Hoe donkerder de nacht, hoe helderder de ster!

wijzen-oosten-sterKerst is het feest van de ster. Want de dagen van Kerst, dat zijn voor de meeste Nederlanders feestdagen. Of je nou gelooft in het Kerstkind of in de Kerstman. Of je nu naar een Kerstdienst, een Kerstconcert of een Kerstmarkt gaat. En het wemelt in deze dagen van de sterren. Kerststerren. In prachtige variaties zie je ze op heel veel voordeuren; in eetbare vormen kom je ze tegen als besneeuwde koekjes bij de koffie -o nee, warme chocolademelk natuurlijk- en  als nagerecht tijdens het kerstdiner.

In de Bijbel heeft de ster van Kerst niet zoveel met gezelligheid te maken. Maar meer met een zoektocht. ‘De wijzen, de wijzen, die gingen samen reizen, vertrouwend op een koningsster, zij wisten niet hoe ver.’ Op zoek. Met een ster als TomTom. Op zoek naar de pasgeboren koning van de Joden. Want die brengt vrede. Vrede op aarde voor alle mensen.

Die zoektocht ging niet vanzelf. ’t Was wel even zoeken voor die wijzen. Eerst in hun studieboeken. Want wat betekende die wonderlijke samenstelling van een aantal sterren en een paar planeten precies? ‘Aha! De koningsster van Juda!’ En dan, óp naar Jeruzalem! Maar daar was geen prinsje geboren. De joodse geleerden zeiden tegen hen: ‘Je zou het es in Betlehem kunnen proberen. Misschien vind je Hem daar.’ Maar, zeiden ze er niet bij, we geven jullie weinig kans; onze God zal toch niet via heidenen als jullie aan ons vertellen dat de beloofde Messias die vrede brengt gekomen is?

Misschien ken je het verhaal van de vierde wijze. Artaban zou met die andere drie, met Balthasar, Melchior en Caspar meereizen. Zij met hun goud, wierook en mirre, hij met drie kostbare edelstenen. Maar hij werd opgehouden door iemand die beroofd was. Doordat hij die man verzorgde, miste Artaban als barmhartige samaritaan de karavaan. Dus ging hij later, want hij moest en zou die koning der Joden ontmoeten. Maar toen hij in Betlehem kwam, waren Jozef en Maria net naar Egypte gevlucht. En toen hij naar Egypte reisde, kon hij ze daar niet vinden. Zo liep hij aldoor achter de feiten aan. Maar hij bleef zoeken. Op zoek naar die koning, van wie hij de ster aan de hemel had zien staan, de koning die licht en vrede zou brengen over heel de aarde. En zo komt hij jaren laten op dag voor de zoveelste keer in Jeruzalem aan en daar hoort hij dat er een man gekruisigd zal worden, Jezus van Nazareth, de Koning der Joden. Pas dan, op het moment dat Jezus aan het kruis sterft, vindt Artaban, de vierde wijze, zijn koning. Pas dan, op dat moment, ervaart hij dezelfde diepe vreugde die de andere drie wijzen vervulde toen ze de ster boven het huis in Bethlehem zagen staan.

Ik vind dat verhaal van die vierde wijze een mooie legende. Het is zo herkenbaar, vind je ook niet? Voor jezelf. Voor de tijd waarin we leven. Er zijn zoveel mensen die hun hele leven door op zoek zijn. Die achter het geluk aanjagen. Maar wanneer ervaar je nou echt diepe vreugde van binnen? Wanneer hebt je echt vrede met jezelf, met je leven, met de mensen die je lief zijn en zal er vrede in de wereld zijn?

Het verhaal van de wijzen kun je op veel manieren uitleggen. De ster die zij zien, komt plotseling hun leven binnenvallen. Ze worden erdoor gegrepen. En dus volgen ze het licht. Voor ons betekent dat: waar ben jij door gegrepen? Welke lichtpuntjes in deze donkere tijd zie jij en wil jij volgen? Want het is een donkere tijd. Veel mensen met vaak psychische problemen die in onze samenleving zich maar moeten zien te redden. Veel angst voor wat de toekomst brengt met al die vluchtelingen uit Afrika ew, baantjes-inpikkende Oost-Europeanen en al die moslims uit het Midden-Oosten waaronder extremisten die aanslagen plegen. Veel onvrede over de politiek en dus slaan Henk en Ingrid ook op de vlucht naar de meer extremere partijen links en rechts.

Morgenster kerk.pngMaar weet je, hoe donkerder de nacht, hoe helderder de ster! Als je de ster volgt, kom je altijd uit bij het licht! Als je de ster van Kerst volgt, kom je altijd uit bij het Kind. Ja, die ster ís het Kind. Jezus noemt Zichzelf ergens in de Bijbel ‘de Morgenster’. En als je uitkomt bij het Kind, dan begint de verandering bij jezelf. Van binnenuit. Dan gaat de Morgenster op in je hart, staat ergens anders in de Bijbel. Dat is het effekt als je de ster van Kerst volgt. Als je reuze blij met het Kind van Kerst bent. Dat Kind van Kerst is Jezus Christus.

De één ziet hem vooral als voorbeeld. Hij laat namelijk zien dat het in dit leven om liefde en vrede en barmhartigheid gaat. Hij is, zegt Job van Schaik in het Dagblad van het Noorden van 24-12-2016, de ontsnappingsroute uit de prestatiemaatschappij en uit de gapende leegte van het moderne leven. Dat klinkt mooi. Maar Hem echt volgen in zijn levensstijl is razend moeilijk. Want ik en jij en wij – we lijden aan de ernstigste kwaal van deze tijd: de zelf-ziekte. Terwijl Jezus juist laat zien, dat het leven pas zin heeft als je het deelt met anderen – niet uit eigenbelang maar als houding. Een houding waarin je elkaar niet de oren, maar de voeten wast. Die houding omschreef Jezus Zelf eens als: ‘Ik ben gekomen om anderen te dienen. Volg mijn voorbeeld na.’ En het gekke is: die softe karaktereigenschappen winnen het altijd van het recht van de sterkste. En ergens voelen we dat allemaal wel aan. Zeker in deze tijd van Kerst. Vrede op aarde. Mensen die elkaar het licht in de ogen weer gunnen.

