Een hartstochtelijk pleidooi voor christelijke vrijheid

“Paulus gebiedt dat men God zal aanroepen met uitgestrekte handen en een ontbloot hoofd. Maar wanneer ik met aandacht tot God kan bidden met een bedekt hoofd en zonder uitgestrekte handen, en toch de eerbied en de orde in de gemeente niet verstoor, voorwaar, ik ben aan zo’n voorschrift niet verbonden.”

“Voorwaar, het is een voorschrift van Paulus dat vrouwen hun hoofd behoren te bedekken, en toch zou het tegen de christelijke vrijheid ingaan, wanneer men alle volken en iedere christen persoonlijk zó daaraan wil binden als het niet anders geoorloofd is.”

Deze zinnen vloeien in 1568 uit de pen van Marnix van Sint Aldegonde. Waarom? Nou, in de Nederlandse vluchtelingengemeente te Londen was sinds 1564 grote on­enig­­heid ontstaan over het het gebruik van twee getuigen bij de doop. De nieuwe predi­kant, Godfried van Wingen voerde, met instemming van de kerkenraad, in fe­bru­­ari van dat jaar dit als verplichting in. Met nadruk werd gesteld, dat dit gebruik van ouds in de christelijke kerk in gebruik­ was, niet in strijd is met de Schrift en voor het functioneren van de kerk in Loden noodzakelijk was. Enkele diakenen protes­teer­den hiertegen. Maar de kerkenraad hield voet bij stuk. De zaak escaleerde en diverse pogingen om de vrede te herstellen mislukten. De kern van het kon­flikt draai­de om de vraag: bezitten ambtsdragers het gezag en de autori­teit om bindende besluiten te nemen waar alle gemeenteleden zich verplicht aan moeten houden?

Marnix Aldegonde portret 2Om aan de ‘Wingense Twisten’ (zoals het inmiddels heette) een einde te maken, gaf de Londense kerkenraad in maart 1568 een brochure uit met 27 stellingen over de christelijke vrijheid en over het gezag en de bevoegdheid van de kerkenraad om bindende voorschriften op te leggen aan de gemeente. Kort samengevat komt het hier op neer: een kerkenraad in het belang van de gemeente regels en voorschriften op te stellen. Als die niet tegen de Bijbel in gaan, moeten gemeenteleden zich daaraan onderwerpen. Deze taak hebben zij van Christus ontvangen, net zoals de overheid van God de bevoegdheid ontvangen heeft om wetten te maken en te handhaven die goed zijn voor de burgers van het land.

De kerkenraad stuurde deze brochure ter goedkeuring naar verschillende kerken, waaronder Geneve, Heidelberg en Emden. Marnix van St. Aldegonde woonde in die periode vlak bij Emden. Hij heeft in twee uitgebreide brieven gereageerd op de 27 stellingen van de kerkenraad van Londen, waarschijnlijk in opdracht van de kerkeraad van Emden. Het oordeel van Marnix over de 27 stellingen is vernietigend. Maar zeven ervan kunnen de toets van de kritiek doorstaan als je ze naast de Bijbel legt. Dat komt, aldus Marnix, omdat de kerkenraad van Londen op twee punten behoorlijk de mist in gaat.

1/ De taak en de bevoegdheid van ambtsdragers

Marnix is het absoluut niet eens met het standpunt dat een kerkenraad allerlei regels bindend op mag leggen aan de gemeente. De enige taak die ambtsdragers hebben is, ervoor te zorgen dat iedereen in de gemeente zich aan Gods wet houdt. Daarbij moeten ze met wijsheid en onderscheidingsvermo­gen rekening houden met de situatie van het moment. Want het gezag van de kerkenraad is niet hetzelfde als het gezag van de overheid. Dat blijkt wel, zegt Marnix, uit hoe Petrus heel anders over de positie van de oudsten als hoeders van de kerk spreekt (1 Pt. 5:2-3) dan over de positie van de overheid (1 Pt. 2:13-17). De overheid moet je gehoorzamen in alle besluiten die niet tegen Gods Woord ingaan. Een kerkenraad moet je gehoorzamen in alle besluiten die rechtstreeks uit Gods Woord voortvloeien of voor de orde en de rust in de gemeente nodig zijn. Alleen in dat laatste geval is het gezag van de ambtsdragers ge­lijk aan het gezag van Christus. Marnix verwijst daarbij naar de woorden van Paulus: ‘Ik geef u het volgende gebod, nee, niet ik, maar de Heer’ (1 Kor. 7:10). Maar in zaken die de ambtsdragers niet direkt uit hoofde van hun ambt of uit Gods mond aan de gemeente voorhouden, mogen zij wel advies geven, maar niet gebieden. Anders maken ze misbruik van het gezag van Christus. Dat verbiedt Paulus bij eigen menin­gen. Hij maakt duidelijk onderscheid, als hij zegt: ‘Ik heb geen voorschrift van de Heer, maar geef mijn eigen mening, als iemand die ook de Geest van God bezit’ (1 Kor. 7:25+40).

2/ Het karakter van kerkelijke regels

Volgens Marnix mag een kerkenraad nooit bindende voorschriften aan de gemeente opleggen in zaken die niet direkt uit Gods Woord hun ambt voortvloeien, want dan gaat men heersen over de gewetens van de gelovigen. Marnix wijst op de gebruiken van de oude kerk, zoals olie in de doop, water in de avond­­maals­wijn, afbeeldingen van het kruis en feest- en vastendagen. Al die zaken kwamen op uit een te res­pek­teren verlangen naar een goede orde in Gods gemeente en dienden tot opbouw van het geloof. Maar toen het een gebod werd en de kerk gehoorzaamheid eiste, werd het een tirannie over de gewetens.

Hoe moet je dan wel met kerkelijke regels omgaan? Nou, zegt Marnix voortdurend:

Blijf altijd kijken naar het doel van een bepaling. Als je de bedoeling daarvan kunt nakomen zonder je aan de letter daarvan te hoeven houden, mag niemand zo’n regel bindend opleggen. Anders wordt de christelijke vrijheid beperkt door menselijke voorschriften.

Marnix staaft zijn gevoelen over de christelijke vrijheid met de volgende teksten: Hand. 15:10+28, heel Rom. 14, 1 Kor. 7:23, 1 Kor. 8, Gal. 3:25, Gal. 4:9-10 en Kol. 2:15-23.

Hij noemt ook de voorschriften van Paulus dat mannen moeten bidden met opgeheven handen (1 Tim. 2:8) en onbedekt hoofd (1 Kor. 11:4) en dat vrouwen zelfs altijd hun hoofd behoren te bedekken (‘een macht op hun hoofd’ = ‘een decksel het welcke beduydt dat sy onder eens anders macht is’ aldus de Deux-Aes-Bijbel uit 1562 n.a.v. 1 Kor. 11:10). Maar het gaat tegen de christelijke vrijheid in om deze regels bindend voor te schrijven aan alle christenen.

