Geloofsvoorbeelden die van hun voetstuk vallen

Ik had, toen ik een jaar of 16 was, een hele goede band met de jongerenwerkster in onze kerk, met Astrid. Ze was toen net een jaar of vijf getrouwd met Ronald en ze vroeg mij regelmatig om op Bianca, hun dochtertje van drie, en Romy van bijna één te passen. Astrid heeft mij echt geleerd hoe belangrijk het is om te geloven. Ze liet mij zien hoe fijn het is om een persoonlijke relatie met God als mijn Vader en met Jezus als mijn Redder en Vriend te hebben. Ze heeft vaak met me gebeden en zo heb ik ook zelf geleerd om alles tegen God te durven zeggen. Dankzij haar heb ik op m’n 19e belijdenis gedaan. Zij was echt een geloofsheld voor mij. Een middel van God om mij tot geloof te brengen.

Nu ben ik 27. Ik heb vijf jaar op kamers gewoond en ben vorig jaar op 1 april met Wilmar getrouwd. Samen wonen we nu in een andere plaats. Ik ben erg blij dat hij ook gelooft en we voelen ons al aardig thuis in onze nieuwe gemeente. Maar laatst hoorde ik van m’n ouders, dat Astrid een half jaar geleden van de ene op de andere dag gescheiden is en bij een collega van haar werk is ingetrokken. De scheiding was binnen een paar maand rond. M’n moeder heeft Astrid nog opgezocht, maar ze wil geen enkel contact meer met mensen van de kerk. M’n vader praat af en toe na kerktijd wel eens met Ronald. Die snapt er helemaal niets van dat Astrid zo radicaal haar leven omgegooid heeft. Hij kan echt niet geloven dat het allemaal schijn geweest is, zoals ze zei toen ze die avond in november haar spullen pakte. Dat ze nooit echt van hem gehouden heeft en zich altijd al had afgevraagd of God en Jezus echt bestaan. Bianca en Roma zijn nu 14 en 12. Die beide meiden willen, nu ze zelf mogen kiezen, niet bij hun moeder en haar nieuwe vriend wonen. Alleen Bertram van 7 woont de ene week bij haar en de andere week, samen met zijn beide zussen, bij Ronald.

Toen ik dit hoorde, raakte ik zelf ook een beetje van slag. Hoe kan het, dat de persoon die het meeste voor mij betekend heeft in mijn ontwikkeling als christen, zo plotseling haar geloof kan verliezen? En als het waar is wat ze zegt, dat ze altijd maar gedaan heeft alsof ze echt geloofde in God en Jezus, weet je, soms voelt het voor mij net alsof ik er ingetrapt ben. Is het christelijk geloof dan een verkooptruc? Als je het maar goed weet te brengen, geloven mensen er vanzelf in? En hoe kan God iemand die het zelf niet echt geloofde, als middel gebruiken om van mij een bewuste christen te maken die wel echt blij is met haar geloof? Ik merkte bij mezelf dat niet alleen Astrid van haar voetstuk gevallen was, maar dat ik ook zelf begon te twijfelen aan mijn geloof. Hoe stevig sta ik in mijn schoenen als mijn geloofsvoorbeeld zo plotseling een draai van 180 graden maakt?

Zaaier handvol zaadInmiddels ben ik weer een paar maand verder. Weet je wat ik heel opmerkelijk vond? Dat ik in de afgelopen tijd regelmatig antwoord kreeg op mijn vragen.

Een gastpredikant preekte een keer over kerkverlating. Het ging onder andere over Demas. Die zat samen met Titus, Timoteüs en Lukas in het zendingsteam van Paulus. De gemeente in Kolosse krijgt ook van hem de groeten. Maar even later haakte Demas plotseling af, want “hij heeft deze wereld lief gekregen.” De dominee zei toen, dat dit voor Paulus een bittere pil is geweest. Maar zelf liet Paulus zich er niet door ontmoedigen. Sterker nog, in diezelfde brief geeft hij Timoteüs de opdracht om gewoon de boodschap van Jezus Christus te blijven verkondigen, of de mensen er nu naar willen luisteren of niet. En ook moet Timoteüs niet bang zijn voor het lijden, bijvoorbeeld als mensen weglopen. Integendeel, hij moet gewoon z’n werk als verkondiger van het Evangelie blijven doen.

Ook vandaag komen mensen door teamwerk tot geloof, zei die dominee. Het begint al bij je ouders. En daarna vaak de meesters en de juffen op school. Maar ook al die anderen mensen die actief zijn in de kerk, die je meemaakt op een jeugdkamp of die je toevallig ergens hoort spreken vormen je in je geloof. En vergeet de invloed van christelijke idolen niet – in de muziek en in de sport bijvoorbeeld. De dominee zei er in die preek ook nog bij, dat Paulus goed kon relativeren. Voor Paulus is niet de persoon die over Jezus vertelt het belangrijkste, maar het geloof in Jezus Zelf. Dat schrijft hij in de brief aan de Filippenzen. ‘Er zijn geloven die over Christus vertellen met goede bedoelingen. Zij doen het uit liefde. Maar er zijn ook gelovigen die over Christus vertellen met verkeerde bedoelingen. . Zij denken alleen aan zichzelf, ze zoeken ruzie en zijn jaloers. Maar wat doet het er eigenlijk toe! Wat telt is dat Christus verkondigt wordt. Of het nu uit valse of oprechte motieven gebeurt – dát het gebeurt maakt me blij.’

Zo’n preek hielp me wel. Maar ik bleef het lastig vinden. Astrid is echt een geloofsvoorbeeld voor mij geweest. Hoe vaak heb ik niet aan haar gevraagd: ‘Maar wat vind jij hier nu van? Hoe zou jij dat doen? Loop jij ook tegen dit soort dingen aan?’ Of het nu om uitgaan ging of om waarom er zoveel ellende in de wereld is; of over die leuke jongen van het MBO waar ik toen verliefd op was, maar die geen helemaal geen zin had zich in het geloof te verdiepen; of over de vraag waarom Jezus toen wel veel mensen beter maakte en nu niet – ze begreep me zo goed, ze had zoveel goede adviezen, en als ze het niet wist, zei ze: ‘Je hoeft niet eerst alle antwoorden te hebben om toch van God te houden.’ Vooral dat laatste ben ik nooit vergeten. Geloven gaat niet om bewijs, het gaat niet om regels, het gaat om God en Jezus Zelf. En nu gooit zij dat allemaal overboord en wil er niets meer van weten.