Anderen, en zo denk ik er ook over, geloven dat Jezus niet alleen maar het ideale voorbeeld is voor alle mensen. Hij is meer dan dat. Hij is ook de Koning die stierf aan het kruis. Want er viel ook nog wat goed te maken tussen God en mensen. Daarin is Jezus dé Ander die voor mij en jou en ons – ja voor de hele mensheid in de plaats het offer van zijn leven bracht. Zo wordt het ook weer goed in deze (verticale) lijn. Als dat geen diepe vreugde geeft! Ook en vooral daarom knielden de wijzen, net als de herders, voor het kindje Jezus neer. Hij geeft je de vrede met God weer terug.

kerstnachtdienst-2016Kerst is, zou je kunnen zeggen, het feest van de ster. Want feest vieren doe je samen. Samen met elkaar. Samen in deze wereld. Samen tot eer van God. En die ster, waar schijnt die vandaag? Nou, ik hoop in en door ons allemaal. Want Kerst is het feest van ‘vrede op aarde’. Daar zorgt God voor. Door Jezus. Want Hij is de stralende Morgenster. Maar daar gebruikt God mensen voor. Mensen die de ster volgen. Mensen die uit liefde leven. Mensen die het licht doorgeven. Zulke mensen vallen op, staat er in de Bijbel, als sterren die schitteren in de nacht.

Advertenties

ADVENT – van wie ben jij er eentje?

Eén van mijn leraren van de middelbare school had een achternaam die niet zo heel veel voorkwam (1000x in 1947 en 1500x in 2007 volgens www.cbgfamilienamen.nl). Hij hield zich ook bezig met genealogie. Zonder de digitale mogelijkheden van vandaag had hij zijn stamboom al tot ongeveer het jaar 900 na Christus weten terug te herleiden. Op een dag kwam hij iemand tegen met dezelfde achternaam. Hij vroeg: “Uit welke familie kom jij? Wie waren je grootvader en overgrootvader?” Zijn naamgenoot antwoordde hem: “Mijn grootvader is in een kindertehuis opgevoed omdat mijn overgrootvader als bankovervaller jaren in de gevangenis gezeten heeft.” Waarop mijn leraar antwoordde: “Dan zijn wij geen familie, want in onze stamboom komen geen bankovervallers voor.”

Van wie is Jezus er eentje?

Op weg naar Kerst denken christenen tijdens de vier Adventsweken aan de komst van Jezus Christus (en ook aan zijn terugkomst, maar dat terzijde). Naar zijn geboorte, ruim 2000 jaar geleden, werd door veel mensen uitgekeken. Zijn komst was ook al lang van te voren aangekondigd. Hij is de beloofde Immanuel, Zoon van de Allerhoogste, die God als reddende kracht zal geven om tot in eeuwigheid op de troon van zijn vader David te zitten en koning te zijn over het volk van Jakob. Dat klinkt goed! Met Jezus Zelf is niets mis.

Maar als je vervolgens zijn stamboom eens wat beter bekijkt, denk je al snel: je moet er maar eentje willen zijn van zo’n familie! De eerste biografie van Jezus Christus, het Evangelie van Matteüs, begint met een ‘Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham’ (Mat. 1:1). In die stamboom worden vijf vrouwen genoemd, Tamar, Rachab, Ruth, Batseba en Maria. Vaak worden die vijf vrouwen met ere genoemd. En terecht. Ze worden in de Bijbel geprezen om hun geloof. Ze komen op voor hun recht. Ze doen een beroep op Gods beloften. Ze laten zich inschakelen in Gods plan.

Iedereen rotzooit maar wat aan

Er zit ook een andere kant aan de vermelding van deze vijf vrouwen. Namelijk: zou jij er eentje van zo’n familie willen zijn? Bij minstens twee van hen ontkom je niet aan de gedachte: wat maken Gods kinderen er toch altijd weer een puinhoop van. Ze rotzooien maar wat aan. Tamar die met haar schoonvader Juda het bed in duikt omdat hij haar geen recht doet (Gen. 38). Batseba, die in de stamboom van Jezus half-anoniem ‘de vrouw van Uria’ genoemd wordt, omdat David de verleiding niet kon weerstaan om haar eerst zwanger te maken en daarna zijn buurman liet vermoorden om de sporen van overspel uit te wissen (2 Sam. 11). En als derde is daar ook nog Maria, van onbesproken gedrag, maar wel zwanger ‘door de Heilige Geest’ (Mat. 1:18+20, Luk. 35). Dat gelooft niemand als je er niet van overtuigd bent dat God rachabwonderen kan doen. Ook Jozef komt er niet achter of ze in de drie maanden dat ze bij haar oom en tante in Judea was, vreemdgegaan of door iemand verkracht is. En de andere twee namen, die van Rachab en Ruth, zijn vanwege hun afkomst ook al omstreden. Rachab was een hoer uit Jericho die twee Israëlitische spionnen onderdak bood en zo haar eigen leven redde (Joz. 2:1). Ruth was een gelukzoekster uit het gehate Moab, het volk dat uit een incestrelatie ontstaan was (de dochters van Lot gingen allebei met hun vader naar bed, Gen. 19:30-38) en waarvan God gezegd had: ‘Ammonieten en Moabieten zullen nooit ofte nimmer tot de dienst van de HEER worden toegelaten’ (Deut. 23:3).

It’s all about people

Goeiedag hé, denk ik dan, je moet er maar eentje willen zijn van zo’n familie! Precies! Dat is wat Jezus wil! Iemand van hetzelfde soort als jij en ik. Wij rotzooien allemaal maar wat aan in het leven en maken er regelmatig een puinhoop van. En toch gebruikt God dat allemaal om stug door te werken aan zijn eigen plan om via Jezus Christus iedereen die in Hem gelooft, niet verloren te laten gaan, maar te redden en uitzicht te geven op een eeuwig leven in vrede met God en met elkaar. Dat is Gods grote verlangen. Zoals Bill Hybels een keer zei: It’s all about people! Het gaat God om ons! Jezus voelt zich niet te goed om Zelf mens te worden. En het is Hem ook niet te min om een stamboom te hebben waar ieder ander zich voor zou schamen. Hij poetst niets van al die onvolkomenheden weg. Integendeel, je zou haast kunnen zeggen: Jezus is er trots op dat al zijn voorouders van die paupers waren. Daarvoor wilde Hij komen en is Hij gekomen met Kerst. Ja, daarom moest en zou Hij Jezus heten, om zijn volk te bevrijden van hun zonden (Mat. 1:21). Daarvoor gaf Hij zijn leven en liet Hij zijn bloed vloeien op Goede Vrijdag. Daarom is Hij opgestaan met Pasen en laat Hij vanaf Pinksteren zijn Geest royaal over heel de wereld uitwaaieren. Dankzij Hem weet ik mij weer kind van God (Rom. 8:16). En weet ik dat Jezus mijn grote Broer is (Rom. 8:29). Dus hoef ik niet langer naar mezelf te kijken en vol schaamte en schuld te denken: ‘Ben ik er zo eentje?’ Ik mag juist dankbaar omhoog kijken en blij zeggen: ‘U bent me er eentje, Heer Jezus! En ik ben er eentje van U!’

