Spreuken 14:26 en de kinderdoop

Onlangs hadden we weer een doopdienst. Ik kwam een prachtige tekst uit Spreuken 14:26 tegen: Ontzag voor de HEER geeft een krachtig vertrouwen, het biedt je kinderen een schuilplaats.

Ontzag voor de HEER heeft in het Spreukenboek altijd te maken met een goed leven. Als je ontzag hebt voor de HEER ben je wijs. Dan sta je in de juiste verhouding tot God. Dat geeft rust in je leven en zekerheid. Meteen na Spreuken 14:26 staat er in vers 27: Ontzag voor de HEER is de bron van het leven, het hoedt je voor de strikken van de dood. En iets verderop, in Spreuken 19 vers 23, staat: Ontzag voor de HEER beschermt je leven, je kunt rustig gaan slapen, er overkomt je niets.

Spreuken 14:26 zegt twee mooie dingen als het over ‘ontzag voor de HEER’ gaat. Allereerst: door eerbied voor God groeit ook het vertrouwen op God. Dat is het gevoel dat je op Hem kunt rekenen. En het tweede is: respect voor God dat doorgroeit naar een krachtig vertrouwen op de HEER, dat kun je voorleven en doorgeven aan je kinderen. Daar plukken zij de vruchten van. Vandaar: Het biedt je kinderen een schuilplaats. Je kunt ook vertalen: Hij, de HEER, biedt je kinderen een schuilplaats als jij krachtig op Hem vertrouwt.

“Een geschikte dooptkekst” noemt dr. E.W. Tuinstra in zijn POT-commentaar op Spreuken dit vers. Want, citeert hij een Duitse theoloog, de winst van een leven met God reikt veel verder dan het eigen bestaan.

In de doop komt Jezus namelijk heel dicht bij en is Hij tastbaar aanwezig.

Ja, in de doop komt God Zelf naar ons toe. Je ziet in de doop wat er al in het paradijs gebeurde meteen na de zondeval: God zoekt de mensen weer op en belooft hen een Redder. En wat God beloofd heeft, blijft van kracht, tot in het duizendste geslacht, zingen we met Psalm 105.

Bij alle verschillen die er over de doop zijn is de beginvraag altijd: waar is de doop een teken van? Waar zet de doop een streep onder? Gaat het in de doop om wat God belooft of om wat iemand die gedoopt wordt gelooft.  

Inn het Nieuwe Testament staat nergens de goddelijke opdracht: ‘Doop de kinderen van gelovige ouders!’ Er staat ook nergens een goddelijk verbod: ‘Absoluut verboden om kinderen van gelovige ouders te dopen!’

Dus moet je verder kijken naar wat heel de Bijbel zegt over de betekenis van de doop. Dan kom je al heel snel uit bij wat Paulus in Kolossenzen 2 schrijft: In Christus bent u besneden, niet door mensenhanden, maar met de besnijdenis van Christus, door het afleggen van het aardse lichaam. Toen u gedoopt werd bent u immers met Hem begraven, en met Hem bent u ook tot leven gewekt, omdat u gelooft in de kracht van God die Hem uit de door heeft opgewekt. Paulus legt dus een link tussen de besnijdenis en de doop. Tegelijk legt hij ook een link tussen de doop en het uitkomen voor je geloof.

Voor een goed begrip van de doop moet je beginnen bij de besnijdenis. Dus eens naar het Oude Testament gaan kijken. Wie werden daar besneden? Daar is geen standaard volgorde in. Abraham komt eerst voor zijn geloof in God uit (Gen. 15). Daarna sluit God een verbond met Abraham en zijn nakomelingen met de oproep om voor Hem te leven en de opdracht om alle mannen van zijn familie te besnijden (Gen. 17). Omdat Abraham in God gelooft, doet hij dat ook. Maar nog weer een tijdje later wordt Isaak op de achtste dag na zijn geboorte besneden (Gen. 21). In beide gevallen is het geloof in God noodzakelijk om alle beloften die God doet te ontvangen. Maar het moment waarop de besnijdenis als teken en zegen van het verbond wordt bediend is niet afhankelijk van het precieze moment waarop iemand tot geloof komt. Later zal Paulus zeggen: Abraham geloofde al toen hij nog niet besneden was, dus is hij de vader van alle christenen die op latere leeftijd tot geloof gekomen zijn, maar door zijn geloof is hij tegelijk ook de vader voor iedereen al als kind door gelovige ouders besneden is.

