Zo rijk als Job – een levensles

Aan het verhaal van Job hebben we drie uitdrukkingen overgehouden:  ‘een jobstijding’, een ‘jobsgeduld’ en ‘zo arm als Job’. Samen karakteriseren ze het leven van Job. Zo lijkt het tenminste. Maar in het verhaal van Job gaat het om iets anders: verlang ik er ook naar om net zo rijk als Job te zijn?

Jobstijdingen

Wie het verhaal van Job kent, weet, dat Job op één en dezelfde dag te maken krijgt met twee terreurakties en twee natuurrampen. Twee roofbendes nemen al het vee en alle kamelen mee en doden al het personeel. Een verwoestende bliksem uit  de hemel zorgt voor een steppebrand waarin alle schapen en geiten + de herders omkomen. En als ergste eindigt het feest waar al Jobs kinderen bij elkaar zijn in een drama, omdat een orkaan het huis totaal verwoest.

Dat zijn dus vier echte jobstijdingen. Op één dag. Stel je je dat eens voor! Zo heeft Job alles, zo heeft hij niets meer. En hij snapt er niets van. Want hij kende niet het verhaal achter het verhaal. Het verhaal van de krachtmeting tussen satan en God. Satan, die God uitdaagt om Job te testen.

Waarom geloven mensen?

Waarom geloven mensen? In het boek Job zegt de duivel: mensen geloven omdat ze door God gezegend willen worden. Of omdat ze bang zijn om in de hel te komen. Geloven is dus eigenbelang. Dat is wat de duivel tegen God zegt. Kijk maar naar Job. Die heeft van U alles gekregen wat zijn hartje begeert. Geen wonder dat hij zo gelovig is.

Zou dat zo zijn? Zou dat, als het er op aan komt, echt zo zijn bij alle mensen? Ja, bij jou en mij? Je gelooft, omdat je iets van God wilt krijgen? Nu – zegen in dit leven. Of straks – als ik maar in de hemel kom? Dan is geloven eigenbelang. En heeft God ongelijk als Hij zegt, dat Job een oprechte en eerlijke gelovige is. Het is opmerkelijk dat God de duivel toestemming geeft om Jobs geloof te testen. Dat lijkt mij een behoorlijk risiko. Hoe weet je nou zeker dat iemands geloof het uithoudt als het heel erg moeilijk wordt? Als je de ene jobstijding na de andere mee moet maken?

Ergens verderop in het boek Job vind je het antwoord. In Job 19 kun je lezen wat Jobs diepste vertrouwen was.  Daar zegt hij: ‘De hand van God heeft mij getroffen, God heeft zich tegen mij gekeerd. Ik schreeuw: “Onrecht!”- maar krijg geen antwoord. Ik roep om hulp – maar vindt geen recht.’ Job kan maar niet begrijpen, waarom dit leed hem moet treffen. Hij snapt helemaal niets van de weg die God met hem gaat. Toch zegt hij dan plotseling: ‘Maar dit weet ik:  mijn Redder, mijn Verlosser leeft en Hij zal tenslotte hier op aarde ingrijpen. Hoezeer mijn huid ook geschonden is, toch zal ik in dit lichaam God aanschouwen. Ik zal Hem aanschouwen, ik zal Hem met eigen ogen zien, ik, geen ander, heel mijn binnenste smacht van verlangen.’ Job verwacht het dus niet eens meer van zijn geloof – want uit eigen kracht kun je zoveel leed niet dragen. Maar hij gaat met al z’n vragen, moeiten, opstandigheid en zelfs verwijten naar God toe. En heeft maar één houvast: een externe Verlosser – God zelf! Hij verwacht uitkomst van de God die hij niet begrijpt! Tenminste … bepaalde dingen begrijpt Job wel, en ook nog beter dan zijn omgeving. Aan het begin bijvoorbeeld. Na de eerste jobstijdingen – dan is Job in mijn ogen zo super gelovig. ‘Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen en naakt zal ik in de schoot van de aarde terugkeren. De HERE heeft gegeven, de HERE heeft genomen, de naam van de HERE zij geprezen.’ 

Hoe kun je dat nou zeggen als je zulke dingen mee hebt gemaakt? Zelf heb ik in mijn leven eigenlijk maar drie jobstijdingen meegemaakt. Allemaal in het rampjaar 1994. Eentje, de eerste, was persoonlijk. In Zeeuws-Vlaanderen, waar we toen woonden, kregen we het bericht dat mijn vader totaal onverwacht overleden was aan een hartstilstand, twee dagen voor z’n 57e. We zouden dat weekend voor zijn verjaardag naar het hoge Noorden, naar Oldehove toe. We kwamen voor zijn begrafenis. Nog geen twee maanden later werd ik als predikant geroepen bij de moord op een vrouw van achter in de 20, die op klaarlichte dag door haar drugsvriend was neergeschoten. Haar ouders waren lid van onze kerk een plaats verderop die geen predikant had. Een echt familie-drama. In de meest besloten familiekring heb ik die begrafenis mogen leiden. En tenslotte, nog een maand later, de zomervakantie was al begonnen, werd ik in nog een andere buurgemeente bij een derde sterfgeval geroepen.  Een jongen van 18 fietste met zijn zus van het strand naar huis en werd door de bliksem dodelijk getroffen. Voor die begrafenis –de eigen predikant kwam er voor terug– hadden de ouders als tekst deze woorden van Job gekozen: ‘De HERE heeft gegeven, de HERE heeft genomen, de naam van de HERE zij geloofd.’ En dat meenden ze echt, ook al wisten ze best wel, dat ze dat niet altijd zo zouden ervaren. Maar op dat moment wél. Net als Job, want daarvan lezen we, dat hij ondanks al die rampspoed niet zondige en God geen enkel verwijt maakte. En ook niet, nadat hij doodziek en vanwege besmettingsgevaar door  alle mensen, inklusief zijn eigen vrouw, in de steek gelaten was. Ook toen zondigde Job ondanks alles niet en sprak hij geen onvertogen woord. In de oudere bijbelvertaling staat: ‘Job zondigde met zijn lippen niet’ – want hij zat wel degelijk vol met vragen, maar hij kon en wilde het niet over zijn hart verkrijgen om God de schuld te geven of de rug toe te keren.

