GEEN VRIJBLIJVENDHEID BIJ KEUS VOOR OF TEGEN ORGAANDONATIE

“Wie zelf niet de moeite neemt om te laten weten of ‘ie wel of geen donor wil zijn, moet onderaan de wachtlijst voor orgaandonatie komen te staan.” Dat was de mening van de meeste jongeren van 17/18 jaar vorige week op catechisatie toen we het over orgaandonatie hadden.

Orgaandonatie hartjeAan het eind van die week stond in het Nederlands Dagblad een artikel van twee christenen, de theoloog Gijsbert van den Brink en IC-arts Ben de Jong. Zij vinden dat het huidige registratiesysteem vanwege te grote vrijblijvendheid niet effectief. Het leidt niet tot meer donoren en kost jaarlijks onnodig mensenlevens. “Een wetswijziging naar een actief donorregistratiesysteem is dan ook wat ons rest.” Die wet komt er, als het aan de Tweede Kamer ligt, want daar is een nieuw ‘actief donorregistratiesysteem (ARD) dat in  met een krappe meerderheid  aangenomen. De drie christelijke partijen stemden tegen deze wet op de orgaandonatie. Ze hebben daar, net als andere tegenstanders, vier belangrijke argumenten voor, nl.: 1) De nieuwe wet leidt tot keuzedwang. 2) De nieuwe wet is een inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht. 3) De nieuwe wet levert niet meer donoren op. 4) Binnen het huidige systeem valt nog veel winst te behalen om mensen te motiveren orgaandonor te worden. Die bezwaren worden kort maar krachtig als mythe ontzenuwd (klik hier).

“Ik was hartpatiënt en jullie hebben Mij bewust op een lange wachtlijst laten staan.”

Een paar dagen later reageerde de directeur van de Nederlandse Patïenten-Vereniging, Esmé Wiegman met een artikel in het Nederlands Dagblad. Zij blijft “stevige kanttekeningen plaatsen bij de verandering van het donorregistratiesysteem.” Vervolgens gaat ze de vier punten van Van den Brink en de Jong bij langs (klik hier).

NPV logo nieuwDe vier tegenargumenten van de directeur van Nederlandse Patiëntenverening vind ik ronduit zwak (hieronder voor de liefhebber een overzicht). Maar dat vind ik niet het ergste. Het valt me vooral zwaar tegen dat de NPV publiek stelling neemt tegen dit nieuwe donorregistratiesysteem. In haar logo staat dat de NPV gericht is op ‘zorg voor het leven’. Op de website wordt als eerste vermeld: “Het leven is een gave van de Schepper zelf. Dat leven is kostbaar en verdient bescherming; van het allerprilste begin tot aan het einde. De NPV komt op voor het mensenleven. Voor leven dat kwetsbaar is en broos, voor ieder mens, in welke levensfase dan ook.”

Als het om orgaandonatie aankomt, neemt de NPV het niet voor de volle 100% op voor het leven van kwetsbare en broze patiënten waarvan jaarlijks 10% overlijdt terwijl ze op een wachtlijst staan. Ze neemt, net als de christelijke partijen in de Tweede Kamer, genoegen met een vrijblijvende oproep tot naastenliefde. Wat het effect van die vrijblijvendheid is, weten we al jaren: slechts 40% van de bevolking laat zich registreren, terwijl 90% van de bevolking graag een orgaan zou ontvangen. Het is een zwaktebod dat een christelijke organisaties als de NPV en politieke partijen als het CDA, de ChristenUnie en de SGP zich achter termen als ‘inbreuk op de integriteit’ en ‘naastenliefde mag je niet afdwingen’ blijven verschuilen. Daarmee houden ze bewust laksheid en ongeïnteresseerdheid in stand.

Orgaandonatie ja of neeDe jongeren van 17/18 jaar hadden dit haarscherp in de gaten. Zij en hun ouders waren bijna allemaal vóór orgaandonatie. Maar lang niet iedereen had zich laten registeren. De enkeling die geen donor wou zijn vond het prima zo: als je niks liet weten, zou er ook niks met je organen gebeuren na je dood. Ondertussen vonden de jongeren het wel wat hypocriet om een orgaan te ontvangen als je zelf nooit de moeite had genomen om aan te geven of je donor zou willen zijn. Vandaar dus dat de meesten vonden dat wie zich niet geregistreerd had, onder aan de wachtlijst moest komen te staan. Ik hou van de radicaliteit van jongeren!

Naastenliefde voor mensen in grote nood is namelijk niet vrijblijvend. Als we dat wel in stand houden, zou het wel eens kunnen zijn dat Jezus bij zijn terugkomst aan ons vraagt: ‘Ik was hartpatiënt en jullie hebben Mij bewust op een lange wachtlijst gezet.’ Dus denk ik dat de overheid, nu het toestemmingssysteem na 40 jaren nog steeds faalt, alle burgers mag vragen om zonder enige dwang of inbreuk (JA of NEE is allebei geoorloofd) aan te geven wat men wil: wel of geen donor zijn. Wie de moeite niet neemt om dit kenbaar te maken, heeft blijkbaar geen overtuigende bezwaren. Wie blijft zwijgen, stemt toe. Hopelijk laten de christelijke partijen in de Eerste Kamer zich niet leiden door het moderne zelfbeschikkingsrecht, maar door levensreddende naastenliefde.

Eerder schreef ik over orgaandonatie de volgende blogs: Orgaandonatie: wie niet reageert wordt donor (7 juni 2016); Orgaandonatie: zet de politiek na 20 jaar eindelijk een stap voorwaarts? (6 september 2016); Registratie orgaandonatie in de lift (8 oktober 2016)

 

In haar reaktie op de vier punten van Van den Brink / De Jong noemt de directeur van de NPV drie keer dat de overheid geen morele keuzes aan mensen moet opdringen. Daarbij gaat ze er aan voorbij dat die keuze ook nu al gevraagd wordt aan de nabestaanden als een overleden persoon zich niet geregistreerd heeft (punt 1 en 2). Er is dus geen sprake van ‘dwang’ of ‘inbreuk op lichamelijke integriteit’. Het argument dat als er vóór iemands overlijden “meer in familieverband over gesproken wordt” en dat je ná iemands overlijden moet werken aan een “context van rust en ruimte om in de geest van de overledene te kunnen nadenken, zonder druk van buitenaf” laten precies zien waarom dit veel te vrijblijvend is. Het eerste gebeurt namelijk onvoldoende (zeiden ook mijn catechisanten) en het laatste komt soms voor, maar veel vaker niet (“Als iemand plotseling overlijdt, heb je wel wat anders aan je hoofd als familie,” zeiden mijn catechisanten. Als iemand zelf tijdens zijn leven zijn keus gemaakt heeft, is het toch veel duidelijker? En als iemand weet dat wie zich bewust niet registreert geen principiële bezwaren heeft tegen het doneren van zijn of haar organen heeft, voorkomt dat toch juist onnodige, vaak emotionele discussies bij nabestaanden? Het argument dat een donatie altijd een vrijwillige gift moet zijn (punt 4) is ook uiterst zwak. In alle vrijheid mag elke Nederlander bepalen of hij of zij orgaandonor wil worden. Het enige wat de overheid zegt is: de nood is hoog, met meer donoren kunnen we levens redden, dus maak een keus! Dat gaat niet tegen Gods geboden in (integendeel denk ik persoonlijk), dus waarom zou je laskheid en vrijblijvendheid bewust in stand houden? Tenslotte de aantallen: Esmé Wiegman zegt dat er door de nieuwe wet juist meer mensen zich niet laten registreren. In de donorweek van oktober 2016 lieten bijna 5.500 nieuwe mensen een ‘ja’ noteren en bijna 26.500 nieuwe mensen een ‘nee’ en dus was de conclusie van de directeur van NPV eentje van: ‘Zie je wel? Verplichte registratie pakt negatief uit!’ Dat is een dubbel non-argument. Punt 1: registreren is niet verplicht. Punt 2: het gaat er om dat iedereen ‘JA’ moet invullen. Het gaat erom dat iedereen bewust een keus maakt.  Op 31 augustus 2016 hadden 5,9 miljoen Nederlanders dat gedaan op http://www.donorregister.nl. Op 30 april waren dat er 6,1 miljoen. Dat is een toename van 200.000. Het aantal mensen dat ‘ja’ heeft ingevuld, is met zo’n 50.000 gestegen naar 3,66 miljoen. Het aantal mensen dat een ‘nee’ liet registreren, steeg met zo’n 190.000 naar 1,72 miljoen. Alleen al het idee dat er straks een actief donorregistratiesysteem komt, zorgt dus al voor een flinke stijging van het aantal Nederlands dat zich laat registreren. Dat is volgens mij precies de bedoeling. Beter eerlijk ‘NEE’ dan de zaak op z’n beloop laten.