Wat me ook geholpen heeft was een avond met de jeugdleiders en catecheten. Wilmar en ik werden in september namelijk gevraagd om samen aan een groepje jongeren catechisatie te geven. Dat hebben we nu net een seizoen gedaan. Er was iemand uitgenodigd die ergens anders fulltime jongerenwerker was. Hij zei: ‘Weet je wat ik soms heel frustrerend vind? Dat ik in mijn eigen kerk veel met jongeren bezig ben, maar dat, als ze tot geloof komen, het altijd ergens anders door komt. Want die spreker op de EO-jongerendag, of dat tienerweekend van Noorderwind Events met Wytze en Willianne Koop , of dat indrukwekkende getuigenis tijdens dat optreden van die gave christelijke band – dát heeft me geraakt, zeggen veel jongeren, dáárdoor viel bij mij pas echt het kwartje van het geloof en wil ik nu echt bij Jezus horen en voor Hem gaan! Nou, zei die jongerenwerker, dat vind ik dus soms heel frustrerend, voor al die ouders, voor al die mensen in de kerk die kinderclub doen, een vereniging leiden of catechisatie geven. En ook voor mijzelf, want ik steek echt wel meer dan 40 uur per week in mijn baan als jongerenwerker. Wij lopen ons de longen uit het lijf om het geloof over te dragen, en dan komt er op één avond of in één weekend iemand langs, en die mag gelijk cashen! Maar, zei hij er meteen bij: ‘Het heeft ook wel iets moois. Want weet je … iemand kan alleen maar cashen, als er eerst heel veel voorwerk is gedaan. Het is net als met de gelijken is van de zaaier. Er kan pas geoogst worden, als er eerst gezaaid is. En iedereen heeft z’n eigen plek daarin. Het woord van God zaaien is misschien wel minder leuk werk. Want je weet nog niet wat er allemaal aan geloof tevoorschijn komt. Maaien geeft veel meer voldoening, want dan zie jij dat iemand echt tot geloof komt en z’n hart aan Jezus geeft. Maar weet je: de oogst binnenhalen is het resultaat van een hele lange periode. En daarin is iedereen belangrijk.’

Nou, toen ik dat hoorde, bedacht ik me opeens: dat klopt. Astrid was voor mij degene die me definitief over de streep trok. Zij was de maaier. Zij heeft de oogst binnengehaald. En ik heb heel lang gedacht dat vooral zij heel belangrijk geweest is voor mijn geloof. Maar nu kijk ik daar toch wat anders tegenaan. Alles wat mijn ouders me meegegeven hebben is net zo waardevol geweest. En de gereformeerde scholen waar ik op gezeten heb met die paar leraren die ik nog steeds niet vergeten ben. En de dominee van mijn tienerjaren, ook al snapte ik zijn preken lang niet altijd. En zo kan ik nog wel meer mensen noemen. De meesten van hen zijn niet van hun geloof afgevallen. Dus eigenlijk … ik geloof dat ik vooral moet kijken naar de inhoud van het geloof. Ook als mensen mij enorm tegenvallen of als ik ze niet kan volgen in hun keuzes, zoals bij Astrid. Raar eigenlijk, dat ik daar zo mee zat. Want als je mij zou vragen: zou jij hetzelfde willen doen als haar? Dan denk ik: nee, ik zou mijn geloof in God en Jezus niet zomaar kunnen opgeven.

Toen er vanuit de steden mensen naar hem toe gekomen waren en er zich een grote menigte verzameld had, vertelde Jezus deze gelijkenis‘Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. Terwijl hij daarmee bezig was, viel er wat zaadop de weg. Het werd vertrapt en door de vogels opgegeten. Er viel ook wat zaadop rotsachtige bodem, maar toen het opschoot, droogde het uit door gebrek aan water. Ander zaad viel tussen de distels, en toen de distels opschoten verstikten ze het. Maar er viel ook wat zaad in vruchtbare aarde, en dat bracht honderdvoudig vrucht voort toen het was opgeschoten.’ Hij voegde er met luide stem aan toe: ‘Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren.’ Zijn leerlingen vroegen hem wat deze gelijkenis betekende. Hij antwoordde: ‘Jullie mogen de geheimen van het koninkrijk van God kennen, maar de anderen krijgen alles in gelijkenissen te horen, opdat ze zien zonder inzicht en horen zonder iets te begrijpen. Dit is de betekenis van de gelijkenis: Het zaad is het woord van God. Het zaad op de weg, dat zijn zij die geluisterd hebben, maar daarna komt de duivel en graait het woord weg uit hun hart, om te voorkomen dat ze worden gered door te geloven. Het zaad op de rotsachtige bodem, dat zijn zij die het woord vol vreugde aannemen wanneer ze het horen, maar het schiet geen wortel; ze geloven zolang het hun goed uitkomt, maar als ze op de proef worden gesteld, worden ze afvallig. Het zaaddat tussen de distels valt, dat zijn zij die wel geluisterd hebben, maar door zorgen en rijkdom en de genoegens van het leven worden ze gaandeweg verstikt, zodat ze geen vrucht dragen. Het zaad in de vruchtbare grond, dat zijn zij die met een goed en eerlijk hart naar het woord hebben geluisterd, het koesteren en door standvastigheid vrucht dragen. Lukas 8:4-15 NBV

En weet je … de zondag daarop preekte onze eigen dominee over de gelijkenis van de zaaier. Hij vertelde erbij, dat die gelijkenis drie keer in de Bijbel staat. Het is dus best een belangrijke les van Jezus, anders zou de Heilige Geest het niet zo vaak hebben laten opschrijven. Matteüs begint met: ‘Kijk!’ Goed opletten dus bij dit voorbeeld. En Markus met: ‘Luister!’ Serieus nadenken dus over de betekenis. De dominee vertelde ook, dat juist in Lukas een paar dingen net iets anders staan. In Markus gaat het vooral om God. Hij is de zaaier die het Woord zaait, zegt Jezus daar. Maar in Lukas legt Jezus alle nadruk op wat er met het zaad gebeurt. “Het zaad is het Woord van God,” zegt Hij daar. God zaait zijn Woord overal. Hij wil alle mensen graag bereiken. Hij zaait het goede nieuws in de harten van de mensen, zegt Jezus als Hij deze gelijkenis uitlegt. Maar dan komt ook meteen de duivel erbij. Die is er als de kippen bij om het gestrooide zaad weg te pikken, nog voordat het wortel schieten kan. Alleen in Lukas vertelt de Heer Jezus waarom hij dat zo graag wil. Want God wil graag, dat mensen tot geloof komen. Dat kan alleen als je het goede nieuws over Jezus accepteert. Geloof in Hem en je bent gered. Ja, staat er in Lukas bij: als het geloof echt honderdvoudig vrucht draagt in iemands leven – dat zijn de mensen die met een goed en eerlijk hart naar het woord hebben geluister, het koesteren en leven zoals God het wil, zonder op te geven.

