KERK zijn met HOOFD en HART en HANDEN

Hoofd hart handen ingelijstWat is de ideale kerk? En hoe kunnen wij dat vandaag zijn? Daarvoor moeten we terug naar de Bijbel. Twee omschrijvingen die ikzelf erg waardevol vind, komen van Jezus Zelf. Hij zegt op een gegeven moment tegen zijn twaalf de leerlingen, dat de gelovigen samen een gemeente vormen., want “waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben Ik in hun midden.” (Matteüs 18 vers 20). Op een heel ander moment zegt Jezus tegen een halve heiden (de Samaritaanse vrouw), dat je sinds zijn komst overal God kunt aanbidden, namelijk wanneer men “de Vader echt aanbidt, in Geest en waarheid. De Vader zoekt mensen die Hem zo aanbidden, want God is Geest, dus wie Hem aanbidt, moet dat doen in Geest en in waarheid.” (Johannes 4 vers 23 en 24). Een christelijke gemeente is dus een verzameling van gelovigen die in de naam van Jezus en één van Geest samenkomen om God de Vader te aanbidden. Maar dat klinkt nogal theoretisch. Wat gebeurt er allemaal in een gemeente, waar God de Vader, Jezus de Verlosser en de Heilige Geest centraal staan? Dat staat heel mooi beschreven in Handelingen 2:41-47. Meteen na de uitstorting van de Heilige Geest op Pinksteren ontstaat er in Jeruzalem een grote christelijke gemeenschap van meer dan 3.000 leden. Het leven van de eerste gemeente ziet er zo uit:

41 Degenen die zijn woorden aanvaardden, lieten zich dopen; op die dag breidde het aantal leerlingen zich uit met ongeveer drieduizend. 42 Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed. 43 De vele tekenen en wonderen die de apostelen verrichtten, vervulden iedereen met ontzag. 44 Allen die het geloof hadden aanvaard, bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk. 45 Ze verkochten al hun bezittingen en verdeelden de opbrengst onder degenen die iets nodig hadden. 46 Elke dag kwamen ze trouw en eensgezind samen in de tempel, braken het brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vol vreugde. 47 Ze loofden God en stonden in de gunst bij het hele volk. De Heer breidde hun aantal dagelijks uit met mensen die gered wilden worden.

Als je deze omschrijving op je laat inwerken, denk je al gauw: ‘Wow, wat een fijne gemeente!’ Toch schetst Lukas, de schrijver van het bijbelboek Handelingen, niet alleen maar een ideaal. Nee, het was écht zo goed daar, in die begintijd. En zo gaat dat wereldwijd en overal, dat er fijne gemeentes van Jezus Christus zijn, waar je graag bij wilt horen. En waar dan de duivel ook als de kippen bij is om onenigheid te veroorzaken. In beide gevallen, in goede tijden en in slechte tijden, mag je je dan weer spiegelen aan het leven van de eerste gemeente. Met als onderliggende gedachte, dat je pas echt gemeente van Christus bent, als je oprecht samenkomt in zijn Naam, in Geest en waarheid, om God de Vader te ontmoeten.

Boven binnen buitenOp grond van deze bijbelse lijnen is vaak gezegd, dat een ideale gemeente drie speerpunten kent, namelijk de drie B’s van

  • BOVEN
  • BINNEN
  • BUITEN

Voor een bijbelse visie op kerk-zijn is dat een hele goeie drieslag.

Maar als het erom gaat, hoe we samen een aansprekende, attractieve gemeente van Christus willen zijn, vind ik een andere indeling nog aansprekender, nl. die vanHoofd hart handen 2

  • HOOFD
  • HART
  • HANDEN

Hoofd en Hart en Handen: in Handelingen 2:41-47 kom je in de eerste christelijke gemeente van Jeruzalem deze drie aspekten van gemeente-zijn allemaal duidelijk tegen. Check het zelf en je zult zien dat ze alle drie een ruime voldoende scoren. De gevolgen blijven dan ook niet uit: De Heer (Jezus Zelf, door zijn Geest) breidde hun aantal dagelijks uit met mensen die gered wilden worden. Er kwamen dus elke dag (!!) nieuwe mensen tot geloof die lid werden van de gemeente van Jezus Christus in Jeruzalem.

BOVEN – BINNEN – BUITEN gaat meer over de gerichtheid en de struktuur van elke kerk. Binnen die drie deelgebieden kunnen gemeenteleden zich met hun gaven inzetten.

HOOFD – HART – HANDEN gaat meer over manier waarop in elke kerk het geloof in God en Jezus vorm krijgt. Zonder een goede wisselwerking tussen deze drie kun je als mens niet goed funktioneren. Ook in de gemeente van Christus heb je deze drie aspekten nodig om samen een fijne kerk te vormen en zelf in je geloofsleven opgebouwd te worden:

  • HOOFD   Hoe kunnen we elkaar in de gemeente stimuleren om werk te maken van het leren kennen van de HERE en zijn wil voor het dagelijks leven, en hoe hou je het persoonlijke kontakt met God levend? Want geloven met je hoofd betekent, dat je steeds meer wilt weten wie God is, wat Hij gedaan heeft. Geloven kan niet zonder de kennis van je hoofd.
  • HART   Hoe worden we in de gemeente steeds weer geraakt door het evangelie van Gods liefde die Hij via Jezus onze Heer en via de Heilige Geest naar ieder van ons laat toekomen? Geloven met je hart is namelijk, dat je steeds meer God gaat liefhebben boven alles en de naaste als jezelf.
  • HANDEN   Hoe verbinden we als gemeente het ‘doen’ met het geloof? Want het geloof in Christus niet kompleet als het niet doorwerkt in praktisch handelen en in  betrokkenheid op elkaar en op de mensen om ons heen Geloven met je handen betekent dat je als gemeenschap elkaar ontmoet en er voor elkaar bent.