Vast gegrond op het fundament van 5x Sola!

In de laatste week van april was ik drie dagen in Hamburg. Daar vond van 27-29 april de conferentie 500 Jahre Reformation – Gemeinsam für das Evangelium plaats. De conferentie werd georganiseerd door Evangelium21. Deze organisatie is in Duitsland (en Oostenrijk + Zwitserland) actief en bestaat uit christenen van verschillende kerken die hun geloof vast op Jezus Christus gronden. Dus baseren ze zich op de vijf bijbelse waarheden die in de Reformatie opnieuw ontdekt zijn:

  • De Bijbel alleen (Sola Scriptura)
  • Het geloof alleen (Sola Fide)
  • Christus alleen (Solus Christus)
  • Genade alleen (Sola Gratia)
  • Tot Gods eer alleen (Soli Deo Gloria)

Evangelium21 konferenzDeze vijf kenmerken voor gelovigen en voor kerken zijn in Duitsland erg ondergesneeuwd. De meeste traditionele kerken zijn theologisch erg oppervlakkig en liberaal-humanistisch geworden. De Bijbel is niet meer het Woord van God voor mensen, maar bevat woorden van mensen over God. Daarom zijn er veel vrije kerken ontstaan die wel de Bijbel als Woord van God beschouwen, maar hun geloof vooral op de eigen keus voor Jezus en het eigen gevoel gronden.

Vier sprekers uit Amerika (Mark Dever, Ligon Duncan, Al Mohler en David Platt – alle vier aktief binnen de Amerikaanse organisatie ‘Together for the Gospel’ – T4G) hielden samen zes referaten over de vijf SOLA’s en, als slottoespraak, over het ‘Semper Reformanda’. De vijf SOLA’s zijn uit de tijd van de Reformatie ontstaan. Niet als losse onderdelen van het geloof, maar als fundament voor elke christen en elke kerk.

* De Bijbel alleen (Sola Scriptura) = tegenover de RK-kerk die op z’n minst drie gelijkwaardige bronnen had: Bijbel, Traditie, Paus

* Het geloof alleen (Sola Fide) / Genade alleen (Sola Gratia) = tegenover de RK-kerk die officieel deze leer als ketterij veroordeelde, omdat het zorgeloze mensen kweekt (zie Zondag 24).

* Christus alleen (Solus Christus) = tegenover de RK-kerk die dit met de mond wel beleed, maar daarnaast heiligen, m.n. Maria, op één lijn met Jezus zette en daarnaast goede werken als ‘coöperatie’ van de kant van mensen voorschreef (i.t.t. Sola Fide / Sola Gratia)

*  Tot Gods eer alleen (Soli Deo Gloria) = tegenover de algemene gedachte in die tijd dat God er voor ons moet zijn i.p.v. omgekeerd.

Op het congres werd dit breder getrokken, zowel in de context van 500 jaar geleden als naar vandaag toe. Toen had je ook de doorslaande Reformatie van de Dopersen, die m.n. Sola Scriptura verwierpen en de Heilige Geest als innerlijk licht hoger stelden dan het gezag van de Bijbel, en daarmee in de praktijk het gevoel lieten prevaleren boven het geloof, terwijl de RK-kerk het verstand (gestold in de leerbesluiten en tradities van de kerk) belangrijker vonden dan het geloof.

evangelium21 logoNaar vandaag toe werd vooral op het gevaar van het ‘liberalisme’ gewezen. Dan wordt Christus en zijn verzoenend + vernieuwend werk als fundament van ons geloof ingewisseld voor algemeen religieuze waarheden. Dat zie je in bijna alle gevestigde kerken in Europa en ook in Amerika (Nederland is daarop enigszins een uitzondering met veel historisch gezien ‘oude’ bijbels-gereformeerde kerken). Daarnaast werd ook het risico van het ‘prosperity-gospel’ benadrukt. Dat is, zeker in landen waar geen sterke bijbelgetrouwe traditionele kerken meer zijn, een groot risico voor alle ‘vrije kerken’. Die zijn daar in Duitsland allemaal vatbaar voor, de één latent en de ander openlijk. Eén van de andere oneliners was: “Als je denkt dat het Evangelie van Jezus Christus een hulpmiddel is voor een beter leven hier op aarde, hang je een vorm van hindoeïsme met de Bijbel aan.” Want Christus is niet gekomen om ons een ‘feeling-good-geloof’ te geven.

Tsja … in de vragenronde kwam dus meteen de vraag naar voren: “Wat als je in een theologisch zeer bijbelgetrouwe gemeente zit waar verder alles dichtgetimmerd is en in dezelfde plaats zit een gemeente vol enthousiasme maar met een hele zwakke bijbelse basis?” Antwoord: “Als de basis goed is, kan er wat gaan groeien, want Gods Woord is altijd aktueel, dus zet je in zo’n gemeente daarvoor in. Als de basis niet goed is, zal er geen blijvende vrucht in zo’n gemeente zijn, omdat vroomheid en enthousiasme geen vastigheid bieden, dus laat je daar niet door verblinden, maar maak werk van een stevig fundament.” Toen de persoon vroeg wat je moest doen als je tot geloof kwam, was het antwoord: “Kies voor de eerste gemeente, want je moet je gevoel altijd laten corrigeren door het Woord, omdat Christus altijd eerst vanuit de Bijbel tot jou spreekt en vandaaruit pas via zijn Heilige Geest tot je hart.”

Ik vond het een bemoedigende konferentie, omdat het echt back-to-the-basics was. Erg aansprekend: wie staat er centraal in mijn leven? Is het God die door Christus uit genade Zichzelf met mij verzoent om mijn leven weer tot bloei te brengen zodat Hij alle eer krijgt, ook van mij?

