Wederzijds respect bij het al dan niet invoeren van de vrouw in het ambt

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in Nederland hebben op 15 en 16 juni 2017 de ambten van diaken, ouderling en predikant opengesteld voor vrouwen. Daar is, zoals te verwachten was, zeer verschillend op gereageerd. Bij sommigen ging de vlag met wimpel en al enthousiast uit, bij anderen hing de vlag demonstratief halfstok. In de meeste gevallen reageerden zowel blije voorstanders als bezorgde tegenstanders ingetogen. Want ook al werden deze besluiten op de synode breed gedragen (diaken: 30-2, ouderling: 23-9, preekbevoegdheid: 27-3, predikant: 21-10), het zal de komende tijd voor veel spanning in de kerken zorgen. Dat geldt niet alleen voor de inhoudelijke discussie. Het geldt misschien nog wel meer als het gaat om de uitvoering van de besluiten. Hoe zal dat gaan verlopen in onze kerken? Op die vraag nam de synode ook een duidelijke beslissing (met 23-7): er komt geen gefaseerde invoering, maar de plaatselijke kerken krijgen de ruimte “om zelf te bepalen of en op welke wijze en wanneer ze aan deze besluiten uitvoering willen geven.”

Plaatselijke vrijheid

Ik vind dat een wijs besluit. Daarmee geven we elkaar de vrijheid binnen ons kerkverband om hierover verschillend te mogen denken.

De Generale Synode van Ede 2014 sprak al uit dat er vanuit de Bijbel twee lijnen te zien zijn als het om de verhouding tussen mannen en vrouwen gaat, en dat de visie dat ook vrouwen in de kerkelijke ambten mogen dienen vrij bespreekbaar is.

De Generale Synode van Meppel 2017 heeft uitgesproken dat er bijbelse gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst van barmhartigheid, opzicht, pastoraat, onderwijs en verkondiging. De zogenaamde zwijgteksten vormen in zichzelf geen onbetwistbare grond om in onze situatie vrouwen categorisch uit te sluiten van het leer- en regeerambt, aldus de synode.

Dat betekent dat we als kerken hebben uitgesproken dat er in de Bijbel twee lijnen zijn aan te wijzen, waardoor we niet tot een helder pro-standpunt of tot een helder contra-standpunt kunnen komen.

Als dat zo is, moeten we elkaar als kerken de ruimte geven om plaatselijk naar eer en geweten te besluiten wat goed is voor de gemeente en wat tot eer van God strekt. En dat vanuit een houding van liefde tot Christus en liefde tot elkaar, ook als de pijn wederzijds voelbaar blijft. Als we ons werkelijk vasthouden aan Christus en zijn Woord, moeten we ook elkaar vast willen houden.

Ruimte voor elkaar

Wat betekent dat in de praktijk? Volgens mij dit: we geven elkaar optimaal de ruimte om een plaatselijk een keus te maken op grond van de beide bijbelse lijnen die er zijn. We hebben als GKV namelijk niet uitgesproken dat vrouwen in alle gemeentes diaken, ouderling of predikant moeten kunnen worden, maar dat we die mogelijkheid op grond van de Bijbel niet langer uitsluiten.

Dus zou het heel erg vreemd zijn dat er nu in (sorry voor de tweedeling en de terminologie) in behoudende gemeentes door progressieve leden actie gevoerd wordt om de vrouw ook daar in het ambt te krijgen, terwijl in vooruitstrevende gemeentes een conservatieve minderheid dit probeert tegen te houden.

Ben ik hier bang voor? Ja, wel een beetje. Drie jaar geleden proefde ik al een verharding in de standpunten.

Voorstanders van de vrouw in het ambt gaven blijk van ongeduld en onbegrip dat niet meteen tot openstelling werd overgegaan. Sommigen verlieten zelfs de GKV om lid te worden van een PKN of evangelische gemeente waar vrouwen wel mochten preken. In de afgelopen decennia zijn een aantal vrouwelijk theologen uit de GKV en de CGK alvast predikant geworden in de PKN. Als ik daar dan een wat kritische kanttekeningen bij maak, krijg ik vaak een reactie terug in de trant van: ‘Maar je begrijpt toch wel dat bevlogen christenen deze stap zetten?’ Ja, ik snap het wel. Maar ik vind het wel jammer. En ook minder juist. Want mensen gingen weg terwijl we samen in een proces zaten. Dus zou ik het heel spijtig vinden als er straks nog meer mensen weglopen omdat een plaatselijke kerk besluit om op grond van de Bijbel de ambten níet open te stellen voor vrouwen. Dat wekt bij mij de indruk dat men het eigen gelijk belangrijker vindt dan de geloofseenheid met je eigen broeders en zusters in de plaatselijke gemeente.

Omgekeerd gebeurde precies hetzelfde. Kerkleden en buitenlandse zusterkerken gaven de GKV nog drie jaar de tijd om van gedachten te veranderen en als dat niet zou gebeuren, moest men breken met de GKV omdat die door dit besluit een valse kerk zou worden. Nu de kogel door de kerk is zijn sommige kerkleden al actief op zoek naar een andere kerk. Dat gaat nog niet meevallen trouwens, want de hele Gereformeerde Bond valt af omdat die ook de vrouw in het ambt tolereren in hun eigen PKN-kerkverband. Ook de CGK zal, denk ik, in de komende tien jaar hetzelfde traject aflopen als wij nu gedaan hebben, maar dan in een veel trager tempo. En de meeste evangelische gemeentes waar vrouwen niet toegelaten worden als voorgangers hebben een nog zwaarwegender breekpunt: ze eisen dat je je laat overdopen. De keus is dus beperkt tot nieuw-vrijgemaakt (DGK / GKN) of bevindelijk-gereformeerd (HHK / div. soorten GerGem). Wie nu al dit soort keuzes maakt, is blijkbaar niet bereid om in de eigen gemeente het gesprek aan te gaan over de vraag of er binnenkort vrouwen in het ambt zullen worden toegelaten. Integendeel, men voelt zich zó verantwoordelijkheid voor wat de synode besluit en voor wat andere gemeentes beslissen, dat men plaatselijk een breuk forceert terwijl nog niet eens zeker is dat de eigen gemeente de vrouw in het ambt zal invoeren.

In beide gevallen zie ik een negatieve trekje naar boven komen waar gereformeerden wel vaker last van hebben: de eigen mening staat gelijk aan Gods Woord en daar moet iedereen in het kerkverband voor buigen. Oftewel: men wil heersen over de mening van anderen: mede-christenen, andere GKV-gemeentes, het hele kerkverband.

Elkaar aanvaarden

Het kan ook anders. Als we beginnen met de erkenning dat we samen willen luisteren naar Gods Woord en onze redding bij Jezus Christus zoeken, moeten we elkaar ook kunnen vasthouden als we erg van mening verschillen over de vrouw in het ambt.

Echt vasthouden betekent dat we vooral plaatselijk met elkaar in gesprek gaan. En dat op grond daarvan elke gemeente zelf een besluit neemt. Een besluit dat gerespecteerd wordt binnen de gemeente en door de andere GKV-kerken. Een besluit waarvan, als het aan mij ligt, ook niet elk jaar opnieuw getornd wordt, maar dat voor de komende vijf jaar vast staat. Want als we echt vinden dat je vanuit de Bijbel twee lijnen kan aanwijzen, moet je elkaar ook de ruimte gunnen om een keus te maken die de rust in de gemeente ten goede komt. En moet je jezelf de gelegenheid geven om na een aantal jaren er nog eens goed over na te denken.

Ongeveer 15 jaar geleden zei een collega-predikant tegen mij toen het om de zondagsdiscussie in onze kerken ging (is de zondag als rustdag nu wel of niet gegrond op een goddelijk gebod?): ‘Dat is geen kwestie waarvoor christenen in de tijd van de Reformatie de brandstapel opgingen.’ Ik denk dat dat ook geldt voor de vraag of vrouwen wel of niet als diaken / ouderling mogen dienen of als predikant mogen voorgaan. Ik vind zelf van wel (hier vind je mijn argumentatie) en steun daarom de synodebesluiten. Maar ik heb er geen enkele moeite mee om te preken of te werken in een gemeente die niet of voorlopig niet overgaat tot de openstelling van de ambten.

Laten we ook bij dit verschil van mening elkaar blijven aanvaarden zoals Christus ons aanvaard heeft (Romeinen 14).

 

De erfenis van Eva – over de vrouwen in de gemeente van Efeze

Wat was voor Paulus de aanleiding om aan Timoteüs te schrijven dat vrouwen in de kerkelijke samenkomsten geen onderwijs mogen geven en geen gezag over mannen mogen uitoefenen? In februari 2002 schreef Jan Boersma, predikant binnen de GKV, hier een kort verhaal over in het blad CV/Koers. Ik vond het interessant genoeg om het voor het voetlicht te halen nu de GKV-kerken besloten hebben om vrouwen in de ambten toe te laten en mag het met instemming van de schrijver hier plaatsen. De gecursiveerde woorden in dit verhaal zijn citaten uit 1 Timoteüs 2:9-15.

De erfenis van Eva

Paulus staart naar het plafond. Hij zucht. Hij is blij dat deze dag is afgelopen en dat hij nu eerst een paar uur kan slapen. Van dit soort dagen moet je er niet te veel hebben. Het verhaal waarmee Trofimus vandaag aankwam uit Efeze, is in elk geval niet bevorderlijk voor zijn nachtrust. Timoteüs en de andere leiders van de gemeente in Efeze hebben het moeilijk. Allerlei zaken dreigen daar uit de hand te lopen. Het gezag van de apostel is nodig om orde op zaken te stellen in de gemeente. Gelukkig was Silvanus meteen bereid om samen aan een brief te beginnen. Maar moeilijk is het wel. Want sturen op een afstand, hoe doe je dat op een goede manier? Lang ligt Paulus te denken en te woelen, voordat hij eindelijk in slaap valt.

