We hoeven geen slaven van ons werk te zijn. Daarom wordt ook naar de bevrijding uit de slavernij van Egypte verwezen.

Maar in beide gevallen gaat het om meer dan uitrusten op zich. Er wordt niet voor niets naar God verwezen. Hij is onze Schepper en Verlosser. Daarom mogen we op de rustdag Hém niet vergeten. Integen­deel: ’t Is goed de HEER te loven, zijn dag zij Hem gewijd’ zingen we in Psalm 92. De Israelieten moeten de sabbatdag heiligen = apart zetten, en onderhouden = in ere houden om aan God te denken. Alleen bij Hem komen we pas echt tot rust en weer op adem.

Van sabbat naar zondag

Een ander punt is de vraag, waarom in de chris­telijke kerk de zondag in de plaats gekomen is van de sab­bat. Over die kwestie zou een veel bredere bespreking op z’n plaats zijn dan ik in dit artikel geven kan. Wie er meer over wil lezen kan terecht bij de bespreking van het Vierde Gebod door J. Douma in ‘De Tien Geboden deel 2’.

Heel kort, krachtig en kernachtig gezegd is de overgang als volgt te verklaren: de opstanding van onze Heer Jezus Christus is Gods allergrootste werk, dat Hij voor ons en in ons verricht heeft. Door zijn opstanding heeft Jezus je bevrijd uit de macht van de zonde en uit de slavernij van satan. Dat is een grotere verlossing dan de bevrijding uit Egypte. Door zijn opstanding legt Jezus het funda­ment voor de herschep­ping van alle dingen. Dat begint al in dit leven. Door de opstandingskracht van Jezus kom je tot geloof en word je nu al opgewekt tot een nieuw leven; en dat zal voltooid worden op de dag van Chris­tus’ terugkomst, want dan volgt het leven in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde. Dan heb je het einddoel van je geloof bereikt: je redding (1 Petrus 1:9). Dan breekt ook de blijvende rust aan: het eeuwige leven bij de HERE, onze God (Hebreeën 4:9-10).

Dus vieren de meeste christen de zondag als feestdag en rustdag om Gods grote daden te gedenken: de schepping in zeven dagen, de bevrijding uit Egypte en de opstanding van Jezus Christus onze Heer. Want nu de Heer is opgestaan, nu vangt het nieuwe leven aan: een leven door zijn dood bereid, een leven tot in eeuwigheid. (Gezang 95:4)