Verder haalt Marnix de uitspraken van het apostelconvent van Jeruzalem uit Handelingen 15 aan. Daar werd besloten dat niet-joodse christenen zich moesten onthouden van het eten van vlees waar het bloed nog in zat en wat aan de afgoden gewijd was. Toch was dat geen bindend voorschrift waar alle christenen zich tot in lengte van jaren aan moesten houden. Het werd slechts voor een bepaalde tijd ingesteld om samen de liefde en de eenheid te onderhouden en om ergernis te voorkomen.

Als het om praktische zaken gaat, geldt hetzelfde. Dan moet je je aan de gezamenlijke afspraken houden. Bijvoorbeeld als het gaat over de manier waarop de sakramenten bediend worden. Als de kerkenraad besluit om het avondmaal aan tafel te vieren, mag ik dat niet ergens in een hoekje van de kerk op eigen gelegenheid doen, zegt Marnix. Maar dat is dan niet omdat dit besluit mijn geweten bindt (“want by God en gheldt niet oft ik stae oft zitte”), maar omdat het doel van deze bepaling duidelijk is, namelijk dat het avondmaal ordelijk en tot Gods eer gevierd wordt.

Ook laat Marnix zien, dat men over die dingen, die naar hun aard noch goed, noch slecht zijn, van mening kan verschillen. Het hangt dan van de omstandigheden af welke beslissing je neem. Paulus was bereid om Timoteüs te besnijden, maar bij Titus wilde hij het beslist niet, omdat het toen als principekwestie aan alle gelovigen werd opgedrongen.

Marnix Aldegonde Repos Ailleurs
Marnix is verder heel scherp in zijn analyse als het gaat om de vraag wie de oorzaak is van de grote onenigheid in de kerkelijke gemeente van Londen. Dat zijn niet de gemeenteleden die protesteren tegen het verplichte gebruik van doopgetuigen. Nee, dat is de kerkenraad zelf! Die kent zichzelf ten onrechte de macht en de bevoegdheid toe om buiten Gods Woord om bindende regels op te leggen aan heel de gemeente. Daarmee zijn ze heersers geworden over Gods kudde in plaats van hoeders die in zachtmoedigheid en nederigheid de schapen weiden. Oftewel: de schuld van de onenigheid ligt bij niet bij die kerkleden die van hun christelijke vrijheid gebruik willen maken, maar bij de ambtsdragers die vanwege hun positie met gezag andere mensen willen binden in vrije zaken.

Het argument dat je als christen rekening moet houden met andermans overtuiging en geen aanstoot of ergernis mag geven, gaat hier niet op. Want, zegt Marnix, ik doe geen beroep op de christelijke vrijheid tegenover zwakke medechristenen, maar tegenover een instantie die heel de gemeente een onschriftuurlijk juk op wil leggen. Omdat zoiets in Gods gemeente niet geoorloofd is, ben ik wel verplicht om daar openlijk tegen te protesteren.

Marnix’ drijfveer: de regel der liefde

Aan het begin van zijn eerste brief geeft Marnix al aan, wat zijn belangrijkste motief is om te reageren op de stellingen van de kerkenraad van Londen. Hij heeft gehoord dat de grote onenigheid die in Londen ontstaan is, veroorzaakt werd door een zeer kleine, lichte en bijna lachwekkende oorzaak. Hij vindt het verschrikkelijk dat christenen Gods heilzame Woord en de waarheid van zijn Zoon Jezus Christus zo schandelijk misbruiken en verdraaien om hun eigen gelijk te halen, elkaar in de haren te vliegen, zonder in christelijke liefde elkaar ook maar enigszins tegemoet te willen komen omdat ze onbuigzaam vasthouden aan wat ze zich als de enige waarheid in het hoofd gehaald hebben. Maar als je je echt wilt laten leiden en sturen door Gods Woord, vraagt Marnix zich af, waarom zie je dan niet, dat daarin de liefde, de eenheid en de vrede het eerste en het laatste is, wat ons door Christus wordt opgelegd? Dat is de manier, waarop we in de gemeente met elkaar om moeten gaan. Dan plaatsen we elkaar niet meteen buiten Christus en zeggen we niet dat iemand van het ware geloof is afgevallen als hij het niet in alles met ons eens is. Als christen mag je blijven staan in de vrijheid die Christus met zijn bloed voor hem of haar verworven heeft.

Christelijke vrijheid vandaag

Uit dit hele verhaal heb ik twee dingen geleerd.

calvijn-portret-nlHet eerste is niet zo belangrijk, maar wel opvallend. Blijkbaar werd er in de tijd van Calvijn al zeer verschillend gedacht werd over de reikwijdte van “de ordeninghe, van Paulo voorgehouden, dat de vrouwen sullen met bedecten hoofde ghaen”, zoals Marnix het uitdrukt, die in bevindelijke kringen samen met Jean Taffin als één van de voorlopers van de Nadere Reformatie wordt gezien. Als iemand als Marnix in 1568 al de conclusie trekt dat het tegen de christelijke vrijheid ingaat om alle volken en iedere gelovige persoonlijk dit bindend op te leggen, zou dat kerkenraden in 2017 erg voorzichtig moeten maken om op grond van één exegese bindend voor te schrijven hoe men in de zondagse eredienst gekleed moet gaan en daar zelfs de sanctie van afhouding van het Heilig Avondmaal aan te verbinden.

Veel belangrijker vind ik een andere les. Die hou ik me, sinds ik op dit onderwerp afstudeerde in 1990/1991, altijd voor ogen. Namelijk: wat is het doel van elke regel of afspraak die je tegenkomt in de Bijbel en in de kerk? Kun je het doel ervan nakomen zonder je aan de letter van dat voorschrift te houden? Dan mogen we elkaar aan zulke uitspraken niet binden, maar moeten we elkaar de ruimte geven om elk op onze eigen manier naar eer en geweten invulling te geven aan het principe dat achter zo’n bijbelse of kerkelijke uitspraak ligt.

Marnix van Sint Aldegonde voerde bijna 450 jaar geleden een hartstochtelijk pleidooi voor de christelijke vrijheid. Vandaag is het nog net zo actueel als toen.