Kijk, en daar snapte ik dus niks van bij Astrid. Ze leek zo overtuigd christen te zijn. En ze heeft mij mijn geloof echt een boost gegeven. Bij haar was het zaad echt in goede grond gevallen. Het leverde veel vrucht op. In elk geval bij mij. En dan geeft ze het toch op!

De dominee zei, dat de duvel er alles aan doet om het zaad zo snel mogelijk weg te pakken. Hij is er inderdaad als de kippen bij. Hij graait en rooft het weg uit hun hart, staat er. Maar in Lukas staat er nog wat bij. Als het zaad op de weg valt, vertrappen mensen het of eten vogels het op. De duivel, Gods grote tegenspeler, doet er dus alles aan om te verhinderen dat mensen gaan nadenken over God en Jezus als ze voor het eerst iets over het christelijk geloof horen. Je familie en je vrienden verklaren je voor gek (mensen lopen en vallen over je heen) en zelf probeert de duivel je gedachten te beïnvloeden (als God bestaat … / … opstaan uit de dood?). Dus blijft het bij een oppervlakkige kennismaking die meteen ook weer voorbij is – het ene oor in, het andere oor uit. Dat kan binnen de kerk net zo goed gebeuren als daarbuiten, zei de dominee in zijn preek. Daarmee slaat de duivel z’n eerste slag. Maar als mensen wél interesse hebben en zich er verder in verdiepen, heeft hij nog twee taktieken.

De eerste is ‘verdrukking en vervolging’, staat er in Matteüs en Markus. Oftewel, zegt Lukas in één woord: ‘beproeving’. Sommige christenen geven het meteen op als ze het moeilijk krijgen. ‘Vanwege het woord’, dus om hun geloof, zeggen Matteüs en Markus erbij. De dominee typeerde hen met ‘mooi-weer-gelovigen’. Ze hebben echt innerlijk het geloof aanvaard, het was echt meer dan een impuls. Ook als het nieuwe er af is, blijven ze geloven. Maar het is alleen maar so far, so good. Misschien is dat het wel geweest bij Astrid. Dat er dingen in haar leven gebeurden, waar ze zich als christen geen raad mee wist. Ga je dan met je problemen naar God toe? Of geef je dan je geloof op, omdat je dan ook van die problemen af denkt te zijn?

Want die derde taktiek van de duivel, dat kan ik me bij haar haast niet voorstellen. Die laat hij los op mensen die uiteindelijk meer voor dit leven gaan. Dat zijn feeling-good-christenen, zei de dominee. Hun geloof maakt hen gelukkig, maar als iets anders hen gelukkiger kan maken, stappen ze langzaamaan over. ‘Gaandeweg worden zij verstikt’ staat er letterlijk. Andere dingen worden steeds belangrijker dan het geloof, zoals rijkdom en een prettig leven, want dan heb je minder zorgen – denk je. Nou, dat kan ik me bij Astrid niet voorstellen, dat het zo gegaan is. Zij en Ronald gaven niks om luxe, hoefden niet een grote auto en naar het buitenland op vakantie.

Toen de dominee het nog een keer op een rijtje zette, wist ik het zeker. Astrid hoort zeker niet bij de oppervlakkige mensen, bij wie het geloof het ene oor in, het andere oor uit ging. Ze hoort denk ik ook niet bij de feeling-good-christenen, die worden ingepakt door de welvaart van deze tijd. Nee, ik ben er vast van overtuigd dat Astrid bij die tweede categorie hoort. Als het gaat stormen in je leven, word je als mooi-weer-gelovige gemakkelijk omvergeblazen. En blijkbaar is de eerste echte geloofscrisis pas rond haar 35e gekomen. Waarom? Ik heb geen flauw idee..

Maar hoe moet ik hier nu mee omgaan? Nou, er is nog een vierde groep mensen die het woord hoort. En daarvan zegt Lukas, hij alleen, dat ze ernaar luisteren en het begrijpen. Ze nemen het gezaaide woord met een oprecht en goed hart aan, ze koesteren het en door niet op te geven, maar vol te houden draagt hun geloof vrucht. Kijk, zei de dominee – je kunt je afvragen waarom veel mensen niet geloven. En erg verdrietig worden en zelfs in verwarring raken als christenen om je heen hun geloof langzaam kwijtraken of er plotseling mee kappen. En hoe dichter dat bij komt, hoe pijnlijker dat is. Maar nog belangrijker is de vraag: hoe is het met je eigen hart? Stel jij je open voor God? Wil jij Jezus niet kwijt, ook als je Hem niet begrijpt? Wil je graag dat je geloof sterker wordt, ook door tegenslagen?

Toen ik dat hoorde, dacht ik: ja, dat wil ik! Ik was zelfs bijna gaan staan om dat te hardop te zeggen die zondag, aan het eind van de preek. Maar ja, dat durfde ik niet zo goed. Dus heb ik het maar opgeschreven. En aan Wilmar laten lezen. Hij was blij met mijn verhaal. Je hart zit niet alleen op de goede plaats, zei hij tegen mij. Je hart richt zich ook op de goede dingen, want jouw geloof hangt niet af van geloofshelden. Je zoekt en vindt je zekerheid bij Jezus. Ik ben blij, lieverd, dat Hij de vaste grond van jouw geloof is.’

Advertenties

Wat beloven bruid en bruidegom elkaar als ze trouwen in de kerk?

trouwkaart algemeenBinnenkort mag ik als dominee weer een trouwdienst leiden. Dat vind altijd prachtig. Iedereen is blij met het bruidspaar. De trouwdienst zelf is voor hen vaak het hoogtepunt van de dag. Want in de kerk herhalen ze hun beloftes aan elkaar en ontvangen ze Gods onmisbare zegen over hun huwelijk.