Tegelijk wordt dit verhaal wel een beetje kort door de bocht gebracht, vooral als het om Sola Scriptura gaat: Bijbel toen = Bijbel nu. Dat wij in een heel andere cultuur leven als 2000 jaar geleden, en dat je dus ook steeds moet kijken hoe je concrete christelijke standpunten van toen nop vandaag toepast, onder voortdurend gebed om leiding van de Heilige Geest – in dat proces heeft men niet zoveel vertrouwen (‘hermeneutiek’ is echt een vies woord), want dan gaat alles weer de liberale, vrijzinnige kant op. De andere ‘dief van het Evangelie’, nl. moralisme/farizeïsme werd amper genoemd.

Evangelium21 wil stimuleren dat plaatselijk kerken en oprechte christenen zich opnieuw echt door het Evangelie van Jezus Christus laten inspireren, zodat de kracht van het geloof niet door mensen bewerkt wordt, maar door de prediking van Gods Woord en de overweldigende kracht van de Heilige Geest. Sinds 2011 houden ze elk jaar een landelijke ‘Konferenz’. Net als vorig jaar werd die dit jaar in het grote kerkgebouw (op een industrieterrein) van de Evangelisch-Reformierte Freikirche ‘Die Arche’ in Hamburg. Dit jaar kwamen daar uit heel Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland ongeveer 1.400 deelnemers op af. Inclusief bezoekers uit Polen, Spanje, Nederland en inclusief hele families (er was een apart kinderprogramma). Onder hen o.a. een groep gemeenteleden van de ERKWB Wien en een gezin van de ERKWB Winterthur.

In alle lezingen kwamen de vijf ‘Sola’s’ telkens weer voorbij. Zelf heb ik een aantal kernachtige uitspraken genoteerd. Dus zet ik er hier vijf neer + een zesde uit de slottoespraak over ‘Semper Reformanda’ = blijven gaan in het spoor van de Reformatie.

SOLA SCRIPTURA: “Wie zich op Gods Woord beroept, wordt in onze tijd als een gevaarlijk persoon gezien, want dan kom je aan iemand individuele vrijheid, en dat is in deze tijd afgod nummer 1.” (Al Mohler)

SOLA FIDE: “In alle andere religies proberen mensen zelf de bergtop waar God woont te bereiken. In het christendom daalt God helemaal bergaf om ons op te halen.” (David Platt)

SOLUS CHRISTUS: “Als mensen echt behept zijn met het C-virus, worden ze vervolgd en bespot vanwege hun geloof in Christus alleen.”(Mark Dever)

SOLA GRATIA: “Echte christenen geloven dat ze gered worden door goede werken – namelijk Gods goede werken door Jezus Christus en door de Heilige Geest voor, aan en in ons.” (Ligon Duncan)

SOLI DEO GLORIA: “Alleen bij God is het niet verkeerd om Zelf alle aandacht te willen ontvangen.” (David Platt)

SEMPER REFORMANDA: “Wie vol is van God, luistert graag naar zijn Woord. Wie graag naar christelijke muziek luistert, is vaak ook vol van zichzelf.” (Mark Dever)

 

Zicht op de hemel – een christelijke kijk op Bijna-Dood-Ervaringen

Tegenwoordig hoor je vaker dan vroeger dat mensen een ‘Bijna-Dood-Ervaring’ (BDE) gehad hebben. Dat gebeurt vaak als ze onder narcose zijn geweest of in coma of tijdens een hartstilstand. Achteraf vertellen ze dan dat ze in de hemel geweest zijn of in elk geval iets van de hemelse heerlijkheid ervaren hebben. Zulke verhalen trekken de aandacht. Ook of misschien wel juist van christenen. Want wij geloven echt in het bestaan van de hemel.

In het pastoraat heb ik vaak mensen horen zeggen na het overlijden van hun man of vrouw of van een ouder, een kind of een andere geliefde: ‘Als we maar even in de hemel zouden mogen kijken hoe het daar is’. Die diepe wens is geen pure nieuwsgierigheid. Het is eerder intense betrokkenheid. Want er zijn hier op aarde banden doorgesneden. Maar juist als je gelooft in God en in Jezus Christus, weet je ook, dat het met de dood niet afgelopen is. De Heidelbergse Catechismus zegt het in Zondag 16 nogal droogjes: ‘Onze dood is alleen maar een doorgang naar het eeuwige leven.’ Tegelijk is dat wel een hele troostvolle werkelijkheid. Voor Gods kinderen eindigt het leven niet bij de dood. Als je in dit leven je vertrouwen op Jezus Christus stelt, word je bij je sterven door de engelen opgehaald en bij God thuis gebracht in de hemelse heerlijkheid! Als dat geen houvast geeft en hoop biedt in alle verdriet en vragen en eenzaamheid als je iemand voorgoed missen moet hier op aarde. Geen wonder dat je dan wel even een blik in de hemel zou willen werpen om te weten hoe het daar is.

Bestseller

In christelijke kring werd het boek ‘De jongen die in de hemel was’ een ware bestseller toen in 2013 uitgeverij Plateau de rechten overnam. In 2014 werd het boek verfilmd onder de titel ‘Heaven is for real’. Het boek en de film vertellen het (volgens de vader en schrijver Todd Burpo) waargebeurde verhaal van zijn zoon Colton, een kleuter van vier, die tijdens een zware operatie op het randje van de dood zweefde. Na de operatie vertelt hij stukje bij beetje dat hij in de hemel was geweest en daar Jezus had gezien, maar ook zijn overgrootvader en zijn zusje die hij allebei nooit gekend had. Een echte BDE dus.

In 2014 verscheen het boek Na dit leven van de neurochirurg Eben Alexander. Hij kreeg een zeldzame vorm van hersenvliesontsteking en raakte daardoor zeven dagen in coma. Toen hij weer bijkwam, vertelde hij dat zijn bewustzijn in die periode een reis door het universum maakte. In dat universum is God alomtegenwoordig en is elk deeltje van Hem doortrokken. De goedheid en de liefde zijn het hart en de ziel van het ware universum en het kwaad is niet in staat dat aan te tasten. De kern van zijn BDE herhaalt hij verschillende malen: ‘Er wordt van je gehouden, je hoeft niet bang te zijn en je kunt niets fout doen.’

In Nederland schreef de hartchirurg Pim van Lommel al in 2007 het populair-wetenschappelijke boek Eindeloos bewustzijn. Hij heeft heel veel BDE’s verzameld en geanalyseerd en komt tot de conclusie dat ons bewustzijn niet door onze hersenen geproduceerd wordt, zoals de meeste wetenschappers zeggen, maar dat onze hersenen het kanaal zijn voor ons bewustzijn. Dat bewustzijn van ons is onderdeel van een veel grotere, alomvattende geestelijke werkelijkheid. Mensen die daarna toch weer terugkomen in dit leven zijn het meest onder de indruk van de overweldigende liefde en volkomen acceptatie die in de bovennatuurlijke werkelijkheid ervaren wordt. Die hebben ze zo intens beleefd, dat ze er amper over kunnen vertellen. Maar daardoor staan ze na hun BDE vaak wel volledig anders in het leven: veel positiever, minder angstig, met meer rust en vredelievender.