Wie belangstelling heeft in een uitvoerige beschrijving van de adviezen van Marnix van Sint Aldegonde n.a.v. de Wingense Twisten, kan een kopie van dat hoofdstuk uit mijn scriptie aanvragen via ernstleeftink@xs4all.nl

 

Een UITSTAPJE naar de BERGEN

Over christen-zijn en gemeente-zijn in Oostenrijk

Sankt Wolfgang im SalzkammergutAl een aantal jaren organiseert de kleine Evangelisch-Reformierte Kirche van Neuhofen a/d Krems in de maand juni een ‘Gemeindeausflug’ naar de Wolfgangsee, zo’n  100 kilometer verderop. Een heel verschil, want Neuhofen ligt dicht bij de stad Linz in het heuvelachtige deel van Oostenrijk en St. Wolfgang ligt dicht bij Salzburg in de Alpen. Daar genieten de gemeenteleden van het meer, de bergen en, als het mee zit, het goede weer. Op zondag komt men dan samen in de kleine Evangelische Kirche van Sankt Wolfgang. Vaak zijn er ook enkele leden van de plaatselijke kerk aanwezig en meestal ook enig gasten uit Nederland.

Sankt Wolfgang Evangelische PfarrkircheDit jaar vond het gemeente-uitstapje plaatst in het weekend van zondag 10 juni. In de kerkdienst werd een preek van prof. dr. Bernard Kaiser over Romeinen 11:33-36 (link) gehouden: over de diepte van Gods rijkdom, wijsheid en kennis, want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Dat geldt voor God als Schepper. Dat zie je bv. in de schoonheid van de bergen en dalen rondom de Wolfgangsee. Maar ook als je naar de mensen kijkt: wij zijn niet als robot, maar als beeld van God gemaakt. Alle eer gaat ook naar God uit omdat Hij onze Verlosser is. Dat Hij zijn Zoon Jezus Christus als middel tot verzoening is een staaltje van rijkdom en wijsheid waar mensen uit zichzelf niet bij kunnen, zo diep gaat dat. Alleen door het geloof kunnen we zo’n onverwacht geschenk aanvaarden. Dan erkennen we ook dat we als mensen onder God staan en dat Hij geen verantwoording aan ons schuldig is. Luther zei al, dat we God niet in alles hoeven te kennen om ons toch in vertrouwen aan Hem te kunnen overgeven, omdat Hij ons in Christus tegemoet komt als een genadige en vergevende God.

Neuhofen - Gemeindeausflus 2017Na de kerkdienst volgde de gemeentepicknick aan het meer. Met mooie ontmoetingen en fijne gesprekken. Het is altijd goed om elkaar in een andere setting te ontmoeten, samen met de aanwezige gasten. Zeker voor een zo kleine gemeente als die van Neuhofen.

Volgend jaar, zo de HERE wil, reist de gemeente in juni weer af naar St. Wolfgang im Salzkammergut, want goede gewoontes moet je koesteren. De vaste preeklezer in Neuhofen, broeder Alessandro Brunal, had nog wel een wens: “Es wäre schön, wenn nächstes Mal ein Pfarrer aus Holland dabei sein könnte.” Dus wie zich geroepen voelt, mag zich melden!

Niet alleen in Neuhofen, maar in alle vijf de Evangelisch-Reformierte Kirchen stellen de gemeenteleden het erg op prijs wanneer medechristenen uit Nederland tijdens de vakantie de kerkdiensten bezoeken.

De SSRO (Stichting Steun Reformatie Oostenrijk) ondersteunt een aantal kleine gereformeerde kerken in Oostenrijk en Zwitserland – de ERKWB. Door activiteiten zoals bijbelcursussen, internetuitzendingen, vrouwenkringen en kinderclubs brengt men het evangelie verder in een sterk geseculariseerde omgeving. In de afgelopen jaren mochten de meeste gemeenten nieuwe leden verwelkomen. Kijk voor meer informatie op: www.ssro.nl en www.reformiert.at en www.erkwb.ch. Volg de SSRO op Facebook (SSRO.NL) of op Twitter (SSROnl). Giften zijn welkom op NL27 INGB 0000 0656 88 t.n.v. SSRO – Hasselt.

HART van HOMO’s spant zich in voor een veilige plek voor homo’s

In 2016 werd Hart van Homo’s opgericht. Ze kwamen meteen in het nieuws, omdat ze als christelijke organisatie zich richten op christelijke jongeren die tot de ontdekking komen dat ze homo zijn.  Die groeien vaak op in een omgeving die vanuit de Bijbel geen ruimte ziet Hart van Homo 1voor een homoseksuele relatie en veel van deze jongeren willen daar ook zelf voor kiezen of overwegen serieus om op deze manier in het leven te staan. Hart van Homo’s wil deze jongeren helpen om te groeien in geloof, om zichzelf te leren accepteren zoals ze zijn, om in hun omgeving ruimte en begrip te ervaren voor wie ze zijn, om beter te leren omgaan met hun homo-zijn en om eigen keuzes te maken vanuit hun relatie met God. Maar omdat Hart van Homo’s zelf als standpunt heeft, dat het aangaan van een homo-relatie vanuit Gods bedoeling met de mens niet de eerste optie is die Hij in de Bijbel zijn kinderen voorhoudt, sprong de hele seculiere politiek boven op minister Jet Bussemaker, omdat zij een subsidie had verstrekt aan Hart van Homo’s juist om het thema ‘homoseksualiteit’ in orthodox-christelijke kring bespreekbaar te maken. Dus ging de subsidie niet door, omdat er volgens seculier Nederland maar “één canoniek goedgekeurde visie” op homoseksualiteit bestaat (aldus Ruard Ganzevoort).

Hart van Homo’s vroeg of ik een aanbeveling wilde schrijven op hun website. Daar was ik meteen toe bereid. Sinds vorige week staat ‘ie erop. Dus plaats ik ‘m ook op m’n weblog. Hier komt ‘ie!

Hart van Homo 2In elke kerkelijke gemeente zitten homo’s. Maar biedt elke kerkelijke gemeente ook een veilige plek aan homo’s? Dat heeft veel te maken met de houding van de individuele leden van de gemeente. Te vaak hebben zij wel een standpunt over homoseksualiteit, maar kennen ze geen medechristenen die homo zijn. Datzelfde geldt voor de kerkelijke gemeente als geheel. Te vaak wordt er op grond van de Bijbel een algemeen oordeel uitgesproken zonder dat het echt tot een pastoraal gesprek gekomen is met broeders en zusters die homo zijn.

Als predikant van GKV ‘Het Noorderlicht’ in Assen-Peelo maakte ik de afgelopen jaren deel uit van een kerkenraad die zich intensief beziggehouden heeft met de vragen die er zijn rondom homoseksualiteit. Belangrijk uitgangspunt daarbij was dat we in liefde met elkaar zouden spreken en met respect naar elkaar zouden luisteren, ook wanneer we het niet op voorhand in alles met elkaar eens zouden zijn. Alleen zo ontstaat er ruimte om samen de wijsheid en leiding van God te zoeken.