Ik denk dat het voor een plaatselijke kerk belangrijk is, dat deze drie aspekten alle drie een plek krijgen in het gemeenteleven. Zowel op zondag als door-de-week. Vooral, omdat het volgens mij de drie belangrijkste manieren zijn waarop de Heilige Geest het geloof van ieder gemeentelid vormt en voedt. Ga maar bij jezelf na op welke manier het geloof bij jou het beste binnenkomt en wat je in je eigen gemeente het meeste waardeert.

Over de praktische invulling van elk van de drie geloofstypes valt ook nog wel een en ander te zeggen. Evenals over de valkuilen die elke type met zich mee brengt. Daarover gaan de volgende twee blogs.

Eerder schreef ik een korte blog over hoe je met de gaven van ‘Hoofd – Hart – Handen’ kunt meewerken om Gods gave gemeente nog gaver te maken.

 

Advertenties

Openbare geloofsbelijdenis met een aangepast formulier

Belijdenisgroep collagePinksteren 2017: acht jongeren in onze gemeente ‘Het Noorderlicht’ te Assen-Peelo komen er openlijk voor uit dat ze in God geloven, dat ze bij Jezus Christus willen horen en dat de Heilige Geest hun motiveert om als christen te leven. In onze kerken gebruiken we daarbij altijd een kort belijdenisformulier. Deze keer hebben we dat (net als vier jaar geleden) aangepast tot een ‘Belijdenisformulier in Gewone Taal’ om het begrijpelijk te maken voor alle acht de jongeren. Uiteraard gebruiken we in zo’n dienst dan ook de ‘Bijbel in Gewone Taal’.

Graag plaats ik hier dit aangepaste belijdenisformulier voor gelovigen met een verstandelijke beperking. Gebruik ‘m in je eigen gemeente als je denkt dat het een goed alternatief is voor het officiële formulier.

Formulier voor openbare geloofsbelijdenis (aangepast voor gemeenteleden met een verstandelijke beperking)

Geliefde broers en zussen,

Jullie staan hier voor God en zijn gemeente om je geloof te belijden. Ik vraag je eerlijk te antwoorden op de volgende vragen.

1/ Je bent gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Geloof je in die God?

  • in de Vader, die de hemel en de aarde gemaakt heeft
  • in de Zoon, Jezus Christus, die ons gered heeft aan het kruis
  • in de Heilige Geest, de nieuwmaker, die ons geloof wil geven en het sterker wil maken

2/ Geloof je dat je al vanaf je geboorte zonde in je hebt? En dat je vaak niet het goede doet?  En dat God daarom terecht boos op je is?  Heb je spijt van alles wat je verkeerd hebt gedaan en wat je verkeerd hebt gezegd en wat je verkeerd hebt gedacht?

3/ Geloof je dat je bij de Here Jezus en zijn gemeente mag horen? Geloof je dat God je ál je zonden vergeeft door Jezus’ bloed en door zijn gebroken lichaam? Geloof je dat jij zo helemaal schoon kunt zijn voor God?

Kruis Muur Assen4/ Geloof je dat alles waar is wat er in de Bijbel staat? In het kort staat dit ook in de geloofsbelijdenis. Beloof je dat je dit zolang je leeft zult blijven geloven, met de hulp van de Heilige Geest?

5/ Wil je God en de andere mensen liefhebben? Wil je vechten tegen je slechte gedachten en woorden en daden en wil je respect hebben voor God? Wil je luisteren naar aanwijzingen van andere christenen als je fouten maakt? Wil je trouw naar de kerkdiensten komen met de gemeente en naar de preken luisteren? Wil je het Avondmaal meevieren?

Wat is daarop je antwoord?  JA

Zegenbede:

God heeft je geroepen om het goede te doen. Hij zal je ook sterk maken zodat je het vol kunt houden. Zo kun je blijven geloven en zo kun je zijn wil doen. De Heilige Geest zal je helpen en Jezus zal je schoon maken van de zonde. Alle eer is voor Hem, nu en voor eeuwig! Amen.

Zegenlied

Dit aangepaste formulier is in 2013 opgesteld n.a.v. catechisatie/bijbelonderwijs aan kerkleden met een verstandelijke beperking door Karla Leeftink-Huizinga. De foto van de christenen die met Pinksteren belijdenis deden in GKV ‘Het Noorderlicht’ te Assen-Peelo is gemaakt door Philip Roorda. 

ADVENT – van wie ben jij er eentje?

Eén van mijn leraren van de middelbare school had een achternaam die niet zo heel veel voorkwam (1000x in 1947 en 1500x in 2007 volgens www.cbgfamilienamen.nl). Hij hield zich ook bezig met genealogie. Zonder de digitale mogelijkheden van vandaag had hij zijn stamboom al tot ongeveer het jaar 900 na Christus weten terug te herleiden. Op een dag kwam hij iemand tegen met dezelfde achternaam. Hij vroeg: “Uit welke familie kom jij? Wie waren je grootvader en overgrootvader?” Zijn naamgenoot antwoordde hem: “Mijn grootvader is in een kindertehuis opgevoed omdat mijn overgrootvader als bankovervaller jaren in de gevangenis gezeten heeft.” Waarop mijn leraar antwoordde: “Dan zijn wij geen familie, want in onze stamboom komen geen bankovervallers voor.”

Van wie is Jezus er eentje?

Op weg naar Kerst denken christenen tijdens de vier Adventsweken aan de komst van Jezus Christus (en ook aan zijn terugkomst, maar dat terzijde). Naar zijn geboorte, ruim 2000 jaar geleden, werd door veel mensen uitgekeken. Zijn komst was ook al lang van te voren aangekondigd. Hij is de beloofde Immanuel, Zoon van de Allerhoogste, die God als reddende kracht zal geven om tot in eeuwigheid op de troon van zijn vader David te zitten en koning te zijn over het volk van Jakob. Dat klinkt goed! Met Jezus Zelf is niets mis.