Hoe kan dat? Ook al is het altijd makkelijk praten, want alleen wie ervaringsdeskundige is heeft recht van spreken , toch durf ik er wel wat van te zeggen. Job wist, toen hij alles kwijt raakte, dat alles wat je krijgt op aarde, een kado van God is. Alle dingen die je krijgt, zijn niet van jezelf. Je hebt het van God gekregen. En je hebt het uit genade gekregen. Onverdiend. En dus besefte Job heel goed: wat God geeft, kan Hij ook weer terugnemen. Zonder opgaaf van redenen. Het is bij aardse zegeningen niet zo: eens gegeven blijft gegeven. Wat God wel belooft is dit: vergeving van zonden en eeuwig leven dankzij een Verlosser en Redder die leeft – Jezus Christus. Daarvan geldt bij God: eens beloofd blijft beloofd. En als je dat kunt blijven geloven, ook na zware jobstijdingen, kun je daar ook God om loven en prijzen. Job zegt namelijk: ‘de naam van de HERE zij geprezen / geloofd.’  Job dankte God dus niet voor alle rampspoed. Dat zou pas echt wreed zijn, als je als christen God voor alle ellende die je overkomt moet bedanken. Dat zegt bijvoorbeeld de Heidelbergse Catechismus ook niet als het om tegenspoed gaat. Nee, in tegenspoed geduldig en in voorspoed dankbaar. Waarom? Omdat je voor de toekomst zeker mag weten dat niets je uit Gods hand kan rukken, omdat God van je houdt dankzij de Verlosser en Redder die leeft, Jezus Christus.

God (niet) kunnen verklaren

Als je dat bedenkt, snapt je ook iets beter de tweede reaktie van Job, tegenover zijn vrouw. Die vrouw van Job lijkt op de drie eerste vrienden van Job. Ze redeneren allebei precies omgekeerd, maar het komt eigenlijk op hetzelfde neer wat zij doen. Mevrouw Job zegt: als God zó iets doet, en jij bent zó gelovig – kap er dan maar mee, want dan is God onrechtvaardig. De drie vrienden zeggen: als God zo iets doet, dan heeft Hij daar altijd een reden voor – dus voor de draad ermee, Job, waarin was jij onrechtvaardig? Alle vier hadden ze een redenering. Ze dachten, dat ze God konden narekenen. Mevrouw Job met een negatieve konklusie over God: die moet wel een wrede tiran zijn. De vrienden van Job met een negatieve konklusie over Job: die moet wel verborgen zonden hebben.

Weet je, ik denk dat de HERE God met het hele boek Job ons ook wil laten zien, dat je sommige dingen eenvoudigweg niet verklaren kunt. Job zelf zegt dat bijvoorbeeld heel duidelijk in Job 28. Daar gaat het over de wijsheid. Wijsheid is in het Oosten hetzelfde als de zin van het bestaan kennen. En dus een verklaring kunnen geven voor de gang van het leven. De vrienden van Job dachten dat ze het wel wisten. Die hadden de wijsheid en de waarheid in pacht. Maar in Job 28 zegt Job: ‘De wijsheid is verborgen voor de blik der levenden. Alleen God weet waar de wijsheid verblijft en alleen Hij kent haar wegen.’ En daar heb je het als mens maar mee te doen. In ontzag voor de Heer en door het kwade te mijden, zegt Job erbij.

In heel het boek Job zie je dan ook geen enkele verklaring aan Job zelf van het doel van zijn lijden. Job heeft zelfs niet bij benadering geweten, waarom al deze ellende hem moest overkomen.

Geen antwoord op de waarom-vraag

Daaruit mag je de konklusie trekken, dat we voorzichtig moeten zijn met oorzaak en gevolg. Soms is dat er wel. Als het om straf op de zonde gaat. Denk maar aan David en Batseba, of, in het groot, aan de zondvloed. Of als het gaat om Gods leiding gaat: soms snap je het achteraf, zoals bij Jozef, die later begreep dat God hem alvast vooruit naar Egypte gestuurd had.

Maar bij Job gebeurden alle rampen en ziektes die hem troffen, zonder reden, zegt God zelf tegen de duivel, hebben we gelezen. Dat kan heel veel vragen oproepen. En gevoelens. Ook Job liet horen wat hij er van vond. Onrechtvaardig! Dus vanuit zijn ellende zette hij een grote mond op tegen God. En dat was niet goed. Maar toch zegt God aan het eind tegen de drie eerste vrienden van Job: ‘Mijn dienaar Job heeft juist over Mij gesproken en jullie niet.’ Je kunt je dan afvragen: maar Job is in zijn klachten toch ook erg brutaal richting God. Hij overschrijdt regelmatig de grenzen van de eerbied. Hij roept God ter verantwoording! Maar dat is wat anders, dan dat je God en zijn beleid denkt te kunnen verklaren. Dat hadden de drie vrienden gedaan. Die wisten het antwoord al: God zit goed en Job zit fout. Met al zijn vragen probeerde Job God wel God te laten. Maar zijn vrienden spanden God voor het karretje van hun eigen denkbeelden.

Oftewel: je kunt beter op de goede weg van het geloof struikelen, zoals Job, dan dapper voortmarcheren in de zelfgekozen richting van je eigen verklaringen, zoals de vrienden van Job.

Gods wegen en Gods plan

Na alle jobstijdingen en het hele proces wat hij daarna doormaakt, aanvaardt JOb uiteindelijk dat God ons geen verklaring schuldig is voor de weg die Hij met ons gaat. Later zal God via de profeet Jesaja zeggen: ‘Mijn plannen zijn niet jullie plannen, en jullie wegen zijn niet mijn wegen.’ Maar Gods wegen en plannen komen uiteindelijk wel bij het doel uit: voor altijd bij God zijn. Onderweg overkomt ons goed en kwaad. Allebei, zegt Job, komen uit Gods hand! Dat is best wel een eye-opener voor mij geweest. Weet je waarom? Omdat Job hier eigenlijk zegt: blijf niet hangen in de ellende van vandaag. Bedenk ook, wat God je vroeger allemaal wél gegeven heeft. Het is niet eerlijk tegenover God om zijn zegeningen van gisteren buiten beschouwing te laten. Denk aan de uitdrukking die ik een keer als Visje tegenkwam: ‘Twijfel in het donker nooit aan wat je in het licht gezien hebt.’ Ik vind een mooie spreuk. Vuurtoren Borkum twijfel donker lichtEen tijdje geleden alweer waren Karla en ik “bie diek aan t Oethoester Wad”. Vanaf daar zie je het eiland Borkum met de vuurtoren . ’t Was tegen zonsondergang, dus in de eerste schemering begon de vuurtoren z’n lichtsignalen uit te zenden. Ik probeerde te ontdekken in welk ritme de vuurtoren z’n licht gaf. Want iedere vuurtoren heeft z’n eigen ritme. Na een tijdje kwam ik erachter dat die van Borkum in interval van 4 – 12 heeft. Elke 4e tel en daarna elke 12e tel geeft hij licht. En dan weer bij tel 16 en tel 28. Daar moest ik aan denken bij het levensverhaal van Job. Het is niet altijd licht in ons leven. Soms zelfs veel vaker donker (10 tellen) dan licht (maar twee keer 1 tel). Maar af en toe schijnt het licht wel! Zo is het in het leven van Gods kinderen ook. In de donkerheid schijnt wel het licht van Gods liefde. Dus staar je niet blind op je moeiten. Zelfs als je ze zelf niet meer kunt dragen, is God er nog. Want Hij was er vroeger ook. Toen waren we blij met God. Juichend en lovend trokken we op naar het huis van God – een feestende menigte. Als ik daaraan denk, zingen de Korachieten in Psalm 42+43, word ik weemoedig en verdrietig. Dus vraag ik me af: Waarom vergeet God mij? Waarom ga ik in het zwart, geplaagd door de vijand? Daar snap ik niks van. Waarom zit ik nu in zo’n diep, akelig zwart gat?  En toch, net als bij Job, klinkt er drie keer als refrein: ‘Vestig je hoop op God, mijn ziel. Eens zal ik Hem weer loven, mijn Verlosser en mijn God!’ Kijk, daar heb je alweer die Verlosser! Het zal eens ook weer licht worden! Want God laat jou en mij niet los.

