De erfenis van Eva – over de vrouwen in de gemeente van Efeze

Wat was voor Paulus de aanleiding om aan Timoteüs te schrijven dat vrouwen in de kerkelijke samenkomsten geen onderwijs mogen geven en geen gezag over mannen mogen uitoefenen? In februari 2002 schreef Jan Boersma, predikant binnen de GKV, hier een kort verhaal over in het blad CV/Koers. Ik vond het interessant genoeg om het voor het voetlicht te halen nu de GKV-kerken besloten hebben om vrouwen in de ambten toe te laten en mag het met instemming van de schrijver hier plaatsen. De gecursiveerde woorden in dit verhaal zijn citaten uit 1 Timoteüs 2:9-15.

De erfenis van Eva

Paulus staart naar het plafond. Hij zucht. Hij is blij dat deze dag is afgelopen en dat hij nu eerst een paar uur kan slapen. Van dit soort dagen moet je er niet te veel hebben. Het verhaal waarmee Trofimus vandaag aankwam uit Efeze, is in elk geval niet bevorderlijk voor zijn nachtrust. Timoteüs en de andere leiders van de gemeente in Efeze hebben het moeilijk. Allerlei zaken dreigen daar uit de hand te lopen. Het gezag van de apostel is nodig om orde op zaken te stellen in de gemeente. Gelukkig was Silvanus meteen bereid om samen aan een brief te beginnen. Maar moeilijk is het wel. Want sturen op een afstand, hoe doe je dat op een goede manier? Lang ligt Paulus te denken en te woelen, voordat hij eindelijk in slaap valt.

De volgende dag zitten ze met z’n drieën bij elkaar in de werkplaats: Paulus, Silvanus en Trofimus. Al snel komt het gesprek weer op de situatie in de gemeente van Efeze. Het is duidelijk dat Trofimus zich zorgen maakt. “Eén ding heb ik gisteren nog niet verteld,” zegt hij. En zuchtend gaat hij verder: “Sommige vrouwen maken er echt een toestand van. Niet allemaal hoor, maar er zijn er een paar bij… Niet te zuinig. Ze zeggen dat ze in de samenkomsten het woord willen voeren, omdat ze ook iets te zeggen hebben.” Paulus kijkt naar Trofimus. “Ja en? Wat is dan het probleem?” Trofimus kijkt zorgelijk. “Timoteüs heeft al een paar keer de samenkomsten voortijdig af moeten sluiten vanwege het tumult dat die vrouwen maken. Het lijkt af en toe meer op een kippenhok dan op een eredienst.” Paulus moet even lachen als het beeld zich al te letterlijk aan hem opdringt. Maar de ernst van de situatie wint het.

“Vertel eens precies wat er aan de hand is,” zegt hij tegen Trofimus. “Wel,” begint Trofimus aarzelend, “Een aantal vrouwen in de gemeente zijn aan het doorslaan. Het begon met één of twee van hen, maar al gauw deden een heleboel anderen ook mee. En dan bedoel ik, dat ze zichzelf op een verkeerde manier op de voorgrond dringen. Ze roepen allerlei dingen over vrijheid en waardigheid, maar het is duidelijk dat ze wel een klokje hebben horen luiden, maar ze weten niet waar de klepel hangt.” “Wat bedoel je precies?” wil Paulus weten. “Nou,” gaat Trofimus verder, “Toen ze net bij de gemeente hoorden, waren ze blij met alles. En vooral dat ze nu eindelijk echt meetelden. Als vrouwen, bedoel ik. Je weet wel: omdat voor onze Heer alle mensen evenveel waard zijn.” Paulus knikt en Trofimus gaat verder: “Maar de laatste tijd hebben ze daar een vreemde draai aan gegeven. Nu ze de vrijheid hebben geroken, is het net alsof ze geen enkele leiding meer willen aanvaarden. Ook niet de leiding van onze Heer. En wat Timoteüs ook zegt, ze luisteren niet naar hem. Ondertussen dragen ze die ideeën van hun wel uit in de gemeente. Je kunt het aan allerlei dingen merken. Zoals ze zich kleden, bijvoorbeeld. Tunica’s en sieraden – het is allemaal op henzelf gericht: om te laten zien dat zij er wezen mogen. Heel opzichtig. Af en toe is het zelfs regelrecht uitdagend. Je kunt je wel voorstellen wat voor effect dat op een aantal mannen heeft,” besluit Trofimus met een zucht. Paulus kijkt nadenkend voor zich uit. Dan zegt hij langzaam: “Ik wil hier eerst even rustig over na kunnen denken. Silvanus, vanavond gaan we verder met de brief. En dan eerst over dit element.”

’s Avonds zitten Paulus en Silvanus bij elkaar in de bovenkamer. Samen proberen ze de draad van de brief weer op te pakken. “Het lijkt me dat we met de praktische elementen moeten beginnen,” zegt Paulus. “Het laatste dat we opgeschreven hebben, was ook een praktisch punt: over het gedrag en de houding van de mannen. Als we nu beginnen bij een praktisch punt over de vrouwen, sluit dat goed aan.” Ineens knipt hij met zijn vingers. “Ik heb het,” zegt hij. “ Op dezelfde manier ook de vrouwen, dubbele punt. Daarmee is het in één keer heel duidelijk aan elkaar gekoppeld. En daarmee is ook duidelijk, dat heiligheid niet alleen een opdracht is voor mannen, maar voor alle gelovigen.” Silvanus is al aan het schrijven: ‘Op dezelfde manier ook de vrouwen:’. “Oké, en nu die woorden over kleren en zo. Schrijf maar op: ‘dat zij passend gekleed zijn en zich bescheiden en ingetogen opmaken. Laten ze niet willen opvallen door hun haardracht, gouden sieraden, juwelen of dure kleren.’”