PAULUS

‘Zicht op de hemel’ – zo zou je, als je de mensen die het hebben meegemaakt, een BDE kunnen noemen. Maar wat kun je daar nou mee? De één bekijkt het puur wetenschappelijk (Pim van Lommel). De ander zegt dat het kwaad alleen maar op dit kleine stukje van het grote universum aanwezig is en dat goddelijke liefde in de rest van het universum zo overweldigend is, dat de kracht daarvan nu al sterker is dan elke verschrikkelijke ziekte of elk wreed kwaad (Eben Alexander). En Colton Burpo zegt dat in de hemel de Heer Jezus centraal staat en dat daar alleen maar mensen toegelaten wordt die op aarde ook echt van Hem gehouden hebben. Dus wat moet je met zulke verhalen? Hoeveel waarde heeft het voor jezelf? En hoeveel geloof moet je er aan hechten als je anderen over hun BDE hoort vertellen?

Ik denk dat wat Paulus in 2 Korintiërs 12:1-10 beschrijft, heel goed een BDE geweest kan zijn. Uit zijn verhaal kun je een paar dingen afleiden.

1/ Een BDE laat een onuitwisbare indruk na. Paulus is het z’n leven lang niet vergeten wat hij allemaal in de derde hemel heeft gezien en gehoord. Die ervaring is heel waardevol. Vooral voor iemand zelf. Maar ook voor z’n omgeving.

2/ Het geloof in de hemel hangt niet van een BDE af. Sterker nog, Paulus is er juist heel terughoudend in om met zulke verhalen het Evangelie van Jezus Christus kracht bij te zetten.

3/ Paulus maakt een bijzondere ervaring mee. Dat zie je vaker in de Bijbel. God doet wonderen en geeft tekenen. Dat kun je, als het een BDE betreft, wegzetten als een proces in je hersenen. Maar is het terecht om op voorhand alles weg te verklaren? Ik denk het niet. Als het om deze ‘hemelse inkijkjes’ gaat moet ik denken aan wat de Heidelbergse Catechismus in Zondag 22 zegt: ‘Het is in geen mensenhart opgekomen.’ Dat geldt ook voor een BDE. Dat bedenk je niet. Het overkomt je. Dan mag je God daar toch ook dankbaar voor zijn?

4/ Het controlepunt bij elke BDE is voor mij de Bijbel. Als Stefanus moet sterven, ziet hij de hemel openstaan en de heerlijkheid van God en Jezus als Mensenzoon aan Gods rechterhand staan. Dus in de hemel is de Heer. Als die niet meer centraal staat, is heel zo’n verhaal ongeloofwaardig en zelfs erg riskant. Want dan gaan mensen op hun gevoel af. Terwijl, zegt Jezus in het verhaal van de arme Lazarus, de mensen op aarde aan Gods Woord genoeg hebben. Daarin gaat het om Jezus Christus. Of, zoals Colton in het boek (helaas niet in de film) een paar keer zegt als iemand overleden is: “Heeft die meneer Jezus gekend, papa? Dat moet, dat moet! Anders komt hij niet in de hemel.”

5/ Als gereformeerde christenen belijden we dat we God op twee manieren kunnen leren kennen: in z’n algemeenheid door zijn schepping en in het bijzonder door zijn Woord. Die twee zijn in principe niet met elkaar in strijd zijn, maar vullen ze elkaar aan. Dat geldt zowel voor de protologie als voor de eschatologie. Daarbij heeft de Bijbel het laatste woord. In de Bijbel gaat het niet alleen over Gods liefde, maar ook over vergeving en gerechtigheid die beiden door Jezus Christus worden gebracht en bewerkt.

GENADE

Eben Alexander trekt op grond van zijn BDE de conclusie dat het kwaad hier op aarde niets voorstelt omdat in de rest van het universum de liefde van het goddelijke Al allesomvattend en allesdoordringend is.

Pim van Lommel gelooft slechts in een a-religieus alomvattend bewustzijn dat er vooral toe leidt dat mensen in dit leven nog meer benadrukken hoe belangrijk onvoorwaardelijke liefde en acceptatie zijn.

Bij deze laatste twee benaderingen is er geen sprake van dat mensen vergeving, verzoening en genade nodig hebben. Wat mij bij Paulus opvalt is dat hij juist niet de liefde, maar de genade benadrukt nadat hij heel voorzichtig over zijn hemelse ervaring gesproken heeft. Die ervaring is overweldigend. Dus kun je zomaar denken: alles is liefde. Maar in de hemel is alles alleen maar liefde, omdat God de Vader en Jezus Christus daar centraal staan. En het is hun genade dat Zij ons in hun liefde willen laten delen. En soms … soms mogen mensen al iets van die hemelse heerlijkheid ervaren.

Dit artikel is gepubliceerd in ‘Pro Ministerio’, het blad van de vereniging van predikanten bij de Gereformeerde Kerken in Nederland, jaargang 46, nummer 2, mei 2017. Een iets uitgebreidere versie plaatste ik in 2016 onder de titel Paulus – de man die in de hemel was.

Een droom over Jezus die onschuldig is

Dromen zijn bedrog. Geldt dat ook voor de droom die de vrouw van Pilatus kreeg? Pilatus is ’s morgens vroeg uit bed getrommeld omdat Jezus is opgepakt. Tijdens het verhoor krijgt hij een bericht van zijn vrouw: ‘Pilatus, wees voorzichtig! Bemoei je niet met die man! Ik heb over hem gedroomd. Hij is onschuldig! Dus trek je handen van Hem af. Ik ben bang voor de gevolgen.’ Claudia Procula 1

Met haar droom heeft de vrouw van Pilatus een plek in de Bijbel gekregen (Mat. 27:19). In de oude christelijke kerk wist men zelfs hoe ze heette: Claudia Procula. En men vertelde er ook bij, dat ze, net als Cornelius uit Handelingen, sympathiek stond tegenover het joodse volk. In het apokriefe ‘Evangelie van Nikodemus’ staat, dat Pilatus een boodschap kreeg van zijn vrouw en dat hij dan alle joden bij zich roept en tegen hen zegt: “Jullie weten dat mijn vrouw godvrezend is en in vele opzichten net als jullie als een jood leeft. Zij heeft me zonet een bericht gestuurd: ‘Bemoei je niet met deze rechtvaardige man; want ik heb vannacht veel om hem geleden.’” Maar, staat er dan, de joden antwoorden Pilatus: Hebben we u niet gezegd dat die Jezus een tovenaar is? Hij heeft een droom naar uw vrouw gestuurd.” Of dit verhaal op werkelijkheid berust, weten we niet. De grieks-orthodoxe kerk vertelt dat Claudia een gelovige christen is geworden en heeft haar heilig verklaard. De dag van 27 oktober is aan haar gewijd.

Hoe je hier verder ook denkt, uiteindelijk heeft haar droom Pilatus niet weten te overtuigen. Hij kiest uiteindelijk eieren voor z’n geld. Daar zit iets typisch menselijks in. Mensen zijn voor de kleinere gevolgen van nu vaak banger dan voor de grotere gevolgen in de verre toekomst. Want nu kun je eruit liggen, voor de bijl gaan of alleen komen te staan als je niet de goede keus maakt voor de mensen. Maar de keus voor God? Ach, daar zie je nu het effekt niet van.

