Wat een geluk dat ik in Nederland woon! – Dankdag 2017

Het gaat goed met Nederland! De mannen zijn jong en vol kracht, de vrouwen zijn mooi en sterkt. Alle voorraadkasten en bankrekeningen zijn goed gevuld, vol met voedsel, meer dan genoeg saldo. In de weilanden lopen koeien, schapen en geiten, het zijn er ontelbaar veel. Ze produceren een overvloed van melk, vlees en wol. In Nederland wordt niemand aangevallen en niemand hoeft te vluchten. Niemand huilt, niemand heeft verdriet. Gelukkig zijn mensen die een goed leven hebben. Ja, de mensen in Nederland zijn meer dan gelukkig! (vrij naar Psalm 144:12-15 BGT)

Wat een geluk dat ik in Nederland woon!

  1. Waar de jeugd nog steeds een toekomst heeft

Gelukkige NederlanderOp de eerste woensdag van november vieren veel christenen dankdag voor gewas en arbeid. Maar als David na een moeilijke periode God gaat danken voor alle zegeningen, begint hij op een bijzondere manier. Onze meest kostbare gewassen en bouwwerken, dat onze kinderen, onze zonen en dochters. Hen zet David voorop. Want jongeren zijn de toe­komst van de kerk en de toekomst van het land. Daarom vraagt David: laat onze zonen gezond en sterk opgroeien. Lichamelijk én in het geloof. Allebei. Het gaat bij jongens niet alleen om uitgaan en veel verdienen. God vindt het veel belangrijker wáár je opgroeit. Dicht bij water. In de Bijbel is water bijna altijd het beeld van God en Jezus. Zij zijn de bronnen van levend water. En let dan op wat er bij staat: in hun jeugd met ​liefde​ verzorgd. Hoe bijzonder is dat! Dat je als ouders en als volwassenen zo met je jongeren omgaat, dat geen sprake is van scheefgroei, maar van geestelijke groei, qua karakter en qua geloof. Dat maakt van onze jongens krachti­ge, jonge bomen, jong en vol kracht, van wie je later veel vruchten kunt verwachten. Hoe mooi is dat! Hetzelfde geldt voor onze dochters, zegt David. Hij vraagt God, of ze sierlijk mogen zijn. Lichamelijk én in het geloof. Allebei. Het gaat bij meiden niet alleen om het uiterlijk en om versierd te worden. God vindt het veel belangrijker dat je je als persoon goed ontwikkelt. Als een hoekzuil van een paleis. In de Bijbel is dat vaak het beeld van Gods huis, zijn tempel, de kerk. Dáár wil God jou als meisje, als jonge vrouw, een speciale plek geven. En let dan op wat er bij staat: zo sierlijk gesneden. Hoe bijzonder is dat! Dat je als ouders en als volwassenen zo met je jongeren omgaat, dat ze innerlijk gevormd worden met een eerlijk, gelovig karakter. Dat maakt van onze meiden een lust voor het oog, ook in het oog van God! Dan word je iemand op wie anderen kunnen bouwen. Hoe mooi is dat!

Als de HERE zulke jongeren geeft, is dat iets om voor te danken. Van alle welvaart is dit toch wel het belangrijkste: dat onze kinderen goed terecht komen, op hun eigen plek en werk, met vrienden en misschien man of vrouw, én in het geloof, dat ook zíj God als hun Vader zien en in de voetsporen van Jezus willen gaan. Dat is ook een zegen op onze arbeid. Daarvoor mag je op dankdag de HERE hartelijk dook danken

Wat een geluk dat ik in Nederland woon!

  1. Waar de welvaart nog steeds op peil is

Geluk 2Toch blijft David daar niet bij stil staan. Hij zoekt het goede voor zijn volk, en daarom durft hij God ook om een bloeiende handel en een krachtige eko­nomie te vragen. Niemand in het land mag honger leiden of onder de armoedegrens raken. Vandaar de vraag om goed gevulde schuren en een uitgebreide veestapel. Schapen en geiten waren er vooral voor het vlees en de wol en het leer. Ook de runderen worden genoemd. Er staat ‘onze kudden doorvoed’, maar alle andere vertalingen hebben het over ‘runderen’. Je kunt het ook vertalen met: ‘dat onze runderen zwaarbeladen zijn’, zoals de HSV het doet. Daarmee komt ook de transportsector in beeld, in die tijd het vervoer van allerlei produkten naar de markt of naar de molens of naar de leerlooiers of naar de slachterijen. Die leveren weer aan de bakkers, de schoenmakers en de slagers. Zo komt de hele bevolking aan eten en kleding. Met elkaar leveren we met ons werk en met onze inzet een bijdrage aan de welvaart van het land. Ieder op zijn of haar door God gegeven plek. Soms was het elke dag hetzelfde, soms was het heel afwisselend. Het zijn allemaal kleine beekjes, die sámen één grote bron van welvaart vormen. Maar zie je ook die ene andere bron, waar al die beekjes vandaan komen? Zie je die zegen ook? Dat is Gods goedheid, die zich over het hele land verspreidt.

Wat een geluk dat ik in Nederland woon!

  1. Waar we nog steeds in veiligheid leven

Er is nog iets waar David God hartelijk voor bedankt. Er is vrede in heel het land! Je hoeft niet bang te zijn voor een vijandelijke inval. Je hoeft je niet bang te zijn dat je morgen moet vluchten. Hoe anders is dat in andere landen. Daar is het oorlog. Daar vinden aanslagen plaats. Daar gebeuren natuurrampen. En hier in Nederland? Geen enkele reden om te klagen, want iedereen mag hier in alle vrijheid leven en z’n mening geven. En iedereen gaat er de komende jaar weer op vooruit. Kijk es om je heen in de wereld hoe gezegend we daarmee zijn! Geen enkele reden voor een weeklacht op de pleinen, zoals David het zegt.  

Wat een geluk dat ik in Nederland woon!

  1. Waar we nog steeds in God mogen geloven

geluk zegenOndertussen wordt er wat afgemopperd in Nederland. Hoe zou dat nu zo komen? Nou, als David zegt: ‘Gelukkig het volk dat zo mag leven’ – met gezonde kinderen, met een hoog welvaartsnivo en in een vrij en veilig land, dat wil iedereen wel! Maar als David daar dan aan toevoegt: ‘Gelukkig het volk dat de HERE als God heeft’ – die afsluiter is voor veel mensen eerder een afknapper. Nee, laat dat maar zitten. Een fijn en gezond gezin, een mooi huis, zonder zorgen kunnen genieten – dat maakt veel mensen gelukkig. Maar het geloof in God? Geloven is achterhaald. Geloven is regeltjes. Geloven legt alleen maar beperkingen op. En zelfs als er al een God zou zijn, dan bemoeit Hij Zich niet met die tijdelijke dingen. ‘Daar had Jezus geen verstand van’, zei eens een liberale boer, toen iemand tegen hem zei: ‘Zie je de zegen van God ook?’ Ik denk dat die boer niet de enige is. Sterker nog … als christen denk je dat ook wel eens, toch? Zo door de week kost het ons wel eens moeite dat verband te blijven zien tussen Gods zegen en ons werk. Maar als je erover nadenkt, dan zie je toch wel dat iedereen wel iets om te danken heeft? Als kind mooi speelgoed en vrienden op school, als jongere een opleiding en je hobby’s, als volwassene je werk en je gezin, als oudere je verzorging in het rusthuis. Psalm 144 gaat in vervulling: wat welvaart betreft komen we niets veel tekort. Die gewone dingen hebben ook met het geloof te maken. Ons eten en ons drinken. Een dak boven ons hoofd en partner voor het leven of vrienden om van te houden. Want God acht het niet beneden zijn waarde om voor al die kleine behoeften van het volk te zorgen. Hij regelt
de vrucht­baarheid van koeien, schapen en de velden. Hij geeft paarden hun kracht. Hij vergeet zelfs de mussen op het dak niet. Het is goed, om de HERE voor al die gewone Geluk delenzaken te danken. Want, zegt de katechismus in Zondag 10: alle goede dingen zijn allemaal van Gód afkom­stig, en onze inspan­ning en ons werk en alles wat God ons geeft, zijn op zichzelf zinloos, omdat we er zonder Gods zegen niets aan hebben.

Veel Nederlanders willen vooral geluk. God wil jou en mij zijn zegen geven.Ook in de gewone dingen. Als je in voorspoed leeft, word je pas gelukkig als je God de eer daarvoor geeft. Want niet wie heeft, maar wie geeft, díe is pas rijk.

 

Psalm 144 : 12 – 15 (NBV)
12 Onze zonen zijn als jonge planten, in hun jeugd met ​liefde​ verzorgd,
   onze dochters als de hoekzuilen van een paleis, zo sierlijk gesneden,
13 onze schuren gevuld, van voorraad en voedsel voorzien,
   onze schapen en ​geiten, met duizenden, met tienduizenden op onze velden,
14 onze kudden doorvoed, geen inval, geen uittocht, geen weeklacht op onze pleinen.
15 Gelukkig het volk dat zo mag leven, gelukkig het volk dat de HEER als God heeft.
Advertenties

“Onbedoeld zwanger? Vier het leven!”

zwanger“Onbedoeld zwanger? Vier het leven!” Dat was de titel van de kerkdienst van zondagmiddag 1 oktober 2017. Op het eerste gezicht misschien een wat gekke slogan, maar de aanleiding was als volgt. In onze kerk preken we nog steeds met enige regelmaat  uit de Heidelbergse Catechismus. Op dit moment zijn we bezig met de behandeling van de Tien Geboden. Het Zesde  Gebod is. Pleeg geen moord. In Zondag 40 van de catechismus worden daarover drie vragen gesteld.