Paulus wrijft even in zijn ogen. “Wat is er?” vraagt Silvanus. “Er moet nog iets bij,” zegt Paulus. “Op deze manier zou het kunnen lijken, alsof een vrouw er niet mooi en vrouwelijk uit mag zien. En dat is natuurlijk niet de bedoeling.” “Wat wil je precies zeggen?” wil Silvanus weten. “Ik denk aan de woorden van Trofimus. Dat er vrouwen zijn die aan zulke uiterlijke dingen hun status en hun zekerheid ontlenen. Alsof de waarde van hun leven bepaald wordt door hun vrouwelijkheid en hoe ze dat weten te presenteren. Al of niet met een erotische lading.” “Jij wilt dus eigenlijk zeggen, dat ze de waarde van hun leven ergens anders moeten zoeken,” probeert Silvanus te helpen. “Ja, precies. Want je moet de zekerheid in je leven niet zoeken bij jezelf, maar bij Christus. Respect hebben voor God. En dat laten zien in je leven, in je doen en laten. Dat zijn de sieraden, waar je leven echt mooi van wordt. Vul maar aan: ‘maar door goede daden, zoals dat hoort voor vrouwen die ervoor uit willen komen dat ze God eren.’”

Paulus staat op van de bank, waar hij tot dan toe op gezeten heeft. “Even de benen strekken,” zegt hij. “Want nu komt het moeilijkste gedeelte. Het probleem is dat die vrouwen allerlei dingen roepen zonder dat ze de diepgang van het evangelie gepeild hebben. Zoiets moet het dus worden: dat ze eerst meer van het evangelie gaan begrijpen; dat ze eerst leren luisteren en zich rustig houden. Ja, schrijf dat maar op: ‘een vrouw moet stil en volgzaam naar het onderricht luisteren.’ Dat zijn de trefwoorden, Silvanus: stil en volgzaam. Voordat je iets kunt zeggen over de blijde boodschap, moet je eerst leren om te luisteren, om stil te zijn en niet voor je beurt te praten.”

De pen van Silvanus gaat zacht krassend over het papier. Als hij klaar is, knikt hij. “Ook het woord volgzaam is goed gekozen, denk ik,” merkt hij op. “Het is een goede inhoudelijke omschrijving. Om leiding te kunnen geven in de naam van Christus moet je eerst zelf geleerd hebben wat het betekent om Hem te volgen. Ik neem tenminste aan dat je dat bedoelt.” Even denkt hij na. Dan gaat hij voorzichtig verder: “Maar is het niet te algemeen geformuleerd? Ik bedoel: het is duidelijk wat de boodschap is, maar als je het accent een klein beetje anders legt, lijkt het alsof een vrouw nooit iets zou mogen zeggen. Alsof iedere vrouw altijd alleen maar stil en volgzaam moet zijn. En dus nooit haar mond open mag doen of leiding geven.” Paulus kijkt hem vreemd aan. “Denk je?” vraagt hij. Maar na een poosje nadenken schudt hij zijn hoofd. “Dat lijkt me behoorlijk vergezocht,” zegt hij langzaam, “om dat erin te willen leggen. In elk geval zal Timoteüs die conclusie nooit trekken. En ik denk ook de anderen in Efeze niet. Want dat geldt voor mannen natuurlijk net zo goed: dat je begint met stil zijn en volgzaam zijn. Denk maar aan Trofimus bijvoorbeeld. Nu is hij in staat om leiding te geven. En hij doet het goed, vind ik. Maar in het begin was dat heel anders. Toen wist hij nog maar weinig en hij moest nog een heleboel leren. Als het goed is, leg je niemand overhaast de handen op. Vrouwen niet, maar mannen ook niet. Maar we hebben het nu niet over mensen in het algemeen, het gaat nu over die vrouwenbeweging in Efeze.”

“Maar zou je dan niet beter andere woorden kunnen kiezen?” stelt Silvanus voor. “Ik denk het niet,” zegt Paulus. “Op deze manier komt de bedoeling hopelijk heel duidelijk over. Hoe die vrouwen in Efeze zich op moeten stellen. Ik geloof niet dat ze meteen zullen gaan denken aan een algemene regel. Tenminste, dat kan ik me niet goed voorstellen. Denk alleen al aan wat ze meegemaakt hebben van Priscilla: hoe die in staat is om anderen te onderwijzen in de weg van het geloof. Dat hebben ze in Efeze van dichtbij meegemaakt. Hebben we toen ooit gezegd dat ze haar mond moest houden, omdat ze een vrouw is? En dat ze daarom geen onderricht mag geven? Of heb ik ooit beweerd dat Junia geen echte apostel is, omdat ze een vrouw is? Dat zou toch onzin zijn!”

Paulus haalt geagiteerd zijn schouders op. “Of denk aan de vrouwen die in allerlei gemeentes optreden als profetes. Nee, volgens mij ben je nou bezig om spijkers op laag water te zoeken, Silvanus.” Al pratend wordt zijn gezicht roder. Met grote gebaren onderstreept hij zijn boosheid. “We hebben immers altijd benadrukt dat het evangelie een mens zijn oorspronkelijke waarde weer terug geeft. Ik bedoel de waarde die God bij de schepping aan de mens gegeven heeft. Allerlei verschillen die mensen later aangebracht hebben, tellen voor God niet mee.”

“Rustig maar,” onderbreekt Silvanus hem lachend, “je hoeft mij niet te overtuigen. Ik ben al overtuigd. Ik bedenk alleen maar hoe de woorden in deze brief misschien over kunnen komen bij anderen.” De relativerende woorden van Silvanus hebben meteen hun uitwerking: Paulus ontspant zich. Er verschijnt een voorzichtige glimlach op zijn gezicht. Dan gaat hij verder: “Weet je, volgens mij zou er een heleboel gewonnen kunnen worden, als die vrouwen gaan beseffen dat ze een andere houding moeten hebben. Want nu het zo gaat, wordt er op een verkeerde manier leiding gegeven in de gemeente.”