De volgende dag zitten ze met z’n drieën bij elkaar in de werkplaats: Paulus, Silvanus en Trofimus. Al snel komt het gesprek weer op de situatie in de gemeente van Efeze. Het is duidelijk dat Trofimus zich zorgen maakt. “Eén ding heb ik gisteren nog niet verteld,” zegt hij. En zuchtend gaat hij verder: “Sommige vrouwen maken er echt een toestand van. Niet allemaal hoor, maar er zijn er een paar bij… Niet te zuinig. Ze zeggen dat ze in de samenkomsten het woord willen voeren, omdat ze ook iets te zeggen hebben.” Paulus kijkt naar Trofimus. “Ja en? Wat is dan het probleem?” Trofimus kijkt zorgelijk. “Timoteüs heeft al een paar keer de samenkomsten voortijdig af moeten sluiten vanwege het tumult dat die vrouwen maken. Het lijkt af en toe meer op een kippenhok dan op een eredienst.” Paulus moet even lachen als het beeld zich al te letterlijk aan hem opdringt. Maar de ernst van de situatie wint het.

“Vertel eens precies wat er aan de hand is,” zegt hij tegen Trofimus. “Wel,” begint Trofimus aarzelend, “Een aantal vrouwen in de gemeente zijn aan het doorslaan. Het begon met één of twee van hen, maar al gauw deden een heleboel anderen ook mee. En dan bedoel ik, dat ze zichzelf op een verkeerde manier op de voorgrond dringen. Ze roepen allerlei dingen over vrijheid en waardigheid, maar het is duidelijk dat ze wel een klokje hebben horen luiden, maar ze weten niet waar de klepel hangt.” “Wat bedoel je precies?” wil Paulus weten. “Nou,” gaat Trofimus verder, “Toen ze net bij de gemeente hoorden, waren ze blij met alles. En vooral dat ze nu eindelijk echt meetelden. Als vrouwen, bedoel ik. Je weet wel: omdat voor onze Heer alle mensen evenveel waard zijn.” Paulus knikt en Trofimus gaat verder: “Maar de laatste tijd hebben ze daar een vreemde draai aan gegeven. Nu ze de vrijheid hebben geroken, is het net alsof ze geen enkele leiding meer willen aanvaarden. Ook niet de leiding van onze Heer. En wat Timoteüs ook zegt, ze luisteren niet naar hem. Ondertussen dragen ze die ideeën van hun wel uit in de gemeente. Je kunt het aan allerlei dingen merken. Zoals ze zich kleden, bijvoorbeeld. Tunica’s en sieraden – het is allemaal op henzelf gericht: om te laten zien dat zij er wezen mogen. Heel opzichtig. Af en toe is het zelfs regelrecht uitdagend. Je kunt je wel voorstellen wat voor effect dat op een aantal mannen heeft,” besluit Trofimus met een zucht. Paulus kijkt nadenkend voor zich uit. Dan zegt hij langzaam: “Ik wil hier eerst even rustig over na kunnen denken. Silvanus, vanavond gaan we verder met de brief. En dan eerst over dit element.”

’s Avonds zitten Paulus en Silvanus bij elkaar in de bovenkamer. Samen proberen ze de draad van de brief weer op te pakken. “Het lijkt me dat we met de praktische elementen moeten beginnen,” zegt Paulus. “Het laatste dat we opgeschreven hebben, was ook een praktisch punt: over het gedrag en de houding van de mannen. Als we nu beginnen bij een praktisch punt over de vrouwen, sluit dat goed aan.” Ineens knipt hij met zijn vingers. “Ik heb het,” zegt hij. “ Op dezelfde manier ook de vrouwen, dubbele punt. Daarmee is het in één keer heel duidelijk aan elkaar gekoppeld. En daarmee is ook duidelijk, dat heiligheid niet alleen een opdracht is voor mannen, maar voor alle gelovigen.” Silvanus is al aan het schrijven: ‘Op dezelfde manier ook de vrouwen:’. “Oké, en nu die woorden over kleren en zo. Schrijf maar op: ‘dat zij passend gekleed zijn en zich bescheiden en ingetogen opmaken. Laten ze niet willen opvallen door hun haardracht, gouden sieraden, juwelen of dure kleren.’”

Paulus wrijft even in zijn ogen. “Wat is er?” vraagt Silvanus. “Er moet nog iets bij,” zegt Paulus. “Op deze manier zou het kunnen lijken, alsof een vrouw er niet mooi en vrouwelijk uit mag zien. En dat is natuurlijk niet de bedoeling.” “Wat wil je precies zeggen?” wil Silvanus weten. “Ik denk aan de woorden van Trofimus. Dat er vrouwen zijn die aan zulke uiterlijke dingen hun status en hun zekerheid ontlenen. Alsof de waarde van hun leven bepaald wordt door hun vrouwelijkheid en hoe ze dat weten te presenteren. Al of niet met een erotische lading.” “Jij wilt dus eigenlijk zeggen, dat ze de waarde van hun leven ergens anders moeten zoeken,” probeert Silvanus te helpen. “Ja, precies. Want je moet de zekerheid in je leven niet zoeken bij jezelf, maar bij Christus. Respect hebben voor God. En dat laten zien in je leven, in je doen en laten. Dat zijn de sieraden, waar je leven echt mooi van wordt. Vul maar aan: ‘maar door goede daden, zoals dat hoort voor vrouwen die ervoor uit willen komen dat ze God eren.’”

Paulus staat op van de bank, waar hij tot dan toe op gezeten heeft. “Even de benen strekken,” zegt hij. “Want nu komt het moeilijkste gedeelte. Het probleem is dat die vrouwen allerlei dingen roepen zonder dat ze de diepgang van het evangelie gepeild hebben. Zoiets moet het dus worden: dat ze eerst meer van het evangelie gaan begrijpen; dat ze eerst leren luisteren en zich rustig houden. Ja, schrijf dat maar op: ‘een vrouw moet stil en volgzaam naar het onderricht luisteren.’ Dat zijn de trefwoorden, Silvanus: stil en volgzaam. Voordat je iets kunt zeggen over de blijde boodschap, moet je eerst leren om te luisteren, om stil te zijn en niet voor je beurt te praten.”

De pen van Silvanus gaat zacht krassend over het papier. Als hij klaar is, knikt hij. “Ook het woord volgzaam is goed gekozen, denk ik,” merkt hij op. “Het is een goede inhoudelijke omschrijving. Om leiding te kunnen geven in de naam van Christus moet je eerst zelf geleerd hebben wat het betekent om Hem te volgen. Ik neem tenminste aan dat je dat bedoelt.” Even denkt hij na. Dan gaat hij voorzichtig verder: “Maar is het niet te algemeen geformuleerd? Ik bedoel: het is duidelijk wat de boodschap is, maar als je het accent een klein beetje anders legt, lijkt het alsof een vrouw nooit iets zou mogen zeggen. Alsof iedere vrouw altijd alleen maar stil en volgzaam moet zijn. En dus nooit haar mond open mag doen of leiding geven.” Paulus kijkt hem vreemd aan. “Denk je?” vraagt hij. Maar na een poosje nadenken schudt hij zijn hoofd. “Dat lijkt me behoorlijk vergezocht,” zegt hij langzaam, “om dat erin te willen leggen. In elk geval zal Timoteüs die conclusie nooit trekken. En ik denk ook de anderen in Efeze niet. Want dat geldt voor mannen natuurlijk net zo goed: dat je begint met stil zijn en volgzaam zijn. Denk maar aan Trofimus bijvoorbeeld. Nu is hij in staat om leiding te geven. En hij doet het goed, vind ik. Maar in het begin was dat heel anders. Toen wist hij nog maar weinig en hij moest nog een heleboel leren. Als het goed is, leg je niemand overhaast de handen op. Vrouwen niet, maar mannen ook niet. Maar we hebben het nu niet over mensen in het algemeen, het gaat nu over die vrouwenbeweging in Efeze.”

“Maar zou je dan niet beter andere woorden kunnen kiezen?” stelt Silvanus voor. “Ik denk het niet,” zegt Paulus. “Op deze manier komt de bedoeling hopelijk heel duidelijk over. Hoe die vrouwen in Efeze zich op moeten stellen. Ik geloof niet dat ze meteen zullen gaan denken aan een algemene regel. Tenminste, dat kan ik me niet goed voorstellen. Denk alleen al aan wat ze meegemaakt hebben van Priscilla: hoe die in staat is om anderen te onderwijzen in de weg van het geloof. Dat hebben ze in Efeze van dichtbij meegemaakt. Hebben we toen ooit gezegd dat ze haar mond moest houden, omdat ze een vrouw is? En dat ze daarom geen onderricht mag geven? Of heb ik ooit beweerd dat Junia geen echte apostel is, omdat ze een vrouw is? Dat zou toch onzin zijn!”

Paulus haalt geagiteerd zijn schouders op. “Of denk aan de vrouwen die in allerlei gemeentes optreden als profetes. Nee, volgens mij ben je nou bezig om spijkers op laag water te zoeken, Silvanus.” Al pratend wordt zijn gezicht roder. Met grote gebaren onderstreept hij zijn boosheid. “We hebben immers altijd benadrukt dat het evangelie een mens zijn oorspronkelijke waarde weer terug geeft. Ik bedoel de waarde die God bij de schepping aan de mens gegeven heeft. Allerlei verschillen die mensen later aangebracht hebben, tellen voor God niet mee.”