Zowel in de besnijdenis als in de doop zie je dus, dat God begint.  Natuurlijk is er geloof nodig om te delen in de beloften die God uitspreekt. Maar toch gaat Gods belofte altijd aan ons geloof vooraf. Gelukkig wel, anders hing de zekerheid van de vergeving van mijn zonden, van de vernieuwing van mijn leven en van Gods eeuwige Vaderliefde van de stand van mijn geloof af. Als de doop vooral een streep zet onder mijn geloof als voorwaarde voor het ontvangen van al die kostbare geschenken van God, dan is mijn geloof op drijfzand gebouwd.

Nee: God begint. In het leven van Abraham. In het leven van Isaak. In het leven van elke christen. In het leven van elk kind van gelovige ouders. In de doop is God dezelfde als in Genesis 1. Daar sprak Hij: ‘Er moet licht komen in het duister’ – en er was licht! Nu zegt Hij: ‘Er moet licht komen in het hart van al mijn kinderen’ – en Hij heeft het doen schijnen in de onze harten om ons te verlichten met zijn heerlijkheid, de glans van Jezus Christus, zegt Paulus later (2 Kor. 4:6).

Als je beseft dat God zijn beloften in het Oude Testament geeft aan de volwassenen en hun kinderen, met de opdracht erbij om het zelf ontzag voor God te hebben en krachtig op Hem te vertrouwen; en het zo aan je kinderen voor te leven, zodat zij ook op God zouden gaan vertrouwen en het hun kinderen weer zouden vertellen, wie God is en wat Hij van je vraagt – dan is het toch niet meer dan logisch dat als de Heilige Geest vanaf Pinksteren wereldwijd gaat met Gods beloften, Petrus precies hetzelfde zegt! Want voor jullie geldt deze belofte én voor jullie kinderen (net als in het O.T.) en voor iedereen die nu nog ver weg is en die de Heer, onze God tot Zich roepen zal. (Hand. 2:39).  Het zou raar zijn, nu de doop in de plaats van de besnijdenis komt, dat opeens wel alle joodse vrouwen die in Jezus zijn gaan geloven en alle niet-joden die tot geloof in Jezus komen, gedoopt mogen worden (wat een royale uitbreiding van Gods verbond; precies wat de HERE al tegen Abraham gezegd had, nl. dat via hem alle volken op aarde gezegend zouden worden – Gen. 12:3), maar dat de kinderen van gelovige ouders niet meer het teken van het verbond mogen ontvangen van Jezus. Het kan niet waar zijn! En het is ook niet waar!! In heel het Nieuwe Testament zie je, dat hele gezinnen gedoopt worden (net als de hele huishouding van Abraham besneden werd).  God verzamelt zich een nieuw volk, vol van Jezus en vol van de Geest – kinderen inclusief.

Besef daarbij ook, dat het Nieuwe Testament de eerste vijftig jaar na Pinksteren beschrijft. Dat is de tijd dat vooral volwassenen die Jezus eerst niet erkenden (joden) of helemaal niet kenden (heidenen) tot geloof in Jezus kwamen. Hoe zit het dan met de kinderen  wanneer in een huwelijk de één niet gelooft en de ander wel? Zijn die onrein en verloren, omdat ze besmet zijn met de zonde van hun ongelovige vader of moeder? ‘Zeker niet!’  zegt Paulus tegen de christenen in de grote havenstad Korinte (1 Kor. 7:14). ‘Integendeel! Die kinderen zijn in de gelovige partner geheiligd en horen bij God!’ Ze zijn apart gezet.