Silvanus denkt even na. Dan zegt hij: “Als je dat bedoelt, kun je dat er ook bij zeggen, lijkt me. Om misverstanden te voorkomen.” Paulus knikt. “Een goed idee,” zegt hij. “Schrijf maar op: ‘Ik sta niet toe dat ze onderricht geeft of gezag uitoefent over de man. Nee, ze moet stil zijn.’” Langzamerhand verschijnt er een grijns op het gezicht van Paulus. Dan zegt hij langzaam: “Ik denk trouwens wel, mijn beste Silvanus, dat deze woorden op dezelfde verkeerde manier uitgelegd zouden kunnen worden. Maar het doet in elk geval heel duidelijk recht aan de situatie in Efeze.”

Paulus gaat verzitten. Intussen heeft Silvanus een kan wijn en paar bekers gehaald. Als de bekers gevuld zijn, hervat Paulus het gesprek: “Hiermee kan Timoteüs wel aan de gang. En als de dames nog enig respect hebben voor een apostel van Christus, zullen ze zich ook laten gezeggen. Alleen, ik zou ook graag willen, dat ze daar zelf ook van overtuigd raken en dat ze inzien dat het zo moet. En daarom zoek ik nog iets van een motivatie die hen aan kan spreken.” “Ik snap het,” knikt Silvanus. “Met stroop vang je meer vliegen dan met azijn.” “Dat is wel heel kort door de bocht,” reageert Paulus lachend. “Ik dacht eigenlijk meer aan iets anders. Want waarom gaat het uiteindelijk? Dat we vanuit liefde en toewijding bezig zijn voor onze Heer. Niet met tegenzin of alleen maar vanuit een plichtsgevoel. Zo’n sfeer zou ik ook graag weer terug willen hebben in de gemeente van Efeze.” “Hmmm.” Silvanus wrijft nadenkend door zijn haar. “Het gaat erom dat ze eerst moeten luisteren en volgzaam zijn. Eerst het evangelie in zich opnemen. Misschien dat ze dan later wel onderwijs kunnen geven.” “Precies,” zegt Paulus. “Als ze daarvoor de gaven hebben, en als de Heer duidelijk maakt dat Hij hen daarvoor gebruiken wil.”

Ineens lichten zijn ogen op. “Ik heb het! Eva! Dat is een prima voorbeeld.” “Eva? Hoe bedoel je dat? Wat heeft Eva er nou mee te maken?” “Nou, ik bedoel: kijk naar de schepping. Eerst is Adam gemaakt en daarna Eva pas. Is zij daarmee minder dan Adam? Absoluut niet. Ook al verscheen ze pas later op het wereldtoneel, toen ze er eenmaal was, was ze er ook helemaal. Een vrouw naast Adam en tegelijk tegenover hem. Maar hoe dan ook: niet onder hem. En dat is ook precies wat ik die vrouwen in Efeze mee wil geven. Het is helemaal niet erg als ze in de gemeente later op het toneel verschijnen, en als ze eerst een poos op de achtergrond moeten blijven. Daar ben je niet minder om. En je hoeft dus ook niet het gevoel te krijgen dat je terug gezet wordt. Kijk maar hoe blij Adam was, toen God Eva gemaakt had. Schrijf maar op: ‘Adam is het eerst geschapen, daarna Eva.’” Silvanus haast zich om de woorden van Paulus op het papier te krijgen.

Even is het stil. Dan zegt Paulus: Ik wil nog even verder over Adam en Eva. Want in die geschiedenis zitten nog meer elementen die we naar voren kunnen halen.” “Waar denk je dan aan?” vraagt Silvanus. “Ik zie het zo niet meteen.” “Ik denk aan wat ik zonet zei. De Heer heeft Eva bedoeld als een vrouw naast en tegenover Adam. Wanneer gaat het verkeerd? Als de één probeert om boven de ander te staan, om de ander te overheersen of te manipuleren. De ellende daarvan kun je overal om je heen zien, als mannen verkeerd met hun vrouw omgaan, omdat ze hun vrouw als sloofje gebruiken of als voetveeg of erger. Maar andersom kan natuurlijk ook: dat vrouwen proberen om mannen opzij te zetten, omdat ze zelf vooraan willen staan. Dat is precies wat er nu in Efeze gebeurt.” “Maar hoe zie je dan een lijntje lopen vanuit de geschiedenis van Adam en Eva?” wil Silvanus weten. “Nou, dat lijkt me nogal duidelijk. Want wanneer krijgt dat schitterende verhaal zo’n tragische wending? Als Eva op een verkeerde manier het initiatief neemt, en als ze haar man overhaalt om met haar mee te doen aan het kwaad. Die gebeurtenis maakt heel duidelijk, dat niet alleen mannen de fout in kunnen gaan door een verkeerde manier van leiding geven, maar vrouwen evengoed. Met andere woorden: die vrouwen moeten niet de illusie hebben dat zij boven elke kritiek verheven zijn. Ze moeten gaan beseffen dat de satan ook via hun binnen zal komen, als hij die gelegenheid krijgt. Ik wil dat ze eerlijk en kritisch gaan kijken naar hun houding en naar hun optreden. Want als ze dat niet doen, zou het wel eens verwoestende gevolgen kunnen hebben, zoals ook die actie van Eva verwoestende gevolgen heeft gehad.”

“Hoe wil je dat ik dat opschrijf?” vraagt Silvanus. “Ga maar gewoon verder: ‘En Adam werd niet misleid; het was de vrouw die zich liet misleiden en het gebod van God overtrad.’” Zonder te pauzeren praat hij verder: “En schenk nog eens wat wijn in, als je wilt.” Even is Silvanus van zijn stuk gebracht. Dan begint hij te lachen. “Ik neem aan dat ik dat niet op hoef te schrijven.” Paulus fronst zijn wenkbrauwen. Hij begrijpt niet meteen waar Silvanus het over heeft. Maar als de humor tot hem doordringt, begint hij ook te lachen. “Nee,” zegt hij, “dat bewaren we voor Timoteüs.” “Wil jij dan intussen de olie even bijvullen?” vraagt Silvanus, “want zo te zien zal die lamp het niet al te lang meer volhouden.”