Claudia Procula 2De droom van Claudia is ook een verzoeking voor Jezus Zelf. Hij hoeft er maar op in te spelen om zijn kansen te vergroten dat Hij het er levend afbrengt. Maar Hij grijpt deze laatste strohalm niet, omdat het de duivel is die Hem deze reddingsboei toegooit. Hij heeft de goddelijke boodschap die uit de droom spreekt goed begrepen: ‘Ik moet verder gaan op de lijdensweg. Als rechtvaardig Mens voor zondige mensen. Niet voor Mijzelf, maar voor al Gods kinderen.’ Zo is Jezus trouw gebleven aan zijn missie. Ik kan Hem er niet genoeg dankbaar voor zijn.

Tenslotte: Claudia, de vrouw van Pilatus, lijkt in alles typisch op haar man. Beiden willen ze zich niet branden aan Jezus. Als Jezus tegen Pilatus zegt dat Hij gekomen is om de waarheid over God bekend te maken, reageert Pilatus schouderophalend met de uitspraak: ‘Maar wat is waarheid?’ (Joh. 18:38). Ook Claudia heeft wel sympathie voor Jezus, maar is vooral bang voor de gevolgen. Dus wil ook zijn neutraal blijven. Beiden komen niet tot de erkenning dat Jezus de beloofde Redder van de zonden is, dat Hij de he died for meweg naar God is en de waarheid over het leven bekend maakt. Ze willen beiden Jezus’ leven wel sparen, de één op grond van een vage droom, de ander omdat ‘ie zich over Jezus verwondert (Markus 15:5), maar in Jezus geloven doen ze niet. Ze blijven bewust neutraal. Net als heel veel mensen vandaag. Jezus Zelf biedt ons die optie niet. Hij laat weten: ’Je hebt mijn lijden en sterven echt nodig om van je zondeschuld af te komen. En je hebt mijn Heilige Geest echt nodig om je leven te vernieuwen en met geloof te vullen. Dus durf te kiezen. Ik stierf voor jou, zodat jij voor Mij leeft!’

Over de droom van Claudia is ook een preek met liturgie en PPP beschikbaar. Zoek op  Preken NT onder Matteüs 27:19

 

Christelijk onderwijs heeft al 450 jaar bestaansrecht

Binnen de gereformeerde gezindte bestaat al heel lang de gedachte, dat gezin, kerk en school een onverbrekelijke driehoek vormen. Aan de opvoeding van de kinderen die God ons geeft, wordt vooral op deze drie fronten gewerkt. Het mooiste is, dat die drie fronten niet drie verschillende werelden vormen, maar elkaar steunen. Gelukkig staat deze ‘triangel-gedachte’ niet echt ter diskussie. Toch hoor je steeds vaker, dat gereformeerde ouders niet meer automatisch voor het gereformeerde onderwijs te kiezen. We zijn de vanzelfsprekendheid voorbij. Ook in de samenleving is er steeds minder begrip voor het bijzonder onderwijs. GroenLinks wil alleen nog maar openbare scholen waar de overheid toeziet op strikte neutraliteit als het om religieuze zaken (en dus haar staatsideologie aan alle burgers opdringt). In dit artikel wil ik duidelijk maken dat we met de keus voor bijzonder onderwijs in een traditie van meer dan 400 jaren staan. Sinds de Reformatie hebben de gereformeerde kerken zich sterk gemaakt voor zo goed mogelijk christelijk onderwijs.

Onderwijzen en laten onderwijzen

Als iemand vraagt: “Waarom zijn er naast christelijke scholen ook gereformeerde scholen?”, is mijn antwoord: “Dat heeft alles te maken met de doopbelofte van ouders in de gereformeerde kerken.” Het doopformulier is door Petrus Datheen in 1566 uit het Duits vertaald en meteen in de  gereformeerde kerken ingevoerd. In de derde doopvraag beloven christelijke ouders twee dingen. Allereerst, dat ze zelf  hun kinderen bij het opgroeien zo goed mogelijk zullen onderwijzen in de leer van het Oude en Nieuwe Testament. En in de tweede plaats, dat ze hun kinderen naar vermogen, dat is: zo goed mogelijk zullen laten onderwijzen in de christelijke leer. Ik denk, dat we deze volgorde zo moeten laten staan. Het gezin neemt bij de geloofsopvoeding dus belangrijkste plaats in. Tegelijk hebben we elkaar daarbij nodig. Bij het ‘laten onderwijzen’ mag je in eerste instantie denken aan het kerkelijk onderricht, vooral de catechisaties. Maar vanaf het allereerste begin van de Reformatie hebben de Gereformeerde Kerken het ook belangrijk gevonden, om zorg te dragen voor goed christelijk onderwijs.

Christelijk onderwijs in de kerkorde

De eerste landelijke vergadering van gereformeerde kerken (een synode) werd in 1571 gehouden. Toen was er nog geen godsdienstvrijheid. Drie jaar later was Nederland voor een groot deel van de Spanjaarden bevrijd was. De volgende synode, die van Dordrecht, sprak in 1574 uit dat het van groot belang was om overal christelijke scholen op te richten. Twaalf jaar later wordt dat in de kerkorde vastgelegd en vanaf die tijd, 1586, heeft het tot 1978 in de kerkorde van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) gestaan:

De kerkeraden zullen alom toezien, dat er goede schoolmeesters zijn, die niet alleen de kinderen leren lezen, schrijven, spraken en vrije kunsten, maar ook dezelve in de godzaligheid en in de Catechismus onderwijzen.

In de tijd van de Reformatie tot aan de Franse Tijd (van zeg maar 1570 tot 1800) was de overheid in naam gereformeerd. De Gereformeerde Kerken drongen er in die eeuwen bij de overheid op aan, dat er christelijk onderwijs gegeven werd. In de tijd na de Afscheiding en de Doleantie was de Hervormde Kerk voor een groot deel liberaal en wilde de overheid neutraal zijn. Toen is, van ongeveer 1860 af tot 1920, de schoolstrijd gevoerd: ouders wilden hun kinderen christelijk onderwijs laten volgen, en omdat de overheid dat niet meer kon en wilde garanderen, stichtten ouders eigen christelijke scholen. Rond 1920 leidde dat tot de volkomen gelijkheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Daarbij veranderde ook de taak van de kerken. De Generale Synode van Dordrecht 1893 sprak uit, dat het “de roeping der kerken is, de ouders tot de stichting van zulke scholen aan te sporen, waar ze nog niet zijn.” En in 1923 (dus ruim voor de Vrijmaking) schrijft Joh. Jansen in zijn Korte Verklaring van de Kerkenordening: “De kerken moeten steeds toezien, dat er christelijke scholen zijn en dat er op die scholen inderdaad ook christelijk onderwijs gegeven wordt. Alleen maar, zij dringen deze zaak thans niet bij de overheid, maar bij de ouders aan.” In 1978 werd de kerkorde grondig herzien. Ook artikel 21 was hoognodig aan vervanging toe. Dus kwam in artikel 57 te staan:

De kerkeraden zullen erop toezien, dat de ouders, zoveel zij kunnen, hun kinderen onderwijs laten volgen dat in overeenstemming is met de leer van de kerk, zoals zij dit bij de doop beloofd hebben.