Jaloers op Job

Dat brengt me bij die tweede uitspraak over Job. Je bent zo arm als Job. Nou, dat was natuurlijk ook zo. Job had niets meer. En dat wás niet alleen zo, dat vóelde ook zo. Geen bezit meer – dat was het ergste niet. Geen kinderen meer – dat was heel erg. Geen vrouw en vrienden die hem steunden – integedeel. En met zijn God kon Job ook geen kant meer op. Maar aan de andere kant: je zult toch maar zo rijk als Job zijn! Ik ben vaak jaloers op het geloof van Job. In goede tijden: hij bidt elke dag voor zijn kinderen, hij geeft royaal aan de armen, sluit een verbond met zijn ogen om ook in gedachten niet vreemd te gaan. En in slechte tijden: hij blijft op God vertrouwen, hij durft zijn hoogmoed tegenover de HERE te belijden, hij kan zijn vrienden vergeven en voor hen bidden, terwijl hij zelf nog steeds ziek en arm is.

Zijn geloof maakt Job rijk. Vooral, omdat het in zijn geloof om God Zelf ging. Niet om Gods zegeningen. Niet om een plekje in de hemel. Nee, om God Zelf. Zelfs in zijn diepste depressie vervloekt hij wel de dag van zijn geboorte (‘was ik maar in de moederschoot gestorven’), maar wil hij God niet kwijt. Zo’n geloof, dan ben je rijk. Dat geloof kreeg Job van God. Hij had ook een Redder en Voorspraak nodig, één uit duizenden, zoals Elihu in Job 33 zegt.

Dat geloofde Job zelf ook. Daarom mag Job in zijn levensweg ook een voorbeeld voor ons vandaag zijn. Zo zegt Jakobus dat in zijn kleine briefje. Als het tegen zit, zegt hij: ‘Wees dan geduldig en houd moed, want de Heer zal spoedig komen. (…) U hebt gehoord hoe standvastig Job was, en u weet welke uitkomst de Heer gaf; de Heer is immers liefdevol en barmhartig.’

Dit is mijn verlangen

Je hoeft niet te verlangen naar de rampspoed van Job. Je hoeft ook niet te verlangen naar de miljoenen van Job. Wees liever jaloers op de rijkdom van zijn geloof. Als je dát verlangt, een geloof als dat van Job in voorspoed en tegenspoed, dan woont de wijsheid in je hart. Want dan bouw en vertrouw je op God, die in Christus onze genadige Vader is. Ja, zegt Paulus: ‘Iedereen die op Jezus Christus zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. (…)  want niets zal ons kunnen scheiden van de liefde van God, die Hij ons gegeven heeft in Jezus Christus, onze Heer.’

Advertenties

Avondmaal, Witte Donderdag en de kerkelijke feestdagen

“Doe dit, telkens opnieuw, om Mij te gedenken.”

Lukas is de enige evangelist die deze woorden van Jezus onze Heer vermeld, toen Hij voor het eerst het Avondmaal met de apostelen vierde op de avond voor zijn dood. Van hem heeft ook Paulus het gehoord, en dus haalt Paulus deze woorden van de Heer letterlijk aan als hij de christenen in Korinte opdraagt het Avondmaal te vieren: “Doe dit, telkens opnieuw, om Mij te gedenken.” (Lukas 22:19b / 1 Korintiërs 11:24b)

Hoe doe je dat, Jezus gedenken als je het Avondmaal viert?

Bedenk als eerste, dat onze Heer tijdens het Joodse Pesach aan zijn volgelingen deze opdracht gegeven heeft. Zo maakt Hij duidelijk: Ík ben het Paaslam dat geslacht is. Pesach is het bevrijdingsfeest uit de slavernij van Egypte. Maar het verwijst naar een andere bevrijding: die uit de macht van de zonde. En zoals de Israelieten zichzelf niet konden bevrijden uit de slavernij van Egypte: God moest dat doen, door het bloed van een lam! – zo kan niemand zichzelf bevrijden uit de macht van de zonde: Jezus moet het doen, door zijn dood aan het kruis!

Al Shabi AvondmaalMaar waar denk je dan precies aan, als je aan het Avondmaal je Heer Jezus gedenkt?

  1. Denk aan het Kerstfeest. Bij het Avondmaal staat de geboorte van Jezus centraal. Dan zie je, hoe veel God van zijn wereld en van jou en mij houdt. Jezus daalde neer van zijn troon om mens te zijn. Om zijn leven met ons te delen. Om ons leven over te doen in volmaakte gehoorzaamheid. Denk daar aan.
  2. Kruis Muur AssenDenk aan Goede Vrijdag. Bij het Avondmaal staat de kruisiging van onze Heer centraal. Logisch, zul je zeggen. Maar bedenk ook telkens weer aan, dat de dood van Gods Zoon laat zien hoe diep de zonde in jou en mij zit. Zo diep als Jezus ging – tot in de dood; zo diep zit de zonde ons in het bloed – het leidt tot de dood, lichamelijk en voor de eeuwigheid. Tenzij je gelooft, dat Jezus dat allemaal van ons overgenomen heeft. Dat kostte Hem zijn leven. Denk daar aan.
  3. Denk aan Pasen. Bij het Avondmaal staat de opstanding van Christus centraal. Daar deed Hij het voor: om ons weer terug bij God te brengen. Daar gaat het Hem om: dat ook wij opgewekt voor God leven. Denk daar aan.
  4. Denk aan Hemelvaart. Bij het Avondmaal staat de hemel open. Want daar is Jezus, mens als wij, aan Gods rechterhand. Ook wij mogen nu met vrijmoedigheid naar Gods troon toegaan. Denk daar aan.
  5. Denk aan Pinksteren. Bij het Avondmaal staat de Geest van Christus centraal. Door aan onze Heer te denken, versterkt Hij Zelf ons geloof. Hij bemoedigt ons met kracht in onze ziel. Denk daar aan.
  6. Denk ook aan zijn terugkomst. Bij het Avondmaal hoort ook het verlangen naar de grote dag. Daarom geeft Jezus, onze Heer, ons ook deze opdracht. Zo houden we de moed erin. Straks wordt het perfect. Dan komt Hij terug op de wolken en zullen wij Hem zien zoals Hij werkelijk is. Dan wordt het leven pas echt een feest. Denk daar aan.