Als ze allebei weer aan tafel zitten met een volle beker wijn en bij een lamp die weer helder licht geeft, zegt Paulus: “Zo, nu zijn we er bijna. Eigenlijk had ik hiermee af willen sluiten, maar ik wil toch nog iets meer zeggen. Die opmerking van jou, dat deze woorden misschien verkeerd kunnen vallen en dat vrouwen zich achteruit gezet voelen, is bij me blijven haken. Daarom lijkt het me goed om toch ook heel nadrukkelijk het positieve te benoemen.” “Prima,” reageert Silvanus. En terwijl hij zijn pen weer in de inkt doopt, zegt hij: “Ik ben er klaar voor.”

Paulus denkt hardop na: “Het belangrijkste is natuurlijk dat mensen gered worden en dat ze door Christus een plek krijgen in het koninkrijk van God. Dat wil ik ook meegeven aan de dochters van Eva in Efeze: dat ze gered zullen worden uit een wereld die op weg is naar de ondergang. Maar hoe kan ik dat het beste onder woorden brengen?” “Wil je dat van mij weten?” vraagt Silvanus aarzelend, “of ben je nu in gesprek met jezelf?” Paulus kijkt op. “Het was niet rechtstreeks voor jou bedoeld, nee. Maar ik vind het natuurlijk prima als je meedenkt. Dat weet je wel. Trouwens, dat doe je toch wel. Ook ongevraagd.” Silvanus grinnikt. “Kom op,” zegt hij, “we hebben nog iets af te maken. Je wou nog iets zeggen over die vrouwen, dat ze zich moeten richten op de dingen die werkelijk belangrijk zijn: het eeuwige leven.” “Klopt,” zegt Paulus. “Want wat ze nu laten zien is niet de navolging van Christus in liefde en toewijding. Dat moet er nog bij. Het moet dus worden dat de Heer iets geweldigs met hen wil: dat ze een plek krijgen in zijn koninkrijk. En tegelijk dat ze dat koninkrijk alleen kunnen bereiken op de weg van geloof en van liefde.” “Hoe moet ik dat precies opschrijven?” “Wacht even, want ik ben er nog niet helemaal.” Paulus trekt een diepe rimpel tussen zijn ogen. “Nu zouden ze nog steeds het idee kunnen krijgen dat zij voor het koninkrijk van God verwezen worden naar de zijlijn. Alsof er voor hun niks te doen is. En dat is natuurlijk niet zo. Er is genoeg te doen. Ook voor hun.” “Zeg dan iets over het grootbrengen van kinderen.” Dankbaar kijkt Paulus zijn vriend aan. “Dat is een goeie. Een heleboel vrouwen zullen zich daarin kunnen herkennen, omdat het een groot deel van hun leven vult of gevuld heeft. En het is ook werkelijk één van de belangrijkste taken binnen het koninkrijk van God. Silvanus, je bent onbetaalbaar.” “Ik weet het,” reageert Silvanus droog. “En de verleiding is groot om daar een snedige opmerking bij te maken.”

Maar Paulus’ hoofd staat nu niet naar humoristische opmerkingen. “De vrouwen in Efeze hoeven zich niet nutteloos te voelen na de opmerkingen die ik eerder gemaakt heb. Ze blijven volop meedoen. Want wat is belangrijker dan je kinderen vertellen over God en over zijn grootheid en wat is meer waardevol dan het doorgeven van je liefde voor Christus aan je kinderen? Bovendien,” onderbreekt Paulus zichzelf, “is het ook iets dat Timoteüs op een goede manier duidelijk kan maken aan hen. Want zo heeft hij het zelf ook ervaren, hoe belangrijk een moeder kan zijn. Ga maar na wat hij zelf allemaal wel niet te danken heeft aan zijn moeder Eunike en zelfs aan zijn grootmoeder Loïs. Silvanus, ik denk dat we daarmee dit gedeelte wel af kunnen sluiten.” Paulus dicteert en Silvanus schrijft: ‘Maar ze zal kinderen ter wereld brengen en zo gered worden, als ze volhardt in geloof, liefde en een God toegewijd en ingetogen leven.

Tevreden kijkt Paulus naar het papier. “Volgens mij hebben we alle reden om dankbaar te zijn,” zegt hij. “En laten we dat maar meteen concreet maken. Dan kunnen we meteen ook vragen of deze woorden zegenrijk mogen doorwerken.” Zo besluiten de beide vrienden deze inspannende dag met een gezamenlijk gebed.

 

Advertenties

Blijf stappen zetten op de ladder van het geloof!

Belijdenis jpeg1-001Vandaag, op zondag 5 juni, doen in GKV “Het Noorderlicht”  te Assen-Peelo zeven jongeren belijdenis van hun geloof. Tegen Brenda, Dennis, Harmen, Henrik, Henry, Ruben en Wouter zeg ik, net als Paulus: “Jullie geloven in Christus en jullie horen bij Hem. Daarom mogen jullie God nu alles vragen. Jullie kunnen erop vertrouwen dat Hij jullie zal helpen.” (Efeziërs 3:12 BGT).

Wat ik hen en mij en iedereen vandaag wil meegeven is de les van Efeziërs 3:14-21. Daar is Paulus zó blij met christenen die hun geloof belijden, dat hij meteen zelf gaat doen, waar hij iedereen oproept. Namelijk: vraag maar raak aan God. En wat vraagt Paulus dan? Dit:

Blijf stappen zetten op de ladder van het geloof!

En dan noemt Paulus zeven stappen. Hier komen ze:

Ladder tekst1/ Bid altijd met vertrouwen. Dat is vers 14+15. Je gelooft toch dat God je machtige, hemelse Vader is? Hij regeert over alles in de hemel en op de aarde.  Denk dus altijd groot van Hem!

2/ Bid altijd om kracht . Dat is vers 16. Want als God machtig is (en dat is Hij), wil Hij ook jouw geloof diep van binnen steeds sterker maken. Dat doet Hij door zijn Heilige Geest.

3/ Bid altijd om groei. Dat is vers 17a. Jezus Christus wil namelijk graag altijd in jullie aanwezig zijn. Hij wil geen in bijrol spelen in je leven, bv. alleen op zondag of op bijzondere momenten. Hij wil echt gaan wonen in je hart! Je hart –  de motor van alle onderdelen van je leven. Waar Hij woont, regeert Hij met liefde. En Hij wil graag dat jij daar bewust voor blijft kiezen – door je geloof.