En waar zie je dat aan? Dat is toch niet moeilijk te bedenken. Aan hun de doop! Het is net als bij de besnijdenis in het Oude Testament. Dat was een zichtbaar teken dat er een volk van God op aarde was, in afwachting van de Jezus de Messias – kinderen inclusief.

Daarin is God in het Nieuwe Testament niet veranderd. Zelfs als maar één van de ouders gelooft, mogen de kinderen uit dat huwelijk delen in het stempel van Gods beloften en zichtbaar worden ingelijfd in Gods nieuwe volk op aarde: de gemeente van Jezus Christus!

Net als bij de besnijdenis (denk aan Abraham) begint het bij de doop met een volwassene die zich laat dopen. Niet als teken van zijn of haar geloof. Maar als teken: ik geloof dat God met mij iets goeds begonnen is. En daarna (denk aan Isaak) is God heel royaal. Als je ontzag hebt voor de HEER en daardoor een krachtig vertrouwen ontwikkelt, wil de HERE ook voor je kind een schuilplaats zijn.

Is er dan geen geloof nodig? Wis en waarachtig wel! Maar het tijdstip van de besnijdenis en het tijdstip van de doop valt niet samen met het moment waarop de Heilige Geest het geloof persoonlijk geeft. Wat wel zo is: ook bij de doop van een kind wordt er geloof gevraagd. Als ouders moet je je geloof belijden. En als kind word je opgeroepen om Gods beloften in geloof aan te nemen. Want als ouders én als kinderen sta je heel dicht bij Gods genade, als je in de kerk, in de kring van mensen die in Jezus geloven, bent opgenomen. Hoe beter je het weet, hoe erger het is als je Gods prachtige kado’s (verzorging, vergeving en vernieuwing) afwijst, zegt Jezus in Lukas 12:48.

Wie gedoopt wordt, krijgt voor de rest van zijn of haar leven drie prachtige beloftes van God mee. Drie kado’s die op het voorhoofd gestempeld worden. Zichtbaar in het water van de doop. Onafwasbaar als je met de ogen van het geloof kijkt.

Maar heb het er dan ook vaak over met je kinderen! Misschien is dat wel juist het probleem dat veel mensen met de kinderdoop hebben. Dat we het er nooit over hebben. Ja, dan zal het jongeren ook niet veel zeggen. Gods belofte van eeuwig geluk vraagt erom dat je het er met elkaar over hebt. Anders komt het nooit tot het antwoord van geloof en bekering.

Daarom is Spreuken 14:26 inderdaad een prachtige tekst bij de doop van je kind: Ontzag voor de HEER geeft een krachtig vertrouwen, het biedt je kinderen een schuilplaats. Als  ouders mag je je kinderen vertellen waarom ze gedoopt zijn en mag je elke dag voor ze bidden en God vragen om de vervulling van zijn beloften. Want wanneer God jouw schuilplaats is, wil Hij het ook voor je kinderen zijn.

Wederzijds respect bij het al dan niet invoeren van de vrouw in het ambt

‘Unaniem en dankbaar’ hebben de 32 synodeleden de besluiten van ‘Meppel 2017’ om de ambten in de vrijgemaakt-gereformeerde kerken voor de vrouwen open te stellen, gehandhaafd. Aan de behandeling van het jarenlang slepende vraagstuk of de ambten in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt ook moesten worden opengesteld voor vrouwen, lijkt formeel althans een einde gekomen. Het is niet meer mogelijk voor gemeenten, classis of regionale synodale verbanden beroep of revisie aan te tekenen.

Zo vatte het Nederlands Dagblad onder de kop ‘GKV houdt ambt open voor vrouw’ de besluiten die de Generale Synode van Goes op 5 september 2020 heeft genomen. Er waren 23 kerken die om revisie hadden gevraagd, deels omdat het in strijd is met de Bijbel dat vrouwen ouderling en/of predikant kunnen zijn, deels omdat ze de onderbouwing vóór de openstelling van de ambten voor vrouwen onvoldoende vonden. En er waren ook 23 kerken die niet tegen de besluiten in 2017 waren, maar ook vonden dat het allemaal beter onderbouwd moest worden.