Vraag 105: Wat eist God in het zesde gebod?

Antwoord: Dat ik mijn naaste niet van zijn eer beroof, niet haat, kwets of dood. Dit mag ik niet doen met gedachten, woorden of gebaren en nog veel minder met de daad, ook niet door middel van anderen, maar ik moet juist alle wraakzucht afleggen. Ook mag ik mijzelf geen letsel toebrengen, evenmin mag ik mijzelf moedwillig in gevaar begeven. De overheid draagt dan ook het zwaard om de doodslag te weren.

Vraag 106: Het gaat dus in dit gebod niet alleen om doodslag?

Antwoord: Nee. Door de doodslag te verbieden leert God ons ook dat Hij afgunst, haat, toorn en wraakzucht als de wortel van deze zonde haat en dat dit alles voor Hem doodslag is.

Vraag 107: Maar is het genoeg dat wij onze naaste, zoals gezegd, niet doden?

Antwoord: Nee, want terwijl God afgunst, haat en toorn verbiedt, gebiedt Hij dat wij onze naaste liefhebben als onszelf, jegens hem geduldig, vredelievend, zachtmoedig, barmhartig en vriendelijk zijn, zijn schade zoveel mogelijk voorkomen en dat wij ook onze vijanden goed doen.

Wat bij mij bleef haken toen ik deze woorden op me liet inwerken waren de zinnetjes: Ik mag mijzelf geen letsel toebrengen en evenmin mag ik mijzelf moedwillig in gevaar begeven. De overheid draagt dan ook het zwaard om de doodslag te weren. Ik dacht: als God het niet goed vindt om jezelf iets aan te doen, dan geldt dat toch zeker voor het ongeboren leven dat een aanstaande moeder met zich meedraagt! En ik dacht daarbij: wat voor overheid hebben we eigenlijk hier in Nederland, die toestaat dat van de 200.000 baby’s die geboren hadden kunnen worden, zo’n 30.000 in de moederschoot worden vermoord. Hoezo ‘doodslag weren’? Het is eerder ‘doodslag stimuleren’! En zo kwam ik uit bij vragen rondom abortus. Dat is al 50 jaar heel normaal in Nederland. En toch went het nooit. Er blijft altijd veel over te doen. Zeker ook de laatste tijd. Maar wat vind ik er eigenlijk zelf van? En wat voor standpunten neem jij in? Dus besloot ik om mij ook maar eens aan een Kahoot-quiz wagen. Met vijf vragen.

Abortus is moordVraag 1 sluit aan op het Zesde Gebod: ‘Pleeg geen moord.’ Nou, schreef een jonge moeder mij een keer, dat geldt zeker voor abortus, want ook al vindt heel Nederland het zo normaal als wat: “Abortus blijft wat mij betreft hoe dan ook moord!!!” (de drie uitroeptekens zijn van haar)

  1. Hier ben ik het helemaal mee eens
  2. Hier kan ik mij totaal niet in vinden
  3. Dat is per situatie verschillend

Toch zijn er veel verschillende situaties waarin er voor een abortus gekozen wordt. Vraag 2 was daarom : wanneer vind jij dat een abortus wél zou mogen?

  1. Als het leven van de moeder serieus gevaar loopt.
  2. Bij antwoord 1) én na een verkrachting
  3. Bij antwoord 1) en 2) én als het kind een zware handicap heeft
  4. Als de moeder goede redenen heeft om geen kind te krijgen

Abortus onbedoeld zwangerVraag 3 ging over tienerzwangerschappen. Ook in Nederland komt dat nog steeds veel voor. Wat moet je dan doen? Neem de volgende situatie: Sandra van 17 wordt onbedoeld zwanger. Ze heeft geen vaste vriend. Ze woont op kamers en is net aan een goede opleiding begonnen. Terug naar huis kan niet, want haar ouders zijn gescheiden. Ze overweegt een abortus en vraagt wat jij zou doen. Wat voor advies geef jij?

  1. “Het is jouw keus. Denk er goed over na.”
  2. “Als je je kindje laat weghalen, zondig je heel erg tegen God.”
  3. “Ik begrijp heel goed dat jij in jouw situatie voor een abortus kiest.”

Een andere reden om voor abortus te kiezen is de kans dat je kind gehandicapt is. Tegenwoordig is er veel te doen rondom de NIP-test. Daarom kan het syndoom van Down vroegtijdig ontdekt worden. Wat doe je dan? Bij vraag 4 keken we eerst naar een interview (minuut 13:05-13:25) met een jonge vrouw die het Down-syndroom heeft. Ze komt uit Denemarken, waar al bijna geen Down-kinderen geboren worden. Aan de hand daarvan kwam Vraag 4: ‘Als ik van te voren zou weten dat ons kind het Down-syndroom heeft …’

  1. Zou ik mijn kind zonder meer houden.
  2. Zou ik het een hele moeilijke keus vinden.
  3. Zou ik waarschijnlijk voor een abortus kiezen.

De laatste vraag ging over David en de relatie die hij met zijn buurvrouw Batseba kreeg. Toen ze onbedoeld zwangerschap werd, deed David er alles aan om het te verdoezelen.. Stel nou eens dat David in onze tijd geleefd had? Wat zou hij dan gedaan hebben? Dat was Vraag 5: Als David in onze tijd geleefd had, had hij bij Batseba vast aangedrongen op een abortus.

  1. Ja, want David wilde kost wat het kost de schijn ophouden.
  2. Nee, want David was ook in zijn zwakheid een gelovige koning.
  3. Geen idee, gelukkig maar dat David niet voor die keus stond

Het verhaal van David en Batseba staat in 2 Samuel 11. En zoals een zwangerschap niet verborgen kan blijven, kwam ook deze enorme misstap van David uiteindelijk toch aan het licht. 2 Samuel 11 eindigt namelijk met de zin: “Naar het oordeel van de HERE was het wel degelijk slecht wat David gedaan had.” Dus komt de profeet Nathan bij David en vertelt hem wat voor grote zonden (moord en doodslag) David begaan heeft. Je kunt het nalezen in 2 Samuel 12:1-25.

Bij de laatste Kahoot-vraag over David ligt het misschien voor de hand om als antwoord te geven: Geen idee of David op een abortus zou hebben aangedrongen als hij in onze tijd geleefd had. Maar ik heb zo’n bang gevoel dat het antwoord Ja, want David wilde kost wat het kost de schijn ophouden wel eens dichter bij de waarheid zou kunnen zitten. Als je ten einde raad bewust je buurman om het leven laat brengen, ben je volgens mij ook bereid om een ongeboren kindje op te offeren voor je goede naam en karrière.

Abortus hopeloosBij dit gedeelte moest ik denken aan het andere zinnetje uit de catechismus: tegenover ‘niet doodslaan’ staat ‘je naaste liefhebben en zijn schade zoveel mogelijk voorkomen. Maar weet je wat het is? Veel mensen willen hun eigen schade of nadeel of ongemak zoveel mogelijk beperken. Dat zag je bij David. Dat zie je vandaag nog steeds. Ten koste van, als het echt niet anders kan, andermans leven. En hoe zwakker en kwetsbaarder dat leven is, hoe gemakkelijker dat gaat. En dan kom je op 30.000 abortussen per jaar in Nederland.

Nu geldt er in Nederland een verplichte bedenktijd van vijf dagen om aan te geven dat abortus een ingrijpende zaak is waar je niet zo maar voor kiest. In België wordt zelfs de term ‘noodsituatie’ gebruikt. Maar uit onderzoek (bron: katholiekforum) blijkt dat die noodsituatie in 95% van de gevallen onder één van de volgende categorieën valt: *momenteel geen kinderwens; * de vrouw voelt zich te jong; * voltooid gezin; * ‘ideaal’ kindertal bereikt. Zijn dat noodsituaties die het ombrengen van jong leven wettigen?

Embryo gezichtIn de Bijbel vertelt God ons, dat het leven al in de moederschoot begint. Daarom staat er in Exodus 21:22 een regel, dat er schadevergoeding moet worden betaald aan een vrouw, als ze door de schuld van iemand anders een miskraam krijgt. En hoe mooi bezingt David in Psalm 139:13-18 dat God het Zelf geweest is, die hem als jongste en 7e zoon van 9 kinderen (hoezo ‘voltooid gezin’) die hem in de buik van zijn moeder weefde – “wonderbaarlijk is wat U gemaakt hebt.” In Jeremia 1:5 kunt je lezen hoe God Jeremia al in de moederschoot voorbestemd had als zijn profeet. In het Nieuwe Testament lees je in Lukas 1:41-45 over de kleine Johannes die in de buik van zijn moeder Elisabeth een vreugdedansje maakt als Maria plotseling op bezoek komt. Ze is nog maar net in verwachting, maar toch noemt Elisabeth haar al ‘de moeder van mijn Heer’. En later, in Markus 10:13-16, neemt Jezus Zelf kleine kinderen als voorbeeld. In de volwassen wereld van toen telden die niet mee. Maar bij God en bij Jezus wel! Juist wat zwak is, is kostbaar in Gods ogen!