Recht doen aan de Schrift
Bewust hebben we als kerkenraad niet voor de gemakkelijkste weg gekozen. ‘Gemakkelijk’ was het geweest als wij homoseksualiteit als een gelijkwaardige en legitieme variant in Gods schepping zouden beschouwen. Daarmee zouden we echter geen recht doen aan het gegeven dat homoseksualiteit in de Bijbel nergens in positieve zin ter sprake komt en dat homoseksuele relaties in de Bijbel nergens worden gelegitimeerd. God zelf heeft bepaald dat seksuele gemeenschap voorbehouden is aan de huwelijksrelatie tussen één man en één vrouw (Gen. 2:24).

We hadden ook kunnen zeggen dat er op bijbelse gronden voor samenwonende homoseksuele christenen geen enkele plaats is binnen onze gemeente. Maar ook daarmee zouden we geen recht doen aan wat de Schrift ons voorhoudt. In geen geval, zo is onze overtuiging, mogen broers en zussen met een homoseksuele geaardheid zich in de kou voelen staan binnen de gemeente van Christus. Opname en acceptatie binnen de geloofsgemeenschap kan helpen voorkomen dat zij door eenzaamheid en isolement tot wanhoop gedreven worden en/of van de gemeenschap met Christus worden afgedreven.

Verlegenheid en spanning
Door te luisteren naar elkaar en naar wat (ervarings-)deskundigen hebben ingebracht, maar vooral ook door te luisteren naar de Bijbel als het gezaghebbende Woord van God, hebben we elkaar kunnen vinden in een beleid waarbij we zowel aan Gods heiligheid als aan Gods barmhartigheid recht proberen te doen. Daarbij erkennen we dat er in onze benadering een zekere verlegenheid en spanning blijft zitten. Juist hier beseffen we dat ons kennen tekort schiet en ons inzicht beperkt is (1 Kor. 13:9).

De manier waarop we de hele thematiek van homoseksualiteit benaderd hebben, sluit aan bij de grondhouding van Hart van Homo’s. Anderen zullen die mogelijk op een andere manier uitwerken dan wij gedaan hebben. Waar het om gaat, is dat we recht doen aan Gods Woord én aan de homoseksuele broeder of zuster. Hart van Homo’s wil dat, vandaar mijn hartelijke aanbeveling!

 

GEEN VRIJBLIJVENDHEID BIJ KEUS VOOR OF TEGEN ORGAANDONATIE

“Wie zelf niet de moeite neemt om te laten weten of ‘ie wel of geen donor wil zijn, moet onderaan de wachtlijst voor orgaandonatie komen te staan.” Dat was de mening van de meeste jongeren van 17/18 jaar vorige week op catechisatie toen we het over orgaandonatie hadden.

Orgaandonatie hartjeAan het eind van die week stond in het Nederlands Dagblad een artikel van twee christenen, de theoloog Gijsbert van den Brink en IC-arts Ben de Jong. Zij vinden dat het huidige registratiesysteem vanwege te grote vrijblijvendheid niet effectief. Het leidt niet tot meer donoren en kost jaarlijks onnodig mensenlevens. “Een wetswijziging naar een actief donorregistratiesysteem is dan ook wat ons rest.” Die wet komt er, als het aan de Tweede Kamer ligt, want daar is een nieuw ‘actief donorregistratiesysteem (ARD) dat in  met een krappe meerderheid  aangenomen. De drie christelijke partijen stemden tegen deze wet op de orgaandonatie. Ze hebben daar, net als andere tegenstanders, vier belangrijke argumenten voor, nl.: 1) De nieuwe wet leidt tot keuzedwang. 2) De nieuwe wet is een inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht. 3) De nieuwe wet levert niet meer donoren op. 4) Binnen het huidige systeem valt nog veel winst te behalen om mensen te motiveren orgaandonor te worden. Die bezwaren worden kort maar krachtig als mythe ontzenuwd (klik hier).

“Ik was hartpatiënt en jullie hebben Mij bewust op een lange wachtlijst laten staan.”

Een paar dagen later reageerde de directeur van de Nederlandse Patïenten-Vereniging, Esmé Wiegman met een artikel in het Nederlands Dagblad. Zij blijft “stevige kanttekeningen plaatsen bij de verandering van het donorregistratiesysteem.” Vervolgens gaat ze de vier punten van Van den Brink en de Jong bij langs (klik hier).

NPV logo nieuwDe vier tegenargumenten van de directeur van Nederlandse Patiëntenverening vind ik ronduit zwak (hieronder voor de liefhebber een overzicht). Maar dat vind ik niet het ergste. Het valt me vooral zwaar tegen dat de NPV publiek stelling neemt tegen dit nieuwe donorregistratiesysteem. In haar logo staat dat de NPV gericht is op ‘zorg voor het leven’. Op de website wordt als eerste vermeld: “Het leven is een gave van de Schepper zelf. Dat leven is kostbaar en verdient bescherming; van het allerprilste begin tot aan het einde. De NPV komt op voor het mensenleven. Voor leven dat kwetsbaar is en broos, voor ieder mens, in welke levensfase dan ook.”

Als het om orgaandonatie aankomt, neemt de NPV het niet voor de volle 100% op voor het leven van kwetsbare en broze patiënten waarvan jaarlijks 10% overlijdt terwijl ze op een wachtlijst staan. Ze neemt, net als de christelijke partijen in de Tweede Kamer, genoegen met een vrijblijvende oproep tot naastenliefde. Wat het effect van die vrijblijvendheid is, weten we al jaren: slechts 40% van de bevolking laat zich registreren, terwijl 90% van de bevolking graag een orgaan zou ontvangen. Het is een zwaktebod dat een christelijke organisaties als de NPV en politieke partijen als het CDA, de ChristenUnie en de SGP zich achter termen als ‘inbreuk op de integriteit’ en ‘naastenliefde mag je niet afdwingen’ blijven verschuilen. Daarmee houden ze bewust laksheid en ongeïnteresseerdheid in stand.

Orgaandonatie ja of neeDe jongeren van 17/18 jaar hadden dit haarscherp in de gaten. Zij en hun ouders waren bijna allemaal vóór orgaandonatie. Maar lang niet iedereen had zich laten registeren. De enkeling die geen donor wou zijn vond het prima zo: als je niks liet weten, zou er ook niks met je organen gebeuren na je dood. Ondertussen vonden de jongeren het wel wat hypocriet om een orgaan te ontvangen als je zelf nooit de moeite had genomen om aan te geven of je donor zou willen zijn. Vandaar dus dat de meesten vonden dat wie zich niet geregistreerd had, onder aan de wachtlijst moest komen te staan. Ik hou van de radicaliteit van jongeren!