Maar als je vervolgens zijn stamboom eens wat beter bekijkt, denk je al snel: je moet er maar eentje willen zijn van zo’n familie! De eerste biografie van Jezus Christus, het Evangelie van Matteüs, begint met een ‘Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham’ (Mat. 1:1). In die stamboom worden vijf vrouwen genoemd, Tamar, Rachab, Ruth, Batseba en Maria. Vaak worden die vijf vrouwen met ere genoemd. En terecht. Ze worden in de Bijbel geprezen om hun geloof. Ze komen op voor hun recht. Ze doen een beroep op Gods beloften. Ze laten zich inschakelen in Gods plan.

Iedereen rotzooit maar wat aan

Er zit ook een andere kant aan de vermelding van deze vijf vrouwen. Namelijk: zou jij er eentje van zo’n familie willen zijn? Bij minstens twee van hen ontkom je niet aan de gedachte: wat maken Gods kinderen er toch altijd weer een puinhoop van. Ze rotzooien maar wat aan. Tamar die met haar schoonvader Juda het bed in duikt omdat hij haar geen recht doet (Gen. 38). Batseba, die in de stamboom van Jezus half-anoniem ‘de vrouw van Uria’ genoemd wordt, omdat David de verleiding niet kon weerstaan om haar eerst zwanger te maken en daarna zijn buurman liet vermoorden om de sporen van overspel uit te wissen (2 Sam. 11). En als derde is daar ook nog Maria, van onbesproken gedrag, maar wel zwanger ‘door de Heilige Geest’ (Mat. 1:18+20, Luk. 35). Dat gelooft niemand als je er niet van overtuigd bent dat God rachabwonderen kan doen. Ook Jozef komt er niet achter of ze in de drie maanden dat ze bij haar oom en tante in Judea was, vreemdgegaan of door iemand verkracht is. En de andere twee namen, die van Rachab en Ruth, zijn vanwege hun afkomst ook al omstreden. Rachab was een hoer uit Jericho die twee Israëlitische spionnen onderdak bood en zo haar eigen leven redde (Joz. 2:1). Ruth was een gelukzoekster uit het gehate Moab, het volk dat uit een incestrelatie ontstaan was (de dochters van Lot gingen allebei met hun vader naar bed, Gen. 19:30-38) en waarvan God gezegd had: ‘Ammonieten en Moabieten zullen nooit ofte nimmer tot de dienst van de HEER worden toegelaten’ (Deut. 23:3).

It’s all about people

Goeiedag hé, denk ik dan, je moet er maar eentje willen zijn van zo’n familie! Precies! Dat is wat Jezus wil! Iemand van hetzelfde soort als jij en ik. Wij rotzooien allemaal maar wat aan in het leven en maken er regelmatig een puinhoop van. En toch gebruikt God dat allemaal om stug door te werken aan zijn eigen plan om via Jezus Christus iedereen die in Hem gelooft, niet verloren te laten gaan, maar te redden en uitzicht te geven op een eeuwig leven in vrede met God en met elkaar. Dat is Gods grote verlangen. Zoals Bill Hybels een keer zei: It’s all about people! Het gaat God om ons! Jezus voelt zich niet te goed om Zelf mens te worden. En het is Hem ook niet te min om een stamboom te hebben waar ieder ander zich voor zou schamen. Hij poetst niets van al die onvolkomenheden weg. Integendeel, je zou haast kunnen zeggen: Jezus is er trots op dat al zijn voorouders van die paupers waren. Daarvoor wilde Hij komen en is Hij gekomen met Kerst. Ja, daarom moest en zou Hij Jezus heten, om zijn volk te bevrijden van hun zonden (Mat. 1:21). Daarvoor gaf Hij zijn leven en liet Hij zijn bloed vloeien op Goede Vrijdag. Daarom is Hij opgestaan met Pasen en laat Hij vanaf Pinksteren zijn Geest royaal over heel de wereld uitwaaieren. Dankzij Hem weet ik mij weer kind van God (Rom. 8:16). En weet ik dat Jezus mijn grote Broer is (Rom. 8:29). Dus hoef ik niet langer naar mezelf te kijken en vol schaamte en schuld te denken: ‘Ben ik er zo eentje?’ Ik mag juist dankbaar omhoog kijken en blij zeggen: ‘U bent me er eentje, Heer Jezus! En ik ben er eentje van U!’

Avondmaal aan huis – de lijn van Calvijn

Waar vier je het Avondmaal? In de kerk of bij mensen thuis? Als gemeente of ook op conferenties en congressen? In Nederland is men binnen de protestants-gereformeerde kerken vanaf het allereerste begin (1570) erg terughoudend geweest met het vieren van het Avondmaal buiten de kerkdiensten om. Dat is voor een deel terecht, denk ik. Het Avondmaal is geen maaltijd van christenen, maar een maaltijd van de christelijke gemeente. Samen als gemeente vieren we dat Jezus onze Heer er zijn leven voor over had om ons weer met God te verzoenen. En dat Hij zijn Heilige Geest gegeven heeft om ons te motiveren tot een nieuw, christelijk leven. Het past dan niet zo goed om ‘kerkje te spelen’ op allerlei plekken waar christenen bij elkaar komen, vind ik. Maar hoe zit het met gemeenteleden die niet meer in de kerk kunnen komen? Kunnen zij het Avondmaal aan huis ontvangen?

avondmaal-brood-en-wijnIn onze gemeente is het al zo’n 15 jaar mogelijk dat gemeenteleden die ernstig ziek zijn of langdurig aan huis gebonden zijn het Avondmaal thuis vieren als zij dat willen. Dat was, zo rond 2000, een nieuwe ontwikkeling. Ruim 400 jaar golden de volgende argumenten om het ‘Avondmaal aan huis’ niet te stimuleren: a) de viering van het Avond­maal moet in de gemeente plaats vinden; b) het ontvangen van het Avond­maal is niet noodzakelijk om behouden te worden; c) de werking van het Avond­maal komt, dankzij de Heilige Geest, ook ten goede aan gemeenteleden die het Avond­maal niet kunnen meevieren.