Net als bij een doopbediening en bij viering van het avondmaal kun je tegenwoordig kiezen welk formulier je wilt gebruiken voor de kerkelijke inzegening / bevestiging van je huwelijk. Het zijn twee korte formulieren, de één uit 1999 en de ander uit 2014. Allebei even sprankelend qua taalgebruik. De keus laat ik graag aan het stel dat trouwt.

Ik kwam wel een probleempje tegen. Namelijk: wat beloven bruid en bruidegom elkaar nu precies als ze in de kerk hun JA-woord herhalen? Tot 2014 was dat geen probleem.

Aan de bruidegom werd gevraagd: Beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je vrouw te zorgen? Beloof je haar voor te gaan in alle dingen die naar Gods wil zijn?

En aan de bruid werd gevraagd: Beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je man te zorgen? Beloof je hem te helpen en hem te volgen, in alle dingen die naar Gods wil zijn?

En aan beiden werd vervolgens gevraagd: Zul je heilig met elkaar leven, elkaar nooit verlaten, maar elkaar trouw blijven in goede en kwade dagen, in rijkdom en armoede, in gezondheid en ziekte, totdat Christus terugkomt of de dood jullie zal scheiden? Beloof je in je huwelijk overeenkomstig het evangelie te leven?

2009-03 badeendjesOp de synode van 2014 komt daar verandering in. De deputaten die over de liturgische formulieren gaan constateren: “Tegen de huidige tekst van de huwelijksvragen en –beloften bestaat een vrij grote weerstand.” Als reden noemen zij “de ongelijkheid in de belofte van bruidegom en bruid.” Volgens de deputaten berust deze formulering op een omstreden uitleg van Efeze 5 die niet algemeen gedeeld wordt in onze kerken. Daarom stellen ze voor om bij de eerste vragen de “elementen die al te zeer voor discussie vatbaar zijn” weg te laten en voor een eenvoudiger belofte te kiezen waarbij “in ieder geval liefde, trouw en zorg benoemd worden” en die voor bruidegom en bruid gelijk is:

Bruidegom/bruid, beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je vrouw/man te zorgen?

Maar in hetzelfde deputatenrapport stond ook het nieuwe tweede huwelijksformulier. En daarin waren de beloften weer verschillend:

Bruidegom, beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je vrouw te zorgen?

Bruid, beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je man te zorgen? Beloof je hem te helpen en hem te volgen, in alle dingen die naar Gods wil zijn?

Volgens de synodeverslagen is die laatste versie aangenomen. Vanaf 2014 waren dit dus de vastgestelde trouwbeloften (incl. het vervolg dat voor bruid en bruidegom gelijk gebleven is). Niet helemaal consequent, vond ik. Waarom zou je als bruid meer moeten beloven dan als bruidegom? Dus heb ik me altijd maar gehouden aan de formuleringen die tot 2014 afgesproken waren. Want ik ben het heel erg eens met de opmerking van de deputaten, dat bij alle liturgische formulieren de vragen die gesteld worden, gelijk dienen te zijn.

TrouwringenToen kwam eind 2017 het nieuwe Gereformeerde Kerkboek uit. De teksten van de liturgische formulieren waren al vastgesteld in 2011, maar de deputaten hebben nog wat kleine taalkundige correcties toegepast.

Maar wat is er tot mijn stomme verbazing nu met de beloften van bruidegom en bruid gebeurd? Precies het omgekeerde! Nu belooft de bruid minder dan de bruidegom:

Bruidegom, beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je vrouw, te zorgen? Beloof je haar voor te gaan in alle dingen die goed zijn in Gods ogen?

Bruid, beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je man, te zorgen?

Ik snap het niet meer. Het is volgens mij van tweeën één.

Of bruidegom en bruid beloven alleen maar dat ze in liefde voor elkaar zullen zorgen. Dan haal je alle moderne gevoeligheden uit de trouwbelofte en beperk je je tot de kern.

Of bruidegom en bruid beloven elkaar, dat hij haar in liefde voor zal gaan en dat zij hem in liefde zal volgen en helpen. Dan hou je je meer aan de globale invulling die je ook in de Bijbel leest.

Persoonlijk heeft het laatste mijn voorkeur. Als kerk hoeven we niet alle verschil tussen man en vrouw weg te poetsen als we in een trouwdienst een stukje bijbels onderwijs over het huwelijk geven.

Dus wat mij betreft voegen we beide varianten 2014 en 2017 samen door zowel aan de bruidegom als aan de bruid elk gewoon de toegespitste, bijbels gefundeerde vraag te stellen:

Bruidegom, beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je vrouw, te zorgen? Beloof je haar voor te gaan in alle dingen die goed zijn in Gods ogen?

Bruid, beloof je hier voor God en zijn gemeente, in liefde voor je man, te zorgen? Beloof je hem te helpen en hem te volgen in alle dingen die goed zijn in Gods ogen?

Zullen jullie heilig met elkaar leven, elkaar nooit verlaten, maar elkaar trouw blijven in goede en kwade dagen, in rijkdom en armoede, in gezondheid en ziekte, totdat Christus terugkomt of de dood jullie zal scheiden? Beloof je in je huwelijk vanuit het evangelie te leven?

 

Mannen en vrouwen rond Goede Vrijdag en Pasen

Soms schaam ik mij voor mijn man-zijn. Bijvoorbeeld als ik kijk naar de posities die mannen en vrouwen innemen rond het lijden en sterven en de opstanding van onze Heer Jezus Christus.

In heel de lijdensgeschiedenis van Jezus spelen mannen een negatieve rol.

De haat van de Farizeeën; het verraad van Judas; de grootspraak en de val van Petrus; de kromme rechtspraak van Pilatus; de manipulatie van de gewone man; de wreedheid van Romeinse soldaten; de angst en het ongeloof van de apostelen.

Vrouwen daarentegen tonen keer op keer hun menselijk gevoel voor Jezus.

Pasen open graf vrouwenDe vrouw van Pilatus, Claudia, neemt het voor Jezus op; langs de Via Dolorosa zijn het vrouwen die om het lot van Jezus huilen; bij de kruisiging kijken veel vrouwen van een afstand toe; op de vroege Paasmorgen gaan de beide Maria’s, Johanna, Salome en nog een paar andere vrouwen naar het graf toe om Jezus de laatste eer te bewijzen; de allereerste persoon aan wie Jezus Zich na zijn opstanding levend en wel vertoond is Maria van Magdala.