4/ Bid daarom ook altijd om liefde. Dat is vers 17b. Dat Gods liefde in jou blijft en dat jij van God blijft houden en van je naaste. In de liefde moet je al gelovige ‘geworteld en gegrondvest’ blijven, zoals een plant in vaste grond en zoals een gebouw op een stevig fundament. Liefde is de basis van jouw bestaan als christen en ons bestaan als gemeente van Christus.

PHR_3664_15/ Bid daarnaast ook altijd om kennis. Dat is vers 18. Nee, daarbij gaat het niet om bijbelteksten of dogmatische theorieën, maar om het kennen en begrijpen van Gods eeuwenoude reddingsplan waarmee Hij jou en mij en alle andere christenen  weer bij Zich terug wil brengen. De diepte van dat plan (Jezus gaf zijn leven) en de omvang van dat plan (heel de wereld) zijn zo geweldig, dat je daar samen niet over uitgedacht en uitgepraat raakt.

6/ Bid als zesde ook om volheid. Dat is vers 19. Namelijk dat je je steeds weer laat vullen met Gods aanwezigheid in jouw leven. Dankzij Jezus heb je allerlei gaven gekregen om als christen te groeien naar geestelijke volwassenheid. Maar verlang daar ook naar en streef er ook naar!

7/ Tenslotte, zegt Paulus, blijf altijd God bedanken. Dat is vers 20+21. Want Hij heeft alle macht (zoals Michelle Williams zingt: There’s no limit to what You can do, You’re almighty and all powerful).  Dus komt Hem alle eer toe. Altijd via Jezus, vergeet dat niet. En doe het persoonlijk – God bedanken. Maar ook altijd samen met medechristenen. Want ‘onze zeven’ van vandaag, Brenda, Dennis, Harmen, Henrik, Henry, Ruben en Wouter, zijn niet de eersten die tot geloof gekomen zijn. Nee, ze staan in een lange rij van christenen die allemaal tijdens hun leven op God vertrouwden en in Jezus geloofden. Voor ieder van ons vandaag geldt: blijf net als al die andere christenen altijd stappen zetten op de ladder van het geloof.

Efeziërs 3 vers 14 t/m 21   –   Bijbel in Gewone Taal

14 Ik kniel en bid tot God, de Vader. 15 God heerst over alle engelen in de hemel en over alle volken op aarde. 16 Gods macht is groot. Daarom bid ik dat God jullie diep van binnen kracht wil geven door zijn Geest. 17 Ik bid dat hij jullie geloof zo groot maakt dat Christus altijd in jullie aanwezig is. En ik bid dat God door de liefde van Christus de kerk sterk wil maken en wil laten groeien. 18 Ik bid dat hij jullie en alle andere christenen wil leren hoe groot en diep die liefde is. 19 Dan zullen jullie begrijpen dat die liefde groter is dan een mens zich kan voorstellen. Ja, ik bid dat God zelf volledig in jullie aanwezig wil zijn. 20 Gods macht is oneindig groot. Hij kan alles doen wat wij hem vragen, of waar wij aan denken, en zelfs nog veel meer. Zijn macht is nu al in ons aan het werk. 21 Alle eer aan God, in heel de kerk, die bestaat dankzij Jezus Christus. Alle eer aan God, voor altijd en eeuwig! Amen.

 

Een kleine stap in een bepaalde richting: een vrouw op de kansel in de GKV

Ineke Baron preekt in GKVZondag 31 mei 2015 is het zover. Ineke Baron, lid van de GKV van Haulerwijk en gevangenispastor in Veenhuizen, mag de preek verzorgen in een kerkdienst van haar eigen gemeente. Ze doet dit in het kader van haar stage, want ze volgt een opleiding theologie (eerst aan de Theologische Universiteit in Kampen en nu aan het Baptisten Seminarium in Amsterdam) en daar hoort ook het maken én houden van preken bij. Omdat deze stagepreken op video moeten worden vastgelegd en dat in de gevangenis van Veenhuizen niet is toegestaan, heeft Ineke gevraagd of zij, onder verantwoordelijkheid van de kerkeraad en de predikant die voorgaat, de preek mag verzorgen. Daarin heeft de kerkeraad van Haulerwijk na zorgvuldig onderzoek toegestemd.

‘Het is maar stage’ of ‘de strijd is nu beslecht’?

In de landelijke pers werd het nieuws gisteren, 4 maart 2015, bekend en ook meteen, gevraagd of ongevraagd, van kommentaar voorzien. Volgens het Nederlands Dagblad heeft ds. Paul Voorberg, in 2014 voorzitter van de Generale Synode, geen moeite met dit besluit. Het staat, zegt hij, “duidelijk in het kader van haar opleiding en niet in het teken van de vrouw in het ambt, dus laten we hier niet teveel aan ophangen.” Een heel ander geluid laat JT horen op de site werkenaanheid. Hij stelt (overigens onder de nogal denigrerende kop Ach, alleen maar een onderdeeltje van haar opleiding…?) dat nu in de praktijk de wissel richting de vrouw in het ambt is omgegaan. Want Ineke Baron heeft het verzoek ingediend om te mogen preken in een officiële kerkdienst. Zij wil dus graag Gods Woord verkondigen in een publieke eredienst. Volgens de Heidelbergse Catechismus is de verkondiging van het heilig evangelie in de kerkdienst één van de sleutels van het koninkrijk der hemelen. Nu mag een vrouw tijdens haar stageperiode voorgaan in het brengen van Gods Woord vanaf de kansel. Als je dat toestaat, wordt het wel heel moeilijk om uit te leggen dat een vrouw dat in andere situaties niet mag.