Maar vanaf het allereerste begin van de Reformatie klinkt er al een tegengeluid. En het is niet de eerste de beste die zich nadrukkelijk vóór de bediening van het Avondmaal bij ernstige zieken thuis uitspreekt. Johannes Calvijn was één van de overtuigde voorstanders van de mogelijkheid om zieken thuis het Avond­maal te laten meevieren. Volgens hem hebben langdurig of ernstig zieke gemeenteleden het recht om het Avond­maal te ontvangen en heeft de kerk de plicht om daaraan te voldoen.

In 1543 waren er een aantal predikanten die Calvijn hierover om advies vroegen. Calvijn geeft dan als antwoord, dat men de gewoonte van de ‘ziekencommu­nie’ (zo werd het Avondmaal aan huis vaak genoemd) mag toelaten waar het nodig en passend is. De enige voorwaarde die Calvijn eraan verbindt is “dat het werkelijk een communio is, dat wil zeggen, dat het brood in de gemeen­schap van gelovigen gebroken wordt.”

calvijn-portret-nlPrecies twintig jaar later, in 1563, schrijft Calvijn nog een keer uitvoerig over de bediening van het Avondmaal bij ernstig zieken thuis. Hij doet dat in een brief aan Caspar Olevianus, één van de opstellers van de Heidelberg­se Cate­chismus. Wanneer je naar het doel van het Avond­maal kijkt, schrijft Calvijn, “meen ik te mogen opmaken, dat zij die of aan een langdurige ziekte lijden of in levensgevaar zijn, niet van een zo groot goed beroofd mogen worden.” Het Avond­maal dient tot versterking van het geloof en is een wapen dat Chris­tus ons aanreikt in de geestelijke strijd die we te voeren hebben. Juist in tijden van een ernstige ziekte en een naderend sterven wordt een gelovige door veel verzoekingen overval­len en beang­stigd. “Mogen wij nu dit bijzonder hulpmiddel van hem wegnemen, waardoor zijn vertrouwen zo versterkt wordt, dat hij zich met vreugde in de strijd begeeft en de overwinning behaalt?” Daarom mag men de zieken volgens Calvijn niet van het Avond­maal weren. “Juist het Avond­maal is symbool van de heilige eenheid van Gods kinderen.” Calvijn bestrijdt, dat het Avond­maal zo een privézaak wordt. “In werkelijkheid is het Avondmaal aan huis een onderdeel van de openlijke viering.” Tenslotte is hij van mening, dat voorkomen moet worden, dat zieken uit bijgeloof, eerzucht of nieuwsgierigheid het Avond­maal willen ontvangen. Daarom wil Calvijn slechts in uitzonder­lijke situaties en wanneer de kerkeraad goed op de hoogte is van de werkelijke toestand van de zieke broeder of zuster, de Avond­maalsviering bij hem of haar thuis toe­staan. Bovendien moet de viering helemaal overeenkomen met de instelling van Chris­tus. Daarom acht Calvijn het wenselijk, dat het Avond­maal “slechts in de kring van de gelovigen en niet zonder onderwijs en liturgie, evenals bij de openlijke viering, gehouden wordt.”

In zijn eigen kerk in Genève gaf de kerkenraad geen gelegenheid voor de ziekencommunie. Het Avond­maal mocht alleen in de zondagse kerkdiensten gevierd worden. Calvijn heeft zich hierbij neergelegd, maar bleef het ermee oneens. Hij zelf zou het brood en de wijn graag aan ernstig of langdurig zieken uitreiken. Juist in hun situatie mag de troost die Christus hen door het Avondmaal geven wil, hen niet onthouden worden, vond hij. Daarom schrijft Calvijn ook in 1558 aan een kerke­raadslid uit Heidelberg: “Dat het Avond­maal bij ons aan de zieken niet bediend wordt, mis­haagt ook mij. En het ligt werkelijk niet aan mij, dat zij die gaan sterven deze troost niet genieten. Zoveel wilde ik wel, dat bij het nage­slacht duidelijk bekend blijft, wat ik gewenst heb.”

In onze vrijgemaakte kerken is ds. E.A. de Boer (nu hoogleraar in Kampen) een van de eersten geweest die weer een pleidooi voerde voor het vieren van het Avondmaal aan huis. In het weekblad ‘De Reformatie’ schreef hij hier in 1988 vier artikelen over. Zijn conclusie was duidelijk: “Ik meen dat kerkeraden, aan wie de herderlijke zorg en de bediening van de sacramenten is toever­trouwd, gezien hun taak en recht en in het licht van het verleden, de ruimte hebben om aan de ernstig en langdurig zieken thuis het Heilig Avond­maal te bedienen. De criteria, waaraan de ziekencommunie moet voldoen, zijn we al tegengekomen. Het Avond­maal moet naar Chris­tus’ instelling gegeven, door een dienaar van het Woord bediend en door een kring van gelovi­gen meege­vierd worden. Het mooiste is, wanneer deze viering plaats­vindt op de Avond­maalszondag.”

kruis-hart.jpgZo doen we het in 2016 in onze gemeente ook. In een huiskamer komen  de predikant, de kringouderling, de kringdiaken en een paar gemeenteleden bij elkaar. De bediening van het Avondmaal vindt plaats in een korte samenkomst waarin we ook samen bidden, uit de bijbel lezen en zingen. Daarmee volgen we helemaal de lijn van Calvijn. Hij vond het o zo belangrijk dat gelovige kinderen van God juist als ze het heel erg moeilijk hebben, het Avondmaal als geloofsmedicijn ontvangen. Om in alle angsten en benauwenissen het oog op de Heer gericht te houden en op Hem te blijven hopen (Psalm 25:15-22). Juist dan wil Jezus onze Heer met het Avondmaal ons geloof versterken en ons ‘bemoedigen met kracht in onze ziel’ (om het met Ps. 138:3b uit de NV’51 te zeggen).