De deputaten die de herziening van de Kerkorde voorbereid hebben, gaven als toelichting: “Dit is art. 21 (oud), gewijzigd. Het zwaartepunt ligt nu bij het toezicht op de ouders. Plaatsing van dit artikel bij de bepaling met betrekking tot de doop ligt daarom voor de hand.” In de nieuwe Kerkorde die sinds 2014 geldig is in onze kerken, zijn doopbelofte en christelijk onderwijs nog steeds nauw met elkaar verbonden. In artikel C47 staat nu:

1. Ouders verplichten zich bij de doop hun kinderen te onderwijzen in de leer van de Schriften en hen op te voeden tot een leven met God. 2. De kerkenraad spoort de ouders aan om voor hun kinderen zoveel mogelijk gebruik te maken van onderwijs dat overeenstemt met de leer van de kerk. 3. De kerken streven naar goede relaties met het gereformeerd en ander christelijk onderwijs.

In hun toelichting kiezen de deputaten die de nieuwe kerkorde opgeteld hebben, er bewust voor “om naast het helpen nakomen van de doopbelofte van de ouders ook het gereformeerd en christelijk onderwijs nadrukkelijk binnen het beeld van de kerken en de ambtsdragers te houden. School, gezin en kerk dienen elkaar te vinden in een driehoek die opkomt voor de grote waarde van christelijk-gereformeerd onderwijs dat kinderen en jongeren vormt en opvoedt voor een leven in Gods dienst.”

Als konklusie uit dit korte historische overzicht mag je dus wel trekken, dat gereformeerde scholen geen vrijgemaakte eigenaardigheid zijn. Altijd al hebben kerk en ouders het samen belangrijk gevonden, dat er christelijk onderwijs was voor de kinderen van het verbond. Logisch, want er moet toch eenheid zijn in geloofsopvoeding tussen gezin, kerk en school?

Waarom gereformeerde scholen?

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen er twee nieuwe soorten christelijke scholen: de gereformeerde (=vrijgemaakte) en de reformatorische. De belangrijkste reden van het ontstaan van gereformeerde en reformatorische scholen ligt volgens mij in de secularisatie van het christelijk onderwijs. Wanneer personeel niet meer achter de bijbelse boodschap staat, niet meer in de kerk komt en kinderen van allerlei afkomst zondermeer toegelaten worden op een christelijke school, is het niet te verwonderen, dat de sfeer op een school dermate verandert, dat gereformeerde ouders  zich afvragen, of ze zo hun kinderen naar vermogen kunnen laten onderwijzen in de christelijke leer. Tegelijk wil ik er wel een kanttekening bij plaatsen. Na de Vrijmaking hebben wij als vrijgemaakten ons sterk gemaakt voor de ‘doorgaande reformatie’. De ‘reformatie van het onderwijs’ (zo werd dat in die tijd echt genoemd!) was daarbij een van de belangrijkste speerpunten. Op zich terecht, vind ik, want juist de christelijke school ligt het dichtst tegen de kerk aan. De oprichting van andere G-organisaties, zoals G.P.V. (één van de twee voorlopers van de ChristenUnie) of het Gereformeerd Gezinsblad (nu Nederlands Dagblad) zijn niet gefundeerd op de doopbelofte die gebaseerd is op Deuteronomium 6:7 en Handelingen 2:39. De keus voor chistelijk onderwijs wel. Maar ook het ‘ethisch konflikt’ heeft in die tijd een belangrijke rol gespeeld. Men kon als ‘vrijgemaakten’ en ‘synodalen’ niet meer met elkaar in één kerk zitten, en dus ook door de week niet meer met elkaar door één deur. Ik denk echt, dat er in de jaren vijftig ook sprake was van een flinke portie onzuivere profileringsdrang bij ons als vrijgemaakten. Vóór 1944 werd er nauwelijks over gedacht om ‘eigen scholen’ te gaan stichten. De Christelijke Gereformeerde Kerken wilden dat toen, en K. Schilder heeft dat in 1929 fel afgekeurd. De ‘School met de Bijbel’ was niet de school van een bepaalde kerk, maar van de gereformeerde gezindte. En A. Janse schreef in 1936, dat er op de lagere school geen kritiek gegeven mocht worden op andere kerken, want “dat is niet des kinds. Dat zou het kind zetten tot rechter in een zaak waar het nog geen beoordelaar mag zijn.” Toch was volgens mij de inhoudelijke keus voor gereformeerd onderwijs uiteindelijk belangrijker. “De kinderen van het verbond, die door God zijn aangenomen als zijn kinderen en die in de kerk hun plaats hebben gekregen, behoren te worden opgevoed in de sfeer van de kerk en behoren te worden onderwezen naar de leer van de kerk. De verbinding tussen gezin, school en kerk is niet veranderd, ook al is de tijd voortgeschreden.” (H. van Leeuwen, ‘Een kostbaar bezit’, cahier 45 uit de serie Woord en Wereld, blz. 63)

Gereformeerd onderwijs vandaag? Jazeker!

En die tijd is hard voortgeschreden! Nederlanders zijn in meerderheid niet-christelijk en gaan massaal voor het eigen genot en de eigen carrière. Steeds luider klinkt ook de roep dat elke vorm van religie en geloofsopvoeding alleen maar achter de voordeur mag plaatsvinden. Aan alle kanten worden wij en onze kinderen daardoor beïnvloed. Hoe verantwoord is het dan om je kinderen naar openbare of meer algemeen dan christelijke scholen te sturen?  Zou het niet eerder zo zijn, dat we extra hard scholen nodig hebben die dezelfde normen en waarden hanteren als in het eigen gezin en in de kerk? Samen met andere christenen die dat ook heel belangrijk vinden? Dan gaat het er niet meer om of iedereen in de jaren vijftig overtuigd was van het nut van de oprichting van gereformeerde scholen. Als ze toen niet gesticht waren, zouden we vandaag zeker zo’n school oprichten. En waarom? Omdat kerkenraden en gereformeerde ouders al vanaf de Reformatie veel belang gehecht hebben voor zo goed mogelijk christelijk onderwijs. Je hebt namelijk bij de doop wel iets aan je kind(eren) iets beloofd!

 

Christen zijn in Nederland – ieder voor zich of ook samen?

‘Jullie zijn het zout in deze wereld. Jullie zijn het licht in deze wereld. Jullie moeten een licht zijn en schijnen voor alle mensen. Dan zien ze de goede dingen die jullie doen. En dan zullen ze jullie hemelse Vader eren.’ Dat zegt Jezus in Matteüs 5:13-16 tegen zijn volgelingen. Maar geldt dit alleen maar voor iedere christen persoonlijk? Of mag je het ook breder trekken en zeggen dat het geldt voor christelijke organisaties en voor de manier waarop we samen kerk zijn in Nederland?

Mij is de afgelopen tijd opgevallen dat veel christenen wat huiverig zijn als het over dat laatste gaat. Meestal om twee redenen. De eerste is: als je als christenen een eigen organisatie opricht, sluit je andere mensen buiten en vind je jezelf beter dan de ander. De tweede is: als christen kun je meer uitstralen naar je medemensen als je samen met hen in algemene organisaties samenwerkt.

Ik snap die tegenstelling niet zo goed. Als je als christen persoonlijk laat zien dat je in heel je manier van leven een voorbeeld aan Jezus neemt, dan mag je dat toch ook samen doen als er meer christenen zijn die op dezelfde manier in het leven staan?