Uit alles blijkt, hoeveel liefde en compassie die vele vrouwen hadden voor Jezus. Kunnen vrouwen dat beter opbrengen dan mannen? Schamen zij zich er minder voor om dat openlijk te tonen? Durven vrouwen eerder voor hun geloof in Jezus uit te komen?

Waarom hebben mannen dat niet? Waarom moeten mannen altijd stoer zijn? Waarom spreken mannen altijd van die grote woorden? Waarom denken mannen dat zij zich altijd zo nodig moeten bewijzen? Waarom willen mannen altijd een bepaald beeld in stand houden? Waarom durven mannen nooit hun kwetsbaarheid te tonen? Waarom kunnen mannen zo moeilijk hun gevoelens laten zien?

Rond Goede Vrijdag en Pasen hoeven vrouwen zich niet te schamen. Mannen wel. Ja, ik schaam mij in deze week voor mijn man-zijn. Als het om geloven gaat, kan ik nog veel van vrouwen leren.

 

In het Gereformeerd Kerkboek staat het lied ‘Buiten de poort heeft Jezus geleden’ van Anka Brands (tekst) en Luit Doornbos (melodie). Het is oorspronkelijk verscheen in de bundel ‘Een lied voor Jeruzalem’.

Refrein
Buiten de poort heeft Jezus geleden, buiten de poort de kruisweg betreden.
Buiten de poort komt Gods toorn op Hem af; maakt Hij zijn kinderen vrij van de straf.
Vers 1
Hoor! Kind’ren zingen in hun spel: Gezegend Davids grote Zoon,
die nu op weg is naar zijn troon. Hij is de Vorst van Israël!
Vers 2
Maar boze mannen schreeuwen luid: Zo’n koning is ons niet veel waard.
Wat is een koning zonder zwaard! Kruis hem, stuur hem de poort maar uit.
Vers 3
En vrouwen klagen luid en lang. Maar Jezus weert die schrale troost:
Ween om u zelf en om uw kroost. Hij draagt zijn kruis en gaat zijn gang.
Vers 4
Uit kindermond bereidt God eer. Zelfs Jezus haters staan verstomd,
wanneer de lof van kind’ren komt. Hoe heerlijk is uw naam, o Heer.

 

Witte Donderdag: Jezus biddend op weg naar het kruis

Hoe ging Jezus, onze Heer, in de laatste 24 uur zijn lijden tegemoet? Lukas laat in zijn evangelie zien, dat Jezus op de avond vóór zijn kruisiging Zelf gebeden heeft én zijn leerlingen opgeroepen heeft om te bidden.

Jezus bidt Zelf voor drie dingen.

Allereerst voor Petrus: ‘Ik heb voor je gebeden opdat je geloof niet zou bezwijken.’ (Lukas 23:32) Dat gebed is hard nodig, want Petrus leed aan een ernstige vorm van zelfoverschatting als het om geloven gaat. Daarin staat hij symbool voor alle christenen. De duivel hoeft maar even te schudden of ons geloof valt om. Maar er is één die ons vasthoudt: Jezus Zelf. Hij bidt nog steeds 24 uur per dag voor al Gods kinderen.

Getsemane Jezus bidt 2Even later bidt Jezus voor Zichzelf: ‘Vader, als U het wilt, neem dan deze beker van mij weg. Maar laat niet wat ik wil, maar wat U wilt gebeuren.’ (Lukas 23:42) Hier bidt Jezus om ‘plan B’. Waarom? Omdat Hij geweldig opziet tegen wat binnen 24 uur komen gaat: aan het kruis krijgt Hij de woede van God over de zonde van heel de mensheid over Zich heen. Dat deed Hij niet zomaar eventjes omdat Hij toch de Zoon van God is. Integendeel, hoe dichter het bijkomt, hoe meer de angst Jezus naar de keel grijpt. Toch bidt Hij niet opstandig. Hij eist geen andere oplossing. Hij dwingt en dramt niet bij zijn Vader. Hij vraagt het eerbiedig. Zelfs in het moeilijkste moment van zijn leven, daar in de tuin van Getsémane, is Christus nog op onze redding uit. Maar Hij wankelt en deinst terug. Als het maar even anders zou kunnen, Vader, dan graag!

Uit de hemel verscheen Hem een engel om Hem kracht te geven. (Lukas 23:43) Die engel is het antwoord op de vraag van Jezus aan zijn hemelse Vader. Het antwoord betekent een ‘nee’. Er komt geen ‘plan B’. Het verzoek is afgewezen. God verandert zijn plan niet. “Nee, mijn Zoon, mijn recht tegenover al die zondige mensen kan alleen zijn be­loop krijgen, als Jíj als Middelaar die beker van mijn toorn tot op de bodem leeg­drinkt. Je moet door, mijn Zoon, en daarom ontvang Je kracht van deze engel.”

Daarna bidt Jezus voor de derde keer. Nu pas staat Hij echt doodsangsten uit. Want Hij weet: het verlossingsplan dat Ze met hun Drieën bedacht hebben, gaat door. Maar hoe kan Hij dat dragen? Die eeuwige Godverlatenheid aan het kruis? Dus bidt Jezus vurig en intens tot God. Een innerlijke worsteling die zijn weerga niet kent. Bloed, zweet en tranen. Een gebed om de moed te verzamelen die zelfs Hij, onze Verlosser, als mens niet uit Zichzelf kan halen. Biddend vindt onze Heiland rust en ontvangt Hij kracht. De kracht die de engel beloofd had. Dat is de kracht van de Heilige Geest. Die trekt Jezus over de streep trekt. Na zijn gebed kan Hij rustig opstaan en zijn leerlingen wakker maken. En gaat onze Heiland, zeker van de overwinning, op het einddoel af. Als Petrus met zijn zwaard begint te zwaaien en Mal­chus het oor eraf slaat, verbiedt Jezus hem dat en zegt: ’Zou Ik de beker, die de Vader Mij gegeven heeft, niet drinken?’ (Johannes 18:11) Jezus Christus heeft zijn taak op zich genomen. Hij gaat vrijwillig de dood tegemoet. Hij laat vrijwillig zijn bloed vloeien. Hij geeft vrijwillig zijn leven. Voor jou. Voor mij. Voor alle mensen.