“Rustig maar,” onderbreekt Silvanus hem lachend, “je hoeft mij niet te overtuigen. Ik ben al overtuigd. Ik bedenk alleen maar hoe de woorden in deze brief misschien over kunnen komen bij anderen.” De relativerende woorden van Silvanus hebben meteen hun uitwerking: Paulus ontspant zich. Er verschijnt een voorzichtige glimlach op zijn gezicht. Dan gaat hij verder: “Weet je, volgens mij zou er een heleboel gewonnen kunnen worden, als die vrouwen gaan beseffen dat ze een andere houding moeten hebben. Want nu het zo gaat, wordt er op een verkeerde manier leiding gegeven in de gemeente.”

Silvanus denkt even na. Dan zegt hij: “Als je dat bedoelt, kun je dat er ook bij zeggen, lijkt me. Om misverstanden te voorkomen.” Paulus knikt. “Een goed idee,” zegt hij. “Schrijf maar op: ‘Ik sta niet toe dat ze onderricht geeft of gezag uitoefent over de man. Nee, ze moet stil zijn.’” Langzamerhand verschijnt er een grijns op het gezicht van Paulus. Dan zegt hij langzaam: “Ik denk trouwens wel, mijn beste Silvanus, dat deze woorden op dezelfde verkeerde manier uitgelegd zouden kunnen worden. Maar het doet in elk geval heel duidelijk recht aan de situatie in Efeze.”

Paulus gaat verzitten. Intussen heeft Silvanus een kan wijn en paar bekers gehaald. Als de bekers gevuld zijn, hervat Paulus het gesprek: “Hiermee kan Timoteüs wel aan de gang. En als de dames nog enig respect hebben voor een apostel van Christus, zullen ze zich ook laten gezeggen. Alleen, ik zou ook graag willen, dat ze daar zelf ook van overtuigd raken en dat ze inzien dat het zo moet. En daarom zoek ik nog iets van een motivatie die hen aan kan spreken.” “Ik snap het,” knikt Silvanus. “Met stroop vang je meer vliegen dan met azijn.” “Dat is wel heel kort door de bocht,” reageert Paulus lachend. “Ik dacht eigenlijk meer aan iets anders. Want waarom gaat het uiteindelijk? Dat we vanuit liefde en toewijding bezig zijn voor onze Heer. Niet met tegenzin of alleen maar vanuit een plichtsgevoel. Zo’n sfeer zou ik ook graag weer terug willen hebben in de gemeente van Efeze.” “Hmmm.” Silvanus wrijft nadenkend door zijn haar. “Het gaat erom dat ze eerst moeten luisteren en volgzaam zijn. Eerst het evangelie in zich opnemen. Misschien dat ze dan later wel onderwijs kunnen geven.” “Precies,” zegt Paulus. “Als ze daarvoor de gaven hebben, en als de Heer duidelijk maakt dat Hij hen daarvoor gebruiken wil.”

Ineens lichten zijn ogen op. “Ik heb het! Eva! Dat is een prima voorbeeld.” “Eva? Hoe bedoel je dat? Wat heeft Eva er nou mee te maken?” “Nou, ik bedoel: kijk naar de schepping. Eerst is Adam gemaakt en daarna Eva pas. Is zij daarmee minder dan Adam? Absoluut niet. Ook al verscheen ze pas later op het wereldtoneel, toen ze er eenmaal was, was ze er ook helemaal. Een vrouw naast Adam en tegelijk tegenover hem. Maar hoe dan ook: niet onder hem. En dat is ook precies wat ik die vrouwen in Efeze mee wil geven. Het is helemaal niet erg als ze in de gemeente later op het toneel verschijnen, en als ze eerst een poos op de achtergrond moeten blijven. Daar ben je niet minder om. En je hoeft dus ook niet het gevoel te krijgen dat je terug gezet wordt. Kijk maar hoe blij Adam was, toen God Eva gemaakt had. Schrijf maar op: ‘Adam is het eerst geschapen, daarna Eva.’” Silvanus haast zich om de woorden van Paulus op het papier te krijgen.

Even is het stil. Dan zegt Paulus: Ik wil nog even verder over Adam en Eva. Want in die geschiedenis zitten nog meer elementen die we naar voren kunnen halen.” “Waar denk je dan aan?” vraagt Silvanus. “Ik zie het zo niet meteen.” “Ik denk aan wat ik zonet zei. De Heer heeft Eva bedoeld als een vrouw naast en tegenover Adam. Wanneer gaat het verkeerd? Als de één probeert om boven de ander te staan, om de ander te overheersen of te manipuleren. De ellende daarvan kun je overal om je heen zien, als mannen verkeerd met hun vrouw omgaan, omdat ze hun vrouw als sloofje gebruiken of als voetveeg of erger. Maar andersom kan natuurlijk ook: dat vrouwen proberen om mannen opzij te zetten, omdat ze zelf vooraan willen staan. Dat is precies wat er nu in Efeze gebeurt.” “Maar hoe zie je dan een lijntje lopen vanuit de geschiedenis van Adam en Eva?” wil Silvanus weten. “Nou, dat lijkt me nogal duidelijk. Want wanneer krijgt dat schitterende verhaal zo’n tragische wending? Als Eva op een verkeerde manier het initiatief neemt, en als ze haar man overhaalt om met haar mee te doen aan het kwaad. Die gebeurtenis maakt heel duidelijk, dat niet alleen mannen de fout in kunnen gaan door een verkeerde manier van leiding geven, maar vrouwen evengoed. Met andere woorden: die vrouwen moeten niet de illusie hebben dat zij boven elke kritiek verheven zijn. Ze moeten gaan beseffen dat de satan ook via hun binnen zal komen, als hij die gelegenheid krijgt. Ik wil dat ze eerlijk en kritisch gaan kijken naar hun houding en naar hun optreden. Want als ze dat niet doen, zou het wel eens verwoestende gevolgen kunnen hebben, zoals ook die actie van Eva verwoestende gevolgen heeft gehad.”

“Hoe wil je dat ik dat opschrijf?” vraagt Silvanus. “Ga maar gewoon verder: ‘En Adam werd niet misleid; het was de vrouw die zich liet misleiden en het gebod van God overtrad.’” Zonder te pauzeren praat hij verder: “En schenk nog eens wat wijn in, als je wilt.” Even is Silvanus van zijn stuk gebracht. Dan begint hij te lachen. “Ik neem aan dat ik dat niet op hoef te schrijven.” Paulus fronst zijn wenkbrauwen. Hij begrijpt niet meteen waar Silvanus het over heeft. Maar als de humor tot hem doordringt, begint hij ook te lachen. “Nee,” zegt hij, “dat bewaren we voor Timoteüs.” “Wil jij dan intussen de olie even bijvullen?” vraagt Silvanus, “want zo te zien zal die lamp het niet al te lang meer volhouden.”

Als ze allebei weer aan tafel zitten met een volle beker wijn en bij een lamp die weer helder licht geeft, zegt Paulus: “Zo, nu zijn we er bijna. Eigenlijk had ik hiermee af willen sluiten, maar ik wil toch nog iets meer zeggen. Die opmerking van jou, dat deze woorden misschien verkeerd kunnen vallen en dat vrouwen zich achteruit gezet voelen, is bij me blijven haken. Daarom lijkt het me goed om toch ook heel nadrukkelijk het positieve te benoemen.” “Prima,” reageert Silvanus. En terwijl hij zijn pen weer in de inkt doopt, zegt hij: “Ik ben er klaar voor.”

Paulus denkt hardop na: “Het belangrijkste is natuurlijk dat mensen gered worden en dat ze door Christus een plek krijgen in het koninkrijk van God. Dat wil ik ook meegeven aan de dochters van Eva in Efeze: dat ze gered zullen worden uit een wereld die op weg is naar de ondergang. Maar hoe kan ik dat het beste onder woorden brengen?” “Wil je dat van mij weten?” vraagt Silvanus aarzelend, “of ben je nu in gesprek met jezelf?” Paulus kijkt op. “Het was niet rechtstreeks voor jou bedoeld, nee. Maar ik vind het natuurlijk prima als je meedenkt. Dat weet je wel. Trouwens, dat doe je toch wel. Ook ongevraagd.” Silvanus grinnikt. “Kom op,” zegt hij, “we hebben nog iets af te maken. Je wou nog iets zeggen over die vrouwen, dat ze zich moeten richten op de dingen die werkelijk belangrijk zijn: het eeuwige leven.” “Klopt,” zegt Paulus. “Want wat ze nu laten zien is niet de navolging van Christus in liefde en toewijding. Dat moet er nog bij. Het moet dus worden dat de Heer iets geweldigs met hen wil: dat ze een plek krijgen in zijn koninkrijk. En tegelijk dat ze dat koninkrijk alleen kunnen bereiken op de weg van geloof en van liefde.” “Hoe moet ik dat precies opschrijven?” “Wacht even, want ik ben er nog niet helemaal.” Paulus trekt een diepe rimpel tussen zijn ogen. “Nu zouden ze nog steeds het idee kunnen krijgen dat zij voor het koninkrijk van God verwezen worden naar de zijlijn. Alsof er voor hun niks te doen is. En dat is natuurlijk niet zo. Er is genoeg te doen. Ook voor hun.” “Zeg dan iets over het grootbrengen van kinderen.” Dankbaar kijkt Paulus zijn vriend aan. “Dat is een goeie. Een heleboel vrouwen zullen zich daarin kunnen herkennen, omdat het een groot deel van hun leven vult of gevuld heeft. En het is ook werkelijk één van de belangrijkste taken binnen het koninkrijk van God. Silvanus, je bent onbetaalbaar.” “Ik weet het,” reageert Silvanus droog. “En de verleiding is groot om daar een snedige opmerking bij te maken.”