Wonderen van genezing zijn zeldzaam

Bijna had ik een blog klaar waarin ik mijn eigen houding en positie wilde duidelijk maken als het om wonderen van gebedsgenezing gaat. Maar in het Nederlands Dagblad van 17 september 2016 stond een zeldzaam goed artikel van Kim ten Berghe, een missiologe die werkzaam is in Oost-Azië. Kern van haar betoog is: “Wonderbaarlijke genezingen op bijeenkomsten met gebedsgenezers zijn zeldzaam. Dat baseer ik niet alleen op mijn ervaring, maar ook op gezonde logica.” En vervolgens rolt er een artikel uit haar pen … zo to the point verwoord, dat ik het maar in z’n geheel weergeef.

In de afgelopen weken is de discussie over gebedsgenezing en de bijzondere geestesgaven weer opgelaaid. Dit naar aanleiding van een conferentie die is georganiseerd door het Evangelisch Werkverband in de Protestantse Kerk en die is bezocht door vele predikanten. De spreker was een nogal controversiële Amerikaan die een internationale bediening voor genezing claimt, Randy Clark. Zijn werk leidde tot, afhankelijk van met wie je spreekt, een geweldige opwekking, vernieuwing en herstel of een hoop teleurstelling, geloofscrisis en scheuringen.

Zo’n kleine twintig jaar ben ik nu betrokken bij evangelisatie en zendingswerk. In verschillende landen, met allerlei kerken, organisaties en stromingen, waaronder een heel aantal uit de charismatische hoek. Ik heb lang niet alles gezien, maar toch wel genoeg om de volgende, wellicht wat ongenuanceerde uitspraken over dit onderwerp te durven doen.

vals getuigenis

Aandacht voor de gaven en met name genezing wordt vaak gebracht als een aanvulling op hiaten in de kerkelijke theologie. Maar in hun enthousiasme en naïviteit gaan veel nieuwe rekruten van ‘charismaland’ eraan voorbij dat die scene ook zijn theologische hiaten kent.

Zo lijkt het gebod ‘Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste’ wat op de achtergrond geraakt. De claim is meestal dat God iedereen wil genezen, maar dat dat helaas ‘niet altijd’ gebeurt om onbekende redenen. De waarheid is echter dat ook bij de allerberoemdste genezers er maar (zeer) zelden iemand volledig en permanent genezen wordt zonder dat daarvoor een medische verklaring te geven is, en waarbij zowel de ziekte als de plotselinge genezing zichtbaar dan wel onafhankelijk vastgesteld zijn.

Ik ben persoonlijk nooit iemand tegengekomen die bij zo’n campagne is genezen en ik heb zelf ook geen overtuigende genezingen gezien tijdens de bijeenkomsten die ik heb meegemaakt. Natuurlijk heb ik genoeg verhalen in de (christelijke) media gehoord. Maar vaak zijn daar wel aantekeningen bij te maken. Achteraf blijkt bijvoorbeeld nogal eens dat de ziekte weer terugkomt. Of de genezing was gedeeltelijk – de klachten zijn bijvoorbeeld verminderd. Verder waren de klachten nogal eens niet medisch aantoonbaar, zoals een stijve nek of vermoeidheid. Vaak waren mensen onder behandeling van artsen, en kan de genezing ook daaraan worden toegeschreven. Soms is zelfs het hele verhaal van de ziekte en/of de genezing verzonnen om aandacht te krijgen, want die mensen heb je ook.

wereldberoemd

Mijn bewering dat wonderbaarlijke genezingen op bijeenkomsten met gebedsgenezers zeldzaam zijn, baseer ik niet alleen op mijn ervaring, maar ook op gezonde logica. Al zou maar een kwart of een tiende van de zieken die naar zo’n bijeenkomst kwam onomstotelijk wonderbaarlijk genezen worden, dan zouden deze genezers niet alleen worden gevolgd door hordes goedgelovige christenen en wanhopige zieken, maar dan zouden ze in een klap wereldberoemd zijn en uitnodigingen krijgen van bijvoorbeeld ziekenhuizen om daar ook mensen te genezen. Want heel veel mensen zijn überhaupt te ziek om naar zo’n genezingsdienst te komen. Dit gebeurt echter niet.

zendingsveld

Het theologische probleem dat je krijgt als je claimt dat God wonderen wil doen, maar dat blijkbaar maar zelden doet, wordt vaak ‘opgelost’ door te claimen dat wonderen vooral op het zendingsveld gebeuren. Ver weg, bij arme mensen die niet kritisch zijn, maar gewoon geloven. Als we de nieuwsberichten van allerlei charismatische bedieningen moeten geloven, dan stromen in dergelijke oorden de podia vol met genezen blinden en lammen. Maar als zo’n claim dan wordt nagetrokken (zoals Karel Smouter deed met de claim van Willem Ouweneel over genezen blinde jongetjes in Myanmar) dan blijkt het wensdenken dan wel fantasie/leugens/bedrog; u mag kiezen. Ik ben ervan overtuigd dat elders de zaken niet anders liggen dan bij ons.

geen oplichterij

Met dit alles wil ik niet beweren dat genezing per definitie oplichterij is, dat God niet bij machte is om mensen op medisch onverklaarbare wijze te genezen of dat hij dat nooit zou doen. Jezus heeft aangetoond dat hij alle macht heeft, ook over ziekte en de dood. En God doet wat hij wil. In theorie kan hij zelfs een totaal narcistische op geldbeluste genezingsoplichter gebruiken om een van zijn lijdende kinderen wonderbaarlijk te genezen. Maar wonderen gebeuren niet altijd overal en ook niet om de haverklap. En wij kunnen zeker geen golven van genezing ontketenen door bepaalde mensen uit te nodigen en conferenties te organiseren waar we hen op een podium zetten. Gods Geest is niet te organiseren.

werk van duivel

Toch denk ik dat bidden voor zieken heel belangrijk is. Voor de christelijke kerk is het zowel een opdracht als een voorrecht. Maar bidden voor genezing en troost is iets anders dan genezing claimen. In ons eigen gezin hebben we een aantal keren met ernstige ziekte te maken gehad. God heeft ons voor elkaar bewaard, en genezing gegeven na een periode van oprechte gebeden van velen en intensieve medische zorg. Of het een zonder het ander had gekund zullen we nooit weten, maar we zijn dankbaar voor beide.