Ik denk de “werkenaaneenheid” hierin gelijk heeft. Als je als kerkeraad iemand toestemming geeft om in het kader van een preekstage op zondag voor te gaan in de kerkdienst, laat je hem of haar publiek Gods Woord verkondigen. Dat vind ik toch echt een andere setting dan een proefpreek die een student in de collegezaal houdt. Preken op zondag is toch duidelijk een stap verder. Dan ga je voor het ‘eggie’. Vroeger noemden we dat spreekconsent en moest je daar bij de classis eerst een examen voor afleggen. Tegenwoordig mogen studenten alleen in gemeentes preken als ze door de Universiteit hiertoe geschikt bevonden zijn. En die stage-preken staan allemaal in het kader van de opleiding tot predikant binnen de GKV (of het nu gemeentepredikant of gevangenispredikant is).

Er wordt wél een stap gezet

De kerkeraad van Haulerwijk zegt, dat hij met synode om nog geen ruimte te laten voor vrouwelijke ambtsdragers, ter discussie wil stellen. En dus verbaast de raad zich erover, dat dit zo breed uitgemeten wordt in de pers. Formeel heeft men in Haulerwijk gelijk. Ineke Baron is niet aangesteld tot ambtsdrager. Ze heeft alleen maar een stageadres nodig in het kader van haar opleiding  tot gevangenispredikant. Maar daarmee kun je niet zeggen: en dus is er niets aan de hand. Voor het eerst krijgt binnen de GKV een vrouw officieel toestemming van een kerkeraad om vanaf de kansel het evangelie te verkondigen. Onder begeleiding van een predikant, dat wel, maar dat gaat altijd zo in een stageperiode. (Even tussen haakjes: Ineke Baron zal volgens het ND alleen het inhoudelijke deel voor haar rekening nemen – dat zal toch betekenen dat ze hele dienst leiden? Want ik neem aan dat de zegen, het gebed, de bijbellezing en de liedkeus net zo inhoudelijk zijn als de preek zelf) Daarmee wordt, of men het nu wil of niet, een bepaald signaal afgegeven, namelijk: binnen de GKV mogen vrouwen in principe voorgaan in kerkdienst. De kerkeraad van Haulerwijk kan niet oprechte verbaasd zijn over alle aandacht die men nu krijgt, tenzij men grenzeloos naïef geweest is in het verlenen van toestemming aan Ineke Baron om te mogen preken. En dat is niet het geval, heb ik begrepen, want ze zijn niet over één nacht ijs gegaan.

Een klein stap in Haulerwijk – een grote stap binnen de GKV?

Je kunt er van alles van vinden, van dit besluit. Hoe je het ook wendt of keert , een vrouw gaat het woord doen op zondag 31 mei in de morgendienst die door de kerkeraad de GKV van Haulerwijk belegd wordt. De een zal het een teken van zorgvuldigheid vinden. De ander een teken van verval. Zelf zie ik het zo: we zitten als GKV-kerken in een proces waar we pas echt aan begonnen zijn met het rapport M/V uit 2013 en alles wat dat losmaakte op de Generale Synode van 2014  en binnen de kerken. Nu wordteen stap gezet die een bepaalde richting uitwijst. Die stap sluit aan bij het advies dat prof. dr. A.L.Th de Bruijne aan de GS van 2014 pleitte ervoor, dat de synode de noodzaak zou erkennen “om vrouwen meer dan tot nu toe gebruikelijk in te schakelen bij taken die begrepen kunnen worden in het verlengde van Bijbelse taken waarin vrouwen ook al deelden (prediking, pastoraat, organisatie, vergaderen)” en uit te spreken dat de plaatselijke kerken in beginsel vrij zijn om daarin stappen te zetten.” Tegelijk vond hij dat de synode de plaatselijke kerken moeten oproepen “om daarbij zoveel als mogelijk nog terughoudend te zijn met de neiging dergelijke taken te institutionaliseren tot ‘ambt’ en te wachten op bredere consensus binnen de kerken als geheel (in welke richting dan ook).”

Ik denk dat de kerkeraad van Haulerwijk zich helemaal in het spoor van dit advies begeven heeft.

Mijn eerdere blogs over de diskussie rondom de vrouw in het ambt zijn:

Welke G/geest is er uit de fles? – 20 mei 2014; Geestelijke wijsheid i.p.v. ongeduld of afstel bij vrouw in ambt – 9 juni 2014; Appel aan de synode over het besluit ‘M/V in de kerk’ – 17 juni 2014

VREEMDELINGENLIEFDE i.p.v. VREEMDELINGENHAAT

Wat vind jij van al die de buitenlanders in ons land? Zijn al die Turken en Marokkanen in Nederland eng? Denk jij dat ze allemaal crimineel zijn of terrorist? Ben jij ook bang dat er een aanslag inje suis charlie Groningen of Assen komt? Net zoals in Parijs bij Charlie Hebdo? Denk jij ook, dat elke moslim-vrouw met een hoofddoekje een fundamentalist is? Of zou het ook  een barmhartige moslima kunnen zijn? Zouden er over een tijdje ook bij ons net zulke grote demonstraties gehouden worden als in Duitsland tegen de toenemende invloed van moslims in ons land? En vind jij eigenlijk ook, dat Nederland royaal genoeg is met het toelaten van 250 Syrische vluchtelingen per jaar op het totaal van 3,2 miljoen die hun land moesten verlaten? En dat we de andere 9.000 die op eigen houtje asiel aanvroegen in Nederland, eigenlijk maar weer naar Libanon, Turkije of Jordanië moeten terugsturen, omdat ons land al veel te vol met vreemdelingen zit?  Waar komt die angst en onzekerheid vandaan?

In het Oude Testament krijgt één categorie vreemdelingen de meeste aandacht. Namelijk de ‘medelanders’ – de niet-joden die echt binnen de grenzen van Israel wonen. Op dat wonen valt de meeste nadruk. Het gaat om, zeg maar, de bevolkingsgroep die een vaste verblijfsvergunning heeft. Ze hebben bijna dezelfde rechten en plichten als de Israelieten.

En waarom moeten de Israelieten liefdevol met deze medelanders omgaan en hen niet als tweederangs burgers behandelen? Nou, om drie redenen.

1. Vreemdelingen vormen, met de armen, de wezen en de weduwen, het kwetsbaarheidskwartet. Ze zijn de meest kwetsbare groep van de samenleving.