Maar Paulus’ hoofd staat nu niet naar humoristische opmerkingen. “De vrouwen in Efeze hoeven zich niet nutteloos te voelen na de opmerkingen die ik eerder gemaakt heb. Ze blijven volop meedoen. Want wat is belangrijker dan je kinderen vertellen over God en over zijn grootheid en wat is meer waardevol dan het doorgeven van je liefde voor Christus aan je kinderen? Bovendien,” onderbreekt Paulus zichzelf, “is het ook iets dat Timoteüs op een goede manier duidelijk kan maken aan hen. Want zo heeft hij het zelf ook ervaren, hoe belangrijk een moeder kan zijn. Ga maar na wat hij zelf allemaal wel niet te danken heeft aan zijn moeder Eunike en zelfs aan zijn grootmoeder Loïs. Silvanus, ik denk dat we daarmee dit gedeelte wel af kunnen sluiten.” Paulus dicteert en Silvanus schrijft: ‘Maar ze zal kinderen ter wereld brengen en zo gered worden, als ze volhardt in geloof, liefde en een God toegewijd en ingetogen leven.

Tevreden kijkt Paulus naar het papier. “Volgens mij hebben we alle reden om dankbaar te zijn,” zegt hij. “En laten we dat maar meteen concreet maken. Dan kunnen we meteen ook vragen of deze woorden zegenrijk mogen doorwerken.” Zo besluiten de beide vrienden deze inspannende dag met een gezamenlijk gebed.

 

Het ‘wij-gevoel’ bij de opening van “Het Noorderlicht” in Assen-Peelo

Openingsceremonie Het Noorderlicht-002Assen-Peelo is een kerkgebouw rijker. Of, beter gezegd: eindelijk heeft ook Assen-Peelo een kerkgebouw in de wijk. Tot voor kort had iedereen het over “de oude bieb”. Nu staat in Assen-Peelo “Het Noorderlicht”.  Officieel geopend op vrijdag 4 september 2015, open huis op zaterdag 5 september 2015 en de eerste diensten op zondag 6 september 2015. In één van de preken heb ik gezegd, dat je de gedaantewisseling van de oude bibliotheek in Peelo naar het nieuwe kerkgebouw Het Noorderlicht met recht “een ware metamorfose” kunt noemen. 

Die metamorfose van bieb tot kerk is een mooi beeld van hoe het met mensen gaat die God en Jezus hebben leren kennen. Die maken ook een ware gedaantewisseling door. Maar dan meer van binnen. Want als je God echt hebt leren kennen als je hemelse Vader, dankzij alles wat Jezus voor jou gedaan heeft, dan is geloven geen theorie of een zondags kunstje. Dan word je een ander mens. Dan voel je je herboren. En hoe dichter je je met God en Jezus verbonden voelt, hoe duidelijker die metamorfose wordt. In de Bijbel kom je minstens twee keer tegen, hoe zo’n verandering ook echt zichtbaar wordt. In het Oude Testament lees je in over Mozes die in de Sinaï-woestijn op de berg Horeb van God de Tien Geboden ontvangt en ook de komplete instruktie over de bouw van de tabernakel en de hele offerdienst. Elke keer als hij Glow in the dark gezichtterugkomt, heeft zijn gezicht zo’n stralende glans, dat hij een doek voor zijn gezicht moet doen omdat de Israelieten er niet tegen kunnen. Het verhaal is te lezen in Exodus 34:29-35. In het Nieuwe Testament lees je over Jezus die op weg is naar Jeruzalem. Als enige weet Hij wat Hem daar wacht. Hij zal er sterven aan het kruis om zo de straf voor de zonden van alle mensen op zich te nemen. Geen makkelijke weg dus, integendeel. Daarom krijgt Hij op een hele bijzondere manier een geweldige bemoediging. Hij ontmoet op een berg Mozes en Elia. Daarbij ondergaat Jezus een ware metamorfose. Zijn gezicht verandert en zijn kleren worden zo wit als het helderste licht. Het verhaal is te lezen in Markus 9:2-8. Het Grieks gebruikt voor deze gedaanteverwisseling van Jezus het woord ‘metamorfose’ . Verder komt het woord ‘metamorfose’ nog twee keer voor in het Nieuwe Testament. In Romeinen 12:2 en in 2 Korintiërs 3:18. In die tweede brief van Paulus aan de christelijke gemeenschap in Korinte verwijst hij  naar de hemelse glans op het gezicht van Mozes. Die verdween op een gegeven moment weer, zegt Paulus. En de hemelse lichtshow met Jezus, Mozes en Elia op de berg was, nadat God gesproken had, ook zomaar weer verdwenen. Die buitenkant, zegt Paulus, daar gaat het niet om. Maar als je tot geloof komt, ja, telkens als iemand gaat geloven in Jezus Christus de Heer, dan komt er een hemelse glans in je leven. En die glans, die met Christus gekomen is, zit van binnen. Dat is het werk van Gods Heilige Geest. Dan voel je je vrij. Niet meer onzeker – zou God wel bestaan? Niet meer angstig – heb ik wel goed genoeg geleefd? Nee, dan voel je je vrij! Omdat je weet: ik mag bij God horen! Jezus Christus heeft mij gered en mij in de vrijheid gezet! Ik geloof! Als Paulus dat aan de christenen in Korinte verteld heeft, zegt hij:

Wij christenen zijn dus vrij. Wij hebben geen doek voor ons gezicht. Onze gezichten laten iets zien van de hemelse glans van de Heer. Want wij veranderen in nieuwe mensen, wij gaan steeds meer lijken op onze hemelse Heer. Daar zorgt de Heilige Geest voor.

Paulus zegt hier, dat christenen mensen zijn die iets hebben wat andere mensen missen. Maar niet omdat ze uit zichzelf zulke geweldige mensen zijn. Integendeel. Christenen kun je vergelijken met een reflector. Die geven uit zichzelf helemaal geen licht. Ze geven alleen maar de glans van ander licht door. En zo mag iedere christen iets laten van de hemelse glans van de Heer Jezus Christus. Je mag de glorie van Christus reflecteren. Want als je in Jezus gelooft, dan zie je iets in Hem. Hij is de Zoon van God. Hij is het! Mensen komen onder de indruk van Hem. Ik wel tenminste. Hij heeft mij te pakken met zijn liefde. Daarmee neemt Hij mijn angst en schuld en schaamte weg. Hij pakt mij ook in met zijn waarheid. Tegenover Hem hoef ik mij niet langer beter voor te doen dan ik ben en mijn Locatie het noorderlicht-002maskers op te houden. En Hij pakt mij vast met kracht. Want door Hem krijgt mijn leven weer zin en openen zich geweldige perspektieven. Liefde – waarheid – kracht. Dat mogen christenen samen reflecteren. Waarom? Nou, zodat andere mensen het merken, dat een leven met God en Jezus zin heeft. God Zelf kunnen we niet zien. En Jezus is teruggekeerd naar de hemel. Maar op aarde lopen wel volgelingen van Christus rond. Ook hier in Peelo heb je honderden christenen. De vraag is: wat zien andere mensen daar van? Wat zien ze aan mij? Zien ze iets van de glans van God? Merken ze iets van die metamorfose, waar Jezus zorgt? Komen ze erachter, dat die mensen van de kerk iets hebben wat toch wel heel bijzonder is?

Die metamorfose, zegt Paulus, is een proces. Christenen zijn nog steeds geen volmaakte mensen. En de hemel op aarde … dat zal pas gebeuren als Jezus terugkomt op de wolken.  En die metamorfose is niet een prestatie die je als christen uit jezelf haalt. Iemand anders, Jezus Zelf, is onze motivatie. Met en door zijn Geest wil Hij ons telkens weer inspireren. Daarvoor komen christenen ook bij elkaar. Paulus zegt niet: ‘ik weerspiegel de glorie van de Heer.’ Hij heeft het over: ‘wij christenen’. Mensen moeten het kunnen zien dat christenen op een fijne manier met elkaar omgaan. Juist in onze tijd, waarin er zoveel Dikke-Ikke’s  zijn, hebben we dat wij-gevoel zo nodig. Daar hunkeren mensen naar: een gemeenschap van mensen die omzien naar elkaar en openstaan voor iedereen. Als dat lukt, zegt Paulus in een andere brief, aan de christenen van Filippi, hoofdstuk 2:15

Dan vallen jullie op tussen alle slechte en oneerlijke mensen als sterren die schitteren in de nacht.

Dat is een mooie en tegelijk ook pittige opdracht. Een christelijke gemeenschap die in een ‘Dikke-Ikke-tijd’ gaat voor het ‘wij-gevoel’ door steeds meer te gaan lijken op Jezus, onze Heer in de hemel. Bij de opening van ons nieuwe kerkgebouw “Het Noorderlicht” en in de bijna twee jaar ervoor heb ik dat geestelijke ‘wij-gevoel’ duidelijk ervaren. Glow in the darkEn ik niet alleen. Heel de wijk Peelo heeft het opgemerkt. De kunst is nu, om dat gevoel vast te houden. Om ook met een eigen kerkgebouw iets te laten van de hemelse glans van onze Heer. Als kinderen van één Vader. Met hoofd en hart en handen. Door te blijven vragen of de Heilige Geest op ons wil blijven inwerken.

 

De collagefoto’s ‘Opening Noorderlicht’ en ‘van bieb tot kerk’ zijn van de hand van Philip Roorda

Een kleine stap in een bepaalde richting: een vrouw op de kansel in de GKV

Ineke Baron preekt in GKVZondag 31 mei 2015 is het zover. Ineke Baron, lid van de GKV van Haulerwijk en gevangenispastor in Veenhuizen, mag de preek verzorgen in een kerkdienst van haar eigen gemeente. Ze doet dit in het kader van haar stage, want ze volgt een opleiding theologie (eerst aan de Theologische Universiteit in Kampen en nu aan het Baptisten Seminarium in Amsterdam) en daar hoort ook het maken én houden van preken bij. Omdat deze stagepreken op video moeten worden vastgelegd en dat in de gevangenis van Veenhuizen niet is toegestaan, heeft Ineke gevraagd of zij, onder verantwoordelijkheid van de kerkeraad en de predikant die voorgaat, de preek mag verzorgen. Daarin heeft de kerkeraad van Haulerwijk na zorgvuldig onderzoek toegestemd.