Naastenliefde voor mensen in grote nood is namelijk niet vrijblijvend. Als we dat wel in stand houden, zou het wel eens kunnen zijn dat Jezus bij zijn terugkomst aan ons vraagt: ‘Ik was hartpatiënt en jullie hebben Mij bewust op een lange wachtlijst gezet.’ Dus denk ik dat de overheid, nu het toestemmingssysteem na 40 jaren nog steeds faalt, alle burgers mag vragen om zonder enige dwang of inbreuk (JA of NEE is allebei geoorloofd) aan te geven wat men wil: wel of geen donor zijn. Wie de moeite niet neemt om dit kenbaar te maken, heeft blijkbaar geen overtuigende bezwaren. Wie blijft zwijgen, stemt toe. Hopelijk laten de christelijke partijen in de Eerste Kamer zich niet leiden door het moderne zelfbeschikkingsrecht, maar door levensreddende naastenliefde.

Eerder schreef ik over orgaandonatie de volgende blogs: Orgaandonatie: wie niet reageert wordt donor (7 juni 2016); Orgaandonatie: zet de politiek na 20 jaar eindelijk een stap voorwaarts? (6 september 2016); Registratie orgaandonatie in de lift (8 oktober 2016)

 

In haar reaktie op de vier punten van Van den Brink / De Jong noemt de directeur van de NPV drie keer dat de overheid geen morele keuzes aan mensen moet opdringen. Daarbij gaat ze er aan voorbij dat die keuze ook nu al gevraagd wordt aan de nabestaanden als een overleden persoon zich niet geregistreerd heeft (punt 1 en 2). Er is dus geen sprake van ‘dwang’ of ‘inbreuk op lichamelijke integriteit’. Het argument dat als er vóór iemands overlijden “meer in familieverband over gesproken wordt” en dat je ná iemands overlijden moet werken aan een “context van rust en ruimte om in de geest van de overledene te kunnen nadenken, zonder druk van buitenaf” laten precies zien waarom dit veel te vrijblijvend is. Het eerste gebeurt namelijk onvoldoende (zeiden ook mijn catechisanten) en het laatste komt soms voor, maar veel vaker niet (“Als iemand plotseling overlijdt, heb je wel wat anders aan je hoofd als familie,” zeiden mijn catechisanten. Als iemand zelf tijdens zijn leven zijn keus gemaakt heeft, is het toch veel duidelijker? En als iemand weet dat wie zich bewust niet registreert geen principiële bezwaren heeft tegen het doneren van zijn of haar organen heeft, voorkomt dat toch juist onnodige, vaak emotionele discussies bij nabestaanden? Het argument dat een donatie altijd een vrijwillige gift moet zijn (punt 4) is ook uiterst zwak. In alle vrijheid mag elke Nederlander bepalen of hij of zij orgaandonor wil worden. Het enige wat de overheid zegt is: de nood is hoog, met meer donoren kunnen we levens redden, dus maak een keus! Dat gaat niet tegen Gods geboden in (integendeel denk ik persoonlijk), dus waarom zou je laskheid en vrijblijvendheid bewust in stand houden? Tenslotte de aantallen: Esmé Wiegman zegt dat er door de nieuwe wet juist meer mensen zich niet laten registreren. In de donorweek van oktober 2016 lieten bijna 5.500 nieuwe mensen een ‘ja’ noteren en bijna 26.500 nieuwe mensen een ‘nee’ en dus was de conclusie van de directeur van NPV eentje van: ‘Zie je wel? Verplichte registratie pakt negatief uit!’ Dat is een dubbel non-argument. Punt 1: registreren is niet verplicht. Punt 2: het gaat er om dat iedereen ‘JA’ moet invullen. Het gaat erom dat iedereen bewust een keus maakt.  Op 31 augustus 2016 hadden 5,9 miljoen Nederlanders dat gedaan op http://www.donorregister.nl. Op 30 april waren dat er 6,1 miljoen. Dat is een toename van 200.000. Het aantal mensen dat ‘ja’ heeft ingevuld, is met zo’n 50.000 gestegen naar 3,66 miljoen. Het aantal mensen dat een ‘nee’ liet registreren, steeg met zo’n 190.000 naar 1,72 miljoen. Alleen al het idee dat er straks een actief donorregistratiesysteem komt, zorgt dus al voor een flinke stijging van het aantal Nederlands dat zich laat registreren. Dat is volgens mij precies de bedoeling. Beter eerlijk ‘NEE’ dan de zaak op z’n beloop laten.

Een droom over Jezus die onschuldig is

Dromen zijn bedrog. Geldt dat ook voor de droom die de vrouw van Pilatus kreeg? Pilatus is ’s morgens vroeg uit bed getrommeld omdat Jezus is opgepakt. Tijdens het verhoor krijgt hij een bericht van zijn vrouw: ‘Pilatus, wees voorzichtig! Bemoei je niet met die man! Ik heb over hem gedroomd. Hij is onschuldig! Dus trek je handen van Hem af. Ik ben bang voor de gevolgen.’ Claudia Procula 1

Met haar droom heeft de vrouw van Pilatus een plek in de Bijbel gekregen (Mat. 27:19). In de oude christelijke kerk wist men zelfs hoe ze heette: Claudia Procula. En men vertelde er ook bij, dat ze, net als Cornelius uit Handelingen, sympathiek stond tegenover het joodse volk. In het apokriefe ‘Evangelie van Nikodemus’ staat, dat Pilatus een boodschap kreeg van zijn vrouw en dat hij dan alle joden bij zich roept en tegen hen zegt: “Jullie weten dat mijn vrouw godvrezend is en in vele opzichten net als jullie als een jood leeft. Zij heeft me zonet een bericht gestuurd: ‘Bemoei je niet met deze rechtvaardige man; want ik heb vannacht veel om hem geleden.’” Maar, staat er dan, de joden antwoorden Pilatus: Hebben we u niet gezegd dat die Jezus een tovenaar is? Hij heeft een droom naar uw vrouw gestuurd.” Of dit verhaal op werkelijkheid berust, weten we niet. De grieks-orthodoxe kerk vertelt dat Claudia een gelovige christen is geworden en heeft haar heilig verklaard. De dag van 27 oktober is aan haar gewijd.

Hoe je hier verder ook denkt, uiteindelijk heeft haar droom Pilatus niet weten te overtuigen. Hij kiest uiteindelijk eieren voor z’n geld. Daar zit iets typisch menselijks in. Mensen zijn voor de kleinere gevolgen van nu vaak banger dan voor de grotere gevolgen in de verre toekomst. Want nu kun je eruit liggen, voor de bijl gaan of alleen komen te staan als je niet de goede keus maakt voor de mensen. Maar de keus voor God? Ach, daar zie je nu het effekt niet van.