2. De Israelieten moeten zich altijd kunnen inleven in de ‘gemoedsgesteldheid’ van vreemdelingen, want ze zijn zelf ook jarenlang onderdrukt en achtergesteld toen ze in Egypte woonden.

3. En tenslotte: Gods kinderen horen zich altijd te spiegelen aan hun God! En God zegt van Zichzelf, dat Hij de God is die zich om armen, weduwen, wezen en vreemdelingen bekommert.

In Deuteronomium 10 vers 18b en 19 staat het als volgt: De HERE, uw God, neemt vreemdelingen in bescherming en voorziet hen van voedsel en kleding. Ook u moet vreemdelingen met liefde behandelen, want u bent zelf vreemdelingen geweest in Egypte.

De  vraag is dus niet: kennen wij de regels van de Bijbel over hoe je met vreemdelingen omgaat. Na die oproep om vreemdelingen met te behandelen zegt Mozes niet: en hou je daar nu ook aan! De vraag is: kennen wij God als onze Vader? Houden wij echt van Hem en willen we leven zoals Hij het van ons vraagt? Na die oproep om vreemdelingen met liefde te behandelen zegt Mozes: ‘Toon ontzag voor de HERE, uw God, dien Hem en wees Hem toegedaan.’

Wat in Deuteronomium staat, staat ook in de andere boeken van Mozes. Het is een terugkerend refrein, zoals bv. in Leviticus 19: 33+34: Iemand die als vreemdeling in jullie land verblijft, mag je niet onderdrukken. Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten. Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. Ik ben de HEER, jullie God.

Behandel de vreemdelingen die in jullie land wonen en een vaste verblijfplaats hebben als geboren Israelieten. Zo scherp ligt dat als het om onze houding tegenover vreemdelingen gaat. Ben je daarin te herkennen als een kind van je Vader in de hemel? En wil je, als je in het Nieuwe Testament over de Heer Jezus leest, in zijn voetsporen gaan? Ook Hij bekommerde zich om mensen in nood, de vreemdelingen niet uitgezonderd. Denk maar aan de Samaritaanse vrouw (Johannes 4:1-42), de Syrische vrouw (Markus 7:24-30), de Romeinse officier (Matteüs 8:5-13) en de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lukas 10:25-37).Kijkbijbel Barhmarige Samaritaan

Weet je, als het om de houding tegenover vreemdelingen gaat, herinnert God de Israelieten er steeds weer aan, dat ze zelf hebben ondervonden hoe ze als vreemdelingen in Egypte onderdrukt zijn. Maar nu zijn ze bevrijd door God en mogen wonen in het beloofde land.

In het Nieuwe Testament laten Jezus en de apostelen zien wat dat betekent voor ons als christenen vandaag. Wie gelooft is zelf ook vreemdelingen geweest. Als mensen zijn wij nakomelingen van Adam. We hebben  met elkaar de ellende van de wereld over ons heen geroepen. Vervreemd van God, vervreemd van elkaar, vervreemd van onszelf. Maar Goddank, Hij heeft ons niet afgeschreven, maar ons weer opgezocht. De Heer Jezus kwam op aarde. Hij gaf zelfs zijn leven om ons te bevrijden bracht ons terug bij God. “Hij maakt ons leven nieuw, ons hart verandert Hij! Jezus is Heer! Alleluia!” En zo krijgen we een nieuw vaderland terug, een plek waar we altijd terecht kunnen en ons veilig mogen voelen. Bij God Zelf!

Maar christenen hebben bij God geen streepje voor boven heidenen. En Nederlanders hebben we geen streepje voor op alle gastarbeiders en asielzoekers. Integendeel: de HERE wil dat alle mensen Hem leren kennen. Zo plaatst Hij ‘medelanders’ op onze weg zodat ze God niet alleen als Allah, maar als hemelse Vader leren kennen, en Jezus boven Mohammed als zijn enige Zoon en onze Redder en Vriend.

Kijk, omdat God zonder onderscheid naar alle mensen toekomt. En omdat Jezus zelfs aan het kruis nog zijn vijanden vergeeft. Daarom vraagt God van jou en mij om te doen wat Hij ook doet: de vreemdelingen die in ons land wonen tegemoet te treden met liefde. Niet met haat, niet met angst, niet met jaloersheid. Dat vraagt best wel een verandering van ons. Van mij wel in elk geval. Een mentaliteitsverandering. Daar hebben we veel van Gods Geest voor nodig. Juist als het pijn doet, wordt het spannend, wanneer je hoort hoe Paulus je oproept: Volg dus het voorbeeld van God, als kinderen die Hij liefheeft, en ga de weg van de liefde, zoals Christus, die ons heeft liefgehad en Zich voor ons gegeven heeft.  moslima

Ik sluit af met een verhaal. Het is geschreven door iemand die een tijdje geleden stage liep in onze kerk. Ik heb het al eerder op mijn weblog geplaatst, dus als je het wilt lezen, klik op De barmhartige moslima.

Deze overdenking heb ik gehouden tijdens een Middag-Pauze-Dienst in de Bethelkerk te Assen en tijdens een Avondsluiting in ‘De Peelerhof’ in Assen-Peelo. Ik heb ‘m ook als preek gehouden (en dus werd ‘ie ruim 2x zo lang) op zondag 1 februari 2015 met als tekst Deuteronomium 10 vers 18b-19. Als preek is hij na te lezen onder ‘Preken OT’ of onder ‘Tot 10 tellen in geloof’ bij ‘Stap 04’.

VERLAAT DE GEVANGENIS ZONDER BETALEN – over de uitwerking van de doop

Ik moet iets opbiechten. Ik schaam me er wel een beetje voor, want het is eigenlijk niet zo mooi. ‘t Is alweer zo’n 30 jaar geleden. Toen eh … toen ik 18 jaar was. Ja, toen heb ik een tijdje gezeten. Echt waar. In de gevangenis. Ik weet nog heel goed, dat m’n broer en zus allebei tegen me zeiden: ‘Het is je eigen schuld, Ernst, dat je in de gevangenis zit. Wij gaan je niet helpen. Je moet zelf maar weer zien, hoe je eruit komt.’ 