Vandaag zijn de ongeboren kinderen de zwaksten in de samenleving. Hun leven mag geen naam hebben. Je laat immers alleen maar ‘iets’ weghalen? En het heeft geen enkele bescherming – het recht van de sterkste zegeviert. En als je denkt: maar elke vrouw mag toch zelf de beslissing nemen om het te houden of niet, zeker na een verkrachting of als je weet dat het kind een ernstige handicap zal krijgen … zelfs dan geef ik iedereen het advies daar nog eens goed over na te denken. Volgens mij zit je heel snel op een glijdende schaal. Als mensen spelen we voor God als wij de kwaliteit en levenskansen bepalen van een baby die met een achterstand geboren wordt. David heeft in een andere psalm, Psalm 31, gezegd: ‘Mijn tijden zijn in Gods hand.’ Als mensen elkaars leven in hun hand gaan nemen, is dat volgens de Bijbel moord. Dat geldt ook voor abortus. Zeker als de voornaamste reden is, dat deze zwangerschap echt niet bedoeld was of gelegenheid komt.

David Batseba ChagallMaar dan moet je er wel iets bij zeggen. Twee dingen eigenlijk. In het verhaal van David is Batseba de grote afwezige, lijkt het wel. OK, ze was er zelf bij toen ze onbedoeld zwanger werd. Maar had ze veel keus? Mannen veroorzaken vaak de ellende, maar daarna zie je ze niet meer. In de tijd van Jezus zie je dat ook. In Johannes 8:1-11 brengen de joodse leiders een vrouw bij Jezus die betrapt is toen ze vreemd ging of in het bordeel lag te rotzooien. Volgens de wet van Mozes moeten er dan twee mensen voor de rechtbank worden aangeklaagd vanwege overspel. Maar men brengt alleen het hoertje bij Jezus. Zo gaat het vaak: de vrouw wordt niet gehoord (zoals bij Batseba) of de vrouw staat er alleen voor (zoals dat hoertje). Vandaag gebeurt nog steeds hetzelfde. En natuurlijk, je bent er altijd zelf bij geweest als je zwanger raakt. Alleen bij verkrachting en bij incest is het echt tegen je eigen wil. Maar als iedereen je laat stikken zodra er zich nieuw leven aandient, vind je het dan gek dat de druk om een abortus te ondergaan zo groot wordt, dat veel vrouwen het ook doen?

Wat is dan een goede, bewogen houding? Nou, dat is het tweede: kijk naar hoe Jezus met die vrouw omgaat. Hij zegt niet tegen haar dat zij zo’n grote zondaar is. Dat zegt Hij juist tegen de mannen om haar heen. Hij zegt wel twee andere dingen tegen haar. Als eerste: ‘Ook Ik veroordeel je niet.’ En als tweede: ‘Ga maar, en zondig vanaf nu niet meer.’ Dat vind ik mooi. Jezus zegt eigenlijk tegen haar: ‘Ondanks wat er gebeurd is, vier het leven!’ Maar, zegt Hij erbij, stapel geen zonde op zonde. Dus als je onbedoeld zwanger bent, of misschien zelfs wel ongewenst … je wilt daarnaast toch ook niet nog de moord van je kindje op je geweten hebben?

Sterker nog … dat willen we toch samen niet? Gelukkig zijn er alternatieven. ChavahBijvoorbeeld het initiatief om tienermoeders die er alleen voor staan, op te vangen. In Groningen kan dat sinds ruim een jaar bij “CHAVAH” – een leef- en leerhuis voor jonge moeders. Op www.chavah.nl vind je meer informatie. In de kerkdienst van 1 oktober gaf Taeke Venema, één van de oprichters van Chavah, een mooie presentatie over hun missie en hun werk. Jonge meiden die onbedoeld zwanger geraakt zijn, komen tot rust en leren het leven –van hunzelf en van hun kleine– weer te  vieren. Bekijk eens de introvideo van Chavah op YouTube (klik hier). Meeleven kan altijd. Meehelpen ook. En bidden natuurlijk. Voor iedereen die onbedoeld zwanger is  En voor al het ongeboren leven.

 

Kathy Keller: waarom het ambt ‘only for men’ is

“It’s a pity,” zouden ze Amerika zeggen. Oftwel: jammer dat het boekje van Kathy Keller (inderdaad, de vrouw van Tim) over vrouw en ambt al in 2014 uitgekomen is, maar nog steeds niet in het Nederlands is vertaald. Nu in de Gereformeerde Kerken waar ik lid van ben, de vrouw in het ambt tot een vrije kwestie is verklaard, is het misschien wat mosterd na de maaltijd om in Nederland nog met een aparte uitgave van dit boekje te komen. Aan de andere kant brengt Kathy Keller een geluid naar voren die ze zelf ‘een complementaire M/V-visie’ noemt. Alle redenen om er kennis van te nemen. En ook om er iets van te vinden uiteraard.

Kathy Keller fotoKathy Keller verhuisde in 1989 met haar man Tim naar hartje New York. Samen startten ze de Redeemer Church. Daar hanteert men op grond van de Bijbel een complementaire M/V-visie: Jezus Christus heeft in zijn kerk aparte functies en rollen ingesteld voor mannen en vrouwen – niet om elkaar uit te sluiten, maar om elkaar aan te vullen. Dus kennen ze binnen Redeemer geen vrouwelijke ouderlingen en predikanten, maar verder worden vrouwen volledig ingeschakeld als het gaat om het geven van leiding en onderwijs. Dat levert soms felle discussies en stevige teleurstellingen op. Daarom stelt Kathy Keller zichzelf steeds weer de vraag: “Hoe kan ik mensen van de 21ste eeuw duidelijk maken dat het idee van aparte, elkaar aanvullende M/V rollen niet overkomt als een ouderwetse opvatting waar we ons voor moeten schamen, maar als een goed geschenk van onze hemelse Vader?”

In haar boek benadert Kathy Keller deze vraag van twee kanten. Het zijn precies dezelfde punten die ook in het ‘Pijnpuntenrapport’ van het deputaatschap ‘M/V en ambt’ aan de orde komen.

In de eerste plaats is er de vraag: “Hoe herkennen we wat God in de Bijbel vandaag tegen ons wil zeggen? Wat doen we met de cultuurverschuivingen die plaatsgevonden hebben nadat de Bijbel geschreven werd? Moeten we nu echt de dingen die zo lang geleden geschreven werden -in een tijd en samenleving zo verschillend van de onze- nog steeds gehoorzaam zijn? Wat betekent ‘gehoorzaam zijn aan de tekst’ feitelijk?” Hier gaat het om de vraag van de hermeneutiek: hoe lees en interpreteer je de Bijbel?

In de tweede plaats is er de vraag: “Als vrouwen niet mogen dienen in het ambt, zeg je daarmee dan eigenlijk niet dat vrouwen minderwaardig of minder begaafd of minder vol van de Geest zijn dan mannen? En dan, als ze zich door God geroepen voelen, dit een verkeerd en zondig verlangen is?” Hier gaat het om de vraag van de positie elke gelovige in de gemeente van Christus: worden vrouwen toch als tweederangs leden behandeld binnen het lichaam van Christus?

  1. Wat wil God vandaag tegen ons zeggen?

Tijdens haar studie theologie leerde Kathy Keller de Bijbel pas echt kennen als het geïnspireerde en betrouwbare Woord van God. Ze kwam tot deze conclusie op grond van de volgende waarneming: “Jezus vertrouwde op de inspiratie van het Oude Testament en Hij beloofde dat ook het Nieuwe Testament betrouwbaar zou zijn. Hij hield nooit op met het citeren van de Schriften, zelfs niet toen Hij aan het kruis hing (Ps. 22). Hij ademde de Schriften! Hij nam ze zo serieus! Zou ik dan, als zijn discipel, ook niet dit perspectief van Hem over het gezag en de betrouwbaarheid van de Schriften moeten overnemen?” Voor haarzelf betekende deze ontdekking een enorme verandering in haar houding tegenover de Bijbel. Ze ging vertrouwen op Gods Woord als de waarheid die haar geschonken was om haar te helpen bloeien, en dus ging ze daar niet meer tegen protesteren als haar persoonlijke overtuigingen en Gods geboden met elkaar botsten. Ze koos er bewust voor om haar eigen inzichten en keuzes te onderwerpen aan de Schrift, omdat ze Christus de overwinning wilde geven.

Als het om het onderwerp ‘vrouwen in de kerk’ gaat, zijn er volgens Kathy twee grondregels: a) de Bijbel spreekt zichzelf niet tegen – en je moet duidelijke gedeeltes gebruiken om minder begrijpelijke tekst te verklaren ; b) elke tekst moet begrepen worden in de context – je moet kijken wat de bedoeling van de geïnspireerde schrijver is voor de eerste hoorders, zowel historisch, cultureel als sociaal. Als je je aan deze principes houdt, zul je een manier ontdekken om Gods geopenbaarde wil in alles te gehoorzamen, zelfs als onze culturele situatie heel anders is dan de situatie waarin het eerst geopenbaard werd.