Verwacht een wonder – creëer je eigen teleurstelling

Het is weer raak in christelijk Nederland. Voor- en tegenstanders van gebedsgenezing gaan met elkaar de discussie aan. En op straat wordt met mensen gebeden en gebeuren dezelfde wonderen van genezing als in de tijd van Handelingen. In het Nederlands Dagblad van 4 augustus voerde Hans Maat, de direkteur van het Evangelisch Werkverband binnen de PKN, een pleidooi voor meer geloof in gebedsgenezing, want “Geloof in wonderen is het werk van de heilige Geest” (klik hier). Volgens mij slaat hij, hoe vriendelijk en voorzichtig hij het ook zegt, de plank flink  mis. Wie wonderen verwacht, creëert keer op keer zijn eigen teleurstellingen. 

Asterix 00011Hans Maat reageert op twee eerdere artikelen in het ND, namelijk een kritische bijdrage over de foute trucs van gebedsgenezing van Wouter van der Toorn (ND 12 juli) en de persoonlijke bijdrage van Annemieke Bosman over het leven met ziekte en pijn (ND 15 juli). Die twee artikelen (evenals een derde, die van Marijke Volgers over Gods waanzinnige reddingsmethoden – ND 18 juli) schuift Hans Maat subtiel  aan de kant, want het zijn “minder goede ervaringen” die “de ruimte voor wonderwerken en tekenen niet [mogen] inperken.” Hier komt de aap al uit de mouw. Ook al gaat er veel mis, toch kiest Hans Maat de kant van christenen die valse verwachtingen wekken als het om wonderen gaat. Dat blijkt uit minstens drie passages uit zijn artikel.

Zo geeft hij als praktisch voorbeeld aan, dat  hij heeft meegemaakt dat “door eenvoudige handoplegging en gebed … je rug geneest, je been wordt verlengd of de kanker verdwijnt.” Ik vind het niet alleen erg ongenuanceerd om deze drie kwalen zomaar op één lijn te plaatsen. Ik vind het ook getuigen van hoogmoed om te verwachten dat God vooral op gebed mensen van kanker  geneest. Volgens mij heeft onze Heer ons in deze eeuw gezegend met voortreffelijke medische  voorzieningen. Daar stellen we misschien wel teveel ons vertrouwen op. Maar het is toch werkelijk God verzoeken als we van Hem iets rechtstreeks willen verwachten, terwijl Hij ons Zelf  de middelen geeft waarlangs Hij genezing wil bewerken.

Asterix 10011

Erger nog vind ik de opmerking, dat het “ervaring en openbaring vereist om te zien wat de redenen zijn waarom iemand niet geneest.” Genezing op gebed zou dus de normale gang van zaken zijn in de tijd tussen Pinksteren en de terugkomst van Jezus. En als het niet gebeurt? Dan moet je maar accepteren dat God soeverein is en als er geen genezing volgt gewoon zeggen, “Ik weet het niet.” Volgens Hans Maat is dat antwoord genoeg. Verbijsterend vind ik dat. Hiermee kweek je valse verwachtingen en creëer je je eigen teleurstellingen. In het Nieuwe Testament zie ik vaker dat gewone gelovigen zieken bezoeken en voor ze bidden, dan dat gewone gelovigen zieken genezen. Ik zie dat in de Bijbel wonderen van genezing de uitzondering zijn op de regel dat God alle dingen doet meewerken ten goed. Ik ben er met Paulus van overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat de heerlijkheid die in de toekomst voor ons is weggelegd. En héél soms ontvangen mensen nu al die heerlijkheid in plaats van het lijden. Dat noemen we dan een wonder. Dank de Heer daar voor, zou ik zeggen. Maar verwacht niet zulke wonderen. Groei liever in de genade en de kennis van onze Heer en Redder Jezus Christus, zeg ik Petrus met zijn laatste woorden na (2 Petrus 3:18).

Asterix 20011

Volgens mij claimen veel mensen die in gebedsgenezing geloven ten onrechte het gezag van Jezus Zelf en de apostelen. Dat gebeurt mede omdat mensen als Hans Maat schrijven: “Als je in geloof bidt, dan gebeuren de dingen die je vraagt, dat is althans de kracht van het geloof. Ik ga daarvan uit en heb een diep vertrouwen: wanneer God spreekt, dan is het er; als God gebiedt, dan staat het er.” Maar sinds wanneer spreekt God  als ik iets van Hem vraag? En sinds wanneer heb ik het recht om ziektes te gebieden iemand te verlaten? En waar in de Bijbel vertelt Jezus mij, dat lichamelijke genezing de regel is bij het ‘Bidt en u zal gegeven worden’ (Mat. 7:7 / Luk. 11:9). Hij belooft Zelf iets anders: ‘Hoeveel te meer zal uw Vader in de hemel het goede / de Heilige Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden.’ (Mat. 7:11b / Luk. 11:13b). Laten we de invulling daarvan alsjeblieft aan God Zelf overlaten. En ons wat meer concentreren op de kracht van het geloof als het grootste geschenk van de Heilige Geest in alle omstandigheden dan op wonderen van lichamelijke genezing.