Claudia Procula 2De droom van Claudia is ook een verzoeking voor Jezus Zelf. Hij hoeft er maar op in te spelen om zijn kansen te vergroten dat Hij het er levend afbrengt. Maar Hij grijpt deze laatste strohalm niet, omdat het de duivel is die Hem deze reddingsboei toegooit. Hij heeft de goddelijke boodschap die uit de droom spreekt goed begrepen: ‘Ik moet verder gaan op de lijdensweg. Als rechtvaardig Mens voor zondige mensen. Niet voor Mijzelf, maar voor al Gods kinderen.’ Zo is Jezus trouw gebleven aan zijn missie. Ik kan Hem er niet genoeg dankbaar voor zijn.

Tenslotte: Claudia, de vrouw van Pilatus, lijkt in alles typisch op haar man. Beiden willen ze zich niet branden aan Jezus. Als Jezus tegen Pilatus zegt dat Hij gekomen is om de waarheid over God bekend te maken, reageert Pilatus schouderophalend met de uitspraak: ‘Maar wat is waarheid?’ (Joh. 18:38). Ook Claudia heeft wel sympathie voor Jezus, maar is vooral bang voor de gevolgen. Dus wil ook zijn neutraal blijven. Beiden komen niet tot de erkenning dat Jezus de beloofde Redder van de zonden is, dat Hij de he died for meweg naar God is en de waarheid over het leven bekend maakt. Ze willen beiden Jezus’ leven wel sparen, de één op grond van een vage droom, de ander omdat ‘ie zich over Jezus verwondert (Markus 15:5), maar in Jezus geloven doen ze niet. Ze blijven bewust neutraal. Net als heel veel mensen vandaag. Jezus Zelf biedt ons die optie niet. Hij laat weten: ’Je hebt mijn lijden en sterven echt nodig om van je zondeschuld af te komen. En je hebt mijn Heilige Geest echt nodig om je leven te vernieuwen en met geloof te vullen. Dus durf te kiezen. Ik stierf voor jou, zodat jij voor Mij leeft!’

Over de droom van Claudia is ook een preek met liturgie en PPP beschikbaar. Zoek op  Preken NT onder Matteüs 27:19

 

Christelijk onderwijs heeft al 450 jaar bestaansrecht

Binnen de gereformeerde gezindte bestaat al heel lang de gedachte, dat gezin, kerk en school een onverbrekelijke driehoek vormen. Aan de opvoeding van de kinderen die God ons geeft, wordt vooral op deze drie fronten gewerkt. Het mooiste is, dat die drie fronten niet drie verschillende werelden vormen, maar elkaar steunen. Gelukkig staat deze ‘triangel-gedachte’ niet echt ter diskussie. Toch hoor je steeds vaker, dat gereformeerde ouders niet meer automatisch voor het gereformeerde onderwijs te kiezen. We zijn de vanzelfsprekendheid voorbij. Ook in de samenleving is er steeds minder begrip voor het bijzonder onderwijs. GroenLinks wil alleen nog maar openbare scholen waar de overheid toeziet op strikte neutraliteit als het om religieuze zaken (en dus haar staatsideologie aan alle burgers opdringt). In dit artikel wil ik duidelijk maken dat we met de keus voor bijzonder onderwijs in een traditie van meer dan 400 jaren staan. Sinds de Reformatie hebben de gereformeerde kerken zich sterk gemaakt voor zo goed mogelijk christelijk onderwijs.

Onderwijzen en laten onderwijzen

Als iemand vraagt: “Waarom zijn er naast christelijke scholen ook gereformeerde scholen?”, is mijn antwoord: “Dat heeft alles te maken met de doopbelofte van ouders in de gereformeerde kerken.” Het doopformulier is door Petrus Datheen in 1566 uit het Duits vertaald en meteen in de  gereformeerde kerken ingevoerd. In de derde doopvraag beloven christelijke ouders twee dingen. Allereerst, dat ze zelf  hun kinderen bij het opgroeien zo goed mogelijk zullen onderwijzen in de leer van het Oude en Nieuwe Testament. En in de tweede plaats, dat ze hun kinderen naar vermogen, dat is: zo goed mogelijk zullen laten onderwijzen in de christelijke leer. Ik denk, dat we deze volgorde zo moeten laten staan. Het gezin neemt bij de geloofsopvoeding dus belangrijkste plaats in. Tegelijk hebben we elkaar daarbij nodig. Bij het ‘laten onderwijzen’ mag je in eerste instantie denken aan het kerkelijk onderricht, vooral de catechisaties. Maar vanaf het allereerste begin van de Reformatie hebben de Gereformeerde Kerken het ook belangrijk gevonden, om zorg te dragen voor goed christelijk onderwijs.

Christelijk onderwijs in de kerkorde

De eerste landelijke vergadering van gereformeerde kerken (een synode) werd in 1571 gehouden. Toen was er nog geen godsdienstvrijheid. Drie jaar later was Nederland voor een groot deel van de Spanjaarden bevrijd was. De volgende synode, die van Dordrecht, sprak in 1574 uit dat het van groot belang was om overal christelijke scholen op te richten. Twaalf jaar later wordt dat in de kerkorde vastgelegd en vanaf die tijd, 1586, heeft het tot 1978 in de kerkorde van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) gestaan:

De kerkeraden zullen alom toezien, dat er goede schoolmeesters zijn, die niet alleen de kinderen leren lezen, schrijven, spraken en vrije kunsten, maar ook dezelve in de godzaligheid en in de Catechismus onderwijzen.

In de tijd van de Reformatie tot aan de Franse Tijd (van zeg maar 1570 tot 1800) was de overheid in naam gereformeerd. De Gereformeerde Kerken drongen er in die eeuwen bij de overheid op aan, dat er christelijk onderwijs gegeven werd. In de tijd na de Afscheiding en de Doleantie was de Hervormde Kerk voor een groot deel liberaal en wilde de overheid neutraal zijn. Toen is, van ongeveer 1860 af tot 1920, de schoolstrijd gevoerd: ouders wilden hun kinderen christelijk onderwijs laten volgen, en omdat de overheid dat niet meer kon en wilde garanderen, stichtten ouders eigen christelijke scholen. Rond 1920 leidde dat tot de volkomen gelijkheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Daarbij veranderde ook de taak van de kerken. De Generale Synode van Dordrecht 1893 sprak uit, dat het “de roeping der kerken is, de ouders tot de stichting van zulke scholen aan te sporen, waar ze nog niet zijn.” En in 1923 (dus ruim voor de Vrijmaking) schrijft Joh. Jansen in zijn Korte Verklaring van de Kerkenordening: “De kerken moeten steeds toezien, dat er christelijke scholen zijn en dat er op die scholen inderdaad ook christelijk onderwijs gegeven wordt. Alleen maar, zij dringen deze zaak thans niet bij de overheid, maar bij de ouders aan.” In 1978 werd de kerkorde grondig herzien. Ook artikel 21 was hoognodig aan vervanging toe. Dus kwam in artikel 57 te staan:

De kerkeraden zullen erop toezien, dat de ouders, zoveel zij kunnen, hun kinderen onderwijs laten volgen dat in overeenstemming is met de leer van de kerk, zoals zij dit bij de doop beloofd hebben.