Abstract equality of men and womenDeze principes moet je ook toepassen op de ‘terreurteksten’ (zoals feministen volgens Kathy Keller 1 Korintiërs 14:34-35 en 1 Timoteüs 2:11-12 wel eens noemen) over positie van vrouwen in de kerk. Beide teksten betekenen volgens Kathy Keller niet dat christenvrouwen op geen enkele manier in de kerk openlijk het woord mogen voeren. Heel de Bijbel staat namelijk vol van vrouwen die wel in het openbaar profeteren, verkondigden en bidden. Het gedeelte uit 1 Kor. 14:34-35 is minder duidelijk, omdat je uit 1 Kor. 11 en 14 kunt afleiden dat vrouwen in de samenkomsten wel mochten profeteren en bidden. Dus moet je kijken naar die andere bijbeltekst waar Paulus ook zegt dat vrouwen moeten zwijgen, nl. 1 Tim. 2:11-12. Daar zegt Paulus duidelijk, dat het niet toegestaan is dat vrouwen ‘gezaghebbend onderwijs’ mogen geven in de officiële samenkomst van de gemeente. Alle andere vormen van openbaar spreken en publiek onderwijs geven zijn dus toegestaan. Alleen deze ene vorm wordt door Paulus verboden. Volgens Kathy Keller is dat de vorm van het beoordelen van profetieën (1 Kor. 11 t/m 14) en het bewaken van de apostolische leer (1 Tim. 1 t/m 6). Dit onderwijs wordt ‘gezaghebbend’ genoemd om twee redenen. Ten eerste omdat hier een eindoordeel gegeven wordt over wat er tot nu toe in de samenkomsten gezegd is: was het een profetie of een uitleg die overeen kwam met de waarheid van Gods Woord of werd hier een dwaling of, nog erger, dwaalleer verkondigd? Ten tweede omdat bij dit eindoordeel ook een oordeel wordt uitgesproken over de verkondiger en de luisteraars: wie een ander evangelie dan het goede nieuws van Jezus Christus brengt of wie niet wil luisteren naar de goede, heilzame boodschap van Gods Woord,  wordt vermaand, van het Avondmaal afgehouden en uiteindelijk  uit de christelijke gemeente verbannen, want zo iemand is geen onderdeel van en hoort niet thuis in het lichaam van Christus. Volgens Kathy Keller is die opdracht is alleen voor ouderlingen gereserveerd en in Gods wijsheid is die functie in heel de Bijbel alleen bestemd voor mannen.

Hoe moeten we daar vandaag mee omgaan? Er dringen zich namelijk twee vragen op, aldus Kathy Keller. 1) Moeten we iets dat zo lang geleden gezegd is nu nog gehoorzamen of zelfs in overweging nemen, terwijl tijden en plaatsen nu zo anders zijn? En 2) Waarom heeft God de zaken op deze manier voorgeschreven met specifieke M/V taakverdeling? Op beide vragen geeft ze een antwoord.

We moeten gehoorzamen aan Gods voorschriften op het punt van vrouwen in de kerk, zegt Kathy Keller. Ze vindt het argument dat Paulus een vrouwenhater echte onzin. Verder vindt ze de redenering dat deze teksten alleen maar betrekking hadden op problemen in sommige kerken in die tijd onjuist. Want Paulus zegt in 1 Kor. 14:37b dat wat hij schrijft ‘een bevel van de Heer is’ en geeft aan Timoteüs instructies voor alle gemeentes over ‘hoe men zich moet gedragen in het huis van God, dat wil zeggen de kerk van de levende God , fundament en pijler van de waarheid.’ (1 Tim. 3:15b). Ze is het ook niet eens met het argument dat de culturele situatie tegenwoordig zo veranderd is, dat we niet langer hoeven of kunnen gehoorzamen aan het voorschrift dat het gezaghebbend onderwijs in de officiële kerkdienst niet toekomt aan vrouwen. Want dan beoordelen we Gods gezaghebbende openbaring aan de hand van wat wij op dit moment in onze tijd acceptabel vinden. De minste waardering heeft Kathy Keller voor het standpunt dat deze kwestie zo ingewikkeld en verwarrend is, dat we daarom elkaar maar moeten accepteren, en dus begaafde vrouwen die zich daartoe geroepen voelen liefdevol moeten toelaten als ouderling en predikant. Daarin schuilt een verkeerde, postmoderne opvatting over ‘waarheid’. Ook is er geen onduidelijkheid over de het feit dat God verschillende rollen toebedeelt aan mannen en vrouwen in de kerk. Het punt is alleen: wil je de plaats en de rol die God je geeft in het leven en in zijn gemeente in dank en vreugde aannemen en je vol vertrouwen neerleggen bij zijn goedheid? Of ga je Gods plannen bekritiseren en accepteer je ze met een flinke portie tegenzin, zelfmedelijden en boosheid omdat dat nu eenmaal zo moet? Kathy Keller kiest voor het eerste. Ook als ze op de vraag waarom God aan mannen en vrouwen in de kerk verschillende rollen heeft gegeven het eerlijke antwoord geeft: “Ik weet het niet.” Wat ze wel weet is dit: vrouwen worden aangemoedigd om in woord en daad een aktieve bijdrage te leveren in de kerk, dus ook in onderwijs, vermaning en bemoediging. Alleen de beoordeling of het onderwijs in de gemeente wel in overeenstemming is met de apostolisch leer, de waarheid, het Woord van God komt vrouwen niet toe, omdat deze taak exclusief aan de oudsten van de gemeente is toevertrouwd en de Bijbel nergens de mogelijkheid open laat voor vrouwen om deze functie te bekleden of om te beweren dat dit slechts een verbod is voor bepaalde tijden of situaties. Dus is het onze taak om ook in de 21ste dit bijbels gebod te gehoorzamen.

  1. Hoe ‘vrouwonvriendelijk’ is de uitsluiting van vrouwen?

In dit onderdeel van haar boek gaat Kathy Keller in op twee vragen. Allereerst hoe je (als vrouw) met vreugde dit bijbelse voorschrift kunt gehoorzamen. En vervolgens hoe je dit voorschrift op een begrijpelijke manier aan de man kunt brengen in onze hedendaagse cultuur.

Op de eerste vraag geeft ze als antwoord, dat juist een onderdrukkend, vrouwonvriendelijk klimaat in de kerk veel schade heeft aangericht. Daardoor zijn veel vrouwen diep gekwetst en is de halve kerk op non-aktief gesteld. Als christelijke kerk moet je er daarom voor zorgen dat er geen onderscheid gemaakt wordt als het om de inzet van gaven in de gemeente gaat. En dat alle wel-toegestane functies zoveel mogelijk door mannen en vrouwen uitgevoerd worden. Maar op grond van fouten in het verleden en de emoties die dat tot op de dag van vandaag bij vrouwen oproept moet je niet anders aan gaan kijken tegen het bijbelse voorschrift dat vrouwen in de christelijke gemeente geen gezaghebbend onderwijs mogen uitoefenen. Die combinatie betekent in New York dat de Redeemer Church dus geen vrouwen bevestigt als (regerende of lerende) ouderlingen, terwijl ze vrouwen juist wel toelaat in alle andere functies binnen de gemeente.

Daar kun je moeite mee blijven houden. Waarom zou je vrouwen weren van bepaalde rollen als ze overduidelijk van de Heilige Geest de gaven voor die functie ontvangen hebben en de roeping ervaren om te dienen in de rol van herder en/of leraar? Volgens Kathy Keller is dat een verkeerd dilemma. Want gaven zijn niet hetzelfde als rollen. Dus waarom vindt iemand het noodzakelijk om eerst een specifieke titel of functie te bemachtigen? Waarom zouden iemands gaven pas waardevol zijn als die in één specifieke rol kunnen worden uitgeoefend, namelijk van ouderling of predikant? Omgekeerd ziet Kathy Keller ook dat veel mannen juist niet meer de rol van geestelijk leiderschap in de kerk en in het gezin op zich te nemen.

Hoe kom je dan toch zover dat je als man wel durft te gaan dienen in het ambt van ouderling of predikant en dat je als vrouw afziet van dat verlangen? Door ons samen op Jezus te richten. Hij is de Zoon van God, één van wezen en dus helemaal gelijkwaardig aan de Vader, maar neemt toch vrijwillig de rol van dienstknecht op zich. Volgens Kathy Keller kunnen we dit spanningsveld van het Bijbels mysterie van Gods drie-eenheid moeilijk uitleggen zonder menselijke rolmodellen die dezelfde waarheden in eenzelfde soort rollen uitbeelden. En dus hebben we mannen en vrouwen nodig om hun rollen uit te oefenen in de veiligheid van kerk en huisgezin om zo de volheid van Jezus te laten zien aan de wereld om ons heen.

Bovendien laten we als christenen daarmee het verschil tussen de wereld en de kerk zien. In de wereldse samenleving mogen mannen en vrouwen vaak niet onderscheiden worden. Maar die gelijkheid, waarbij gelijken ook verwisselbaar moeten zijn, is, zoals C.S. Lewis al schreef, een fantasie. Want God heeft ons als mannelijk en vrouwelijk geschapen met verschillende taken, en niet als uniseks schepselen, hermafrodieten of met een keuzeoptie. Als we met de M/V rollen zoals God die bepaald heeft, gaan knoeien, zal dit tot onze eigen schade zijn. Terwijl in een gevallen en zondige wereld mensen elkaar altijd zullen onderdrukken en minachten op grond van hun geslacht, hebben we in de kerk toegang tot bekering en vergeving. Dat zijn essentiële gereedschappen waarmee mannen en vrouwen hun stralende mantels van verschillen kunnen blijven dragen om zo samen te leven als gevallen en vrijgekocht volk van God, in staat om elkaar te vergeven omdat we in Christus door God vergeven zijn.

Als je echt overtuigd bent van Gods wijsheid, liefde, en goedheid, kun je ook het goede zien in de taken en functies die God aan mannen en vrouwen heeft toebedeeld. Want dan stel je, als je verlangens en Gods geboden met elkaar botsen, als het er op aan komt in geloof toch je vertrouwen op Gods ontwerp, en niet op je eigen beperkte denkraam.

De kracht en de zwakte bij Kathy Keller

Kathy Keller MV boekNa het lezen van dit boek zijn er bij mij vier dingen blijven hangen, eerlijk te verdelen in twee sterke en twee zwakke punten.