‘Het is maar stage’ of ‘de strijd is nu beslecht’?

In de landelijke pers werd het nieuws gisteren, 4 maart 2015, bekend en ook meteen, gevraagd of ongevraagd, van kommentaar voorzien. Volgens het Nederlands Dagblad heeft ds. Paul Voorberg, in 2014 voorzitter van de Generale Synode, geen moeite met dit besluit. Het staat, zegt hij, “duidelijk in het kader van haar opleiding en niet in het teken van de vrouw in het ambt, dus laten we hier niet teveel aan ophangen.” Een heel ander geluid laat JT horen op de site werkenaanheid. Hij stelt (overigens onder de nogal denigrerende kop Ach, alleen maar een onderdeeltje van haar opleiding…?) dat nu in de praktijk de wissel richting de vrouw in het ambt is omgegaan. Want Ineke Baron heeft het verzoek ingediend om te mogen preken in een officiële kerkdienst. Zij wil dus graag Gods Woord verkondigen in een publieke eredienst. Volgens de Heidelbergse Catechismus is de verkondiging van het heilig evangelie in de kerkdienst één van de sleutels van het koninkrijk der hemelen. Nu mag een vrouw tijdens haar stageperiode voorgaan in het brengen van Gods Woord vanaf de kansel. Als je dat toestaat, wordt het wel heel moeilijk om uit te leggen dat een vrouw dat in andere situaties niet mag.

Ik denk de “werkenaaneenheid” hierin gelijk heeft. Als je als kerkeraad iemand toestemming geeft om in het kader van een preekstage op zondag voor te gaan in de kerkdienst, laat je hem of haar publiek Gods Woord verkondigen. Dat vind ik toch echt een andere setting dan een proefpreek die een student in de collegezaal houdt. Preken op zondag is toch duidelijk een stap verder. Dan ga je voor het ‘eggie’. Vroeger noemden we dat spreekconsent en moest je daar bij de classis eerst een examen voor afleggen. Tegenwoordig mogen studenten alleen in gemeentes preken als ze door de Universiteit hiertoe geschikt bevonden zijn. En die stage-preken staan allemaal in het kader van de opleiding tot predikant binnen de GKV (of het nu gemeentepredikant of gevangenispredikant is).

Er wordt wél een stap gezet

De kerkeraad van Haulerwijk zegt, dat hij met synode om nog geen ruimte te laten voor vrouwelijke ambtsdragers, ter discussie wil stellen. En dus verbaast de raad zich erover, dat dit zo breed uitgemeten wordt in de pers. Formeel heeft men in Haulerwijk gelijk. Ineke Baron is niet aangesteld tot ambtsdrager. Ze heeft alleen maar een stageadres nodig in het kader van haar opleiding  tot gevangenispredikant. Maar daarmee kun je niet zeggen: en dus is er niets aan de hand. Voor het eerst krijgt binnen de GKV een vrouw officieel toestemming van een kerkeraad om vanaf de kansel het evangelie te verkondigen. Onder begeleiding van een predikant, dat wel, maar dat gaat altijd zo in een stageperiode. (Even tussen haakjes: Ineke Baron zal volgens het ND alleen het inhoudelijke deel voor haar rekening nemen – dat zal toch betekenen dat ze hele dienst leiden? Want ik neem aan dat de zegen, het gebed, de bijbellezing en de liedkeus net zo inhoudelijk zijn als de preek zelf) Daarmee wordt, of men het nu wil of niet, een bepaald signaal afgegeven, namelijk: binnen de GKV mogen vrouwen in principe voorgaan in kerkdienst. De kerkeraad van Haulerwijk kan niet oprechte verbaasd zijn over alle aandacht die men nu krijgt, tenzij men grenzeloos naïef geweest is in het verlenen van toestemming aan Ineke Baron om te mogen preken. En dat is niet het geval, heb ik begrepen, want ze zijn niet over één nacht ijs gegaan.

Een klein stap in Haulerwijk – een grote stap binnen de GKV?

Je kunt er van alles van vinden, van dit besluit. Hoe je het ook wendt of keert , een vrouw gaat het woord doen op zondag 31 mei in de morgendienst die door de kerkeraad de GKV van Haulerwijk belegd wordt. De een zal het een teken van zorgvuldigheid vinden. De ander een teken van verval. Zelf zie ik het zo: we zitten als GKV-kerken in een proces waar we pas echt aan begonnen zijn met het rapport M/V uit 2013 en alles wat dat losmaakte op de Generale Synode van 2014  en binnen de kerken. Nu wordteen stap gezet die een bepaalde richting uitwijst. Die stap sluit aan bij het advies dat prof. dr. A.L.Th de Bruijne aan de GS van 2014 pleitte ervoor, dat de synode de noodzaak zou erkennen “om vrouwen meer dan tot nu toe gebruikelijk in te schakelen bij taken die begrepen kunnen worden in het verlengde van Bijbelse taken waarin vrouwen ook al deelden (prediking, pastoraat, organisatie, vergaderen)” en uit te spreken dat de plaatselijke kerken in beginsel vrij zijn om daarin stappen te zetten.” Tegelijk vond hij dat de synode de plaatselijke kerken moeten oproepen “om daarbij zoveel als mogelijk nog terughoudend te zijn met de neiging dergelijke taken te institutionaliseren tot ‘ambt’ en te wachten op bredere consensus binnen de kerken als geheel (in welke richting dan ook).”

Ik denk dat de kerkeraad van Haulerwijk zich helemaal in het spoor van dit advies begeven heeft.

Mijn eerdere blogs over de diskussie rondom de vrouw in het ambt zijn:

Welke G/geest is er uit de fles? – 20 mei 2014; Geestelijke wijsheid i.p.v. ongeduld of afstel bij vrouw in ambt – 9 juni 2014; Appel aan de synode over het besluit ‘M/V in de kerk’ – 17 juni 2014

50e PVT in ASSEN – een christelijk volleybalfestijn

PVT logoEen week lang volleyballen en  plezier maken op het PVT. Dat is vrijgemaakt Assen in de voorjaarsvakantie. Al 50 jaar lang. (OK: de belangstellende volger van het PVT die in de jaren ’70 meespeelde, in de jaren ’80 mee-organiseerde en nu als tientallen jaren gastouder is, zal ogenblikkelijk opmerken dat er de eerste 25 niet in de voorjaarsvakantie, maar in de paasvakantie gevolleybald werd).

PVT 2015 - TwenteDe zondag vóór het PVT is gebeden om een fijne PVT-week. Niet voor niets vindt de opening op woensdagmorgen ook altijd plaats in de grootste GKV-kerk van Assen, De Kandelaar. Op de feest-avond wordt de laatste jaren geprobeerd er een serieus christelijk accent aan te geven, dit jaar zelfs met twee topattracties: Kees Kraayenoord en cabaret-duo ‘Als Zodanig’. En op zaterdag wordt bij de prijsuitreiking midden in de Timp God ook hardop  bedankt voor het gehouden toernooi.

PVT 2012 - Twente collagePrachtig vind ik dat. Want daarmee geef je aan, dat je samen als christenen een sportief feestje kunt en wilt bouwen. Dat past helemaal bij het beeld dat God heeft van jongeren. Tenminste, dat lees ik in Prediker 11. Daarin schrijft Salomo: “Geniet dus, beste vriend, van je jonge jaren, haal je hart op aan de dagen van je jeugd. Volg de wegen die je hart wil gaan, gun je ogen wat ze wensen. En onthoud bij alles wat je doet dat God je aan zijn oordeel onderwerpt. Belast je hart niet met verdriet en houd je lichaam vrij van kwalen, want je jeugd en jonge jaren zijn al snel voorbij. Gedenk daarom je Schepper in de dagen van je jeugd.”PVT 2014 dames finale

Geniet mét God. Geniet als christen van het hele PVT. Dan kun je, zeg maar, je Schepper en ook Jezus je Redder recht in de ogen kijken bij al het plezier tijdens vier dagen Assen.

Natuurlijk, er gebeuren ook altijd wel dingen waarvan je denkt: moet dat nou? En dan bedoel ik niet de berichten uit de rubriek ‘Wat-dacht-je-wat’  van Netnieuws, zoals die oprjochte Fries uit één van de studententeams van een paar jaar geleden die bij zijn pleegouders elke morgen een liter melk met Brinta naar binnen werkte. Het gaat dan meer over wat vroeger van de Witter Brug gezegd werd: ‘een brug te ver’ of ‘bridge over troubled water’. PVT 2015 - Nijmegen 2Rond de millennium-wisseling hebben die zorgen zich verplaatst naar De Pimpelaar, waar volgens sommigen de gereformeerde jongeren behoorlijk aan de pimpel sloeg.  Tegenwoordig verspreidt met zich wat meer over diverse gelegenheden in de stad, heb ik begrepen. En of iedereen op de feestavond voor die duidelijk christelijke inbreng wel de juiste eerbied weet op te brengen, is in de afgelopen jaren ook wel eens de vraag geweest.

PVT 2014 finaleEr zal best wel een kern van waarheid zitten in dat soort kritiek. Maar de vraag is dan: hoe ga je daar als ouders en ouderen mee om? Wat dat betreft vind ik, , als ik voor mezelf spreek,  Job een mooi voorbeeld. In zijn gezin bouwden de 10 kinderen ook regelmatig een feestje. En Job was daar niet bij – dat moet je als ouders meestal ook niet willen. Maar hij vroeg na afloop wel altijd aan zijn 7 zonen en 3 dochters, hoe het geweest was. En bracht dan een offer voor elk van hen, “want hij dacht bij zichzelf: misschien hebben mijn kinderen wel gezondigd en God in hun hart vervloekt.” Dit deed Job na elk feest weer, staat er in Job 1.PVT logo

Die betrokkenheid van veel ouders en ouderen is er hoop ik ook bij het PVT. Een fijn sportfestijn. Een christelijke happening. Om God voor te bedanken, en dus omringd door gebed, zonder daar zweverig over te doen.