Ziekte wordt binnen de charismatische genezingsbeweging vaak gezien als het werk van de duivel dat we in gebed moeten bestrijden. Dit beperkte beeld van de werkelijkheid is een ander theologisch hiaat. Ziekte is onderdeel van onze gebroken wereld. Maar ziekte is ook een kanaal waardoor de Heilige Geest krachtig in iemands leven kan werken. Ik herinner me die tijden van ernstige ziekte in ons gezin als tijden waarin Gods Geest vaak voelbaar aanwezig was. In de liefde waarmee we omringd werden. In de vrede om de toekomst tegemoet te zien, wat die ook zou brengen. In kracht om het lijden te dragen. In de genade die genoeg was.

Ik denk dat de Geest nog steeds bovennatuurlijke werkt in de kerk en in deze wereld. Op onverwachte tijden en manieren kunnen er dingen gebeuren die we niet voor mogelijk hadden gehouden. Maar meestal leven we als christenen niet op een dieet van superfoods, maar op de krachtige en eenvoudige voeding van Gods genade, de gemeenschap van heiligen en Zijn Woord. Soms wat eentonig, zoals het manna in de woestijn. Maar genoeg om van te leven, te groeien en ons werk te doen.

Het hele artikel van Kim ten Berghe is, met een viertal foto’s en verwijzigingen naar andere artikelen, ook op de site van het Nederlands Dagblad te vinden onder de nog wat scherpere titel “Wonderbaarlijke genezingen op conferenties zijn heel zeldzaam”. Als zij gelijk heeft met haar bewering is het erg opmerkelijk dat van de ruim 600 personen die de driedaagse conferentie van het Evangelisch Werkverband bezocht hebben alleen al op de vrijdagavond ‘meer dan 60 mensen aantoonbaar genezen [zijn] van ziekten en kwalen’ aldus Jan Lok op zijn weblog https://waargemaakt.wordpress.com/2016/09/11/there-was-is-and-will-be-more/. Raar is dan wel, vind ik, dat velen van hen aangaven’dat minstens 80% van hun kwaal tijdens conferentie genezen was’. Huh? Zulke parttimegenezingen ben ik nog nooit in de Bijbel tegengekomen (nee, ook niet bij die blinde die mensen als bomen zag rondlopen – zie mijn blog over dove kwartels en blinde vinken.

Avondmaal aan huis – de lijn van Calvijn

Waar vier je het Avondmaal? In de kerk of bij mensen thuis? Als gemeente of ook op conferenties en congressen? In Nederland is men binnen de protestants-gereformeerde kerken vanaf het allereerste begin (1570) erg terughoudend geweest met het vieren van het Avondmaal buiten de kerkdiensten om. Dat is voor een deel terecht, denk ik. Het Avondmaal is geen maaltijd van christenen, maar een maaltijd van de christelijke gemeente. Samen als gemeente vieren we dat Jezus onze Heer er zijn leven voor over had om ons weer met God te verzoenen. En dat Hij zijn Heilige Geest gegeven heeft om ons te motiveren tot een nieuw, christelijk leven. Het past dan niet zo goed om ‘kerkje te spelen’ op allerlei plekken waar christenen bij elkaar komen, vind ik. Maar hoe zit het met gemeenteleden die niet meer in de kerk kunnen komen? Kunnen zij het Avondmaal aan huis ontvangen?

avondmaal-brood-en-wijnIn onze gemeente is het al zo’n 15 jaar mogelijk dat gemeenteleden die ernstig ziek zijn of langdurig aan huis gebonden zijn het Avondmaal thuis vieren als zij dat willen. Dat was, zo rond 2000, een nieuwe ontwikkeling. Ruim 400 jaar golden de volgende argumenten om het ‘Avondmaal aan huis’ niet te stimuleren: a) de viering van het Avond­maal moet in de gemeente plaats vinden; b) het ontvangen van het Avond­maal is niet noodzakelijk om behouden te worden; c) de werking van het Avond­maal komt, dankzij de Heilige Geest, ook ten goede aan gemeenteleden die het Avond­maal niet kunnen meevieren.

Maar vanaf het allereerste begin van de Reformatie klinkt er al een tegengeluid. En het is niet de eerste de beste die zich nadrukkelijk vóór de bediening van het Avondmaal bij ernstige zieken thuis uitspreekt. Johannes Calvijn was één van de overtuigde voorstanders van de mogelijkheid om zieken thuis het Avond­maal te laten meevieren. Volgens hem hebben langdurig of ernstig zieke gemeenteleden het recht om het Avond­maal te ontvangen en heeft de kerk de plicht om daaraan te voldoen.

In 1543 waren er een aantal predikanten die Calvijn hierover om advies vroegen. Calvijn geeft dan als antwoord, dat men de gewoonte van de ‘ziekencommu­nie’ (zo werd het Avondmaal aan huis vaak genoemd) mag toelaten waar het nodig en passend is. De enige voorwaarde die Calvijn eraan verbindt is “dat het werkelijk een communio is, dat wil zeggen, dat het brood in de gemeen­schap van gelovigen gebroken wordt.”

calvijn-portret-nlPrecies twintig jaar later, in 1563, schrijft Calvijn nog een keer uitvoerig over de bediening van het Avondmaal bij ernstig zieken thuis. Hij doet dat in een brief aan Caspar Olevianus, één van de opstellers van de Heidelberg­se Cate­chismus. Wanneer je naar het doel van het Avond­maal kijkt, schrijft Calvijn, “meen ik te mogen opmaken, dat zij die of aan een langdurige ziekte lijden of in levensgevaar zijn, niet van een zo groot goed beroofd mogen worden.” Het Avond­maal dient tot versterking van het geloof en is een wapen dat Chris­tus ons aanreikt in de geestelijke strijd die we te voeren hebben. Juist in tijden van een ernstige ziekte en een naderend sterven wordt een gelovige door veel verzoekingen overval­len en beang­stigd. “Mogen wij nu dit bijzonder hulpmiddel van hem wegnemen, waardoor zijn vertrouwen zo versterkt wordt, dat hij zich met vreugde in de strijd begeeft en de overwinning behaalt?” Daarom mag men de zieken volgens Calvijn niet van het Avond­maal weren. “Juist het Avond­maal is symbool van de heilige eenheid van Gods kinderen.” Calvijn bestrijdt, dat het Avond­maal zo een privézaak wordt. “In werkelijkheid is het Avondmaal aan huis een onderdeel van de openlijke viering.” Tenslotte is hij van mening, dat voorkomen moet worden, dat zieken uit bijgeloof, eerzucht of nieuwsgierigheid het Avond­maal willen ontvangen. Daarom wil Calvijn slechts in uitzonder­lijke situaties en wanneer de kerkeraad goed op de hoogte is van de werkelijke toestand van de zieke broeder of zuster, de Avond­maalsviering bij hem of haar thuis toe­staan. Bovendien moet de viering helemaal overeenkomen met de instelling van Chris­tus. Daarom acht Calvijn het wenselijk, dat het Avond­maal “slechts in de kring van de gelovigen en niet zonder onderwijs en liturgie, evenals bij de openlijke viering, gehouden wordt.”