Daar zat ik dan. In de gevangenis. Weet je hoe ik daar terecht gekomen was? Nou, ik was in Groningen, want daar ben ik geboren. In de stad. Op de Grote Markt. En toen kwam ik die politie politie-agent tegen. Die stuurde me direkt naar de gevangenis. Ja, ik moest er meteen naar toe. Want ik had 7 gegooid. Met Monopoly. Vanaf de Grote Markt kom je dan  meteen op ‘Ga direkt naar de gevangenis’. Toen moest ik betalen – 5000 gulden. Anders mocht ik er Monopoly ga direktniet uit. M’n broer en zus Monopoly slechts op bezoekde wilden niet voor me betalen. En ik had geen geld meer. Maar gelukkig had ik nog wel die kaart, je weet wel: ‘Verlaat de gevangenis zonder te betalen.’ Die heb ik meteen ingeleverd. Dus mocht ik de volgende beurt gewoon weer meedoen.

In zijn eerste brief vertelt Petrus iets over de doop. Hij zegt in hoofdstuk 3 vers 21:

Door het water van de doop word je nu gered, want  de doop is een vraag aan God om een zuiver geweten. Hierom kun je vragen dankzij de opstanding van Jezus Christus.

Doop Inée Oosterhof

Petrus vergelijkt hier de doop met het Monoplykaartje ‘Verlaat de gevangenis zonder te betalen.’  Want elke keer als ik zonde doe, ben ik in overtreding. Dan ga ik in tegen de regels van God. Dan stapel ik schuld op bij God. Dan heb ik Hem verdriet gedaan. En daar is de HERE boos over, over al die fouten die ik en iedereen maakt. Over al die zonde. Dus verdient iedereen straf. Straf van God. En die straf, dat is uiteindelijk dat ik dood ga. En naar de hel ga. Dat is, zegt Petrus, de gevangenis waar je terecht komt doordat je aldoor zoveel zonde doet.

Doop Mats de Jong

Als ik daar  goed over nadenk, kan ik daar bang van worden. Want eh … als God echt zo’n strenge straf geeft aan mensen die zondigen, dan zou ik ook wel eens in die gevangenis kunnen komen. Inderdaad. Maar denk dan eens aan het Monopoykaartje ‘Verlaat de gevangenis zonder te betalen’. Zo’n kaartje is er ook bij de HERE God! Jazeker, echt waar! Dat kaartje is mijn doop! Toen ik door mijn gelovige ouders gedoopt werd, zei God tegen mij: ‘Klein kind van mij, Ik haal jou uit de gevangenis van de zonde. Je hoort vanaf nu bij Mij. En je mag voor Mij gaan leven.’ Dat heeft de HERE God bij de doop tegen mij gezegd. En die doop blijf mijn leven lang geldig. Bij Monopoly moet je die Kans- of Algemeen Fonds-kaart weer onderaan de stapel leggen. Maar bij de doop is dat niet zo. Nee, ik mag je doop elke keer weer gebruiken. Elke keer weer, als ik zonde gedaan hebt. Als ik besef: ‘Nu zal God wel boos op me zijn. Nu kom ik vast niet in de hemel, maar als ik zo doorga, kom ik in de hel’ – dan denk ik aan mijn doop. Want toen heeft Jezus, mijn Heer, mij al toegezegd: ‘Ik was al jouw zonden weg. Je bent weer schoon voor God. Ik zorg in eigen Persoon voor, dat God in de hemel al jouw zonden vergeeft. Hier heb je het bewijs: je doop.’

Ja, bij mijn doop heeft Jezus dat echt tegen míj gezegd. En elke keer als ik gelovig denkt aan mijn doop, vergeeft God mijn zonden weer en mag ik bij Hem opnieuw beginnen. Elke keer weer mag ik mijn Vader in de hemel het kaartje van mijn doop laten zien. Dan mag ik de gevangenis meteen weer verlaten, zonder te betalen. Want Jezus mijn Heer heeft al voor mij betaald. Dat is de betekenis van de doop, zegt Petrus. Een gekregen, levenslang geldig. Ik mag altijd een beroep doen op Gods genade. Dankzij Jezus Christus, die voor mij stierf en in mij is opgestaan.

Verlaat de gevangenis - voorkantVerlaat de gevangenis - jpeg achterkant

 

 

 

 

 

Dit verhaal heb ik als kindmoment gehouden bij een preek over 1 Petrus 3:21. Deze preek verschijnt binnenkort op de pagina ‘Preken’ onder ‘NT’.

 

 

 

Welk GEZICHT laat jij als CHRISTEN op FACEBOOK zien?

Facebook: het is een niet meer te negeren medium in onze samenleving. Iedereen zit erop. Minsten 1,2 miljardFacebook Friend mensen volgens de laatste gegevens. In Engeland is een klein boekje verschenen van Tim Chester. Het heeft als titel: Will you be my Facebook  friend? met als ondertitel: social media and the gospel. Wat zijn, naast de voordelen, de gevaren van Facebook? Volgens Tim Chester minstens twee.

1) Ik zoek bevestiging bij mensen in plaats van bij Jezus. On Facebook I can recreate my world through my words to gain approval. 

2) Ik wil zelf een soort God zijn door buiten mijzelf te treden. On Facebook I can escape the limitations of my body.

Dit boekje was voor mij aanleiding om een preek over Facebook  te schrijven. We zijn in Peelo bezig met een serie preken over het volgen van Jezus aan de hand van de Tien Geboden onder het thema Tot 10 tellen in geloof. De ‘Facebook-preek’ heb ik gekoppeld aan het Eerste Gebod en staat op mijn weblog onder ‘Preken HC’ (klik hier). In de liturgie verwijs ik ook naar deze twee mooie filmpjes over hoe Jezus in onze tijd Facebook en Twitter zou hebben kunnen gebruiken:

http://www.youtube.com/watch?v=S-hW680pCLso

http://www.youtube.com/watch?v=hKh3JhBwhv4