De deputaten die de herziening van de Kerkorde voorbereid hebben, gaven als toelichting: “Dit is art. 21 (oud), gewijzigd. Het zwaartepunt ligt nu bij het toezicht op de ouders. Plaatsing van dit artikel bij de bepaling met betrekking tot de doop ligt daarom voor de hand.” In de nieuwe Kerkorde die sinds 2014 geldig is in onze kerken, zijn doopbelofte en christelijk onderwijs nog steeds nauw met elkaar verbonden. In artikel C47 staat nu:

1. Ouders verplichten zich bij de doop hun kinderen te onderwijzen in de leer van de Schriften en hen op te voeden tot een leven met God. 2. De kerkenraad spoort de ouders aan om voor hun kinderen zoveel mogelijk gebruik te maken van onderwijs dat overeenstemt met de leer van de kerk. 3. De kerken streven naar goede relaties met het gereformeerd en ander christelijk onderwijs.

In hun toelichting kiezen de deputaten die de nieuwe kerkorde opgeteld hebben, er bewust voor “om naast het helpen nakomen van de doopbelofte van de ouders ook het gereformeerd en christelijk onderwijs nadrukkelijk binnen het beeld van de kerken en de ambtsdragers te houden. School, gezin en kerk dienen elkaar te vinden in een driehoek die opkomt voor de grote waarde van christelijk-gereformeerd onderwijs dat kinderen en jongeren vormt en opvoedt voor een leven in Gods dienst.”

Als konklusie uit dit korte historische overzicht mag je dus wel trekken, dat gereformeerde scholen geen vrijgemaakte eigenaardigheid zijn. Altijd al hebben kerk en ouders het samen belangrijk gevonden, dat er christelijk onderwijs was voor de kinderen van het verbond. Logisch, want er moet toch eenheid zijn in geloofsopvoeding tussen gezin, kerk en school?

Waarom gereformeerde scholen?

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen er twee nieuwe soorten christelijke scholen: de gereformeerde (=vrijgemaakte) en de reformatorische. De belangrijkste reden van het ontstaan van gereformeerde en reformatorische scholen ligt volgens mij in de secularisatie van het christelijk onderwijs. Wanneer personeel niet meer achter de bijbelse boodschap staat, niet meer in de kerk komt en kinderen van allerlei afkomst zondermeer toegelaten worden op een christelijke school, is het niet te verwonderen, dat de sfeer op een school dermate verandert, dat gereformeerde ouders  zich afvragen, of ze zo hun kinderen naar vermogen kunnen laten onderwijzen in de christelijke leer. Tegelijk wil ik er wel een kanttekening bij plaatsen. Na de Vrijmaking hebben wij als vrijgemaakten ons sterk gemaakt voor de ‘doorgaande reformatie’. De ‘reformatie van het onderwijs’ (zo werd dat in die tijd echt genoemd!) was daarbij een van de belangrijkste speerpunten. Op zich terecht, vind ik, want juist de christelijke school ligt het dichtst tegen de kerk aan. De oprichting van andere G-organisaties, zoals G.P.V. (één van de twee voorlopers van de ChristenUnie) of het Gereformeerd Gezinsblad (nu Nederlands Dagblad) zijn niet gefundeerd op de doopbelofte die gebaseerd is op Deuteronomium 6:7 en Handelingen 2:39. De keus voor chistelijk onderwijs wel. Maar ook het ‘ethisch konflikt’ heeft in die tijd een belangrijke rol gespeeld. Men kon als ‘vrijgemaakten’ en ‘synodalen’ niet meer met elkaar in één kerk zitten, en dus ook door de week niet meer met elkaar door één deur. Ik denk echt, dat er in de jaren vijftig ook sprake was van een flinke portie onzuivere profileringsdrang bij ons als vrijgemaakten. Vóór 1944 werd er nauwelijks over gedacht om ‘eigen scholen’ te gaan stichten. De Christelijke Gereformeerde Kerken wilden dat toen, en K. Schilder heeft dat in 1929 fel afgekeurd. De ‘School met de Bijbel’ was niet de school van een bepaalde kerk, maar van de gereformeerde gezindte. En A. Janse schreef in 1936, dat er op de lagere school geen kritiek gegeven mocht worden op andere kerken, want “dat is niet des kinds. Dat zou het kind zetten tot rechter in een zaak waar het nog geen beoordelaar mag zijn.” Toch was volgens mij de inhoudelijke keus voor gereformeerd onderwijs uiteindelijk belangrijker. “De kinderen van het verbond, die door God zijn aangenomen als zijn kinderen en die in de kerk hun plaats hebben gekregen, behoren te worden opgevoed in de sfeer van de kerk en behoren te worden onderwezen naar de leer van de kerk. De verbinding tussen gezin, school en kerk is niet veranderd, ook al is de tijd voortgeschreden.” (H. van Leeuwen, ‘Een kostbaar bezit’, cahier 45 uit de serie Woord en Wereld, blz. 63)

Gereformeerd onderwijs vandaag? Jazeker!

En die tijd is hard voortgeschreden! Nederlanders zijn in meerderheid niet-christelijk en gaan massaal voor het eigen genot en de eigen carrière. Steeds luider klinkt ook de roep dat elke vorm van religie en geloofsopvoeding alleen maar achter de voordeur mag plaatsvinden. Aan alle kanten worden wij en onze kinderen daardoor beïnvloed. Hoe verantwoord is het dan om je kinderen naar openbare of meer algemeen dan christelijke scholen te sturen?  Zou het niet eerder zo zijn, dat we extra hard scholen nodig hebben die dezelfde normen en waarden hanteren als in het eigen gezin en in de kerk? Samen met andere christenen die dat ook heel belangrijk vinden? Dan gaat het er niet meer om of iedereen in de jaren vijftig overtuigd was van het nut van de oprichting van gereformeerde scholen. Als ze toen niet gesticht waren, zouden we vandaag zeker zo’n school oprichten. En waarom? Omdat kerkenraden en gereformeerde ouders al vanaf de Reformatie veel belang gehecht hebben voor zo goed mogelijk christelijk onderwijs. Je hebt namelijk bij de doop wel iets aan je kind(eren) iets beloofd!

 

Christen zijn in Nederland – ieder voor zich of ook samen?