Sterk vind ik het onderscheid in gaven en functies. Het is beslist niet waar dat ik pas volledig geaccepteerd ben in de kerk van Christus als ik altijd en overal alles moet kunnen doen wat bij mijn gaven past. Dat is echt een postmoderne eenzijdigheid. Sterk vind ik ook de nadruk op het ‘complementaire perspektief’ zoals Redeemer die hanteert. Dat wil zeggen dat mannen en vrouwen elkaar aanvullen, zowel in gaven als in rollen. Dat is ook een hele bijbelse gedachte die in onze volstrekt geïndividualiseerde samenleving vaak slecht begrepen wordt.

Zwak vind ik het antwoord ‘Ik weet het niet’ op de vraag waarom vrouwen niet in het ambt van ouderling en predikant zouden mogen dienen. Als dat echt het antwoord is, zou je vanuit christelijk oogpunt elkaar juist de vrijheid moeten geven. Maar de grootste zwakte van Kathy Keller zit ‘m hierin, dat ze een absolute koppeling legt tussen ‘gezaghebbend onderwijs’ en ‘functies’ en ‘alleen voor mannen’, zonder dat ze ingaat op de vraag waarom in de joodse traditie en dus ook in de eerste christelijke gemeente de taak van het bewaken van de gezonde bijbelse leer alleen bij mannen is neergelegd. Daarmee legt ze een niet-gemotiveerde basis onder haar hele betoog dat het gezaghebbende ambt in het Nieuwe Testament én in de kerk van de 21ste eeuw ‘only for men’ is. Maar als de fundamenten onder een betoog niet hard gemaakt worden, berust het hele verhaal feitelijk op drijfzand. Of beter, want met ‘drijfzand’ doe ik Kathy Keller geen recht: het is een aannemelijk standpunt, maar wie er vanuit de Bijbel gelovig anders over denkt kan net zo goed gelijk hebben.

Kathy Keller publiceerde haar boek Jesus, Justice, & Gender Roles in 2014. Een complete werkvertaling van dit  boek is te vinden op www.depoarte.org. Hier staat ook informatie over een studiedag op 21 oktober a.s. in Drachten onder de titel ‘De Complementaire Visie – M/V rollen in de kerk en in het christelijke gezin’.

Ik ben geen zondaar – de theologie van de DoorBrekers

Onder deze titel heeft Peter Paauwe, voorganger van ‘DoorBrekers’ in Barneveld, deze zomer een serie van zeven preken gehouden. Als afsluiting heeft ‘DoorBrekers Worship’ begin september 2017 een mooi opwekkingsnummer uitgebracht,  ook met de titel ‘Ik Ben Geen Zondaar’.  De tekst is als volgt:

1) U nam de eerste stap, strekte uw hand uit, vanuit de eeuwigheid werd U een mens.

U brak de vijandschap door uw genade, verzoening werd gebracht voor iedereen.

Refrein: Hoe heerlijk, hoe groot is uw naam. Verlosser, wij aanbidden uw naam.

Messias, U maakt alles nieuw. Alles is nieuw.

2) Mijn zonden uitgewist, redding ontvangen,

in U een nieuwe mens, van zonden bevrijd. U maakte mij vrij.

3) Het is volbracht, de prijs betaald, eens voor alle zonden.

Of ik nu val of ik nu sta, ik ben geen zondaar. Ik ben geen zondaar.

Ik vind het een mooie tekst. OK, je kunt over de zin ‘verzoening werd gebracht voor iedereen’ nog wel een boom opzetten, maar die woorden verwijzen naar uit 1 Johannes 2:2. Ik vind de tekst vooral hierom  goed, omdat het heel bijbels is om onderscheid te maken tussen wat ik als christen dankzij Jezus Christus in de ogen van God ben (Zijn geliefd kind! Géén zondaar meer!) en wat ik als christen nog steeds doe zolang ik hier op aarde rondwandel (Een struikelende zondaar). Want zo ideaal als in de reklame waarin alle kritiek op een persoon met een vrolijke glimlach en zonder enig onvertogen woord in ontvangst genomen wordt (“Annet? Die taart van jou is echt niet te hachelen” ), zo perfect worden wij in dit leven nog niet vernieuwd naar het beeld van God, want die volmaaktheid ligt nog achter de horizon en bereiken we pas na dit leven, zoals Paulus in bv. Filippenzen 3:12-21 heel erg duidelijk maakt. Er zit volgens de Bijbel nog wel een verschil tussen ‘zondaar zijn’ en ‘zonde doen’ volgens mij.

In het  Reformatorisch Dagblad van 15 september plaatste de CGK-theoloog Michael Mulder toch wat kritische opmerkingen bij dit lied (klik hier). Want volgens hem houdt Peter Paauwe, de voorganger van DoorBrekers, er een bedenkelijke uitleg op na. Hij zou met ‘Ik ben geen zondaar meer’ bedoelen, dat er bij een christen geen zonde meer kan zijn als hij echt opnieuw geboren is. Want wie opnieuw geboren is, is kind van God, is overgezet van de duisternis van het rijk van de duivel in het licht van het koninkrijk van de hemelen en dus kun je niet meer zondigen omdat je uit God geboren bent. Zo staat het immers in 1 Johannes 3 vers 9?

Ik dacht: dat wil ik toch even uit de mond van Peter Paauwe zelf horen. Dus heb ik één van zijn zeven preken beluisterd. Ze dragen allemaal als titel ‘Ik Ben Geen Zondaar’, gelukkig met een nummer erachter en een tweede titel. Hoewel ik de titel van deel 4 erg interessant vond (‘Ik Ben Vrijgemaakt’ ;-), heb ik me beperkt  tot deel 6: ‘Ik Kan Niet Zondigen’.

DoorBrekers StellingEn inderdaad, Peter Paauwe doet een flink aantal uitspraken in die preek van drie kwartier die mooi klinken, maar niet bijbels zijn. Hij husselt namelijk door elkaar wie we dankzij Jezus Christus zijn en hoe we in de praktijk van alle dag als volgeling van Christus leven. Of eigenlijk: hij haalt het niet door elkaar, nee, hij benadrukt voortdurend alleen maar dat eerste. Ongeveer op deze manier:  als je tot geloof komt en Jezus als Heer aanvaardt, wordt je in één keer van het koninkrijk van de duisternis overgeplant in het koninkrijk van de hemel. “En in dit koninkrijk heb ik geen zonde meer, in dit koninkrijk ben ik verlost van de zonden, ben ik verlost van de macht van de zonden, en ik ben continue rein, ik ben continue heilig, ik ben continue vergeven, ik heb het eeuwige leven, ik zit in de hemel, en als ik in de hemel ben kan ik geen zonde hebben.” Dat is, lijkt mij, wel heel kort door de bocht. Natuurlijk hoef je al je zonden niet telkens opnieuw te belijden. Maar dat is wat anders dan dat je niet meer in zonde valt (1 Joh. 2:1) en kan ons hart ons aanklagen (1 Joh. 3:20). Maar daar hoor je Peter Paauwe niet over. Want, en dat is de tweede uitglijder, hij zegt alweer voortdurend in zijn preek dat christenen de wet niet meer kunnen overtreden omdat die wet bij het koninkrijk van de duisternis hoort en niet bij het koninkrijk van de hemel, want daar regeert alleen maar de wet van genade, vrijheid, Geest, waarheid en overwinning. En dus, zegt hij: “Ik kan wel overtredingen hebben, maar het wordt geen zonde omdat ik niet onder de wet ben.” Peter Paauwe haalt daarvoor Maarten Luther aan, want die heeft 500 jaar geleden voor de grootste opwekking ter wereld gezorgd. In zijn uitleg van de Galaten (hier digitaal na te lezen)  zou Luther ook voortdurend benadrukken, dat een christen die zich helemaal aan Christus toevertrouwt, een nieuwe mensen geworden, burger van Gods nieuwe wereld, “waar geen wet is, geen zonde, geen geweten, geen dood, maar de meest vrije vreugde, gerechtigheid, genade, vrede, leven, heil en heerlijkheid.” En Luther zei daar nog iets bij: “Daarom is het de hoogste kunst en wijsheid van de christen, niets te willen weten van de wet (…) en moeten christenen zo voor God leven,  alsof er helemaal geen wet is.” Want, zegt Luther daarbij: “Als u namelijk de wet niet uit uw gedachten zet en uw gedachten niet zo op de zuivere genade zou richten, dan kunt gij niet zalig worden.” Dus, zie je wel …  Luther zei het zelf: “Waar geen wet is, daar is ook geen overtreding”! En zo komt Peter Paauwe tot zijn conclusie dat je als christen geen zonde meer kunt doen. Want bij God is er geen wet die je veroordeelt, maar mag je altijd leven van genade en van Gods overvloed, word je nooit veroordeeld en altijd vrijgesproken, of je nu staat of struikelt.

Tsja … nu snap ik ook waarom er in de clip van “Ik Ben Geen Zondaar” een moderne Luther voor komt die alleen maar deze éne stelling aan de kerkmuur timmert. Het is een nogal eenzijdige boodschap als je alles op één grote hoop gooit en zelfs Maarten Luther voor je karretje wilt spannen. Die heeft namelijk wel wat meer gezegd dan dat je niet meer onder de wet hoeft te leven als christen. En Luther heeft al helemaal niet gezegd dat hij nooit zondigt, omdat de wet alleen maar geldt in het koninkrijk van satan. Integendeel, op maandag 18 september kreeg ik mijn wekelijks Luther-citaat in de mailbox binnen (abonneren kan via www.maartenluther.com). Deze keer ging die over het onderwerp ‘Tegelijk heilig en onheilig’ . Wat hij in één van zijn Paaspreken uit 1533 zei is volgens mij zo Bijbels als wat en niet zo eenzijdig als de theologie van de DoorBrekers in Barneveld:

 “Een Christen is op hetzelfde moment een zondaar en een heilige, tegelijk slecht en goed. Want wat onze persoon aangaat zijn we in zonden, en wat onze eigen naam aangaat zijn we zondaren. Maar Christus geeft ons een nieuwe naam. Hij noemt ons: ‘Uw-zonden-zijn-u-vergeven’. Die naam houdt in: omwille van Christus zijn al uw zonden vergeten en vergeven. Zo is het beide wáár: de zonden zijn er – want de oude-Adam is nog niet helemaal gestorven – en ze zijn er ook niet, omdat God ze om Christus’ wil niet wil zien.