Aan het Avondmaal denken we aan Jezus Christus onze Heer door van het brood te eten en van de wijn te drinken. Wees je ervan bewust waarom je dat doet. Wees blij met Kerst, met Goede Vrijdag, met Pasen, met Hemelvaart en met Pinksteren. Laat het zien en kom er voor uit dat Jezus Christus alles voor je is. En durft vooruit te kijken. Vier het Avondmaal tot zijn gedachtenis en totdat Hij komt!

 

Via Ethiopië naar Assen-Peelo

Marije en Lyan.pngOp zondag 9 juli deden twee jonge christenen van 18 en 19 jaar belijdenis van hun geloof. Eén van de twee werd ook gedoopt. In de dienst, met veel Opwekking en twee prachtige persoonlijke getuigenissen, lazen we het verhaal van de eerste niet-jood die tot geloof kwam. Dat verhaal staat in Handelingen 8:26-40. In het boek Handeling zie je, dat vanaf Pinksteren het Evangelie van Jezus Christus in steeds wijdere kringen de wereld over gaat. Dat had Jezus ook gezegd: de Heilige Geest zal jullie kracht geven om mijn getuigen te zijn, van Jeruzalem –> Judea –> Samaria –> de uiteinden van de aarde. Daarom begint het boek Handelingen in Jeruzalem en eindigt het in Rome. Wat daarop volgt is geschiedenis. En die geschiedenis loopt tot vandaag in Assen-Peelo. Maar … de eerste 100% niet-joodse christen in Handelingen die gedoopt wordt is een Afrikaan! Dus kun je zeggen: Het evangelie van Christus is via Ethiopië naar Assen-Peelo gekomen. Drie dingen daarover:

1) De Heilige Geest zet deze Ethiopiër op het spoor van de God van Israel

In het gebied tussen Ethiopië en Soedan in regeerde in de bijbelse tijd een vorstendom met aan het hoofd voornamelijk koninginnen met de titel ‘Kandakè’. Deze Ethiopiër was haar minister van financiën. We weten niet hoe hij in aanraking is gekomen met het geloof van Israel. Wel weten we dat er in die tijd al grote joodse gemeenschappen bestonden in het gebied tussen Egypte en Ethiopië. Hun nakomelingen heten de Falasja’s en zijn begin jaren negentig van de vorige eeuw erkend als een aparte joodse stam. Velen van hen zijn 15 – 20 jaar geleden naar Israel geëmigreerd.

Deze Afrikaan uit Ethiopië heeft een drie-dubbele achterstand.

  • Hij is een afstammeling van Cham en geldt daarom als vervloekt.
  • Hij is gecastreerd. Op een eunuch in die tijd werd net zo neergezien als vaak nog op homofielen vandaag. Ook al is hun positie niet helemaal vergelijkbaar, ze zijn allebei wel ‘gesneden’ (oude vertaling) of ‘onvruchtbaar’ (NBV) om het met de woorden van de Here Jezus uit Mat. 19 te zeggen. Net als een derde kategorie: mensen die niet trouwen omdat ze zich helemaal willen inzetten voor Gods Koninkrijk. Het brengt alledrie evenveel moeite met zich mee. En diskriminatie. Niet voor vol worden aangezien. Maar tegelijk: voor God is geen enkele ongetrouwde te min. Ook een homofiel of een gecastreerde eunuch niet.
  • Als heiden mag de Ethiopiër in de tempel niet verder dan in de buitenste voorhof komen. En omdat hij gecastreerd is, zal hij nooit kunnen toetreden tot het jodendom, ook niet als ‘jodengenoot’.

Toch is er bij de Afrikaan geen reden tot verbittering. De HERE Zelf legt het verlangen in zijn hart om meer van de God van Israel die ook de Schepper van hemel en aarde is, te weten te komen. De HERE Zelf is het, die hem tot aanbidding brengt en ervoor zorgt dat hij blijft geloven en op de terugweg zelfs een boekrol meeneemt. Zo maakt de HERE Zelf de kring steeds wijder en neemt Hij steeds nieuwe mensen op in zijn gemeente. Zo bereidt God de gelovige christenen uit Israel erop voor dat er nog heel veel andere mensen zijn, die Hij ook roept, die Hij ook welkom heet bij zijn volk en met wie Hij uit genade een eeuwig verbond wil sluiten. Want de kerk komt niet in de plaats van Israel. De kerk is het vanaf Pinksteren Israel zoals God het altijd bedoeld heeft. Want bij Gods volk hoort iedereen die in de voetsporen van het geloof van Abraham treedt door te geloven in degene naar wie Abraham uitkeek: Jezus Christus, de Zoon van God.

2) De Heilige Geest zoekt deze Ethiopiër op met de Bijbel

De Here Jezus maakt door een engel aan Filippus duidelijk, dat hij de eenzame weg naar Gaza op moet gaan. De Geest Jezus geeft Filippus de opdracht om die heiden-minister en afstammeling van Cham aan te spreken. De Afrikaan leest in boekrol van Jesaja en Filippus legt hem die woorden uit en vertelt hem over Jezus. Hij begint met de vernedering en het lijden van Christus. Jezus offert zichzelf helemaal op voor anderen. Zo radikaal, dat de vraag opkomt: wat bereikt Hij daarmee? Dat leidt tot indringend zelfonderzoek: erken je dat de zonde zó diep in je zit, dat Jezus daar zó diep voor moest gaan? Eérst erkenning van je diepste ellende – pas dan gaat de verlossing echt glanzen! Ook dat verkondigt Filippus vervolgens. Door het geschreven en gepredikte Woord geeft Jezus Christus Zichzelf en wil Hij Zichzelf bekend maken! Door het geschreven en gepredikte Woord wil Jezus Christus mensen in het hart grijpen! In de Bijbel Zelf en overal waar de Bijbel wordt gelezen en uitgelegd – dáár kom je Jezus tegen. Dáár openbaart Jezus Christus zich in zijn volle rijkdom en genade. Waar de Bijbel open gaat, wordt Hij aanvaard als Heer en Zoon van God. Dus: lees je bijbel, elke dag. Daarin gaat het over God en Jezus. Lees over Hem. Dan zul je blijven geloven.