Tegelijk roept Jezus zijn leerlingen op om ook zelf te bidden: ‘Bid dat jullie niet in beproeving komen.’ (Lukas 23:40+46) Twee keer zegt Hij dat. Vlak vóórdat Hij Zelf zo intens gaat bidden. En meteen daarna, als Hij de leerlingen slapend aantreft. Ze zijn van verdriet in slaap gevallen. Verdriet slaat mensen lam. Zelfs bidden lukt dan niet meer. Wij kunnen, als het er echt op aankomt, God niet vasthouden. Het moet echt van één kant komen: ‘Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaars te redden.’ (1 Timoteüs 2:15) Hij kwam, Hij leed, Hij overwon.

Elk jaar gedenken en vieren we dat als christenen. Diep verwonderd en enorm dankbaar. Wat is Jezus, onze Heer, ontzettend diep gegaan. Met maar één doel: om ons weer met God te verzoenen.

Daar juicht geen toon, daar klinkt geen stem

Pasen Daar juicht een toon shirtNiet meer in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) tenminste. Want dit prachtige Paaslied is uit de nieuwste editie van het Gereformeerd Kerkboek verdwenen. In de nieuwsbrief van 20 maart 2018 geeft het Steunpunt Liturgie aan, dat een aantal vertrouwde Paasliederen gelukkig nog wel in een andere jasje te vinden zijn in het nieuwe Liedboek dat in 2013 uitkwam. Dat Liedboek is leidend voor onze kerkdiensten en in het Gereformeerd Kerkboek staan alleen nog maar de gezangen die niet in het Liedboek staan, maar die we toch waardevol genoeg vinden om te blijven zingen.

Op zich een goed streven. Maar kun je van Daar juicht een toon, daar klinkt een stem met droge ogen zeggen, dat je het oude Gezang 95 nu kunt vinden “in het Liedboek 637, de bekende melodie met een nieuwe tekst van André Troost”? Kijk en vergelijk zelf:

Gezang 95 – Daar juicht een toon, daar klinkt een stem

1/ Daar juicht een toon, daar klinkt een stem, die galmt door gans Jeruzalem; een heerlijk morgenlicht breekt aan, de Zoon van God is opgestaan!

2/ Geen graf hield Davids Zoon omkneld; Hij overwon, die sterke Held. Hij steeg uit ’t graf door eigen kracht, want Hij is God, bekleed met macht!

3/ Nu jaagt de dood geen angst meer aan, want alles, alles is voldaan! Wie in geloof op Jezus ziet, die vreest voor dood en helle niet.

4/ Want nu de Heer is opgestaan, nu vangt het nieuwe leven aan: een leven door zijn dood bereid, een leven tot in eeuwigheid.

Liedboek 637 – O vlam van Pasen, steek ons aan

1/ O vlam van Pasen, steek ons aan, de Heer is waarlijk opgestaan! De Zoon, die voor geen zonde zwicht, de Zoon is als de zon, zo licht!

2/ De Vader laat niet in het graf een kind dat zoveel vreugde gaf, Hij tilt het uit de kille grond – het loopt als vuur de wereld rond.

3/ De oude nacht voorgoed gedood, de toekomst kleurt de morgen rood; ziehier hoe God vergevend is en hoe zijn liefde levend is.

4/ Ziehier het licht van lange duur, ziehier de Zoon, de zon, het vuur; o vlam van Pasen, steek ons aan – de Heer is waarlijk opgestaan!

Ik vind het niet alleen raar, maar vooral zorgelijk dat we als GKV-kerken officieel ‘O vlam van Pasen, steek ons aan’ in de maag gesplitst krijgen als vervanging van ‘Daar juicht een toon, daar klinkt een stem’.

VERVAGENDE GELOOFSTAAL

Waarom zorgelijk? Omdat ik een tendens zie om alles wat met het christelijk geloof te maken heeft, te vervagen tot symbolische omschrijvingen. Voor mij betekent Pasen dat Jezus als de Zoon van God levend en wel uit het graf is opgestaan. Wat er met Pasen gebeurd is, is werkelijkheid. En daar mag je, als christen, heel konkreet van zingen. En dat doe ik ook als ik de vier verzen van ’Daar juicht een toon, daar klinkt een stem’ zing.

Maar wat ik vaak om me heen zie is, dat het christelijk geloof omschreven wordt in symbolische woorden. Dat klinkt goed, maar het wordt vaag. Er wordt minder gesproken over God als onze hemelse Vader, over Jezus als onze Redder en Heer en over de hemel en de nieuwe aarde als onze bestemming. Het gaat veel meer over de Eeuwige die ons opneemt in de oceaan van zijn liefde en die ons in Jezus inspireert tot een zinvol leven, omdat Hij het licht van lange duur en de zon en het vuur is, de vlam van Pasen die ons aansteekt, het bewijs dat Gods liefde levend en blijvend is. Prachtige beeldspraak. Poëtische taal. En daar is op zich niets mis mee.

Maar het is ook erg algemeen. En dus erg vaag. Je kunt er alle kanten mee uit. En iedereen kan zich er wel in vinden. Maar daarmee worden de feiten rond Pasen minder belangrijk. Het maakt niet uit hoe je het interpreteert, letterlijk of symbolisch. Als je maar gelooft dat er iets gebeurd is met Pasen waardoor mensen zich tot op de dag van vandaag motiveren laten.

Kijk, dat vind ik zorgelijk. Want in de Bijbel staat iets heel anders: Christus is opgestaan uit de dood. Als dat niet werkelijk waar is, is de dood niet overwonnen, is onze schuld niet betaald en is er geen hoop op het eeuwige leven. Juist met Pasen moet het goede nieuws van de opstanding van Jezus zo konkreet mogelijk verkondigd en bezongen worden!

Mijn vader zaliger was musicus. Hij had meer liturgisch gevoel in zijn kleine teen dan ik in mijn hele lichaam. Hij genoot van de Matthäus-Passion van Bach en van een hoogkerkelijke liturgie. Maar het viel hem telkens weer op: hoe meer Bach in de kerkdienst, hoe minder Evangelie van de kansel. En omgekeerd: hoe volkser de liturgie, hoe voller de verkondiging. ‘Het lijken wel twee communicerende vaten’, zei hij een keer tegen mij.