Asterix 30011

Geloof ik dan niet in wonderen van lichamelijke genezing? Jawel. Ik heb er heel af en toe uit betrouwbare bron van gehoord en ik heb ze heel af en toe zelf ook meegemaakt. Maar ik verwacht geen wonderen. Dan zou ik het namelijk normaal gaan vinden dat God mensen van ziektes geneest. En tegelijk zou ik, denk ik, ook heel snel mijn geloof verliezen, omdat de ziekenhuizen nog steeds vol met mensen die niet genezen, terwijl er wel voor hen gebeden wordt (maar meestal niet met hen door die zgn. gebedsgenezers, want die doen dat alleen maar op straat of in hun eigen ‘hall of fame’). Gelukkig heeft God ons iets anders beloofd, denk ik dan maar. Namelijk dat Hij er altijd bij is, hoe de levensweg ook gaat.

Tenslotte: er zijn ook evangelische christenen die erg kritisch tegenover de bewering dat wij vandaag op dezelfde manier de zieken kunnen en mogen genezen als onze Heer Jezus Christus en zijn apostelen toen. Dat kun je nalezen in mijn blog over ‘Dove kwartels en blinde vinken’.

GAAF om met je GAVEN Gods gemeente nog GAVER te maken

In onze kerkelijke gemeente (GKV “Het Noorderlicht” in Assen-Peelo) draaien we twee weken lang het projekt GAAV! Voor een christen is het vooral GAAF om bij God te mogen horen. Paulus heeft dat ontdekt in Romeinen 12. God is zo goed en zo barmhartig voor ons is. En dus zegt hij:  Denk niet van jezelf dat je geweldig bent. Nee, wees verstandig en bedenk dat er voor God maar één ding belangrijk is: dat je gelooft in Jezus Christus. (Rom. 12:3 – Bijbel in Gewone Taal). Het gaat dus allereerst om je houding en je motivatie. Wat voor christen wil jij zijn? Eentje die zichzelf geweldig vindt? Of eentje die heel erg blij is met God als Vader en Jezus als Redder en Vriend?Gewoon Doen 01

Vervolgens mag je dat ook laten zien. Hoe kun je dat? Nou, zegt Paulus: gewoon doen! In beide opzichten. Doe maar gewóón! En dóe maar gewoon!  Gewoon doen waar je goed in bent vanuit je geloof Jezus Christus. Zonder hoge pretenties de gaven die je van God gekregen hebt inzetten. Zo ontdek je vanzelf je plekje in de kerk, in het lichaam van Christus. Want iedereen kan en mag meedoen. Met hoofd en hart en handen.

Mensen die met hun handen werken hebben die gave van God gekregen. Neem Besaleël, een goudsmit, en Oholiab, een tapijtenwever. Dat waren in de tijd van Mozes twee vaklieden die alle voorwerpen in de tabernakel, de tentkleden, de priesterkleding en alle versieringen mochten ontwerpen en uitvoeren. Want God had hun uitzonderlijke talenten op dit vakgebied geschonken, zodat ze al die technieken beheersten. Naast deze twee begaafde personen waren er nog meer vakmensen aan wie de HERE de wijsheid en het inzicht gegeven heeft die hiervoor nodig zijn. Ook die waren graag bereid om mee te bouwen aan een huis voor God. Heel het volk werd er enthousiast van, ze brachten zoveel geschenken en materiaal voor de bouw van het heiligdom, dat ze binnen de kortste keren genoeg hadden. (Lees het na in Exodus 35:30 – 36:7). Merk je hoe waardevol jij bent als je goed met je handen kunt werken? Laat maar gewoon je handen wapperen in de gemeente. Het is een talent dat je van God gekregen hebt.

Ook mensen met een goed verstand hebben die gave van God gekregen. Neem koning Salomo. Hij mocht vragen wat hij maar wilde toen hij vrij jong al zijn vader David moest opvolgen. En wat koos hij? Geen roem, geen rijkdom, geen lang leven. Hij ging voor wijsheid. Wijsheid om Gods volk zo goed mogelijk te kunnen besturen. En God gaf hem dat ook. Zelfs de moeilijkste kwesties, zoals met die twee vrouwen – wie van hen was de echte moeder van het  nog levende kind? (Lees het na in 2 Koningen 3:1-28). Zie je dat jouw gave om goed leiding te kunnen geven net zo waardevol is in de ogen van God? Gebruik maar gewoon je hoofd in de gemeente. Het is een talent dat je van God gekregen hebt.

En dan heb je ook nog mensen die vooral hun hart volgen. Ook dat is een grote gave van God. Neem de arme weduwe die in de tempel kwam. Jezus zag wat ze deed: ze gooide een  paar muntjes  in de offerkist. Twee keer 20 eurocent zeg maar. Het stelde niet zoveel voor in vergelijking met de briefjes van 20 en 50 die veel andere tempelgangers er in stopten. Maar in de ogen van Jezus was deze gift het meest waardevol. Want ze gaf blijmoedig van haar armoede alles wat ze had. Zoveel hield ze van God en van zijn huis, de tempel. (Lees het na in Markus 12:41-44). Voel je hoe blij Jezus is als jij vandaag vanuit je hart je inzet voor God en mensen? Laat maar gewoon je hart spreken in de gemeente. Het is een talent dat je van God gekregen hebt.Gewoon Doen 02

‘Maar waar moet ik beginnen?’ Nou, zou ik zeggen: begin maar gewoon, gewoon doen, elke dag een stukje beter. Ieder op z’n eigen plek. Ieder in z’n eigen functie. Maar allemaal met dezelfde motivatie: dat je gelooft in Jezus Christus. Dan is het GAAF om je GAVEN in te zetten om Gods gemeente nog GAVER te maken.