3) De Heilige Geest brengt deze Ethiopiër tot geloof en blijdschap

Ethiopiër Handelingen 8De Heilige Geest zorgt in een ongelooflijk snel tempo voor een krachtig en sterk geloof in het hart van deze Ethiopische minister Dijsselbloemë. Hij legt ook het verlangen in het hart van elke gelovige om gedoopt te worden. Filippus pusht de Afrikaan niet. Integendeel: hij vraagt er zelf om! De tegenvraag van Filippus en de geloofsbelijdenis van de Afri-kaan horen niet bij de originele tekst van dit hoofdstuk, maar het is goed te begrijpen, dat een aantal handschrif-ten het er toch bij heeft staan. Zo gaat het namelijk altijd: als je als volwassene tot geloof komt, mag je worden gedoopt als je je geloof in Jezus ook openlijk belijdt. Daarnaast geeft de Heilige Geest blijdschap in het hart van elke gelovige. De weg ligt open! Door het geloof in Jezus. Ook al gaan de wegen van Gods kinderen uiteen – op elk levenspad gaat Jezus met je mee. Je mag weten: mijn hemelse Vader zorgt voor mij, Jezus redt mij en de Heilige Geest versterkt steeds mijn geloof.

Openbare geloofsbelijdenis met een aangepast formulier

Belijdenisgroep collagePinksteren 2017: acht jongeren in onze gemeente ‘Het Noorderlicht’ te Assen-Peelo komen er openlijk voor uit dat ze in God geloven, dat ze bij Jezus Christus willen horen en dat de Heilige Geest hun motiveert om als christen te leven. In onze kerken gebruiken we daarbij altijd een kort belijdenisformulier. Deze keer hebben we dat (net als vier jaar geleden) aangepast tot een ‘Belijdenisformulier in Gewone Taal’ om het begrijpelijk te maken voor alle acht de jongeren. Uiteraard gebruiken we in zo’n dienst dan ook de ‘Bijbel in Gewone Taal’.

Graag plaats ik hier dit aangepaste belijdenisformulier voor gelovigen met een verstandelijke beperking. Gebruik ‘m in je eigen gemeente als je denkt dat het een goed alternatief is voor het officiële formulier.

Formulier voor openbare geloofsbelijdenis (aangepast voor gemeenteleden met een verstandelijke beperking)

Geliefde broers en zussen,

Jullie staan hier voor God en zijn gemeente om je geloof te belijden. Ik vraag je eerlijk te antwoorden op de volgende vragen.

1/ Je bent gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Geloof je in die God?

  • in de Vader, die de hemel en de aarde gemaakt heeft
  • in de Zoon, Jezus Christus, die ons gered heeft aan het kruis
  • in de Heilige Geest, de nieuwmaker, die ons geloof wil geven en het sterker wil maken

2/ Geloof je dat je al vanaf je geboorte zonde in je hebt? En dat je vaak niet het goede doet?  En dat God daarom terecht boos op je is?  Heb je spijt van alles wat je verkeerd hebt gedaan en wat je verkeerd hebt gezegd en wat je verkeerd hebt gedacht?

3/ Geloof je dat je bij de Here Jezus en zijn gemeente mag horen? Geloof je dat God je ál je zonden vergeeft door Jezus’ bloed en door zijn gebroken lichaam? Geloof je dat jij zo helemaal schoon kunt zijn voor God?

Kruis Muur Assen4/ Geloof je dat alles waar is wat er in de Bijbel staat? In het kort staat dit ook in de geloofsbelijdenis. Beloof je dat je dit zolang je leeft zult blijven geloven, met de hulp van de Heilige Geest?

5/ Wil je God en de andere mensen liefhebben? Wil je vechten tegen je slechte gedachten en woorden en daden en wil je respect hebben voor God? Wil je luisteren naar aanwijzingen van andere christenen als je fouten maakt? Wil je trouw naar de kerkdiensten komen met de gemeente en naar de preken luisteren? Wil je het Avondmaal meevieren?

Wat is daarop je antwoord?  JA

Zegenbede:

God heeft je geroepen om het goede te doen. Hij zal je ook sterk maken zodat je het vol kunt houden. Zo kun je blijven geloven en zo kun je zijn wil doen. De Heilige Geest zal je helpen en Jezus zal je schoon maken van de zonde. Alle eer is voor Hem, nu en voor eeuwig! Amen.

Zegenlied

Dit aangepaste formulier is in 2013 opgesteld n.a.v. catechisatie/bijbelonderwijs aan kerkleden met een verstandelijke beperking door Karla Leeftink-Huizinga. De foto van de christenen die met Pinksteren belijdenis deden in GKV ‘Het Noorderlicht’ te Assen-Peelo is gemaakt door Philip Roorda. 

Zicht op de hemel – een christelijke kijk op Bijna-Dood-Ervaringen

Tegenwoordig hoor je vaker dan vroeger dat mensen een ‘Bijna-Dood-Ervaring’ (BDE) gehad hebben. Dat gebeurt vaak als ze onder narcose zijn geweest of in coma of tijdens een hartstilstand. Achteraf vertellen ze dan dat ze in de hemel geweest zijn of in elk geval iets van de hemelse heerlijkheid ervaren hebben. Zulke verhalen trekken de aandacht. Ook of misschien wel juist van christenen. Want wij geloven echt in het bestaan van de hemel.

In het pastoraat heb ik vaak mensen horen zeggen na het overlijden van hun man of vrouw of van een ouder, een kind of een andere geliefde: ‘Als we maar even in de hemel zouden mogen kijken hoe het daar is’. Die diepe wens is geen pure nieuwsgierigheid. Het is eerder intense betrokkenheid. Want er zijn hier op aarde banden doorgesneden. Maar juist als je gelooft in God en in Jezus Christus, weet je ook, dat het met de dood niet afgelopen is. De Heidelbergse Catechismus zegt het in Zondag 16 nogal droogjes: ‘Onze dood is alleen maar een doorgang naar het eeuwige leven.’ Tegelijk is dat wel een hele troostvolle werkelijkheid. Voor Gods kinderen eindigt het leven niet bij de dood. Als je in dit leven je vertrouwen op Jezus Christus stelt, word je bij je sterven door de engelen opgehaald en bij God thuis gebracht in de hemelse heerlijkheid! Als dat geen houvast geeft en hoop biedt in alle verdriet en vragen en eenzaamheid als je iemand voorgoed missen moet hier op aarde. Geen wonder dat je dan wel even een blik in de hemel zou willen werpen om te weten hoe het daar is.

Bestseller

In christelijke kring werd het boek ‘De jongen die in de hemel was’ een ware bestseller toen in 2013 uitgeverij Plateau de rechten overnam. In 2014 werd het boek verfilmd onder de titel ‘Heaven is for real’. Het boek en de film vertellen het (volgens de vader en schrijver Todd Burpo) waargebeurde verhaal van zijn zoon Colton, een kleuter van vier, die tijdens een zware operatie op het randje van de dood zweefde. Na de operatie vertelt hij stukje bij beetje dat hij in de hemel was geweest en daar Jezus had gezien, maar ook zijn overgrootvader en zijn zusje die hij allebei nooit gekend had. Een echte BDE dus.