Ik denk dat juist door de manier waarop christenen zich georganiseerd hebben in de samenleving, er een heleboel goede ontwikkelingen tot stand gekomen zijn. Dat begon al in Jeruzalem met de voedselbank voor arme weduwen. In de eerste eeuwen na Christus stonden de christenen in het Romeinse rijk bekend om hun praktische naastenliefde. Daarna hebben rondreizende predikers als Bonifatius en Willibrord en veel monniken ervoor gezorgd dat in Europa niet meer het recht van de sterkste gold (zoals bij de Germanen en de Angelsaksen), maar een door het christendom gestempelde cultuur ontstond waarin weeshuizen, ziekenhuizen, instellingen voor mensen met lichamelijke of verstandelijke beperkingen en opvangtehuizen voor mensen met psychische problemen of verslavingen ontstonden. Op het gebied van het onderwijs zag je hetzelfde – tot in 1800 zag de overheid er op toe dat het openbaar onderwijs een christelijk karakter had, daarna namen christenen zelf hun verantwoordelijkheid door scholen met de Bijbel op te richten en een Vrije Universiteit te stichten.

Waarom vindt een aantal christenen dat niet meer van deze tijd? Alsof je alleen maar individueel christen kunt zijn onze maatschappij. Is het niet zo, dat ons land behoorlijk gestempeld is door de christelijke culturele traditie, zelfs al gelooft meer dan de helft van onze bevolking niet meer in God en Jezus? Is het verkeerd om als christenen een signaal af te geven over waar het in de christelijke traditie echt om gaat (barmhartigheid en de moraal van de Bergrede) tegenover populisten als Geert Wilders en Thierry Baudet en tegen alle rechts-liberalen die daar tegen aan schurken die aldoor roepen dat we onze christelijke cultuur moeten beschermen tegen buitenlanders die de sharia willen invoeren? (Zie het Manifest van Alain Verheij en anderen). Voelen christenen zich moreel beter dan anderen als ze hun kinderen graag een goede basis mee willen geven door in de opvoeding een duidelijke koppeling aan te brengen tussen het gelovige gezin, de christelijke kerk en de gereformeerde school? Gaan christelijke instellingen als De Hoop, Leger des Heils en VBOK exclusief te werk door alleen mede-gelovigen die in diepe nood zitten te helpen? Behartigen de christelijke politieke partijen alleen de belangen van hun gelovige achterban? Wilden omroeporganisaties als KRO en NCRV vroeger en EO vandaag alleen maar zieltjes winnen met hun christelijke programma’s? Oftewel: zijn al die activiteiten schadelijk geweest voor het geloof van christenen en voor het imago van de kerk en is onze samenleving door heel dat christelijke groepsgebeuren er alleen maar slechter van geworden? Volgens mij is de vraag stellen ‘m beantwoorden.

Waar komt de angst dan wel vandaan? Ik denk a) vanuit wat we allemaal in het verleden hebben gezien en gehoord over machtsmisbruik en exclusivisme. Er is ook in christelijke kringen veel mis gegaan. Maar misbruik heft het goede gebruik niet op, heb ik in Kampen van mijn hoogleraar ethiek J. Douma geleerd. Sterker nog: in de Bijbel worden zulke mechanismen van macht en status voortdurend aan de kaak gesteld door God, en laat Jezus zien dat Hij juist níet op handen gedragen wil worden, maar gekomen is om te dienen. Een tweede reden voor de angst om samen als christenen op te trekken is denk ik b) het postmoderne denken waarin elke keus een individuele beslissing wordt die je een ander beslist niet mag opleggen, zelfs niet in de manier waarop je denkt dat we samen het christelijk geloof het beste vorm kunnen geven in het leven van elke dag. Ieder moet dat namelijk op z’n eigen manier mogen invullen. Het gekke is dan trouwens, dat wie voor een herkenbaar christelijke vorm kiest, door veel vrij-denkende mensen opeens argwanend wordt aangekeken om z’n fundamentalistische standpunten. Je mag blijkbaar alleen jezelf zijn zolang de meerderheid van de samenleving dat acceptabel vindt.

Hoe dan ook … ik denk dat het geen oplossing om de invloed van de christelijke cultuur te ontkennen of om christelijke organisaties van hun religieuze veren te ontdoen of om, helemaal radikaal, het christelijk geloof de rug toe te keren. Het is veel beter om persoonlijk én samen terug te keren naar het voorbeeld en de woorden van Jezus Christus. Hij leert mensen om niet voor eigen roem en eer te gaan, maar om het belang van de ander voorop te stellen. Volgens mij is het te kort door de bocht om te zeggen dat dat alleen de taak is van individuele christenen in hun eigen omgeving. Het is ook de opdracht van christenen samen op allerlei terreinen in de maatschappij. Het is ook vandaag nog steeds én – én. Ook al is de volgorde omgekeerd. Tenminste … in de Heidelbergse Catechismus wordt gezegd gezegd dat de kerk een gemeenschap der heiligen is, waar de gelovigen ‘allen samen en ieder persoonlijk’ aan Christus verbonden zijn (Zondag 21:55) en waar Christus aan de gelovigen, ‘allen samen en ieder persoonlijk’ laat verkondigen dat er dankzij Hem vergeving van zonden en eeuwig leven is (Zondag 31:84). Die volgorde paste bij de tijd van de Reformatie: eerst het collectief, dan het individu. Onze postmoderne samenleving heeft die volgorde omgedraaid. Dat is niet erg, als je beide maar blijft zien. We zijn als christenen ieder persoonlijk en allen samen zout en licht – smaakmakers voor de wereld waar we in leven en verspreiders van hoop in onzekere tijden.

 

 

 

Tussen de premierkandidaten door het laatste Lagerhuis

En toen was het alweer de vierde en laatste keer! Met de heren Roemer en Pechtold bespraken we in het Lagerhuis de volgende vier stellingen.

1/ Geert Wilders heeft terecht de geloofwaardigheid van Rutte aan de kaak gesteld

Daar was ik het dus niet mee eens. Zelf vind ik dat Rutte het als minister-president in de afgelopen jaren goed gedaan heeft. Een aantal beloftes die hij als partijleider gedaan heeft, heeft hij niet kunnen houden. Want, zoals mijn mede-Drent Ewout Klok zei: in een coalitie kun je niet al je eigen partijstandpunten realiseren. Zelf vond ik het in deze verkiezingen steeds een beetje flauw dat bv. de heren Buma en Pechtold zeiden dat Mark Rutte niet de premier van alle Nederlanders is geweest in de afgelopen vier jaar. Dat heeft hij juist wél willen zijn en dat heeft hij op een geloofwaardige manier gedaan, vind ik. Natuurlijk zullen niet alle Nederlanders het eens zijn met het beleid van zijn kabinet. Daarvoor kun je hem op 15 maart wegstemmen. Maar ik denk dat elke andere nieuwe premier precies dezelfde verwijten van Wilders en andere politieke tegenstanders zou krijgen. Dus was ik het met deze stelling niet eens.

2/ Er moet een landelijk Zorgfonds zonder eigen risico komen, zodat het stelsel van particuliere zorgverzekeraars kan verdwijnen

Deze stelling kwam van de SP. Die zetten deze verkiezingen volledig in op de onbetaalbaar geworden zorg. En daar hebben ze wel een goed punt. Het eigen risico is te hoog. Verzekeraars gaan voor de winst en specialisten worden per behandeling betaald. De marktwerking is volledig doorgeschoten. Maar om nu terug te gaan naar het oude ziekenfonds? Dat lijkt mij niet verstandig, want die operatie kost ongeveer 8 miljard. En het is de vraag wat voor bureaucratisch systeem je ervoor terug krijgt. Als we ‘Roemercare’ invoeren wordt het binnen de kortste keren ‘Roemergate’ ben ik bang. Wel kunnen er veel dingen anders. Neem bv. alle medisch specialisten weer in dienst voor een redelijk salaris en een goede overuren-compensatie. En ga flink snijden in het oerwoud van polissen en aanvullende verzekeringen.