Pastorale problemen en een verschuivende geloofsleer

Je loopt als gelovige ergens tegen aan. De praktijk botst met wat je altijd zo geleerd hebt. En je vraagt je af: klopt de bijbelse leer wel? Je denkt er over na en je gaat studie maken van het onderwerp dat je zo bezig houdt. Aan het eind kom je tot de konklusie: in zijn Woord spreekt de HERE er anders over dan ik altijd gedacht heb. Onze gereformeerde leer zoals we die in de belijdenisgeschriften geformuleerd hebben, komt niet helemaal overeen met wat de Bijbel erover zegt.Vervolgens schrijf je een boek of een artikel om anderen te laten delen in je nieuwe visie op dit onderwerp. Of je draagt het uit bij een inleiding op de bijbelstudievereniging of, als je predikant bent, vanaf de kansel.

DENKPROCES

Niets mis mee, zou je zeggen. Zo moet dat toch? Bestudeer de Bijbel, want zo wil de Heilige Geest je wijsheid geven. (Johannes 5:39 en 2 Timoteüs 3:15). En dan is het toch prima als je samen tot nieuwe konklusies komt? Het Woord van onze God moet immers in alle tijden een aktuele toepassing krijgen? Toch vraag ik mij af of het denkproces wat hier plaats vindt wel juist is. Wat mij al een tijd lang opvalt is, is het volgende. Vanuit de praktijk wordt de theorie geherformuleerd. Maar dan wel op een wijze, die volgens mij te weinig recht doet aan de bijbelse fundering van dat specifieke stukje geloofsleer waar men tegen aan loopt.  Deze manier van denken vind ik te kort door de bocht.  Dat zal ik straks uitleggen. Eerst een aantal voorbeelden.

1) GEREFORMEERD MAAKT DEPRESSIEF

Veel gereformeerde mensen staan niet echt blij in het leven. Integendeel, ze hebben een negatief zelfbeeld en zijn daarom sneller depressief. De oorzaak is ook bekend: in de Heidelbergse Catechismus staat het zinnetje: ‘Wij zijn zo verdorven, dat wij helemaal onbekwaam zijn tot iets goeds en uit op elk kwaad.’ Zie je wel, dat de gereformeerde leer depressieve mensen maakt? En daarom kom je vanuit de liefde van God tot een positiever mensbeeld.

2) WIE LIJDT ER HET MEEST?

Als christen kom je om je heen en in je eigen leven soms zoveel leed tegen, dat het bijna niet te dragen is. Hoe kun je daar pastoraal mee omgaan, als je tegelijk in de kerk hoort, dat de Here Jezus gelukkig het ergste lijden voor ons aan het kruis gedragen heeft? Daarmee suggereer je tegenover mensen in grote nood: je eigen moeiten en verdriet kunnen nog zo erg zijn, maar vergeleken met het lijden van Jezus Christus valt het daarbij in het niet. Vanuit je pastorale bewogenheid kom je vervolgens tot de theorie, dat de Here Jezus juist met ons kan meevoelen, omdat Hij als mens precies hetzelfde lijden heeft doorgemaakt als wij.

3) IN LIEFDE TROUW ZIJN

Je kent persoonlijk een paar medechristenen met een homoseksuele geaardheid. Je wilt graag pastoraal naast deze broeders en zusters gaan staan. Want je merkt, hoe oprecht en gelovig velen van hen verlangen naar een man of vrouw om het leven mee te delen. Vanuit je grote bewogenheid met hen kom je na diepgaande studie tot de conclusie, dat in de Bijbel het grote gebod van de liefde, gepaard met levenslange trouw aan de HERE en de naaste, centraal staat. En die nuance vind je ook bij Paulus terug, als hij zegt: ‘Alles is toegestaan, maar niet alles is goed.’ (1 Korintiërs 6:12 en 10:23)

4) MEER VAN DE GEEST

Je ervaart bij jezelf en in de Gereformeerde Kerken een gebrek aan geloofsbeleving. Het lijkt wel, alsof er geen verlangen naar de doorwerking van de Heilige Geest is. Hoe is dat zo gekomen? Na onderzoek in de Bijbel trek je de conclusie dat de gereformeerde belijdenisgeschriften vooral rationalistisch en verstandelijk over het werk van Christus vóór ons spreken en dat er te weinig aandacht is voor het werk van de Geest van Christus ín ons. Tegelijk lees je in deze Bijbel dat daar veel meer ruimte geboden wordt voor (bijzondere) ervaringen van de Geest dan in onze gereformeerde kerken altijd geleerd is.

5) JE MOET DANKBAAR ZIJN

In gesprekken met mede-kerkgangers signaleer je dat velen van hen de verlossing uit de macht van de zonde als een genade-werk van Jezus Christus bestempelen. Maar als je doorvraagt wat dat voor hen betekent, krijg je van diezelfde gereformeerden vervolgens te horen, dat ze nu graag aan God willen laten zien dat ze Hem daar erg dankbaar voor zijn. En je ziet dat ze dat proberen te doen door zelf uit eigen kracht een perfekt gereformeerd leven te leiden. Je komt tot de conclusie, dat de Heidelbergse Catechismus daar mede aanleiding toe geeft door te spreken van Ellende –  Verlossing – Dankbaarheid. Want jezelf verlossen kun je niet, maar je kunt wel zelf laten zien hoe dankbaar je bent. En dat is niet bijbels: ook je heiliging en je christelijke leven is iets wat de Heilige Geest in jou bewerkt en dus een genadegeschenk van God.