Foto’s: Karla Leeftink 2012 / 2014 / 2015

DOUMA’s afscheid van de GKV – een mix van principe en heimwee

Professor Douma heeft de GKV verlaten. ‘Duidt dit eens. Wat is er aan de hand?’ vroeg een kennis me. Het is een principiële keus volgens Douma zelf. Maar wanneer hij rekenschap van zijn overstap aflegt in het boek “Afscheid” valt mij ook op, dat Douma heimwee heeft naar vroeger. Terwijl de GKV stappen vooruit zet, is er bij Douma sprake van een retro-effekt: terug naar de vertrouwdheid van de vroegere vrijgemaakte kerk. Dat gevoel vindt Douma bij de GKN, de mildere variant van de twee nieuw-vrijgemaakte kerkgenootschappen die in 2003 en 2008 zijn ontstaan. De GKV is veranderd. Maar Douma ook. In Douma Jochemtegengestelde richtingen. Dus groei je uit elkaar. En trekt Douma een streep en zet een stap. Maar is die stap logisch in het licht van Douma’s vroegere opvattingen? In 2001, dus ruim 13 jaar geleden, beschreef Douma in zijn boek “Hoe gaan wij verder?” de ‘ontwikkelingen in de gereformeerde kerken (vrijgemaakt)’. Dacht hij toen net zo als nu in “Afscheid”?

VROUW IN AMBT EN SCHRIFTGEZAG IS PRINCIPIEEL

Douma  verlaat de GKV vanwege de genomen besluiten over de vrouw in het ambt door de synode van Ede in het voorjaar van 2014. Daar is volgens hem principieel ruimte voor gegeven. Nog niet door de vrouw in het ambt toe te laten binnen de GKV. Maar wel doordat de GKV besloten heeft te streven naar kerkelijke eenheid met de NGK. Daarbij is gezegd dat de vrouw in het ambt binnen de NGK geen principieel struikelblok meer is. Volgens Douma is daarmee de eigenlijke beslissing gevallen. En dat is, zegt Douma, gebeurd op grond van een andere visie op de verhouding tussen (om het eens kort en bondig te zeggen) ‘Schrift en cultuur’. Douma is van mening, dat de GKV door vrouwen toe te laten in de ambten “aan de cultuur boven de Schrift voorrang geven, in plaats van de Schrift over de cultuur te laten beslissen.” (Afscheid, blz. 23). En daar moeten we het als lezer mee doen. Douma haalt wel verschillende keren aan, dat de GKV in haar diskussie over de vrouw in het ambt en in haar samensprekingen met de NGK uitspreekt, dat we elkaar vinden in de erkenning en de aanvaarding van het gezag van Heilige Schrift. Maar hij gaat inhoudelijk nauwelijks in op de argumenten van de voorstanders voor de vrouw in het ambt. Die argumenten liggen vooral op het vlak van de hermeneutiek – een moeilijk woord voor hoe je de vertaalslag maakt van wat er toen in de Bijbel geschreven is en hoe je dat vandaag in de praktijk toepast. Het enige wat Douma zegt is “dat wij tegen het culturele standpunt in moeten vasthouden aan een rangorde tussen man en vrouw, met consequenties voor het kerkelijk ambt.” (Afscheid, blz. 24). Volgens Douma mogen vrouwen in de maatschappij alle leidinggevende functies bekleden, want dat gebeurde in de Bijbel ook wel. Maar de Bijbel kent geen priesteressen en vrouwelijke oudsten en Jezus stelde geen vrouwen als apostel aan. Punt.

Wat ik jammer vind is, dat Douma niet ingaat op hele integere studies over de positie van de vrouw in de Bijbel en in de culturen van toen. En dat hij ook helemaal niet ingaat op de ontwikkeling van de positie van de vrouw in de maatschappij van vandaag. Het blijft bij een uitspraak, dat “de culturele factor van belang is”, maar “daarmee moeten we niet het hoofd-zijn van de man ontkennen.” (Afscheid, blz. 24). Dat vind ik echt te kort door de bocht. Eigenlijk zegt Douma daarmee, dat wie voor de vrouw in het ambt is, uitspreekt dat man en vrouw volstrekt gelijk zijn. Terwijl volgens mij binnen de GKV er een ontwikkeling is geweest van ‘onderdanigheid’ naar ‘gelijkwaardigheid’. Aan die ontwikkeling heeft ook Douma een belangrijke bijdrage geleverd in de afgelopen 50 jaar. Al was het alleen maar op het maatschappelijke vlak door bv. al in een vroeg stadium voorstander van vrouwelijke raadsleden binnen het GPV (één van de voorlopers van de ChristenUnie) te zijn. Daarin volgden later minder progressieve vrijgemaakten zoals dr. W.G. de Vries, die in 1981 schreef: “Er is geen terrein afgebakend waar de man alleen een roeping of de vrouw alleen een taak zou hebben.” (in de bundel Vrouw en man – een plaatsbepaling, GSEV-reeks, nr. 6, 1983, blz. 6). Toen kwam ook al de opvatting voor, dat dit zou kunnen betekenen, dat mannen en vrouwen overal kunnen worden ingezet binnen het Koninkrijk van God, ook binnen de kerk als ambtsdragers. Nu lijkt dit standpunt breder gedeeld te worden. Maar het wordt door Douma weggezet als “We hebben Paulus tegen” (Afscheid, blz. 27), want die “harde tekst wordt met een eigen hermeneutiek zo zacht gemaakt dat ze onze wens om de vrouwen ambtsdrager te laten worden, niet meer in de weg staat.” (Afscheid, blz. 26). Voor Douma een duidelijk signaal dat de GKV ‘een kerk in verval’ is.

DE REST IS HEIMWEE

Na zijn verantwoording in hoofdstuk 1 en zijn principiële punt in hoofdstuk 2 gaat Douma in op ‘binding aan de belijdenis’ en ‘visie op de kerk’ in hoofdstuk 3. Daarna volgt de invulling van de kerkdienst met steeds meer Opwekking en steeds minder voorlezing van de Tien Geboden en catechismusprediking in hoofstuk 4. En in hoofdstuk 5 gaat het over huwelijk en andere samenlevingsvormen en over homoseksualiteit. Ook daarin is het verval in de GKV zichtbaar. Als ik op deze punten Douma vergelijk met hoe hij er in 2001 in Hoe gaan wij verder? over daDouma - Hoe verdercht, kan ik mij niet aan de indruk onttrekken, dat hij in 2014 de ontwikkelingen betreurt die hij zelf als een van de eersten in gang gezet heeft. In 2001 schreef Douma milder over variaties in de eredienst (bij gezangen “valt niet altijd zo makkelijk aan te tonen … dat het evident in strijd komt met wat de Schrift ons leert.” (Hoe nu verder?, blz. 54) en over de Tien Geboden: “Het is zeer zinvol naar de blijvende wet van God te luisteren … met nieuwtestamentische oren.” (Hoe nu verder?, blz. 132) In 2001 schreef Douma nog dat de kerken voor grote problemen staan als het om seks voor het huwelijk, samenwonen en echtscheiding gaat. “Maar dat is nog wat anders dan de strijd opgeven en … berusten in de nu eenmaal gegroeide situatie.” (Hoe nu verder?, blz. 128) En hij vindt het “weldadig” dat bij echtscheiding kerkeraden hun “herderlijke zorg voor de betrokkenen gestalte geven in troost, bemoediging en vermaan” (Hoe nu verder?, blz. 139) En in 2001 kreeg Douma van een kerkeraad de vraag of een gelovige zuster die lesbisch was en met een zuster uit de gemeente samenwoonde, belijdenis van haar geloof mocht doen. Uit het advies dat hij gaf citeert Douma o.a., “dat als twee homofiel geaarde broeders of zusters wel zijn gaan samenwonen, dit niet zonder meer moet worden afgekeurd en met de kerkelijke tucht bestraft moet worden. Zo zou het onjuist zijn om het samenleven van homofiele broeders en zusters, voor wie het geloof van beslissende betekenis is, in verband te brengen met de (homo)seksuele verwildering die in Genesis 19 en Romeinen 1 ter sprake wordt gebracht.” (Hoe nu verder?, blz. 143) Belangrijk is dan wel, dat de kerkeraad vanuit de Bijbel blijft spreken over homoseksuele relaties blijft spreken en dat deze twee zusters dat ook accepteren. Maar omdat de kerkeraad overtuigd is van de oprechtheid van haar geloof, kan de ene zuster wel belijdenis doen. Douma zegt erbij: “Tot een soortgelijke oplossing is het ook in andere gemeenten gekomen.” (Hoe nu verder?, blz. 144) Maar nu spreekt Douma stellige woorden over een kerk die de norm over het bijbels onderricht met betrekking tot homoseksualiteit aan het veranderen is. Hij gaat helemaal niet in op pastorale afwegingen die kerkeraden individueel maken. Integendeel, hij gooit het allemaal op één grote hoop door te zeggen dat de teneur in de GKV is: “Laten we dan niet moeilijk blijven doen over homoseksualiteit. Onze cultuur is grondig veranderd. We kijken inmiddels toch anders aan tegen de vrouw in het ambt en tegen acceptatie van homoseksualiteit!?” (Afscheid, blz. 67) en dat de GKV hard op weg is een kerk te zijn die “het homoseksueel samenleven als geoorloofde levensstijl in haar midden aanvaardt”, tenzij “de GKV op het laatste moment zich bekeert en haar heilloze weg duidelijk en compromisloos verlaat.” (Afscheid, blz. 168) In mijn ogen zijn dit enigszins ongenuanceerde uitsmijters, waarin ik niet de toon herken die Douma bezigde over het omgaan met homoseksuele broeders en zusters toen hij in de reeks Ethische Bezinning het boek Homofilie publiceerde.