In 2014 verscheen het boek Na dit leven van de neurochirurg Eben Alexander. Hij kreeg een zeldzame vorm van hersenvliesontsteking en raakte daardoor zeven dagen in coma. Toen hij weer bijkwam, vertelde hij dat zijn bewustzijn in die periode een reis door het universum maakte. In dat universum is God alomtegenwoordig en is elk deeltje van Hem doortrokken. De goedheid en de liefde zijn het hart en de ziel van het ware universum en het kwaad is niet in staat dat aan te tasten. De kern van zijn BDE herhaalt hij verschillende malen: ‘Er wordt van je gehouden, je hoeft niet bang te zijn en je kunt niets fout doen.’

In Nederland schreef de hartchirurg Pim van Lommel al in 2007 het populair-wetenschappelijke boek Eindeloos bewustzijn. Hij heeft heel veel BDE’s verzameld en geanalyseerd en komt tot de conclusie dat ons bewustzijn niet door onze hersenen geproduceerd wordt, zoals de meeste wetenschappers zeggen, maar dat onze hersenen het kanaal zijn voor ons bewustzijn. Dat bewustzijn van ons is onderdeel van een veel grotere, alomvattende geestelijke werkelijkheid. Mensen die daarna toch weer terugkomen in dit leven zijn het meest onder de indruk van de overweldigende liefde en volkomen acceptatie die in de bovennatuurlijke werkelijkheid ervaren wordt. Die hebben ze zo intens beleefd, dat ze er amper over kunnen vertellen. Maar daardoor staan ze na hun BDE vaak wel volledig anders in het leven: veel positiever, minder angstig, met meer rust en vredelievender.

PAULUS

‘Zicht op de hemel’ – zo zou je, als je de mensen die het hebben meegemaakt, een BDE kunnen noemen. Maar wat kun je daar nou mee? De één bekijkt het puur wetenschappelijk (Pim van Lommel). De ander zegt dat het kwaad alleen maar op dit kleine stukje van het grote universum aanwezig is en dat goddelijke liefde in de rest van het universum zo overweldigend is, dat de kracht daarvan nu al sterker is dan elke verschrikkelijke ziekte of elk wreed kwaad (Eben Alexander). En Colton Burpo zegt dat in de hemel de Heer Jezus centraal staat en dat daar alleen maar mensen toegelaten wordt die op aarde ook echt van Hem gehouden hebben. Dus wat moet je met zulke verhalen? Hoeveel waarde heeft het voor jezelf? En hoeveel geloof moet je er aan hechten als je anderen over hun BDE hoort vertellen?

Ik denk dat wat Paulus in 2 Korintiërs 12:1-10 beschrijft, heel goed een BDE geweest kan zijn. Uit zijn verhaal kun je een paar dingen afleiden.

1/ Een BDE laat een onuitwisbare indruk na. Paulus is het z’n leven lang niet vergeten wat hij allemaal in de derde hemel heeft gezien en gehoord. Die ervaring is heel waardevol. Vooral voor iemand zelf. Maar ook voor z’n omgeving.

2/ Het geloof in de hemel hangt niet van een BDE af. Sterker nog, Paulus is er juist heel terughoudend in om met zulke verhalen het Evangelie van Jezus Christus kracht bij te zetten.

3/ Paulus maakt een bijzondere ervaring mee. Dat zie je vaker in de Bijbel. God doet wonderen en geeft tekenen. Dat kun je, als het een BDE betreft, wegzetten als een proces in je hersenen. Maar is het terecht om op voorhand alles weg te verklaren? Ik denk het niet. Als het om deze ‘hemelse inkijkjes’ gaat moet ik denken aan wat de Heidelbergse Catechismus in Zondag 22 zegt: ‘Het is in geen mensenhart opgekomen.’ Dat geldt ook voor een BDE. Dat bedenk je niet. Het overkomt je. Dan mag je God daar toch ook dankbaar voor zijn?

4/ Het controlepunt bij elke BDE is voor mij de Bijbel. Als Stefanus moet sterven, ziet hij de hemel openstaan en de heerlijkheid van God en Jezus als Mensenzoon aan Gods rechterhand staan. Dus in de hemel is de Heer. Als die niet meer centraal staat, is heel zo’n verhaal ongeloofwaardig en zelfs erg riskant. Want dan gaan mensen op hun gevoel af. Terwijl, zegt Jezus in het verhaal van de arme Lazarus, de mensen op aarde aan Gods Woord genoeg hebben. Daarin gaat het om Jezus Christus. Of, zoals Colton in het boek (helaas niet in de film) een paar keer zegt als iemand overleden is: “Heeft die meneer Jezus gekend, papa? Dat moet, dat moet! Anders komt hij niet in de hemel.”

5/ Als gereformeerde christenen belijden we dat we God op twee manieren kunnen leren kennen: in z’n algemeenheid door zijn schepping en in het bijzonder door zijn Woord. Die twee zijn in principe niet met elkaar in strijd zijn, maar vullen ze elkaar aan. Dat geldt zowel voor de protologie als voor de eschatologie. Daarbij heeft de Bijbel het laatste woord. In de Bijbel gaat het niet alleen over Gods liefde, maar ook over vergeving en gerechtigheid die beiden door Jezus Christus worden gebracht en bewerkt.

GENADE

Eben Alexander trekt op grond van zijn BDE de conclusie dat het kwaad hier op aarde niets voorstelt omdat in de rest van het universum de liefde van het goddelijke Al allesomvattend en allesdoordringend is.

Pim van Lommel gelooft slechts in een a-religieus alomvattend bewustzijn dat er vooral toe leidt dat mensen in dit leven nog meer benadrukken hoe belangrijk onvoorwaardelijke liefde en acceptatie zijn.

Bij deze laatste twee benaderingen is er geen sprake van dat mensen vergeving, verzoening en genade nodig hebben. Wat mij bij Paulus opvalt is dat hij juist niet de liefde, maar de genade benadrukt nadat hij heel voorzichtig over zijn hemelse ervaring gesproken heeft. Die ervaring is overweldigend. Dus kun je zomaar denken: alles is liefde. Maar in de hemel is alles alleen maar liefde, omdat God de Vader en Jezus Christus daar centraal staan. En het is hun genade dat Zij ons in hun liefde willen laten delen. En soms … soms mogen mensen al iets van die hemelse heerlijkheid ervaren.

Dit artikel is gepubliceerd in ‘Pro Ministerio’, het blad van de vereniging van predikanten bij de Gereformeerde Kerken in Nederland, jaargang 46, nummer 2, mei 2017. Een iets uitgebreidere versie plaatste ik in 2016 onder de titel Paulus – de man die in de hemel was.