Voor mijn ogen zijn ze er, ik zie en voel ze wel degelijk! Maar hier is Christus – Hij laat aan mij verkondigen: ’Ik moet boete doen.’ Dat is: ik moet belijden dat ik een zondaar ben, én in Zijn Naam vergeving van zonden geloven (vgl. Handelingen 5:31).

Want de boete – hoewel deze niet gemist kan worden – is op zich niet genoeg om de zonden weg te nemen. Het moet zovér met je komen dat je in de Naam van Christus gelooft en zó ook voor jezelf de vergeving van zonden ontvangt. Waar dit geloof is, daar ziet God geen zonden meer. Want daar sta je voor God niet in je eigen naam, maar in de Naam van Christus – Hij kleedt en versiert je met Zijn genade en gerechtigheid.

Dat doet Hij, hoewel je in eigen waarneming een arme zondaar bent en vol zit met zwakheid en ongeloof. Toch hoef je daarvan geen doodschrik te krijgen – hoe zou je anders de prediking van de boete nog kunnen horen? Daarom, zeg dan: ‘Ach Heere, ik ben een arme zondaar, dat weet ik, maar U zegt: “Zo zal het toch niet met je blijven, want Ik heb bevel gegeven dat in Mijn Naam vergeving van zonden gepredikt moet worden”’ (vgl. Lukas 24:47).”

Tenslotte: als het Woord van God bij de DoorBrekers in Barneveld nogal eenzijdig verkondigd wordt (“Als ik geen zondaar meer ben, kan ik ook niet meer zondigen”), is het lied ‘Ik Ben Geen Zondaar’ dan ook automatisch fout? Nee, dat denk ik niet. Volgens mij maakt setting waarin je het zingt het verschil. Dus klik maar aan: ‘Ik Ben Geen Zondaar’.

 

HOUDT GOD ONS VOOR DE GEK? –de paradoxale overeenkomst tussen Gijsbert van den Brink en Mart-Jan Paul–

Het gaat spannend worden de komende maanden. Tenminste, voor iedereen die het onderwerp ‘schepping en/of evolutie’ erg interessant vindt. Op 22 september 2017  is er in Nijkerk een reeds volgeboekt congres met als titel Evolutie. Stel dat het waar is … Op dit congres staat het boek ‘En de aarde bracht voort’ met als ondertitel ‘Christelijk geloof en evolutie’ van Gijsbert van de Brink centraal. Het verscheen vlak voor de zomer. Van den Brink is ervan overtuigd dat het scheppingsverhaal en de gangbare evolutietheorie goed met elkaar te verenigen zijn.  Acht andere wetenschappers zullen hun visie geven op het standpunt van Van den Brink. Eén van hen is Mart Jan Paul.  Eind augustus verscheen zijn boek ‘Oorspronkelijk’ met  als ondertitel ‘Overwegingen bij schepping en evolutie’. Hij is het grondig oneens met Van den Brink en vindt dat de kloof tussen het christelijk geloof en het aanvaarden van de evolutietheorie zo diep en breed is, dat die twee als het er op aan komt onverenigbaar met elkaar zijn. Daarom kiest hij voor de Bijbel als belangrijkste informatiebron over het hoe het leven op aarde ontstaan is en zich ontwikkeld heeft. Dus komt er op 4 november 2017 in Kampen een vervolg op het congres in Nijkerk, namelijk een studiedag onder de titel Oorsprong. Op die dag zullen beide auteurs stevig met elkaar in gesprek gaan en samen met de deelnemers een aantal thema’s uitwerken.

God die misleidt?

Nu heb ik het boek van Mart Jan Paul nog niet gelezen. Ik heb mijn informatie gehaald uit het uitgebreide interview met hem in het Nederlands Dagblad van 30 augustus 2017 . Het boek van Gijsbert van den Brink heb ik wel gelezen. Wat mij meteen opviel was het volgende: beide schrijvers gebruiken de uitdrukking dat er sprake zou zijn van misleidende informatie door God als er geen evolutie zou zijn geweest (Van den Brink) of als het scheppingsverhaal in Genesis 1 en 2 niet letterlijk zo gebeurd zou zijn (Paul).

Brink, Gijsbert van denGijsbert van den Brink gebruikt het woord ‘misleiden’ in verband met de fossielen die in de aardlagen zitten. Als de fossielen die God bij de schepping heeft meegeschapen zonder dat ze ooit echt geleefd hebben, “kunnen we – uitgaande van de schijnleeftijdtheorie – alleen maar aannemen dat God ze [die fossielen] door de aardlagen heeft verspreid  nooit om ons te misleiden.” En even later (ook op blz. 44): “Welk belang zou God erbij hebben om ons zo massaal om de tuin te leiden? Is God niet de Waarachtige en Betrouwbare bij uitstek? Bovendien, als God ons in de natuur voor de gek houdt, hoe weten we dan dat Hij dat niet ook doet in de Schrift?”

Paul Mart-JanMart Jan Paul vindt juist dat er sprake van misleiding zou zijn, wanneer de gegevens uit Genesis niet waar zouden zijn. In het ND zegt hij: “Dat kan ik niet geloven: dat God informatie over de schepping zou hebben gegeven, waardoor de kerk 2000 jaar lang is misleid.” Hij is van mening dat de evolutietheorie uitgaat van een materialistisch wereldbeeld. God wordt systematisch buitengesloten. Zelf kiest hij daarom voor een wetenschappelijke benadering die wél met God en met de Bijbel rekent. Dus kiest hij uiteindelijk voor het zogenaamde ‘jonge-aarde-creationisme’ – de wetenschap die uitgaat van een schepping in zes dagen enkele duizenden jaren geleden.

Ik vond het opvallend dat beide auteurs het woord ‘misleiden’ gebruiken, maar dat hun moeite precies tegenovergesteld is. Van den Brink neemt de resultaten van ‘het boek van de natuur’ zo serieus, dat hij niet meer geloven kan en wil, dat God in de Bijbel een exact verslag van de schepping heeft gegeven. Paul neemt het gezag van de Bijbel als het betrouwbare woord van God zo serieus, dat hij niet geloven kan en wil dat de aarde in werkelijkheid via de lange weg van evolutie tot stand gekomen is.

Kortsluiting

Leonard J Vander ZeeErgens ontstaat bij beiden een soort kortsluiting, zou je zeggen. Want de Bijbel en de natuur laten allebei zien wie God is, zegt artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. De Amerikaanse theoloog Leonard J. Vanderzee bracht dat prachtig onder woorden aan het begin van zijn indrukwekkende lezing ‘From Stardust tot he New Jerusalem – Preaching the Gospel in an Evolving Universe op de BioLogos-conferentie ‘Evolution and Christian Faith’ van 30 juni – 2 juli 2015 in Grand Rapids:

I was brought up on the Belgic Confession, and I knew the idea that God has revealed himself in two books,” in the book of revelatioan called the Bible and in the book of nature, which is Gods creation. And I knew that science is the study of God’s revelation in nature, in the quarks and the galaxy’s and the DNA, and it therefore could not finally contradict what the Bible says, because God does not speak in two voices.

De oorzaak van de kortsluiting is volgens mij bij beide schrijvers onder andere te vinden in het probleem van het lijden. Als het leven op aarde zich namelijk in miljoenen jaren ontwikkeld heeft, is er ook sprake geweest van heel veel lijden, pijn en dood onder de dieren. Dat vindt Gijsbert van den Brink in het interview dat hij op 22 juni in het ND gaf één van de grootste vragen: “het immense lijden dat levende wezens al sinds de vroegste tijden heeft getroffen, de dood van talloze dieren – hoe kan God zo’n wereld geschapen hebben?” In zijn boek komt hij niet verder dan de konklusie: “wij mensen bevinden ons niet in de positie om de motieven te beoordelen die de soevereine God gehad kan hebben om een wereld te scheppen waarin zoveel lijden voorkomt.” (pag. 328/329) Het lijkt erop dat Mart Jan Paul met hetzelfde probnleem worstelt, want hij zegt in het interview van 30 augustus: “Dat de wereld goed begon, dat er geen dood was – ik raak er steeds meer van overtuigd: óók geen dieren die elkaar doden – dat (…) dat zijn gegevens die de hele Bijbel doortrekken. Die blijven niet overeind als je de evolutietheorie omarmt.”

Wat is ‘goed’?