‘Jullie zijn het zout in deze wereld. Jullie zijn het licht in deze wereld. Jullie moeten een licht zijn en schijnen voor alle mensen. Dan zien ze de goede dingen die jullie doen. En dan zullen ze jullie hemelse Vader eren.’ Dat zegt Jezus in Matteüs 5:13-16 tegen zijn volgelingen. Maar geldt dit alleen maar voor iedere christen persoonlijk? Of mag je het ook breder trekken en zeggen dat het geldt voor christelijke organisaties en voor de manier waarop we samen kerk zijn in Nederland?

Mij is de afgelopen tijd opgevallen dat veel christenen wat huiverig zijn als het over dat laatste gaat. Meestal om twee redenen. De eerste is: als je als christenen een eigen organisatie opricht, sluit je andere mensen buiten en vind je jezelf beter dan de ander. De tweede is: als christen kun je meer uitstralen naar je medemensen als je samen met hen in algemene organisaties samenwerkt.

Ik snap die tegenstelling niet zo goed. Als je als christen persoonlijk laat zien dat je in heel je manier van leven een voorbeeld aan Jezus neemt, dan mag je dat toch ook samen doen als er meer christenen zijn die op dezelfde manier in het leven staan?

Ik denk dat juist door de manier waarop christenen zich georganiseerd hebben in de samenleving, er een heleboel goede ontwikkelingen tot stand gekomen zijn. Dat begon al in Jeruzalem met de voedselbank voor arme weduwen. In de eerste eeuwen na Christus stonden de christenen in het Romeinse rijk bekend om hun praktische naastenliefde. Daarna hebben rondreizende predikers als Bonifatius en Willibrord en veel monniken ervoor gezorgd dat in Europa niet meer het recht van de sterkste gold (zoals bij de Germanen en de Angelsaksen), maar een door het christendom gestempelde cultuur ontstond waarin weeshuizen, ziekenhuizen, instellingen voor mensen met lichamelijke of verstandelijke beperkingen en opvangtehuizen voor mensen met psychische problemen of verslavingen ontstonden. Op het gebied van het onderwijs zag je hetzelfde – tot in 1800 zag de overheid er op toe dat het openbaar onderwijs een christelijk karakter had, daarna namen christenen zelf hun verantwoordelijkheid door scholen met de Bijbel op te richten en een Vrije Universiteit te stichten.

Waarom vindt een aantal christenen dat niet meer van deze tijd? Alsof je alleen maar individueel christen kunt zijn onze maatschappij. Is het niet zo, dat ons land behoorlijk gestempeld is door de christelijke culturele traditie, zelfs al gelooft meer dan de helft van onze bevolking niet meer in God en Jezus? Is het verkeerd om als christenen een signaal af te geven over waar het in de christelijke traditie echt om gaat (barmhartigheid en de moraal van de Bergrede) tegenover populisten als Geert Wilders en Thierry Baudet en tegen alle rechts-liberalen die daar tegen aan schurken die aldoor roepen dat we onze christelijke cultuur moeten beschermen tegen buitenlanders die de sharia willen invoeren? (Zie het Manifest van Alain Verheij en anderen). Voelen christenen zich moreel beter dan anderen als ze hun kinderen graag een goede basis mee willen geven door in de opvoeding een duidelijke koppeling aan te brengen tussen het gelovige gezin, de christelijke kerk en de gereformeerde school? Gaan christelijke instellingen als De Hoop, Leger des Heils en VBOK exclusief te werk door alleen mede-gelovigen die in diepe nood zitten te helpen? Behartigen de christelijke politieke partijen alleen de belangen van hun gelovige achterban? Wilden omroeporganisaties als KRO en NCRV vroeger en EO vandaag alleen maar zieltjes winnen met hun christelijke programma’s? Oftewel: zijn al die activiteiten schadelijk geweest voor het geloof van christenen en voor het imago van de kerk en is onze samenleving door heel dat christelijke groepsgebeuren er alleen maar slechter van geworden? Volgens mij is de vraag stellen ‘m beantwoorden.

Waar komt de angst dan wel vandaan? Ik denk a) vanuit wat we allemaal in het verleden hebben gezien en gehoord over machtsmisbruik en exclusivisme. Er is ook in christelijke kringen veel mis gegaan. Maar misbruik heft het goede gebruik niet op, heb ik in Kampen van mijn hoogleraar ethiek J. Douma geleerd. Sterker nog: in de Bijbel worden zulke mechanismen van macht en status voortdurend aan de kaak gesteld door God, en laat Jezus zien dat Hij juist níet op handen gedragen wil worden, maar gekomen is om te dienen. Een tweede reden voor de angst om samen als christenen op te trekken is denk ik b) het postmoderne denken waarin elke keus een individuele beslissing wordt die je een ander beslist niet mag opleggen, zelfs niet in de manier waarop je denkt dat we samen het christelijk geloof het beste vorm kunnen geven in het leven van elke dag. Ieder moet dat namelijk op z’n eigen manier mogen invullen. Het gekke is dan trouwens, dat wie voor een herkenbaar christelijke vorm kiest, door veel vrij-denkende mensen opeens argwanend wordt aangekeken om z’n fundamentalistische standpunten. Je mag blijkbaar alleen jezelf zijn zolang de meerderheid van de samenleving dat acceptabel vindt.

Hoe dan ook … ik denk dat het geen oplossing om de invloed van de christelijke cultuur te ontkennen of om christelijke organisaties van hun religieuze veren te ontdoen of om, helemaal radikaal, het christelijk geloof de rug toe te keren. Het is veel beter om persoonlijk én samen terug te keren naar het voorbeeld en de woorden van Jezus Christus. Hij leert mensen om niet voor eigen roem en eer te gaan, maar om het belang van de ander voorop te stellen. Volgens mij is het te kort door de bocht om te zeggen dat dat alleen de taak is van individuele christenen in hun eigen omgeving. Het is ook de opdracht van christenen samen op allerlei terreinen in de maatschappij. Het is ook vandaag nog steeds én – én. Ook al is de volgorde omgekeerd. Tenminste … in de Heidelbergse Catechismus wordt gezegd gezegd dat de kerk een gemeenschap der heiligen is, waar de gelovigen ‘allen samen en ieder persoonlijk’ aan Christus verbonden zijn (Zondag 21:55) en waar Christus aan de gelovigen, ‘allen samen en ieder persoonlijk’ laat verkondigen dat er dankzij Hem vergeving van zonden en eeuwig leven is (Zondag 31:84). Die volgorde paste bij de tijd van de Reformatie: eerst het collectief, dan het individu. Onze postmoderne samenleving heeft die volgorde omgedraaid. Dat is niet erg, als je beide maar blijft zien. We zijn als christenen ieder persoonlijk en allen samen zout en licht – smaakmakers voor de wereld waar we in leven en verspreiders van hoop in onzekere tijden.