Ook de afschaffing van het eigen risico vind ik een slecht idee. Het moet wel veel lager dan nu, want 2x € 385 is voor een gezin in de bijstand een extra kostenpost van ruim € 60 in de maand! Maar als je geen drempel opwerpt, gaan mensen in het weekend met hun gekneusde dikke teen weer naar de eerste-hulp-post in het ziekenhuis omdat het toch gratis is. Dat moet je volgens mij niet willen. En ergens vind ik het ook wel een goed idee om het eigen risico inkomensafhankelijk te maken.

Lagerhuis groepsfoto3/ Nederland moet vooroplopen bij het halen van de klimaatdoelen

Met deze stelling van D66 ben ik het van harte eens. Vooral omdat ik zelf te gemakzuchtig ben op dit punt. En volgens mij zijn we dat bijna allemaal: het is de mens eigen om vooral aan zichzelf te denken en, op dit punt, niet aan de komende generaties. Maar de aarde is niet ons bezit. We hebben die in bruikleen gekregen van God (vind ik als christen) om door te geven aan onze kinderen en kleinkinderen (vind hoop ik iedereen). Ik had er nog bij willen zeggen, dat als de overheid dit stimuleert, ik als burger ook bewuster met het milieu om ga. Bij ons staan nu vier containers voor de deur, ieder met een eigen kleurtje. Dat is geen gezicht, geef ik toe, maar ik ben nu wel veel bewuster bezig met het scheiden van afval. En toen de gemeente Assen een flinke pot subsidiegeld voor zonnepanelen beschikbaar stelde, was die binnen de kortste keren leeg, zoveel mensen tekenden er op in.

Ik maakte ook nog een opmerking over de andere stelling van D66 die het bijna geworden was, nl. Ouderen die vinden dat hun leven voltooid is, moeten hulp kunnen krijgen om een einde aan hun leven te maken. Maar helaas kwam die net niet helemaal uit de verf. Ik had willen zeggen: ‘Ik ben blijf dat D66 ook wil voorkomen dat het leven op aarde binnen één generatie voltooid is’, maar ik had het alleen maar over ‘een voltooide aarde’. Ergens was ik wel blij dat het in de setting van een Lagerhuis-discussie niet over ‘voltooid leven’ ging, maar ik had me er wel goed op voorbereid. Want ik vind het echt mensonterend dat bij D66 het kwetsbare leven over heel de linie niet meer veilig is. Als het aan D66 ligt, wordt Nederland na IJsland en Denemarken het derde Downsyndroom-vrije land ter wereld met de gratis aangeboden NIP-test voor alle zwangere vrouwen. En krijgen alle mensen die onder de zinloosheid van het leven gebukt gaan het recht om er met hulp van de overheid uit te stappen. En daardoor krijgen ouderen steeds meer het gevoel dat zij de samenleving tot last zijn als hun leven in de vergetelheid wegglijdt. Dus waarom pusht D66 het debat over ‘voltooid leven’, terwijl een staatscommissie onder leiding van D66-er prof. Schnabel unaniem van mening was dat we deze weg niet in moeten slaan? In die commissie waren de meeste leden het eens met de huidige euthanasie-wetgeving. Er zat, voor zover ik weet, maar één orthodox christen in. Volgens de commissie mag iedereen vinden dat zijn of haar eigen leven voltooid is, maar is het niet de taak van de overheid om op dit punt de persoonlijke wil van burgers te faciliteren. Alleen bij ondraaglijk en uitzichtsloos lijden is euthanasie onder strenge zorgvuldigheidseisen toegestaan. Dan staan artsen namelijk voor het dilemma tussen barmhartigheid en bescherming van het leven. Maar als de overheid professionele stervenbegeleiders gaat aanstellen die iedereen gaat helpen om vrijwillig uit zijn of haar voltooide leven te stappen (boven of onder de 75 wat D66 betreft), dan is er geen enkel argument meer om iemand van suïcide te weerhouden. Want dan is autonomie de absolute norm geworden. Volgens de commissie Schnabel is het onmogelijk om een procedure te vinden die veilig, zorgvuldig, transparant en toetsbaar is en die tegelijk gebaseerd is op autonomie. Dus moet een overheid de dood niet willen faciliteren, maar juist het leven van haar onderdanen beschermen. Volgens de Engelse atheïst en liberaal Kevin Yuill is het ook de weg minste weerstand. Het is makkelijker om iemand te helpen bij zelfdoding dan om iemand te helpen om door te leven. En als het echt zo is dat iemand helemaal over zijn of haar eigen leven gaat: als je werkelijk autonoom wil zijn, val anderen dan niet lastig met je doodswens. Tenslotte: Pechtold roept voortdurend dat CDA en ChristenUnie best tegen mogen zijn, maar dat ze in een nieuwe regering toch wel met behoud van gevoelen kunnen meewerken aan de uitvoering van een nieuwe wet ‘voltooid leven’ als de meerderheid van de Tweede Kamer dit wil. Ik snap daar niets van. De dood kan wel de uitkomst van het leven zijn, maar nooit de oplossing. En als het om het kwetsbare leven vóór de geboorte gaat: we spreken er schande van dat in China en India meisjes om hun geslacht worden weggeaborteerd. Maar Nederland is al het noordelijke buurland van China geworden nu we accepteren dat kinderen met een verstandelijke beperking voor hun geboorte vogelvrij verklaard zijn.

4/ De periode waarbinnen je meerdere tijdelijke arbeidscontracten na elkaar kunt afsluiten, moet langer worden dan twee jaar

Over deze stelling gingen Pechtold en Roemer met elkaar in debat. Tenminste, ze waren het met elkaar eens en ruzieden vervolgens over de vraag welke partij voor de meeste banen zou zorgen in de komende vier jaar. Ze waren het in elk geval erover eens dat het MKB te veel de lasten van bv. ziek personeel moet dragen. Daarom durft het MKB geen vast personeel aan te nemen. Ik ben het daar mee eens. Op zich moet je na twee tijdelijke jaarcontracten wel weten wat je aan elkaar hebt. En dus afscheid van elkaar nemen of echt samen met elkaar doorgaan. Zelf hoorde ik op de radio iemand zeggen, dat het bedrijfsleven de kerk van de toekomst is. Want als de sfeer op het werk goed is, heeft het leven van mensen zin en kunnen ze een positieve bijdrage aan de maatschappij leveren. Ik dacht toen meteen: als dat waar is, moet je als bedrijf ook aan zekerheid aan je personeel bieden. Want ook in de kerk geldt, dat we mensen van harte welkom heten en ze daarna graag volledig als lid zien meedoen. Dat is de beste manier om iemand echt betrokken te maken en te houden – of het nou bij ‘jouw’ kerk of bij ‘jouw’ bedrijf is.

Tot zover het Lagerhuis! Hoewel … de sfeer was zo goed, dat ik hoop dat ze ons alle 20 nog een keer terug vragen in de loop van de formatie.