In zijn eigen kerk in Genève gaf de kerkenraad geen gelegenheid voor de ziekencommunie. Het Avond­maal mocht alleen in de zondagse kerkdiensten gevierd worden. Calvijn heeft zich hierbij neergelegd, maar bleef het ermee oneens. Hij zelf zou het brood en de wijn graag aan ernstig of langdurig zieken uitreiken. Juist in hun situatie mag de troost die Christus hen door het Avondmaal geven wil, hen niet onthouden worden, vond hij. Daarom schrijft Calvijn ook in 1558 aan een kerke­raadslid uit Heidelberg: “Dat het Avond­maal bij ons aan de zieken niet bediend wordt, mis­haagt ook mij. En het ligt werkelijk niet aan mij, dat zij die gaan sterven deze troost niet genieten. Zoveel wilde ik wel, dat bij het nage­slacht duidelijk bekend blijft, wat ik gewenst heb.”

In onze vrijgemaakte kerken is ds. E.A. de Boer (nu hoogleraar in Kampen) een van de eersten geweest die weer een pleidooi voerde voor het vieren van het Avondmaal aan huis. In het weekblad ‘De Reformatie’ schreef hij hier in 1988 vier artikelen over. Zijn conclusie was duidelijk: “Ik meen dat kerkeraden, aan wie de herderlijke zorg en de bediening van de sacramenten is toever­trouwd, gezien hun taak en recht en in het licht van het verleden, de ruimte hebben om aan de ernstig en langdurig zieken thuis het Heilig Avond­maal te bedienen. De criteria, waaraan de ziekencommunie moet voldoen, zijn we al tegengekomen. Het Avond­maal moet naar Chris­tus’ instelling gegeven, door een dienaar van het Woord bediend en door een kring van gelovi­gen meege­vierd worden. Het mooiste is, wanneer deze viering plaats­vindt op de Avond­maalszondag.”

kruis-hart.jpgZo doen we het in 2016 in onze gemeente ook. In een huiskamer komen  de predikant, de kringouderling, de kringdiaken en een paar gemeenteleden bij elkaar. De bediening van het Avondmaal vindt plaats in een korte samenkomst waarin we ook samen bidden, uit de bijbel lezen en zingen. Daarmee volgen we helemaal de lijn van Calvijn. Hij vond het o zo belangrijk dat gelovige kinderen van God juist als ze het heel erg moeilijk hebben, het Avondmaal als geloofsmedicijn ontvangen. Om in alle angsten en benauwenissen het oog op de Heer gericht te houden en op Hem te blijven hopen (Psalm 25:15-22). Juist dan wil Jezus onze Heer met het Avondmaal ons geloof versterken en ons ‘bemoedigen met kracht in onze ziel’ (om het met Ps. 138:3b uit de NV’51 te zeggen).

Gebedsgenezers – 10 redenen waarom ik ervan genezen ben

In mijn blog ‘Ziekte en handikap – hoe ga je er als christen mee om’ schreef ik aan het eind, dat er soms wel wonderen van lichamelijke genezing plaatsvinden op het gelovige gebed, maar meestal niet. Ik ben niet de eerste die dat zegt. Joni Eareckson-Tada, die door in ondiep water te duiken volledig verlamd raakte en nooit meer uit haar rolstoel gekomen is, zegt in een interview: “We kunnen overduidelijk zien, alleen al door een terloopse observatie, dat het niejoni-tada-earicksont de wil van God is dat iedereen wordt genezen, omdat niet iedereen is genezen. De mens kan de wil van God niet weerstaan en als het de bedoeling van en de opzet van God was dat alle mensen gezonden zouden zijn, zou niets dat kunnen tegenhouden. We zouden bewijzen ervan zien in de wereld om ons heen, maar we zien dat niet. Dus is het duidelijk niet de wil van God dat iedereen genezen zal worden.” (Het interview is te vinden in Richard Mayhue, De belofte van genezing, pag. 228-241)

Gebedsgenezers beweren bijna altijd het tegenovergestelde. En ze pretenderen vaak dat ze van God de gave van genezing ontvangen hebben. Mij overtuigt het hoe langer hoe minder. Ik wil in 10 punten uitleggen waarom.