ADVENT – van wie ben jij er eentje?

Eén van mijn leraren van de middelbare school had een achternaam die niet zo heel veel voorkwam (1000x in 1947 en 1500x in 2007 volgens www.cbgfamilienamen.nl). Hij hield zich ook bezig met genealogie. Zonder de digitale mogelijkheden van vandaag had hij zijn stamboom al tot ongeveer het jaar 900 na Christus weten terug te herleiden. Op een dag kwam hij iemand tegen met dezelfde achternaam. Hij vroeg: “Uit welke familie kom jij? Wie waren je grootvader en overgrootvader?” Zijn naamgenoot antwoordde hem: “Mijn grootvader is in een kindertehuis opgevoed omdat mijn overgrootvader als bankovervaller jaren in de gevangenis gezeten heeft.” Waarop mijn leraar antwoordde: “Dan zijn wij geen familie, want in onze stamboom komen geen bankovervallers voor.”

Van wie is Jezus er eentje?

Op weg naar Kerst denken christenen tijdens de vier Adventsweken aan de komst van Jezus Christus (en ook aan zijn terugkomst, maar dat terzijde). Naar zijn geboorte, ruim 2000 jaar geleden, werd door veel mensen uitgekeken. Zijn komst was ook al lang van te voren aangekondigd. Hij is de beloofde Immanuel, Zoon van de Allerhoogste, die God als reddende kracht zal geven om tot in eeuwigheid op de troon van zijn vader David te zitten en koning te zijn over het volk van Jakob. Dat klinkt goed! Met Jezus Zelf is niets mis.

Maar als je vervolgens zijn stamboom eens wat beter bekijkt, denk je al snel: je moet er maar eentje willen zijn van zo’n familie! De eerste biografie van Jezus Christus, het Evangelie van Matteüs, begint met een ‘Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham’ (Mat. 1:1). In die stamboom worden vijf vrouwen genoemd, Tamar, Rachab, Ruth, Batseba en Maria. Vaak worden die vijf vrouwen met ere genoemd. En terecht. Ze worden in de Bijbel geprezen om hun geloof. Ze komen op voor hun recht. Ze doen een beroep op Gods beloften. Ze laten zich inschakelen in Gods plan.

Iedereen rotzooit maar wat aan

Er zit ook een andere kant aan de vermelding van deze vijf vrouwen. Namelijk: zou jij er eentje van zo’n familie willen zijn? Bij minstens twee van hen ontkom je niet aan de gedachte: wat maken Gods kinderen er toch altijd weer een puinhoop van. Ze rotzooien maar wat aan. Tamar die met haar schoonvader Juda het bed in duikt omdat hij haar geen recht doet (Gen. 38). Batseba, die in de stamboom van Jezus half-anoniem ‘de vrouw van Uria’ genoemd wordt, omdat David de verleiding niet kon weerstaan om haar eerst zwanger te maken en daarna zijn buurman liet vermoorden om de sporen van overspel uit te wissen (2 Sam. 11). En als derde is daar ook nog Maria, van onbesproken gedrag, maar wel zwanger ‘door de Heilige Geest’ (Mat. 1:18+20, Luk. 35). Dat gelooft niemand als je er niet van overtuigd bent dat God rachabwonderen kan doen. Ook Jozef komt er niet achter of ze in de drie maanden dat ze bij haar oom en tante in Judea was, vreemdgegaan of door iemand verkracht is. En de andere twee namen, die van Rachab en Ruth, zijn vanwege hun afkomst ook al omstreden. Rachab was een hoer uit Jericho die twee Israëlitische spionnen onderdak bood en zo haar eigen leven redde (Joz. 2:1). Ruth was een gelukzoekster uit het gehate Moab, het volk dat uit een incestrelatie ontstaan was (de dochters van Lot gingen allebei met hun vader naar bed, Gen. 19:30-38) en waarvan God gezegd had: ‘Ammonieten en Moabieten zullen nooit ofte nimmer tot de dienst van de HEER worden toegelaten’ (Deut. 23:3).

It’s all about people

Goeiedag hé, denk ik dan, je moet er maar eentje willen zijn van zo’n familie! Precies! Dat is wat Jezus wil! Iemand van hetzelfde soort als jij en ik. Wij rotzooien allemaal maar wat aan in het leven en maken er regelmatig een puinhoop van. En toch gebruikt God dat allemaal om stug door te werken aan zijn eigen plan om via Jezus Christus iedereen die in Hem gelooft, niet verloren te laten gaan, maar te redden en uitzicht te geven op een eeuwig leven in vrede met God en met elkaar. Dat is Gods grote verlangen. Zoals Bill Hybels een keer zei: It’s all about people! Het gaat God om ons! Jezus voelt zich niet te goed om Zelf mens te worden. En het is Hem ook niet te min om een stamboom te hebben waar ieder ander zich voor zou schamen. Hij poetst niets van al die onvolkomenheden weg. Integendeel, je zou haast kunnen zeggen: Jezus is er trots op dat al zijn voorouders van die paupers waren. Daarvoor wilde Hij komen en is Hij gekomen met Kerst. Ja, daarom moest en zou Hij Jezus heten, om zijn volk te bevrijden van hun zonden (Mat. 1:21). Daarvoor gaf Hij zijn leven en liet Hij zijn bloed vloeien op Goede Vrijdag. Daarom is Hij opgestaan met Pasen en laat Hij vanaf Pinksteren zijn Geest royaal over heel de wereld uitwaaieren. Dankzij Hem weet ik mij weer kind van God (Rom. 8:16). En weet ik dat Jezus mijn grote Broer is (Rom. 8:29). Dus hoef ik niet langer naar mezelf te kijken en vol schaamte en schuld te denken: ‘Ben ik er zo eentje?’ Ik mag juist dankbaar omhoog kijken en blij zeggen: ‘U bent me er eentje, Heer Jezus! En ik ben er eentje van U!’