Zou het kunnen dat beide theologen onder de invloed van onze hedendaagse cultuur een te hoge waarde aan dierenwelzijn toekennen en een te idealistisch, idyllisch beeld van hoe de aarde zou moeten zijn als God die aan het einde van zijn scheppingswerk ‘zeer goed’ noemt? Zelf heb ik er niet zoveel problemen mee om te aanvaarden dat zwaluwen vóór de zondeval zich tegoed deden aan vliegen en andere insecten, dat de leeuwen alleen maar konden overleven door af en toe een antilope te verschalken en dat zeehonden dagelijks hun vaste portie vis verorberden. De mensen moesten heerschappij voeren over de dieren (Gen. 1:26), de aarde onder hun gezag brengen (Gen. 1:28) en de tuin van Eden bewerken en bewaken (Gen. 2:15). Dat hoort allemaal al bij de goede Douma Jochemschepping en is niet pas aan de orde na de zondeval, zoals Jochem Douma in zijn boek ‘Genesis’ schrijft (blz. 21). Douma wijst er ook op, dat God meteen na de zondeval kleren van dierenvellen geeft in plaats van de schorten van vijgenbladeren die Adam en Eva  zelf snel aan elkaar geregen hadden. Ook is Douma van mening dat al vóór de zondeval roofvogels andere dieren moest doden om aan voedsel te kunnen komen (beide blz. 22). Als je dieren geen menselijke eigenschappen toekent en als je als het goede van de schepping niet invult volgens de menselijke gelukscategorieën, is voor mij een ruige schepping geen probleem, ook niet als het om de natuurlijke dood van dieren gaat.

Het gelijk ligt vooral bij …

Er is dus een merkwaardige, paradoxale overeenkomst in de standpunten van Van den Brink en Mart Jan Paul. Toch komen ze totaal verschillend uit. Wie heeft het gelijk het meest aan zijn kant?

Matthijs HaakIk neig toch naar Van den Brink. Maar wel met een kanttekening die de Dordtse dominee Matthijs Haak begin 2016 in één van zijn blogs maakte. Hij herhaalde dat op zijn FB-pagina op 30 augustus 2017 in deze bewoordingen: “Het christelijke gesprek is momenteel zo dat de vraag ‘past het christelijk geloof bij wetenschappelijke inzichten?’ overheerst. (Vd Brink stelt steeds deze vraag). Aan een eigen verhaal komen christenen daarom niet echt toe, terwijl dat juist nu zo hard nodig is.”

Dat is ook mijn kritiek op het boek van Van den Brink. Hij plooit de Bijbel naar de evolutietheorie. Dat doet hij zonder tekort te doen aan het gezag van de Bijbel, dat wil ik er meteen nadrukkelijk bij zeggen. Maar het voelt een beetje als bij de Brexit. Net als Europa is de evolutietheorie duidelijk de bovenliggende partij, en het christelijk geloof is net als het Verenigd Koninkrijk de onderliggende partij. Om het met de vooruitziende blik die Matthijs Haak begin 2016 al had te zeggen: als Van den Brink wetenschappelijke gegevens presenteert, is het een en al zekerheid wat de klok slaat. Als het bij hem over de Bijbel gaat, dan zijn het vooral vragen of hoe Genesis gelezen moet worden? Wetenschappelijke inzichten vormen dus het frame en de Bijbel komt er nogal bekaaid van af. Dat is te marginaal om met een overtuigend eigen christelijk verhaal te komen (zoals Vanderzee wel gedaan heeft)

Wat het standpunt van Paul betreft, ben ik op grond van het interview minder enthousiast. Ondanks overstelpende bewijzen vóór natuurlijke, biologische evolutie zegt hij in het ND dat de evolutietheorie echt niet zoveel sterker staat dan het betrouwbare verslag van de Bijbel. Daarbij gebruikt hij drie nogal suggestieve argumenten, namelijk: “[A] Waarom werd Darwin bijvoorbeeld in zijn tijd meer aangevallen door vakgenoten dan door theologen? Dat zou je niet verwachten. [B] Bedenk daarbij dat de evolutietheorie sterk gevormd is door het vooruitgangsgeloof van de negentiende eeuw. [C] En wist je dat Darwins grootvader al kwam met gedachten van natuurlijke evolutie? Die visie zat in de familie. Wat is nu aangetoond en wat is levensovertuiging?, vraag ik mij dan af.”

Dit vind ik onder de maat. Wat [A] betreft vind ik het logisch dat iemand met een kompleet nieuwe theorie eerst binnen zijn vakgebied kritisch bevraagd wordt. Als het om [B] gaat doet Paul net alsof objectief toetsbare feiten en intellectuele theorieën haast per definitie gewantrouwd moeten worden omdat ze uit een verdachte hoek komen. En argument [C] is ook nog eens postuum onder de gordel. Als het ook maar voor 10% waar zou zijn, kunnen we het boek van Mart Jan Paul meteen ongelezen in de oud-papier-container gooien omdat zijn grootvader uit de zware hoek van de Gereformeerde Bond kwam, waar zelfs de 1000 jaren in Openbaringen nog letterlijk genomen werden. Vooral

Toch ga ik ook het boek van Paul aanschaffen en lezen en heb ik me ook voor vervolgronde ingeschreven. Ik ben erg benieuwd hoe beide theologen inhoudelijk op elkaars boek zullen reageren. Vooral, omdat er best veel van afhangt. Of misschien ook wel niet. Ieders mening over schepping en/of/door evolutie is gebaseerd op geloof. Ik geloof dat mijn God de Schepper van hemel en aarde is. En als het om het ontstaan daarvan gaat, ben ik het van harte met Jochem Douma eens (blz. 45): “Wij worden in Genesis 1 niet ingelicht over hoe wij ons intellectueel het scheppingsproces moeten voorstellen, maar hoe wij existentieel aan God als Schepper verbonden zijn.”

 

Over schepping, evolutie, DNA en het christelijk geloof

Bretagne 2Met een prachtig uitzicht op de Bretonse kust (gevormd in miljoenen jaren of door zondvloed) begon ik met het lezen van ‘En de aarde bracht voort’  – het nieuwste, tamelijk pittig geschreven boek van de gereformeerde theoloog Gijsbert van den Brink (hij is de broer van Thijs, één van de bekende gezichten van de EO). Hij gaat in op de vraag hoe je de kern van het christelijk geloof, namelijk schepping, mens als beeld van God, zondeval, verlossing, voorzienigheid en nog een paar andere thema’s, kunt verbinden met de gangbare evolutietheorie. Want die heeft als wetenschappelijke verklaring over het ontstaan van de aarde en de ontwikkeling van het leven op aarde hele sterke argumenten, vindt Gijsbert van den Brink. Dus doet hij een erg interessante poging om te ontdekken of en hoe bijbelgetrouw geloven en het accepteren van de evolutietheorie samen kunnen gaan. Het is een erg goed geschreven boek, ook als je het niet in alles of misschien wel in alles niet met de schrijver eens bent. Terecht staat op de achterflap de “een onmisbare bijdrage is aan het actuele debat over schepping en evolutie.”

Gijsbert vd Brink - En de aarde bracht voort.jpgEr komt dan ook een congres over dit boek op vrijdag 22 september. Daarin gaan acht deskundigen (theologen en natuurwetenschappers) met Gijsbert van den Brink in debat. Het congres is nu al volgeboekt en verplaatst van een congrescentrum naar een kerkgebouw met 600 zitplaatsen! Eén van de interessante vragen waar dit boek op ingaat is de kwestie van de “ingeschapen ouderdom en schijnleeftijd” van de aarde. God zou de aarde dan geschapen hebben met kant en klare fossielen in allerlei aardlagen die wetenschappelijk gezien miljoenen jaren oud zijn. Gijsbert van den Brink wijst die theorie af omdat God ons dan zou misleiden, want “welk belang zou God erbij hebben om ons zo massaal om de tuin te leiden? Is God niet de Waarachtige en Betrouwbare bij uitstek? Bovendien, als God ons in [het boek van] de natuur voor de gek houdt, hoe weten we dan dat Hij dat niet ook doet in de Schrift?” Dit citaat vind ik één van de minder geslaagde taxaties in zijn boek. En zo zijn er wel meer, nog kritischer vragen te stellen. Maar wat je er ook van vindt, het boek is verplichte stof voor iedere christen die hier echt in geïnteresseerd is of het een lastig onderwerp vindt.

Bruce Buff HemelbewijsMaar goed … de vakantie is er niet alleen om dit soort boeken te lezen, dus heb ik ook twee Grishams uitgelezen én een detective die dit jaar verschenen is, nl. Hemelbewijs – het debuut van de Amerikaan Bruce Buff. Daarin doet een professor een baanbrekende DNA-ontdekking waarmee hij kan bewijzen dat het heelal door God is geschapen en waarmee de mens een flinke stap naar de onsterfelijkheid zou kunnen zetten. Het eerste is tegen het zere been van een niet-gelovige vriend van de professor. Het laatste is natuurlijk een reden dat er van alles helemaal uit de hand loopt omdat hooggeplaatste heren en een enkele dame met kwade bedoelingen dit recept van eeuwig leven graag in handen willen krijgen. Qua verhaallijn vond ik het een mager 7-tje. Bovendien is het te snel en dus wat slordig vertaald (‘nucleus’ en ‘assumptie’ zijn echt geen Nederlandse woorden, overbodige herhalingen, twee verschillende namen voor hetzelfde ex-vriendinnetje).