Voor veel van deze onderwerpen geldt, dat Douma in de jaren ‘70, ‘’ 80 en ’90 pleitte voor openheid en tolerantie in plaats van wettische strakheid. Maar in 2014 kan hij de resultaten van die openheid niet meer meemaken en worden alle ontwikkelingen getypeerd als ‘generale trekken van verval’ en ‘het verbleken van het gereformeerde karakter’ omdat binnen de GKV ‘de cultuur boven de Schrift voorrang geven’. Dat zijn grote woorden die volgens mij volstrekt geen recht doen aan de manier waarop het overgrote deel van de plaatselijke GKV-kerken vanuit Gods Woord met al deze onderwerpen bezig zijn.

Dus ben ik geneigd te zeggen: Douma heeft, naast één principieel punt (de vrouw in het ambt op grond van verkeerd Schriftgebruik) vooral heimwee naar de tijd van vroeger, toen verschillende zaken die nu tot grote diversiteit leiden, nog grote uitzondering waren. Dat onderstreept hij zelf door te schrijven, dat verontruste GKV’ers te adviseren: “kies nog niet definitief voor het lidmaatschap van een kerk buiten de GKv of buiten de groep kerken die uit de GKv voortkomen.” (Advies, 79) Daarom kiest Douma voor het tweede nieuw-vrijgemaakte kerkgenootschap. Als je je daar bij voegt, ben je reformerend bezig en ga je, door te breken met de GKV, toch door “in een lijn die ons blijft verbinden aan het moois dat we in Afscheiding, Doleantie en Vrijmaking hebben ontvangen.” (Advies, 79). Wat een andere Douma kom ik hier tegen dan de Douma die in de jaren ’70 al schreef dat de sleutel voor kerkelijke eenheid bij de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk lag en in Hoe nu verder? oproept om serieus werk te maken van eenheid met de CGK en als het enigszins mogelijk is ook de NGK.

HOE MILD IS GROEPERING NUMMER 2?

Douma kiest dus voor de herkenbaarheid van vroeger. In een klein nieuw-vrijgemaakt kerkverband (GKN) waar volgens hem niet gezegd wordt dat de GKV een valse kerk is geworden. Dat zegt het andere kleine nieuw-vrijgemaakte kerkverband (DGK) volgens hem wel, dus bij die “radicale groepering” (Afscheid, blz. 69) wil Douma zich niet voegen. Bovendien zou de DGK zichzelf ‘de enige ware kerk’ in Nederland noemen, en de GKN niet. De toon van de GKN zou dus “duidelijk milder” (Afscheid, blz. 69).

Of deze waarnemingen van Douma kloppen, is voor mij zeer de vraag. Ook de tweede groep nieuw-vrijgemaakten heeft nog geen enkele andere kerkverband als ware kerk erkend. En ze waren ook niet erg mild toen ze de dolerende kerk van Dalfsen met ds. E. Heres (en in het kielzog daarvan de net ontstane nieuw-vrijgemaakte kerk van Assen die zowel de predikanten R. van der Wolf als E. Hoogendoorn en hun eigen oud-predikant E.Heres) het mes op de keel zetten in het maken van een keus voor één van GKN Vaste Rotsbeide nieuw-vrijgemaakte kerkverbanden. Met als gevolg dat de dolerende nieuw-vrijgemaakte kerk van Dalfsen scheurde en dat de nieuw-vrijgemaakten in Assen ds. Heres niet meer hebben toegelaten op hun kansel. En als Douma met nadruk andere verontrusten oproept, geen nieuw kerkverband te stichten, maar aan te sluiten bij een bestaand verband (Afscheid, blz. 73), vraag ik me af: waarom kiest hij dan voor het twééde nieuw-vrijgemaakte kerkverband dat twee ex-GKV-predikanten sinds 2008 hebben opgezet terwijl sinds 2003 al een nieuw-vrijgemaakt kerkverband was?

VAN HARTE GEREFORMEERD – WEDERZIJDS?

Douma heeft met zijn vrouw een gemeente gevonden “waar we ons thuis kunnen voelen”. En dat, terwijl de GKV geen ‘valse kerk’ zijn. Hooguit een kerk ‘in verval’. Vroeger veroordeelden we zulke stappen. Nu stapt iedereen stukken gemakkelijker over. Zelfs Douma. Gelukkig blijft de onderlinge band als christenen bestaan, zegt hij in zijn laatste paragraaf. Dat ben ik met hem eens. En in zijn laatste woorden spreekt hij de hoop uit, dat iedereen mag “proeven dat wij in het spoor van onze Heer en Heiland gereformeerde christenen willen blijven.” Ja, dat proef ik. Maar proeft Douma dat ook nog bij mij en vele anderen, die van harte gereformeerd willen zijn in de GKV?

 

Over verontruste vrijgemaakten zie de twee blogs Saul en David – jongerendag en landelijke dag en Over krekeltjes,  korenbloemen en zwart-witte koeien

Over de vrouw in het ambt zie de twee blogs Welke G/geest is er uit de fles?  en  Geestelijke wijsheid i.p.v. ongeduld of afstel bij vrouw in ambt

VRIJGEMAAKT? – 2

De bundel ‘VVrij gemaakt boekrijgemaakt?’ blijft de tongen losmaken en de pennen in beweging zetten. Eerder verwees ik al naar de reaktie van collega Joost Smit op zijn weblog (zie Vrijgemaakt?). Nu heeft collega Klaas van den Geest er op zijn weblog pastorklaas.nl een analyse aan gewijd die op z’n minst verrassend genoemd kan worden. Een heel eigen insteek dus, die ik graag hieronder in z’n geheel herblog.

Vrijgemaakt?

Kunstenaars

Opmerkelijk goed geschreven, dat boekje Vrijgemaakt? Allemaal begaafde schrijvers, jonge mannen en vrouwen die kunnen boetseren met woorden. Een aantal auteurs zijn domineeskinderen, een aantal is theoloog. Veel domineeskinderen blijken opvallend veel te houden van boeken, kunst en muziek. Is er een verband tussen domineesgezinnen en kunst/muziek/literatuur? Volgens een onderzoek wel. Heel wat pastorieën puilen uit van de boeken. In heel wat predikantsgezinnen zijn kunst en muziek geliefd. Ik heb genoten van de manier waarop sommige bijdragen geschreven zijn. De mooiste trouwens van mensen uit andere studies en achtergronden. Het zijn bijna allemaal verhalenvertellers, deze getalenteerde dertigers.

Wij zijn cultureel of we zijn niet

Deze waarnemingen zijn volgens mij niet onbelangrijk als je dit boek wilt begrijpen. Wat me treft is een grote sensitiviteit voor de cultuur: als leefwereld van nu, maar ook zoals die het meest sprekend tot uiting komt in allerlei kunstvormen. En daarmee houden deze jonge mensen ons wel een spiegel voor. Hebben we als gereformeerden voldoende culturele antenne? En zijn we ons er van bewust hoe sterk we als kerk en gelovigen zelf door de cultuur beïnvloed zijn?

Want in dit boek komen mensen aan het woord, die zich in de ‘vrijgemaakte’ wereld van de cultuur afgesloten hebben gevoeld. En die dat als beklemmend en beperkend hebben ervaren. En terecht: want als we de menselijke cultuur buiten sluiten, sluiten we onszelf buiten. Of anders gezegd: we ontkennen of amputeren dan zelfs een stuk van onszelf.

Dat lijkt een deel van de boodschap te zijn van dit boek. Hier zijn mensen aan het woord, die niet de ruimte voelden om echt te léven. Dat leven zelf werd afgeknepen, kon zich niet ontplooien, ze konden geen vleugels uitslaan. Confronterend en veelzeggend vind ik bijvoorbeeld wat Arjen schrijft. Hij zegt: de oude routekaart bracht me nergens. Niet bij God, niet bij mijn eigen diepste zoeken. Het was een bril die iedereen moest opzetten en waardoor iedereen hetzelfde zou zien. Maar wie ben je dan zelf, wat is jouw identiteit? Is er ruimte voor een weerwoord, voor anders denken, anders geloven?

Je kunt dit boek heel makkelijk en snel afdoen. Als je het als een aanval ervaart op jouw eigen kerkelijke verleden en identiteit. Maar je kunt het ook als een kans zien. Dan ga je op zoek naar wat hier eigenlijk aan de orde wordt gesteld. En dat is wat mij betreft deze vraag: hoe hebben we ons als ‘vrijgemaakten’ opgesteld in verhouding tot de cultuur van onze tijd? Hebben we die cultuur niet vaak ontkend? Hebben we die culturele omgeving niet vaak onvoldoende onderkend, ook bij onszelf? Hoe vaak is onze eigen waarneming niet voor waarheid aangezien en gepresenteerd? Hoe sterk hebben we niet een eigen wereld geschapen, los van de echte, daarvan afgescheiden?

Vroeg of laat krijg je daarvan de rekening gepresenteerd. Als je een binnenwereld creëert, en de buitenwereld als bedreigend ziet of als slecht kwalificeert, dan voed je een generatie op zonder de tools om zelfstandig in die wereld te staan. Je gaat een taal spreken en een cultuur in stand houden, die geen werkelijk contact maakt met die buitenwereld. Dat is gebeurd, dat hebben we gedaan. Er was onvoldoende oog voor de cultuur als werkelijkheid. Ook een werkelijkheid waarvan we zelf deel uit maken. Cultureel zijn we allemaal: we maken er deel van uit. Dat is inherent aan het bestaan zelf: wij zijn cultureel of we zijn niet…

De kerk vormt daarop geen uitzondering. Maar ons idee daarover was anders, we dachten die cultuur buiten te kunnen houden.