  1. Lichamelijke of psychische genezing wordt als tweede werk van onze Heer Jezus Christus aan de vergeving van onze zonden gekoppeld. Christus heeft echter geen twee pijlen op zijn Evangelie-boog die even belangrijk zijn. Als je de Bijbel goed leest, ontdek je dat genezingswonderen het gezag van Jezus om zonden te mogen en kunnen vergeven, onderstrepen. Dat laatste – ‘God heeft mijn zonden vergeven!’ – is voor mij de belangrijkste reden voor een blij en dankbaar christelijk leven.
  2. Dat onze grote God in zijn soevereiniteit ook de gevolgen van de zonde kan gebruiken om zijn Naam in en door de gelovigen groot te maken, wordt door veel gebedsgenezers niet erkend.
  3. Met de woorden die onze Heer Jezus bidt, nl. ´Laat niet wat Ik wil, maar wat U wilt gebeuren’ wordt totaal geen rekening gehouden, sterker nog: die woorden worden weggeredeneerd.
  4. Wanneer er geen genezing plaatsvindt of een ziekte of kwaal keert terug, ligt dat in de meeste gevallen aan bestaande of teruggekeerde hindernissen. Zo worden mensen die het toch al moeilijk hebben, teruggeworpen op zichzelf en hun mate van geloof.
  5. Veel gebedsgenezers zeggen wel, dat ze niet tegen dokters zijn, maar vinden tegelijk, dat je die hele medische gang niet had hoeven maken als je meteen in geloof tot God was gaan bidden. Ook christenen die aan bevrijdingspastoraat doen vinden vaak dat psychische kwalen eerder met demonische belasting te maken hebben dan dat het een ziektebeeld is, en dat gebed en uitdrijving dus belangrijker zijn dan medicijnen en therapieën.
  6. Wanneer iemand niet geneest tijdens een samenkomst, weten gebedsgenezers vaak niet meer te zeggen, dan dat wanneer iemand écht gelooft, ze er niet verbaasd van zullen staan te kijken als diegene op een dag opbelt met de mededeling: ´De Heer heeft mij toch genezen!´
  7. Gebedsgenezers laten alle mensen tot zich komen, zoals ook Jezus en de apostelen dat deden. Maar Jezus genas ook werkelijk allen, evenals de apostelen die onder speciale leiding van de Heilige Geest stonden. Doordat gebedsgenezers iedereen op dezelfde manier toespreken (meer bevelend dan biddend trouwens) wekken ze de suggestie, dat ook iedereen genezen wordt. Dat gebeurt nooit. Dus zelfs al zouden alle gebedsgenezers de gave van genezing hebben, dan is het nog steeds onjuist om daar een bediening van genezing van te maken. Want de vrijmacht van de Heer om door iemands hand sommigen te genezen mag je niet zomaar tot een volmacht maken om álle mensen te kunnen genezen. Daarmee plaatsen gebedsgenezers zich als instrument van God op een te hoge plaats. Zozeer zelfs, dat sommigen (Jan Zijlstra bv.) met een beroep op Petrus en Paulus zweetdoekjes opsturen naar zieken die niet bij hem kunnen komen.
  8. Ik hoor gebedsgenezers bijna nooit uitleggen waarom in het Nieuwe Testament veel christenen wél ziek blijven of níet genezen worden. Paulus heeft een doorn in het vlees en had met ziekte te kampen toen hij bij de Galaten kwam. Trofimus bleef tijdens een zendingsreis ziek in Milete achter. Epafras was zo ziek dat men voor zijn leven vreesde. Timoteüs krijgt het advies om regelmatig wat wijn te drinken voor z´n maag- en darmklachten.
  9. Het valt mij op, dat ook uit evangelische hoek veel mensen het podium opkomen tijdens massale gebedsgenezingsdiensten. Dat verbaast mij, want in die kringen heeft gebedsgenezing een prominente plaats in het gemeenteleven. Dus waarom moet je het dan nog hogerop zoeken als het gebed en de zalving door de oudsten van de gemeente niet geholpen heeft? Waar is de gelovige aanvaarding als duidelijk wordt dat de Heer een andere weg met zijn kinderen voor heeft? Omgekeerd wordt er volgens mij in onze eigen-gereformeerde kring veel te weinig gebeden met zieken om genezing, kracht en vertrouwen. Dan komt de medische of therapeutische behandeling los te staan van het geloof dat de Heer in alle omstandigheden nabij en erbij is. Die eenzijdigheid is er naar mijn mening een belangrijke oorzaak van, dat veel gelovigen hun heil net zo eenzijdig bij gebedsgenezers zoeken, waarbij de medische en psychologische behandelaars hooguit als aanvullend worden beschouwd – wat volgens mij de wereld op z’n kop is
  10. Ik ontken niet dat er ook nu nog genezingen in Jezus´ Naam plaatsvinden. Ik ben er zelf getuige van geweest. Dank de Heer daarvoor! Maar ik mis bij veel gebedsgenezers de gelovige erkenning dat Gods wegen vaak anders gaan dan onze wensen. Blijkbaar geldt dat bij hen voor lichamelijke ziekten niet: die wil de HERE op het geloof allemaal genezen. Daarmee worden mensen teruggeworpen op de mate van hun geloof in plaats van Gods trouw en liefde. Dat lijkt me nogal riskant, want geloven gaat altijd met vallen en opstaan. Ik geloof niet dat God zo werkt. Zijn mate van genade is niet afhankelijk van onze mate van geloof. Dus moet je mensen ook niet in de waan brengen, dat ze, als ze alle hindernissen opruimen, van God lichamelijke genezing zullen ontvangen. Joni Eareckson-Tada verloor bijna haar geloof door de voortdurende druk op haar om te geloven dat God haar echt wilde genezen.

Op grond van deze tien punten geloof ik niet dat Jezus Christus van mij vraagt om in geval van ziekte mijn genezing bij iemand te zoeken die in Nederland of waar ook ter wereld (sommige christen reizen er echt voor naar Afrika, Amerika of Azië – hoe triest!) massale genezingsdiensten belegt.

Als je christen bent, geeft Jezus je daarvoor de plaatselijke gemeente. Daar is Hij met zijn Woord en Geest aanwezig. Daar geeft Hij je oudsten die met je kunnen bidden. Daar krijg je van Hem de kring van broeders en zuster om je heen om je bij te staan. En als genezing dan uitblijft, lijkt het mij niet de juiste weg om vervolgens naar elke persoon toe te gaan die zegt: ‘Ik heb van de Heer de gave van de genezing gekregen, dus kom bij mij in Jezus naam.’ Een goede kennis van mij vond dat net iets te veel lijken op de waarschuwing van Jezus dat er een tijd zal komen, dat je regelmatig zult horen : “Zie, hier is de Christus. Zie, Hij is daar.” Ze vond dat met al die aandacht voor wonderen en tekenen Gods kinderen juist wel eens misleid en verleid zouden kunnen worden. Ze kon wel eens gelijk hebben. Blijkbaar kunnen ook christenen in deze eeuw van welvaart, waarin de medische zorg nog nooit zo hoog en goed geweest is, maar slecht omgaan met chronische ziekte en blijvende handicap. Blijkbaar zijn ook wij als christenen nogal beïnvloed door de leus ‘I want it here, I want ik now’.

Voor wie via YouTube nog wat informatie over de bekende Nederlandse gebedsgenezer Jan Zijlstra wil zien:
http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1129041 (EO/NCRV Netwerk over Jan Zijlstra)
http://www.youtube.com/watch?v=B3jIYzdusW8 (Volkskrant over Jan Zijlstra)
http://www.youtube.com/watch?v=rLAInidPjXU (Genezingsdienst Jan Zijlstra in Zwolle)

 

ZIEKTE en HANDIKAP – hoe ga je er als christen mee om?  

 

Hoe ga je om met ziekte en handikap? Regelmatig hoor ik mensen zeggen dat het Gods wil is dat mensen met lichamelijke of psychische kwalen genezen worden. Want met Jezus is Gods Koninkrijk gekomen en dat ging in de het Nieuwe Testament gepaard met talloze genezingen. Niet alleen door Jezus Zelf, maar ook in het boek Handelingen. Dus mogen, ja moeten wij ook vol geloof en in de kracht van de Heilige Geest in onze tijd hetzelfde durven verwachten door in de Naam van Jezus mensen te genezen van ziektes, handicaps en andere lichamelijke of psychische kwalen.