Wat ik wél heel boeiend vind, is de beschrijving van de baanbrekende DNA-ontdekking van de professor. Kort gezegd gaat het over hoe het DNA functioneert. Er is te weinig basismateriaal in het DNA om alle ontwikkelingen en functies alleen vanuit biologische processen te kunnen verklaren, want dan zouden embryo’s er veel langer dan negen maanden over doen om tot volwaardige baby’s uit te groeien in de buik van hun moeder en zouden veulens niet meteen na de geboorte kunnen opstaan en lopen. Ergens moeten die processen in het DNA door algoritmen gestuurd zijn. En algoritmen zijn een soort parameters. Die kunnen alleen maar van te voren zijn bedacht en ingesteld. En als je als mens die code weet te kraken, je hoeft ze maar ietsje bij te stellen, en je krijgt een totaal andere uitkomst. Zou er inderdaad in het DNA zo’n code zitten? Zo ja, dan wijst dat op een Schepper. En dat zou de oorsprong van het leven kunnen verklaren. Iets wat de evolutietheorie van Darwin niet kan. Dit vind ik een razend interessante hypothese. Maar het gaat mijn lekenverstand ver te boven. Dus ik hoop dat iemand het me nog eens goed uitleggen kan.

Bretagne 1Ondertussen heb ik wel mooi mijn derde detective gelezen in Bretagne. Maar ik vond het ook meteen een goede aanvulling op het theologische boek van Gijsbert van den Brink. Al was het alleen maar omdat het, ook al is het beslist niet wetenschappelijk geformuleerd, wel een aantal hele prikkelende uitspraken doet over wat je allemaal uit het DNA kunt afleiden. Zelfs misschien wel het bestaan van God – als meer dan acceptabele theorie tegenover de evolutietheorie van Darwin.

Meer info over beide boeken: Gijsbert van den Brink, En de aarde bracht voort – christelijk geloof en evolutie, Uitgeverij Boekencentrum, 2017, € 22,99; Bruce Buff, Hemelbewijs, Uitgeverij Kok, 2017, € 22,50

 

In vakantiestemming naar je vakantiebestemming met Psalm 121

We zitten midden in ‘de grote vakantie’, zoals we bij ons in het dorp vroeger de zomervakantie noemden. Veel mensen gaan dan weg, op reis naar de plek waar ze vakantie houden. Sommige mensen gebruiken nog een wegenkaart. Andere mensen een routeplanner. De meesten volgen de ‘Route du Soleil’ – de zon achterna. Eén van mijn favoriete zomerliedjes gaat daarover: het prachtige nummer ‘Une belle histoire’ van Michel Fugain.

In Israel gingen veel mensen ook elk jaar op reis. Elk jaar gingen ze naar dezelfde plek. Naar Jeruzalem. Lopend. Voor de kinderen was dat echt een vakantiereis. Denk maar aan Jezus toen hij 12 was en voor het eerst meemocht. Voor de vaders en moeders en andere volwassenen was het geen vakantiereis. Nee, voor hen was het een pelgrimstocht. Ze wilden God opzoeken in de tempel. Want ze wisten: God heeft ons gemaakt. Hem behoren wij toe. Zijn volk zijn wij, de schapen die Hij weidt. Die God wijst ons ook de weg. Hij geeft ons leven zin. Als we zijn aanwijzingen volgen, komen we op de reis door het leven veilig bij Hem aan, want zijn liefde duurt eeuwig. En in Jeruzalem staat de tempel van God, daar woont de HERE bij zijn volk. Dus willen de gelovigen van toen daar graag naar toe. Met een loflied trekken ze door de tempelpoort naar binnen en in de voorhof van de tempel heffen ze een lofzang aan. Dat is Psalm 100. Het is goed de HEER te ontmoeten waar Hij te vinden is. Daar word je in hun geloof versterkt. Door voor de HERE zingen, naar zijn woorden te luisteren, door offers te brengen – schuldoffers voor je zonden en dankoffers voor Gods vergevende liefde. Dat is goed voor je geloof, daar word je rustig van, dan vindt je hart vrede. Maar voor je bent waar je wezen wilt, moet je een hele reis maken. Om de moed er in te houden, zongen de gelovige Israelieten op weg naar Jeruzalem hun pelgrimsliederen. Psalm 121 is er één van, waarschijnlijk de meest bekende en geliefde. Een lied voor onderweg, onderweg naar het huis van de HERE hun God.

Dat is zoveel eeuwen later nog steeds zo. Als je christen bent, zoek je de zin van het leven nog steeds verderop: in het nieuwe Jeruzalem – de Lichtstad met zijn paarlen poorten. Terwijl we onderweg zijn, noemt Psalm 121 de HERE ‘de wachter van Israel’. Dus niet van jan en alleman – hoewel, God zorgt voor heel zijn schepping en is dus voor alle mensen goed. Maar Israel is zijn eigen volk met een speciaal plekje in z’n hart. En van dat Israel maken sinds Pinksteren alle gelovigen over heel de wereld deel van uit – iedereen die echt in God én in zijn Zoon Jezus Christus gelooft. Ook voor hun kinderen heeft de HERE een speciaal plekje in zijn hart. Later zal Jezus het zo zeggen: ‘God wil niet dat ook maar één van de kleinsten verloren zal gaan.’ Daarom hebben zoveel mensen Psalm 121 in hun hart gesloten. Het beschrijft heel onze levensweg. Als je christen bent weet je: ik ben onderweg naar het Vaderhuis, daar zal ik mijn Heer ontmoeten. En onderweg mag ik al van zijn aanwezigheid genieten, in de Bijbel, door de Heilige Geest, in al het goede van de schepping, samen met al die andere reisgenoten die ook hun blik gericht houden op Jezus als Leidsman en Redder en Voltooier van ons geloof.

A5 20Maar laten we elkaar niet wijs maken, dat we er al zijn, dat ons niets overkomen kan. Eerder omgekeerd: in het groot en in het klein gebeurden er heel veel dingen die je niet van te voren zag aankomen. En wat je niet ziet aankomen, daar kun je als een berg tegenop zien. Of het komt als een vloedgolf over je heen. En dat hakt er allemaal zwaar in. De vraag is: wat doe je dan? In de meeste vertalingen begint Psalm 121 met een vraag, en geen kleintje ook: Ik sla mijn ogen op naar de bergen; vanwaar komt mijn hulp? Maar misschien heeft de BGT het wel bij het juiste eind en moet ook vers 1, net als de andere verzen, een uitroepteken zijn: Ik kijk omhoog naar de bergen. Daar komt mijn help vandaan! Daar – waar ik de tempel al zie schitteren op de top van de berg Sion!  Dan heb je zorgen, is er twijfel, krijg je te maken met tegenslag, lijd je pijn en ken je verdriet. Maar je weet ook: God is er altijd bij! Bij Hem mag ik schuilen. Hij gaat met mij mee! Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt, dus wie kan er beter de wacht over mij houden?

Sterker nog: die God is bij de mensen komen wonen. Hij wil kontakt met ons. Hij zorgt voor nieuwe perspektieven. Hij gééft ons Jezus en vérgeeft ons onze zonden. Je mag naar Hem toe, naar de tempel in Jeruzalem in die tijd, naar elke christelijke kerk in onze tijd waar Jezus Christus centraal staat. Dat is goed voor je geloof, daar vindt je hart vrede. Voor een gezond geloofsleven, om te groeien in wijsheid en vertrouwen, moet je bij de HERE zijn. Op de plaats waar Hij zich laat vinden: in de tempel, zoals de 12-jarige Jezus al heel goed wist. In zijn gemeente, want daar wil Jezus onze Heer door zijn Woord en Geest in ons midden zijn. Als je je dat als goede gewoonte aanleert – lees je Bijbel, bid elke dag, ieder zondag naar de kerk – zul je bij speciale momenten de HERE opzoeken en Hem bedanken of om hulp vragen. Want zo eindigt Psalm 121: De HEER houdt de wacht over je gaan en je komen van nu tot in eeuwigheid. In de oude vertaling van 1951 stond het misschien nog wel mooier: De HERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren. Heel het mensenleven zit vol met zulke kantel-momenten. Maar hoe het ook gaat, welke periode je ook ingaat en hoe je er ook uitkomt, de Bijbel in Gewone Taal zegt het heel direkt: De HEER beschermt je, overal, waar je ook gaat, je leven lang. Geloof je dat? Dan kun je rustig op vakantie gaan. Of weer aan het werk gaan. En elke zondag vol vertrouwen naar de kerk gaan. Want God beschermt mij mijn leven lang. Hoe kun je dat zeker weten? Nou, de Bijbel is je routekaart! Daarin staat wie er voor mijn verlossing zorgt: Jezus Christus. En in de Bijbel staat, wie er voor mijn geloof zorgt: de Heilige Geest. En in de Bijbel staat, wie er altijd voor mij zal zorgen: mijn Vader die hemel en aarde gemaakt heeft. En ook al is het dan een komen en gaan van allerlei verschillende momenten – ‘Hou vol, hou vol, Hij laat niet los’!

cropped-bergtop-belalp-header.jpgDurf jij daarop te vertrouwen? Op de HERE, die ook jouw Herder wil zijn? Een Herder die nooit slaapt, maar altijd goed oplet? Durf je daar om te vragen? Of Hij, die hemel en aarde gemaakt heeft, ook in deze vakantie én in het nieuwe seizoen over jou getrouw de wacht wil houden? Durf je deze Psalm mee te zingen? Een psalm vol bemoediging, een psalm waardoor de Heilige Geest ervoor wil zorgen dat je het volhoudt om te geloven. Wat er ook gebeurt, dit is waar ik op vertrouw: ‘Mijn hulp komt van de HEER die hemel en aarde gemaakte heeft. Hij is mijn wachter. Hij waakt over mijn leven.’

Tauren Wells zong het prachtig lied ‘Hills and Valleys’, waarin dit vertrouwen ook heel sterk tot uitdrukking komt.

Foto’s: de bergen in Vorarlberg/Wormserhütte en in Wallis/Bel-Alp – Karla Leeftink Natuurfotografie – http://www.karlaleeftink.com