Dat maakt mij wat huiverig voor nieuwe liederen vol symboliek over de inhoud van het christelijk geloof. Vooral als daarmee andere liederen die konkreet Gods grote daden bezingen, worden weggedrukt omdat ze liturgisch gezien onder de maat zijn. Volgens mij vergeet je dan als kerk, dat het Evangelie juist op de kerkelijke feestdagen het meest tot z’n recht komt als je met bekende liederen zo konkreet mogelijk het heil aan ons verschenen bezingt. Gods heil heeft immers als mens van vlees en bloed handen en voeten gekregen in Jezus Christus?

WILLEKEURIGE KEUZES

Het is trouwens ook raar dat Daar juicht een toon, daar klinkt een stem niet is opgenomen in het nieuwe Geformeerde Kerkboek. Van alle andere liederen die als dubbeling niet meer in het nieuwe Gereformeerd Kerkboek staan, is de koptekst in het nieuwe Liedboek bijna hetzelfde (Gez. 89 ‘Jezus, leven van mijn leven’ = Lied 575 ‘Jezus, leven van ons leven’; Gez. 92 ‘Nu triomfeert de Zoon van God’ = Lied 622). Maar in het nieuwe Liedboek heeft Lied 637 niet alleen een heel andere titel. Onderaan staat ook, dat de melodie van het lied ontleend is aan ‘Daar juicht een toon, daar klinkt een stem’ en gecomponeerd is door César Malan. Bij andere liederen die gemoderniseerd zijn, staat alleen vermeld van wie de melodie afkomstig is. Oftewel: Lied 637 is een ander Paaslied.

Het is ook raar, omdat er wel twee andere ‘dubbelingen’ in het nieuwe Gereformeerde Kerkboek zijn opgenomen. ‘U zij de glorie’ (Gez. 99) is in een moderner jasje (Gez. 209) opnieuw opgenomen, terwijl er ook een nieuwere versie in het Liedboek staat (Lied 634). Als je die twee nieuwere versies met elkaar vergelijkt, zie je meteen dat ze veel meer op elkaar lijken dan ‘Daar juicht een toon, daar klinkt een stem’ en ‘O vlam van Pasen, steek ons aan’.

Een tweede lied dat zelfs in exact dezelfde bewoordingen in beide bundels staat is het lied ‘Christus in het graf geborgen’ (Gez. 207 / Lied 639). “Dat is tegen de uitgangspunten in”, staat in de nieuwsbrief van het Steunpunt Liturgie. “Maar omdat de GKv-kerken die dit lied op hun repertoire hebben staan het kennen met de melodie van Dirk Zwart, staat het toch in de nieuwe bundel, want het LB koos voor een andere melodie.” Merkwaardig! Niet alleen omdat de samenstellers van het nieuwe Gereformeerde Kerkboek blijkbaar eigenmachtig dit soort keuzes mogen maken. Maar ook omdat, als ik het zo inschat, de melodie in het Gereformeerd Kerkboek staat, minder makkelijk te zingen is als de melodie die in het Liedboek staat. Raar dus, dat een amper bekende en weinig gezongen melodie tegen de regels in toch in het nieuwe Gereformeerde Kerkboek geplaatst wordt, terwijl een geliefd Paaslied dat door iedereen rond Pasen uit volle borst meegezongen wordt, moet verdwijnen zonder dat iemand daar ook maar om gevraagd heeft.

Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Het is denk ik net als in de politiek. Daar hebben veel van de gevestigde partijen weinig feeling meer met de bevolking, omdat ze in hun Haagse kaasstolp zitten. Qua visie op liturgie lijkt er in onze kerken net zo’n kloof te zijn tussen de besluitvormers rondom liturgie en kerkmuziek (deputaten en steunpunt) en de zondagse kerkgangers. De plaatselijke gemeente is, als het om de gezangen in het nieuwe Gereformeerde Kerkboek gaat, voor mijn gevoel meer kwijtgeraakt dan dat ze erbij gekregen heeft. Het zal er ongetwijfeld aan bijdragen dat er nog minder vanuit de aanbevolen twee bundels (Liedboek 2013 en Kerkboek 2017) gezongen gaat worden. En eigenlijk is dat best wel winst. Want ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is – in alle vrijheid kan iedere voorganger en elke gemeente dat heel goed zelf bepalen.

Tenslotte: ik ben blij met een veel hertalingen in het Liedboek 2013 en het Kerkboek 2017. ‘Ik wil mij gaan vertroosten in Jesu lijden groot’ (LvK 174) is in de versie van Jaap Zijlstra ‘Ik wil mij gaan vertroosten in ’t lijden van mijn Heer’ (Lb 562) geworden. En het ‘O wij arme zondaars, bedelaars onrein’ (LvK 175) krijgt een veel positievere insteek als je ‘Glorie zij U, Christus, U leed onze nood’ (Lb 574) zingt. Ook de berijmingen van het Onze Vader (GK 181) en ‘Eigenroem is uitgesloten’ (GK 213) van de hand van door Ria Borkent laten zien hoe nodig het was dat ‘O allerhoogste Majesteit’ en  ‘Alle roem is uitgesloten’ nu definitief vervangen zijn.

 

Avondmaal, Witte Donderdag en de kerkelijke feestdagen

“Doe dit, telkens opnieuw, om Mij te gedenken.”

Lukas is de enige evangelist die deze woorden van Jezus onze Heer vermeld, toen Hij voor het eerst het Avondmaal met de apostelen vierde op de avond voor zijn dood. Van hem heeft ook Paulus het gehoord, en dus haalt Paulus deze woorden van de Heer letterlijk aan als hij de christenen in Korinte opdraagt het Avondmaal te vieren: “Doe dit, telkens opnieuw, om Mij te gedenken.” (Lukas 22:19b / 1 Korintiërs 11:24b)

Hoe doe je dat, Jezus gedenken als je het Avondmaal viert?

Bedenk als eerste, dat onze Heer tijdens het Joodse Pesach aan zijn volgelingen deze opdracht gegeven heeft. Zo maakt Hij duidelijk: Ík ben het Paaslam dat geslacht is. Pesach is het bevrijdingsfeest uit de slavernij van Egypte. Maar het verwijst naar een andere bevrijding: die uit de macht van de zonde. En zoals de Israelieten zichzelf niet konden bevrijden uit de slavernij van Egypte: God moest dat doen, door het bloed van een lam! – zo kan niemand zichzelf bevrijden uit de macht van de zonde: Jezus moet het doen, door zijn dood aan het kruis!