6) BLIJVEN STEKEN BIJ DE ZONDE

Tegelijk constateer je in diezelfde gesprekken, dat veel gereformeerde broeders en zusters blijven steken in het ‘ik-ellendig-mens-geloof’ van Romeinen 7. Ze hebben een ‘ja-maar’ geloof en komen maar niet toe aan een nieuwe christelijke levensstijl door de kracht van de Geest, zoals Romeinen 8 daar over spreekt. Als je daar wat dieper over nadenkt, zie je opeens de relatie met de wekelijkse voorlezing van de Tien Geboden en de vele zondagen van de Catechismus over de Wet. Daardoor krijg je als christen ook gemakkelijk een schuldgevoel aangepraat. Want je moet dankbaar zijn, maar wat brengen je ervan terecht? En dus ga je nog beter je best doen met het leven onder de wet. Zet daar de Bijbel eens tegenover! Die heeft toch duidelijk ook oog voor die andere insteek, nl. de roeping om vrij te zijn en het ‘ik-vermag-alle-dingen-door-Hem-die-mij-kracht-geeft-geloof’.

7) MET DE KINDERDOOP DE GENADE OP ZAK

Je ergert je aan zoveel lauwheid bij al die gereformeerde gelovigen. Tegelijk zeggen ze allemaal wel, dat ze kind van God zijn en bij het verbond horen. Net alsof je dan automatisch ‘binnen’ bent! En plotseling besef je, dat de kinderdoop daar een belangrijke oorzaak van is. Dat wekt de indruk dat je Gods genade altijd paraat hebt. Maar in de Bijbel lees je, dat mensen zich bewust tot God bekeren moeten, want ‘wie gelooft en zich laat dopen zal gered worden’ (Markus  16:16). Zie je wel? Door al die nadruk op het verbond en de kinderdoop kweek je gemakzuchtige gelovigen.

LANGE HALEN – SNEL THUIS

Ik herken heel vaak de pastorale problemen in bovenstaande situaties. Maar naar mijn bescheiden mening wordt er bij de oplossingsrichting een denkfout gemaakt. We signaleren een pastoraal probleem en we denken dat het aan de gereformeerde leer ligt. En dus doen we ons best om aan te wijzen waar de gereformeerde manier van omgaan met de Bijbel niet klopt. Of waar de gereformeerde belijdenisgeschriften het aan het verkeerde eind hebben. Die analyse is, denk ik, meestal niet terecht. Met als gevolg, dat de oplossing ook niet deugt.

In de meeste gevallen is er wat anders aan de hand. Niet de gereformeerde leer is de oorzaak van persoonlijke moeiten of een gezamenlijke eenzijdigheid. Nee, het zijn de kloven tussen geloof en ervaring en tussen leer en leven die ons vaak parten spelen. Dan is het mij te gemakkelijk om te zeggen, dat de gereformeerde leer de oorzaak van alle ellende is.

Het is volgens mij niet moeilijk om bij elk van de zeven genoemde voorbeelden vanuit de Bijbel, maar zeker ook vanuit de gereformeerde belijdenisgeschriften aan te tonen, dat de geschetste problematiek vooral z’n oorzaak vindt in onze eenzijdigheid.

1) De gereformeerde leer maakt mensen niet depressief, want er wordt een reële uitweg uit de ellende aangewezen.

2) De gereformeerde leer erkent de diepte van het lijden en ziet reikhalzend uit naar de verlossing van geest, ziel, lichaam en schepping.

3) De gereformeerde leer ontkent niet dat iedere christen tegenover God zichzelf mag zijn, maar wil graag dat we onze individuele keuzes op die van Jezus onze Heer afstemmen.

4) De gereformeerde belijdenis staat vol van ervaringen door de Geest, waardoor we Jezus leren omhelzen en van binnen volstrekt bovennatuurlijk, liefdevol en wonderbaar worden aangeraakt.

5) De gereformeerde belijdenis leert ons juist om niet naar onze prestaties te kijken, maar naar onze motivatie.

6) De gereformeerde belijdenis zelf geeft duidelijk aan dat Christus ons door zijn Heilige Geest vernieuwen wil.

7) En de gereformeerde belijdenis neemt juist duidelijk afstand van de gedachte dat als God in de doop met jou zijn verbond sluit, je vanzelf automatisch de hemel binnen komt.

DE ‘BASICS’ WEER VAN ZOLDER HALEN

De gepresenteerde oplossingen gaan allemaal teveel uit van de praktijk. Om die kloppend te maken bij pastorale nood of om te vormen naar de eigen wenselijkheid, wordt de oorzaak bij de gereformeerde theologie gezocht. Die moet dan worden aangepast.

Het is veel moeilijker om eerst zelf als gereformeerd christen en zelf als gereformeerde kerken kritisch voor de spiegel van Gods Woord te gaan staan. En om daarna te constateren, dat we op een bepaald gebied scheefgegroeid zijn, terwijl onze papieren (de Bijbel én onze belijdenissen) heel evenwichtig zijn en daarom heel goed in staat zijn onze geloofsleer en ons geloofsleven prima in balans te houden.

Vervolgens is het nog moeilijker om te belijden, dat het dus onze eigen persoonlijke en collectieve schuld is, dat we in bepaalde eenzijdigheden zijn vervallen, en dat we daarom terug moeten keren naar de weg die God Zelf ons allang in de Bijbel heeft aangewezen en waar onze voorvaders in de gereformeerde belijdenissen allang oog voor gehad hebben.

Voor mij ligt de uitdaging hem hierin, om weer persoonlijk en gezamenlijk te gaan beleven, wat we allang als geloofskennis in onze bijbel en in onze belijdenisgeschriften hebben staan. Dan schuiven we de oorzaak van allerlei moeiten en ontwikkelingen niet langer op onze gereformeerde geloofsleer, maar maken we ons, door de Geest geleid, weer eigen wat we in Christus al lang op papier hebben staan.