Avondmaal aan huis – de lijn van Calvijn

Waar vier je het Avondmaal? In de kerk of bij mensen thuis? Als gemeente of ook op conferenties en congressen? In Nederland is men binnen de protestants-gereformeerde kerken vanaf het allereerste begin (1570) erg terughoudend geweest met het vieren van het Avondmaal buiten de kerkdiensten om. Dat is voor een deel terecht, denk ik. Het Avondmaal is geen maaltijd van christenen, maar een maaltijd van de christelijke gemeente. Samen als gemeente vieren we dat Jezus onze Heer er zijn leven voor over had om ons weer met God te verzoenen. En dat Hij zijn Heilige Geest gegeven heeft om ons te motiveren tot een nieuw, christelijk leven. Het past dan niet zo goed om ‘kerkje te spelen’ op allerlei plekken waar christenen bij elkaar komen, vind ik. Maar hoe zit het met gemeenteleden die niet meer in de kerk kunnen komen? Kunnen zij het Avondmaal aan huis ontvangen?

avondmaal-brood-en-wijnIn onze gemeente is het al zo’n 15 jaar mogelijk dat gemeenteleden die ernstig ziek zijn of langdurig aan huis gebonden zijn het Avondmaal thuis vieren als zij dat willen. Dat was, zo rond 2000, een nieuwe ontwikkeling. Ruim 400 jaar golden de volgende argumenten om het ‘Avondmaal aan huis’ niet te stimuleren: a) de viering van het Avond­maal moet in de gemeente plaats vinden; b) het ontvangen van het Avond­maal is niet noodzakelijk om behouden te worden; c) de werking van het Avond­maal komt, dankzij de Heilige Geest, ook ten goede aan gemeenteleden die het Avond­maal niet kunnen meevieren.

Maar vanaf het allereerste begin van de Reformatie klinkt er al een tegengeluid. En het is niet de eerste de beste die zich nadrukkelijk vóór de bediening van het Avondmaal bij ernstige zieken thuis uitspreekt. Johannes Calvijn was één van de overtuigde voorstanders van de mogelijkheid om zieken thuis het Avond­maal te laten meevieren. Volgens hem hebben langdurig of ernstig zieke gemeenteleden het recht om het Avond­maal te ontvangen en heeft de kerk de plicht om daaraan te voldoen.

In 1543 waren er een aantal predikanten die Calvijn hierover om advies vroegen. Calvijn geeft dan als antwoord, dat men de gewoonte van de ‘ziekencommu­nie’ (zo werd het Avondmaal aan huis vaak genoemd) mag toelaten waar het nodig en passend is. De enige voorwaarde die Calvijn eraan verbindt is “dat het werkelijk een communio is, dat wil zeggen, dat het brood in de gemeen­schap van gelovigen gebroken wordt.”

calvijn-portret-nlPrecies twintig jaar later, in 1563, schrijft Calvijn nog een keer uitvoerig over de bediening van het Avondmaal bij ernstig zieken thuis. Hij doet dat in een brief aan Caspar Olevianus, één van de opstellers van de Heidelberg­se Cate­chismus. Wanneer je naar het doel van het Avond­maal kijkt, schrijft Calvijn, “meen ik te mogen opmaken, dat zij die of aan een langdurige ziekte lijden of in levensgevaar zijn, niet van een zo groot goed beroofd mogen worden.” Het Avond­maal dient tot versterking van het geloof en is een wapen dat Chris­tus ons aanreikt in de geestelijke strijd die we te voeren hebben. Juist in tijden van een ernstige ziekte en een naderend sterven wordt een gelovige door veel verzoekingen overval­len en beang­stigd. “Mogen wij nu dit bijzonder hulpmiddel van hem wegnemen, waardoor zijn vertrouwen zo versterkt wordt, dat hij zich met vreugde in de strijd begeeft en de overwinning behaalt?” Daarom mag men de zieken volgens Calvijn niet van het Avond­maal weren. “Juist het Avond­maal is symbool van de heilige eenheid van Gods kinderen.” Calvijn bestrijdt, dat het Avond­maal zo een privézaak wordt. “In werkelijkheid is het Avondmaal aan huis een onderdeel van de openlijke viering.” Tenslotte is hij van mening, dat voorkomen moet worden, dat zieken uit bijgeloof, eerzucht of nieuwsgierigheid het Avond­maal willen ontvangen. Daarom wil Calvijn slechts in uitzonder­lijke situaties en wanneer de kerkeraad goed op de hoogte is van de werkelijke toestand van de zieke broeder of zuster, de Avond­maalsviering bij hem of haar thuis toe­staan. Bovendien moet de viering helemaal overeenkomen met de instelling van Chris­tus. Daarom acht Calvijn het wenselijk, dat het Avond­maal “slechts in de kring van de gelovigen en niet zonder onderwijs en liturgie, evenals bij de openlijke viering, gehouden wordt.”

In zijn eigen kerk in Genève gaf de kerkenraad geen gelegenheid voor de ziekencommunie. Het Avond­maal mocht alleen in de zondagse kerkdiensten gevierd worden. Calvijn heeft zich hierbij neergelegd, maar bleef het ermee oneens. Hij zelf zou het brood en de wijn graag aan ernstig of langdurig zieken uitreiken. Juist in hun situatie mag de troost die Christus hen door het Avondmaal geven wil, hen niet onthouden worden, vond hij. Daarom schrijft Calvijn ook in 1558 aan een kerke­raadslid uit Heidelberg: “Dat het Avond­maal bij ons aan de zieken niet bediend wordt, mis­haagt ook mij. En het ligt werkelijk niet aan mij, dat zij die gaan sterven deze troost niet genieten. Zoveel wilde ik wel, dat bij het nage­slacht duidelijk bekend blijft, wat ik gewenst heb.”

In onze vrijgemaakte kerken is ds. E.A. de Boer (nu hoogleraar in Kampen) een van de eersten geweest die weer een pleidooi voerde voor het vieren van het Avondmaal aan huis. In het weekblad ‘De Reformatie’ schreef hij hier in 1988 vier artikelen over. Zijn conclusie was duidelijk: “Ik meen dat kerkeraden, aan wie de herderlijke zorg en de bediening van de sacramenten is toever­trouwd, gezien hun taak en recht en in het licht van het verleden, de ruimte hebben om aan de ernstig en langdurig zieken thuis het Heilig Avond­maal te bedienen. De criteria, waaraan de ziekencommunie moet voldoen, zijn we al tegengekomen. Het Avond­maal moet naar Chris­tus’ instelling gegeven, door een dienaar van het Woord bediend en door een kring van gelovi­gen meege­vierd worden. Het mooiste is, wanneer deze viering plaats­vindt op de Avond­maalszondag.”

kruis-hart.jpgZo doen we het in 2016 in onze gemeente ook. In een huiskamer komen  de predikant, de kringouderling, de kringdiaken en een paar gemeenteleden bij elkaar. De bediening van het Avondmaal vindt plaats in een korte samenkomst waarin we ook samen bidden, uit de bijbel lezen en zingen. Daarmee volgen we helemaal de lijn van Calvijn. Hij vond het o zo belangrijk dat gelovige kinderen van God juist als ze het heel erg moeilijk hebben, het Avondmaal als geloofsmedicijn ontvangen. Om in alle angsten en benauwenissen het oog op de Heer gericht te houden en op Hem te blijven hopen (Psalm 25:15-22). Juist dan wil Jezus onze Heer met het Avondmaal ons geloof versterken en ons ‘bemoedigen met kracht in onze ziel’ (om het met Ps. 138:3b uit de NV’51 te zeggen).