Omgaan met je opvoeding

Ik zeg: we. Want ik kan me niet boven die kerk verheffen. Ik maak er deel van uit, heb er zelf deel aan. Ook al heb ik zelf het gevoel, dat dit boek ook geschreven had kunnen zijn door vijftigers. Door de vaders en moeders van deze jonge ‘vrijgemaakten’.

Dat werd mij duidelijk uit onder andere het verhaal van Bettelies. Bevlogen ouders, begonnen met E&R, open gezin, alles bespreekbaar, kritisch op de kerk maar wel met God in hun leven. Hoeveel van die vijftigers zijn er niet, die ook worstelen met die kerk? Ze waren zelf al het product van de sixties, kritisch tegenover gezag en establishment. Zij voelen ook al hun leven lang, maar zeker vandaag de dag, dat we iets in stand hielden wat onhoudbaar was. Die kerk zit in onze bagage, in onze genen mag je wel zeggen.

En dat is meteen ook een stukje zwakte van dit boek. Een deel van de schrijvers is uit deze kerk weg gegaan. Ze staan er nu buiten, wilden het van zich afschudden. Ik erken dat dat soms moet, om zo dat verleden te verwerken en ergens in je leven neer te zetten.

Maar het verschil met veel vijftigers is, dat die vijftigers blijven. Ik voel dat zelf ook: eindeloos kritisch op de kerk, tegelijk eindeloos loyaal eraan. En daar scheiden de wegen. Die dertigers, ook mijn eigen kinderen, maken juist hier een andere keus. Ze zijn kritisch. Maar niet meer loyaal. Tenminste, niet loyaal aan zoiets institutioneels als de kerk. Wel loyaal aan zichzelf. Authentiek willen ze zijn: kernwoord van de postmoderniteit. En dat is mooi: als je kritisch bent, moet je eerlijk zijn, jezelf volgen. Je denkt niet van boven naar beneden, maar van binnen naar buiten. Je aanvaardt geen waarheid of normativiteit die van bovenaf wordt opgelegd. Je wilt er zelf achter staan, zelf kiezen, vanuit je eigen individualiteit waarheid vinden en ervaren.

En dus nemen ze afstand. En al snap ik die stap en keuze, hier heb ik mijn vragen. Vragen die voortkomen uit een psychologische waarneming. Uit de ontwikkelingspsychologie weten we, dat een mens zijn of haar opvoeding zelfstandig moet verwerken. Je zoekt een bepaalde positie los van of tegenover je ouders. En dus moet je ook een eigen verhouding vinden met wat je ouders je hebben meegegeven. En als de kerk van die opvoedingsbagage een dominant bestanddeel is, moet je dus ook zoeken naar een eigen relatie dáármee.

Heel veel mensen, ook vijftigers en zestigers, zijn zich daar nauwelijks van bewust. In pastorale contacten merk ik dat maar al te vaak. Ervaringen met je ouders, de opvoeding die je meekreeg, de plek van de kerk en het geloof daarin, die zijn veelsoortig en veelzijdig. Anders gezegd: die ervaringen zijn gemengd, zowel positief als negatief. Er zit ook veel pijn tussen, vervreemding, eenzaamheid, gevoelens van afwijzing. Hoe geef je die een plek binnen je eigen identiteit? Hoe vind je een balans, hoe krijg je vrede met je verleden, hoe integreer je die bagage in wie je nu bent?

Die worsteling zie ik in dit boek. Maar die zoektocht maken we dus allemaal. Waar komt de onvrede in mijn leven vandaan? Wat maakt dat ik een gat voel, of pijn, iets wat zeurt en schrijnt? En daar komt dan wat ik zie als een denkfout: velen zien dan de kerk als de bron van hun pijn. Ze gaan die kerkelijke cultuur zien als de oorzaak van hun gevoelens van eenzaamheid en onvrede.

Het zou voor sommigen wel eens heel verhelderend kunnen zijn, als ze die onvrede niet op de kerk projecteren maar in gesprek gaan met hun ouders. De kerk is maar een deel van je bagage, zij het vaak een dominant stuk. En een mens moet in gesprek komen met zijn eigen verleden. Dat moet een gesprekspartner van je worden, om niet te zeggen een vriend.

Ik geef toe: dat is een mooi ideaal. Vaak komen we niet verder dan afstand nemen van dat deel dat zeer doet, en het diep weg te stoppen. Om er hopelijk ooit nog weer in je leven een nieuwe relatie mee te vinden. Dat wens ik deze dertigers toe: een stukje afstand om niet de pijn maar de waarde te kunnen gaan zien van dat kerkelijke verleden. Misschien vind je er toch iets kostbaars in, iets wat je met liefde in je hart sluit. Misschien dat je achter je ouders iemand anders gaat herkennen.

Seks

En dan nog iets opvallends in het boek: seks. Als we de cultuur ontkennen, ontkennen we het leven. Als we het leven en onszelf ontkennen, ontkennen we ook onze lichamelijkheid.  En dus onze seksuele gevoelens.

In enkele bijdragen valt die onbalans , of misschien zelfs fascinatie met seks op. Ook alweer zo herkenbaar, moet ik onmiddellijk zeggen. Vijftigers zullen in hun eigen leven nog veel meer die ambivalentie herkennen ten opzichte van hun lichamelijke gevoelens. De boze wereld moest buiten blijven, maar het boze vlees was binnen. En daar moesten we maar mee in het reine zien te komen. Zonder enige begeleiding, zonder werkelijk gesprek erover. Als je zelf niet hebt leren praten over seks, heb je vaak ook niet geleerd het werkelijk te accepteren. Ook alweer zo’n psychologisch dingetje. En als je niet hebt geleerd er mee om te gaan, worden die onbeheersbare gevoelens al gauw geduid als duister en ‘zondig’.

Wat geef je dan door aan de volgende generatie? Een generatie die opgroeit in een wereld waarin seks net zo gewoon bij het dagelijkse leven hoort als eten en drinken? Hoe die generatie dat heeft ervaren lees je hier in meerdere bijdragen in het boek. De één na de ander is op zoek naar bevrijding uit een sfeer van geheimzinnigheid en beklemming. Onze culturele emancipatie is ook een lichamelijke bevrijding. In enkele bijdragen lijkt dat te leiden tot een pendelbeweging naar de andere kant: eindelijk vrij, leef je leven, grenzeloos!

Ook hier kan ik niet anders dan constateren, dat we een onbetaalde rekening gepresenteerd krijgen. We hebben over seksualiteit vooral gesproken in Hooglied-termen. Maar hebben we echt intimiteit en tederheid laten zien? Dat je van je lichaam en elkaar aan het genieten bent? En ook de keerzijde: zien we ook de duistere kant, het stukje pijn en eenzaamheid dat met seksualiteit verbonden is, onder ogen? Klinkt dat door in de manier waarop we daarover iets doorgeven?

Anders zijn die prachtige Hooglied-woorden niet meer dan verheven verbaliteit. Zonder werkelijkheidswaarde. De dertigers prikken daar doorheen: wees authentiek, wees jezelf.

Kerk waarheen

Lammert Kamphuis ziet de GKv als een laatste bolwerk van de verzuiling. Ik herken dat niet zo: er is al lang geen ‘groot verhaal’ meer. Dat wij dé kerk zijn, de enige, daarmee hebben we al lang gebroken. Dat begon al af te brokkelen in mijn studietijd, de jaren ’80 vorige eeuw. Toen hadden voor het eerst enkele aanstaande predikanten de euvele moed om op een kerkelijk examen te zeggen: ik weet niet of Paulus alleen aan de GKv een brief zou schrijven. Dat leidde toen nog tot afwijzing, je moest het examen overdoen om kandidaat (proponent) te kunnen worden. Maar het hek was van de dam, het was al niet meer te houden.

Nogmaals, daarmee ontken ik beslist niet dat wij die exclusiviteit in onze genen dragen. Zelfs als je er zelf niet aan bijgedragen hebt, heeft die sfeer nog lange tijd doorgewerkt, als een benauwende etensgeur die nog dagenlang in huis blijft hangen. In die zin moet je opnieuw naar die vijftigers en zestigers kijken. Daaronder vind je nog steeds mensen die in die wereld ondergedompeld zijn geweest en het nog in zich dragen. En soms is dat trekje ook in de kerk echt nog wel vrij prominent te voelen. Jongere generaties storen zich daaraan en ervaren die sfeer in de kerk als vervreemdend. Waar het nog sterk aanwezig is, ervaren ze de kerk zelfs als een vijftig-plus-instituut.

Toch denk ik, dat die vijftigers ook een generatie zijn die de transitie hebben ingeluid. Ze hebben bakens verzet. Alleen hebben ze dat nog voorzichtig gedaan, wilden ze het lijntje niet breken. De nieuwe generaties hebben daarin minder scrupules, ze gaan meer voor zichzelf. Dat bedoel ik zeker niet als een oordeel, misschien bewonder ik ze daarom wel juist. Wat ik niet deed en doe, doen zij wel. Ik heb veel respect voor de huidige generatie jonge theologen, mensen als Reinier Sonneveld en Rikko Voorberg. Maar het zijn wel theologen buiten of op de rand van de kerk. Ik herken hun zoektocht, existentieel. Ze raken heel duidelijk snaren bij mij. Maar ik voel me nog te zeer verbonden met de kerk om daar buiten te gaan experimenteren. Hun 7x7christendom is radicaal, maar durf ik het aan om het initiatief te nemen onszelf opnieuw uit te vinden?

In die zin daagt dit boek me uit. Want ‘gewoon doorgaan’ is geen optie meer. Intelligente, getalenteerde en hoogopgeleide jongeren laten ons dan ver achter zich. Wat overblijft zijn ja-knikkers en aardige mensen met grijs haar. En dan hebben we toch echt een generatie verloren.

Wat zou onze Heer dan willen?