Ik geloof daar niet in. Wat ik heel opvallend vind is, dat christenen die erg benadrukken dat God ook vandaag nog iedereen genezen wil, vanuit de Bijbel heel veel voorbeelden aanhalen, maar twee van de belangrijkste teksten bijna altijd links laten liggen of geforceerd weg-verklaren.

Job 2 vers 10

Job is de persoon in de Bijbel die alle ellende die een mens mee kan maken in zijn leven in één keer (nou ja … in twee etappes dan) over zich uitgestort krijgt. Eerst raakt hij al zijn bezittingen kwijt en, wat nog veel erger is, komen al zijn kinderen om. En daarna wordt hij ook nog getroffen door een besmettelijke, bijna dodelijke ziekte. Voor Jobs vrouw wordt het allemaal teveel. Ze kan niet meer geloven dat er een God bestaat die dit allemaal toelaat. De reaktie van Job is dan: ‘Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet van Hem aanvaarden?’ (Job 2:10a) Die woorden sprak Job niet nadat hij al zijn kinderen en bezit­tingen verloren had, maar nadat hij plotseling doodziek geworden was. Meteen na deze opmerking van Job typeert de verteller zijn woorden als volgt: ‘Ondanks alles zondigde Job niet en sprak hij geen onvertogen woord.’ (Job 2:10b) Als je gelooft dat de Bijbel door de Heilige Geest geïnspireerd is, dan betekent deze uitspraak over Job dus, dat voor een christen ook een ernstige ziekte of een handicap onder het kwaad kan vallen dat God in zijn wijsheid gebruikt om ons als zijn kinderen dicht bij Hem te houden.

Romeinen 8 vers 28

In Romeinen 8:28 staat dat ook heel duidelijk. ‘Wij weten dat voor wie God liefhebben, voor wie volgens zijn voornemen geroepen zijn, alles bijdraagt aan het goede.’ Deze woorden spreekt Paulus uit in het bredere verband van Romeinen 8:18-39. Daarin gaat het over lijden en vervolging, over ellende en tegenspoed, over zinloosheid en sterfelijkheid. Ik las ergens bij een enthousiaste aanhanger van gebedsgenezing, dat ‘ziekte’ iets heel anders is dan ‘lijden’, want lijden overkomt je omwille van je geloof en ziekte is een gevolg van de zondeval. Dus doet God alle lijden dat zijn kinderen ondervinden vanwege hun geloof in Jezus meewerken ten goede. Maar voor ziekte geldt: dat is een gevolg van de zonde (bij veel gebedsgenezers meestal: van jouw zonden of die van jouw voorgeslacht). Daar mag je nooit in berusten, dus als je met ziekte te maken krijgt, moet je je verootmoedigen, schuld belijden en vol vertrouwen bidden om herstel en genezing. Ik verbaas mij altijd weer over deze versimpeling van wat er in de Bijbel staat. In Romeinen 8:18-39 gaat het namelijk niet alleen over lijden vanwege je geloof’ maar ook over het lijden van de schepping als gevolg van de zonde. En het gaat niet alleen over vervolging en het zwaard (waarbij het nog maar de vraag is of dat altijd geloofsvervolging is of dat je als christen helaas net in de hoek zit waar de klappen vallen), maar ook over tegenspoed, ellende, honger, armoede en gevaar. Dat lijken mij algemene dingen die je als christen kan overkomen. En die je de ene keer te lijf gaat en waar je de andere keer in berust. En al die dingen die je als christen kan overkomen, inclusief ziekte en handicap, vallen bij Job en Paulus onder ‘het kwaad’. Dat mag je allemaal in gebed bij God brengen, in het vaste vertrouwen dat God dankzij Jezus je hemelse Vader is, en dus twijfel ik er niet aan ’of Hij zal mij voorzien van alles wat ik voor lichaam en ziel nodig heb, en ook elk kwaad, dat Hij mij in dit moeitevol leven toedeelt, voor mij doen meewerken ten goede.’  Want Hij is zo machtig, ‘dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen.’

Rustgevend Evangelie

Deze laatste twee citaten komen uit de Heidelbergse Catechismus (Zondag 9:26 en Zondag 10:27). Heerlijk evenwichtig vind ik dit. Ik hoef niet alles te kunnen begrijpen wat mij in dit leven overkomt. Ik hoef ook niet alles te kunnen verklaren wat er in mijn leven gebeurt. Ik hoef me ook niet op voorhand moedeloos en apathisch neer te leggen bij elk kwaad wat mij  treft. Ik mag alles aan Hem vertellen, ik mag alles aan Hem vragen, en nadat ik alles in zijn hand gelegd heb, mag ik het loslaten in het vaste vertrouwen, dat God niet moet doen wat ik wil, maar dat gebeurt wat Hij goed vindt voor mij.

Dat is wat anders dan dat ik geloof dat God elke ziekte wil genezen. Natuurlijk kan Hij dat. En Hij zal er voor zorgen ook. Op de dag dat Jezus terugkomt. Dan zullen er alleen nog maar tranen van blijdschap vloeien, want dan zal er geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, pijn, geen ziekte, geen handikap ziekte, geen hongersnood, geen oorlog, geen natuurrampen en wat dan ook.

Maar vandaag is dat alles er nog wel. En volgens mij vraagt God niet van ons, dat we het nu al allemaal proberen weg te bidden. Als het om ziekte en handikaps gaat, is volgens mij onze eerste opdracht niet: “GENEES de ZIEKEN!”, maar roept Jezus ons op: “BEZOEK de ZIEKEN!” en “BID voor de ZIEKEN!” En trap bij dat laatste niet in de valkuil dat er volgens de Bijbel maar één uitkomst mogelijk is op het gelovig gebed, nl. lichamelijke genezing. Dat gebeurt ook, maar meestal niet. Dat gebeurt ook, maar het is nooit het belangrijkste. Het belangrijkste wat God op het gelovige gebed geeft is zijn Heilige Geest, zodat we er opnieuw van overtuigd raken dat niets van wat er in het leven met ons gebeurt, ‘ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die Hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer.’  (Rom. 8:39). Dat vind ik rustgevend Evangelie, ook als ik geconfronteerd wordt met ziekte en handikap.