Al Shabi AvondmaalMaar waar denk je dan precies aan, als je aan het Avondmaal je Heer Jezus gedenkt?

  1. Denk aan het Kerstfeest. Bij het Avondmaal staat de geboorte van Jezus centraal. Dan zie je, hoe veel God van zijn wereld en van jou en mij houdt. Jezus daalde neer van zijn troon om mens te zijn. Om zijn leven met ons te delen. Om ons leven over te doen in volmaakte gehoorzaamheid. Denk daar aan.
  2. Kruis Muur AssenDenk aan Goede Vrijdag. Bij het Avondmaal staat de kruisiging van onze Heer centraal. Logisch, zul je zeggen. Maar bedenk ook telkens weer aan, dat de dood van Gods Zoon laat zien hoe diep de zonde in jou en mij zit. Zo diep als Jezus ging – tot in de dood; zo diep zit de zonde ons in het bloed – het leidt tot de dood, lichamelijk en voor de eeuwigheid. Tenzij je gelooft, dat Jezus dat allemaal van ons overgenomen heeft. Dat kostte Hem zijn leven. Denk daar aan.
  3. Denk aan Pasen. Bij het Avondmaal staat de opstanding van Christus centraal. Daar deed Hij het voor: om ons weer terug bij God te brengen. Daar gaat het Hem om: dat ook wij opgewekt voor God leven. Denk daar aan.
  4. Denk aan Hemelvaart. Bij het Avondmaal staat de hemel open. Want daar is Jezus, mens als wij, aan Gods rechterhand. Ook wij mogen nu met vrijmoedigheid naar Gods troon toegaan. Denk daar aan.
  5. Denk aan Pinksteren. Bij het Avondmaal staat de Geest van Christus centraal. Door aan onze Heer te denken, versterkt Hij Zelf ons geloof. Hij bemoedigt ons met kracht in onze ziel. Denk daar aan.
  6. Denk ook aan zijn terugkomst. Bij het Avondmaal hoort ook het verlangen naar de grote dag. Daarom geeft Jezus, onze Heer, ons ook deze opdracht. Zo houden we de moed erin. Straks wordt het perfect. Dan komt Hij terug op de wolken en zullen wij Hem zien zoals Hij werkelijk is. Dan wordt het leven pas echt een feest. Denk daar aan.

Aan het Avondmaal denken we aan Jezus Christus onze Heer door van het brood te eten en van de wijn te drinken. Wees je ervan bewust waarom je dat doet. Wees blij met Kerst, met Goede Vrijdag, met Pasen, met Hemelvaart en met Pinksteren. Laat het zien en kom er voor uit dat Jezus Christus alles voor je is. En durft vooruit te kijken. Vier het Avondmaal tot zijn gedachtenis en totdat Hij komt!

 

GEEF JE GELOOF EEN STEM op 21 maart

‘Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’ Die uitspraak deed Jezus toen zijn tegenstanders probeerden om Hem een ongeoorloofde uitspraak te ontlokken. Ze vroegen Hem of je als gelovige die alles van God verwacht, ook aan de wereldse overheid moet gehoorzamen. In die tijd was dat een spannende vraag, want het land Israel was al meer dan 90 jaar onderdeel van het Romeinse Rijk. Moet je zo’n dictator die Gods beloofde land bezet gehoorzamen of niet? Moet je als gelovige Jood wel of geen belasting aan de keizer betalen? Jezus zegt dat je beide moet gehoorzamen. Omdat je aan God je leven geeft, je dank en je eer, kun je ook aan de overheid geven wat die nodig heeft om ons land en onze stad goed te besturen.

Verkiezingen 2014In het gedeelte uit Markus 12:13-17 gaat het over belasting betalen. Nog steeds een actueel onderwerp! Maar de toepassing is breder. Op woensdag 21 maart zijn er verkiezingen voor de gemeenteraad, hier in Assen en bijna overal in Nederland.

We leven in een vrij land. We hebben nog steeds alle gelegenheid om als christenen ons geloof te belijden. Niet alleen op zondag in de kerk, maar ook door de week op heel veel manieren. Die vrijheid is een groot goed. Die vrijheid betekent ook een grote verantwoordelijkheid. Daarom krijgen we van de overheid één keer in de vier jaar de gelegenheid om onze stem te laten horen als het om het bestuur van onze mooie stad Assen gaat. Overal hoor je de oproep: “Ga toch stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen!” Ik denk dat wij zeker als christenen dit advies ter harte moeten nemen. Vooral omdat Jezus onze Heer duidelijk zegt (het staat 3x in de Bijbel, ook nog in Matteüs 22:21 en Lukas 20:25): ‘Geef aan de keizer wat van de keizer is.’ Ik denk dat je mag zeggen dat dat voor iedere christen op woensdag 21 maart betekent: geef je stem bij de gemeenteraadsverkiezingen.

Maar Christus zegt er nog iets bij: ‘En geef aan God wat God toebehoort.’ Oftewel: stem niet alleen als burger, maar breng ook als christen je stem uit. Laat zien dat onze God het goede zoekt voor heel de stad en heel de samenleving. Dat doe je volgens mij het best door als christenen op een medechristen te stemmen. Want dan weet je zeker dat ook in de gemeenteraad de Naam van de HERE genoemd wordt. Natuurlijk kun je ook op een niet-christelijke partij stemmen die zegt jouw persoonlijke belangen of het belang van bepaalde doelgroepen te behartigen. Maar heeft zo’n partij ook de eer van God? Laten de raadsleden zich daar samen motiveren door de Bijbel? Bidden zij om de wijsheid van de Heilige Geest om het goede voor de stad te zoeken, zoals  de HERE in Jeremia 29:7 alle gelovigen opdraagt?

ChristenUnie HarmkeAls christenen hun geloof geen stem meer geven, moet je als christen ook niet klagen dat Nederland steeds onchristelijker wordt. Dus geef je geloof een stem op woensdag 21 maart! Stem op een medechristen in wie jij vertrouwen hebt. Iemand die net als Daniël in de politiek niet voor het  eigenbelang gaat. Maar die voor het belang van alle burgers én voor de eer van God uit en op durft te komen. Zoals deze wethouder van onze stad Assen