 

Over de vraag of we vandaag dezelfde genezingswonderen mogen verwachten als in de tijd van Jezus schreef ik blog DOVE KWARTELS en BLINDE VINKEN – gebeuren er vandaag nog wonderen van genezing?
Over de m.i. te hoge pretenties van gebedsgenezers schreef ik blog Verwacht een wonder – creëer je eigen teleurstelling
Over omgaan met een ongeneeslijke ziekte  schreef ik zeven blogs over het boekje van Mark Ashton, Op weg naar de hemel – met Christus de dood onder ogen zien
Een preek over ‘Ga niet voor het wonder, maar leef uit de verwondering’ n.a.v. Johannes 4 : 43 – 54 

 

Op weg naar de hemel – met Christus de dood onder ogen zien (Mark Ashton – 7)

De eerste opstanding

Ashton Mark On my way to heavenDe eerste christenen geloofden vast en zeker dat de opstanding van Jezus Christus uit de dood Gods omgekeerde antwoord was op het oordeel van ons mensen over Jezus: ‘… u hebt Hem door heidenen laten kruisigen en doden. God heeft Hem echter tot leven gewekt en de last van de dood van Hem afgenomen, want de dood kon zijn macht over Hem niet behouden.’ (Hand. 2:23b-24). Mensen spraken hun oordeel uit. God keerde dat om en gaf zijn oordeel. Zonder de opstanding zouden we die omkering niet kennen. Het was Gods definitieve daad waarmee Hij het leven en de dood van Jezus goedkeurde. Daarmee zegt Hij tegen iedereen: ‘Deze man is Gods Zoon en heeft gedaan waar God Hem voor gezonden heeft.’

Met mijn eigen dood voor ogen stel ik mij de vraag: is dit het einde of niet?

Maar dat was 2000 jaar geleden. Hoe kan ik mij op dezelfde manier als de gelovigen toen optrekken aan Jezus’ opstanding? Als ik toen geleefd had, kon ik de ooggetuigen opzoeken en hen aan een kruisverhoor onderwerpen. Nu kan ik dat niet. Maar ik moet mijn eigen dood onder ogen zien, dus stel ik me de vraag: is dit het einde of niet? Ga ik de nacht in en blijft er niets van me over? Dan is alles wat ik op aarde gedaan heb, behoorlijk zinloos. Of is er iets voorbij het graf? Is er leven na dit leven, waar alle gebreken van ons huidige bestaan worden gladgestreken?

Jezus is opgestaan

Jesus Alive0008Mijn dood dwingt me om de opstanding van Jezus onder ogen te zien. Het is niet langer een kaal historisch feit voor mij. Het is van cruciaal belang voor iedere persoon die de eigen dood eerlijk onder ogen ziet. Totdat ik dood ben kan ik niet weten wat er na mijn dood met mij gebeuren zal.

Mijn dood dwingt me om na te denken over de opstanding van Jezus.

Maar Jezus is al opgestaan. Als ik Hem nu ken, zal ik Hem ook dan kennen. Hij is mijn zekerheid in het sterven. Zijn opstanding is de kern van het christelijk geloof.

Liefde voor zondaren

Wij sterven allemaal als grote zondaren die gered worden door de grote genade van een nog grotere God. Begrafenisredes geven zelden een eerlijk beeld van het leven van de overleden persoon. Het goede wordt verheerlijkt, het slechte uitgebannen. Maar als christenen eraan herinnerd worden wie ze werkelijk waren, inclusief hun fouten en gebreken, hun slechte gewoontes en intolerantie, hun momenten van hardvochtigheid en onvriendelijkheid, dan ontvangt Christus daardoor nog meer glorie. Want Hij is het die ons redt ondanks onze zonde; en die van ons houdt, zelfs als we zwak zijn. Onze redding is niet het gevolg van onze daden op aarde, maar te danken aan de ingreep van een liefdevolle God, die ons gered heeft ondanks wie wij zijn en wat we gedaan hebben. En als Hij ons kan redden, dan kan Hij iedereen redden!

Laten we vertrouwen op Gods liefde voor ons.

Daarom is het zo belangrijk om realistisch en bijbels over de dood te spreken. Als ik sterf wil ik tegen hen van wie ik gehouden heb en die van mij gehouden hebben zeggen: ‘Prijs mij niet de hemel in – herinner je de werkelijkheid, dat ik iemand was die je soms het bloed onder de nagels weghaalde, die je irriteerde, die je liet zitten, die je teleurstelde, die je verwondde. Dus alsjeblieft, herinner je geen perfecte relatie met mij. Het was goed, maar het had veel beter kunnen zijn. Ik hield van je, maar ik had meer van je kunnen houden – net zoals jij van mij hield, maar meer van me had kunnen houden. Dus laten we niet vertrouwen op onze liefde voor elkaar. Laten we vertrouwen op Gods liefde voor ons. Dat zal de relatie van ieder van ons met Jezus sterker maken, ook als onze onderlinge relatie zal veranderen door mijn dood.”

Mijn gebed

Het is mijn gebed voor mijn familie en mijn vrienden, dat mijn dood voor hen allen een enorme versterking en versteviging van hun relatie met Jezus zal zijn.

Nawoord

Ashton Mark fotoMark Ashton was 23 jaar predikant van St Andrews the Great in Cambdrigde. Hij werd christen op zijn 20ste tijdens zijn studie in Oxford. Hij was getrouwd met Fiona, vader van Chris, Clare en Nick en opa van Caleb.

Mark kreeg de diagnose van niet te opereren galblaaskanker in december 2008. Tijdens de 15 maanden die daarop volgden, wilde Mark het goede nieuws van Jezus met iedereen delen, zoals hij sinds zijn bekering gedaan had. Hij zag zijn naderende dood met vertrouwen –en zelfs vol verwachting– tegemoet vanwege zijn geloof in de opgestane Christus. Mark stierf vredig met zijn familie om hem heen in april 2010.

Aan het eind, toen zijn spraak beperkt was tot af en toe een woord of twee, sprak hij regelmatig de woorden “Bijna thuis”.

Dit is de zevende en laatste aflevering van mijn Nederlandse weergave van het boekje On my way to Heaven Facing death with Christ, geschreven door Mark Ashton, predikant van St. Andrews the Great in Cambridge, nadat hij op zijn 60e hij te horen gekregen had dat hij een ongeneeslijke vorm van kanker had. Een kort getuigenis van hem is te beluisteren op  YouTube https://www.youtube.com/watch?v=H7Y_GJMnj_4.

Lees ook Aflevering 1 en Aflevering 2 en Aflevering 3 en Aflevering 4 en Aflevering 5 en Aflevering 6.