Die onderbouwing heeft deze synode in twee commissierapporten geleverd (klik hier en dan nr. 22b + 22c). Daarmee is inderdaad een einde gekomen aan een lang traject. Vanaf 2005 stond het onderwerp ‘vrouwen in de ambten’ zes keer achter elkaar op de synode-agenda. De GS van Ede-Zuid wees in 2014 openstelling af met 15-21. De GS van Meppel koos in 2017 voor openstelling met 23-9 (ouderling) en 21-10 (predikant). De GS van Goes heeft nu, in 2020, de openstelling gehandhaafd met 32-0. Kerkrechtelijk is de discussie hiermee beëindigd.

Twee volwaardige bijbelse meningen

Hoe zal dit besluit vallen binnen de plaatselijke kerken? Een belangrijke uitspraak van de synode is – en ik zeg het even in woorden: zowel de overtuiging dat op basis van Gods Woord het ambt niet voor vrouwen openstaat als de overtuiging dat dat op grond van de Bijbel wel mogelijk is, komen voort uit een eerbiedige en zorgvuldige afweging van de Schriftgegevens. Of, zoals de vice-voorzitter van de synode, ds. Dinand Krol, in de pers zei: ‘Beide meningen zijn gebaseerd op een Schriftlezing die correct is.’

Dit is niet een vrijgemaakte eigenaardigheid. Ook binnen de CGK hebben beide visies recht van bestaan. In 1998 sprak de CGK-synode van Nunspeet uit, “dat uit het geheel van het spreken van de Heilige Schrift duidelijk is dat het gezaghebbend leidinggeven aan de gemeente aan de man en niet aan de vrouw toekomt.” Tegelijk werd de mening van de minderheid niet als schriftkritisch beoordeeld. Beide visies “hadden dezelfde hermeneutische basis, hetzelfde Schriftverstaan, terwijl daarna een verschillende evaluatie van de Schriftgegevens leidde tot een verschillende uitkomst.” Oftewel: de CGK-synode van 1998 waakte ervoor “om een principiële veroordeling van het standpunt van de minderheid van de studiecommissie uit te spreken.”

Plaatselijke vrijheid

In tegenstelling tot de CGK geeft de GKV nu definitief aan plaatselijke kerken de ruimte om te kiezen welke lijn ze willen volgen als het om de verkiezing van ouderlingen en het beroepen + voorgaan van predikanten gaat. Dat vind ik nog steeds een wijs besluit. Daarmee geven we elkaar de vrijheid binnen ons kerkverband om hierover verschillend te mogen denken.

Want als er in de Bijbel twee lijnen zijn aan te wijzen, waardoor we niet tot een eenduidig standpunt kunnen komen, moeten we elkaar als kerken de ruimte geven om plaatselijk naar eer en geweten te besluiten wat goed is voor de gemeente en wat tot eer van God strekt. En dat vanuit een houding van liefde tot Christus en liefde tot elkaar, ook als de pijn wederzijds voelbaar blijft. Als we ons werkelijk vasthouden aan Christus en zijn Woord, moeten we ook elkaar vast willen houden.

Ruimte voor elkaar

Wat betekent dat in de praktijk? Volgens mij dit: we geven elkaar optimaal de ruimte om een plaatselijk een keus te maken op grond van de beide bijbelse lijnen die er zijn. Als we echt vinden dat beide lijnen een volwaardige plaats binnen het raamwerk van Schrift en belijdenis hebben, zou het heel vreemd zijn dat er nu in (sorry voor de tweedeling en de terminologie) in behoudende gemeentes door progressieve leden actie gevoerd wordt om de vrouw ook daar in het ambt te krijgen, terwijl in vooruitstrevende gemeentes een conservatieve minderheid dit probeert tegen te houden.

Ben ik hier bang voor? Ja, wel een beetje. Al in de jaren vóór 2017 proefde ik een verharding in de standpunten. Voorstanders van de vrouw in het ambt gaven blijk van ongeduld en onbegrip dat niet meteen tot openstelling werd overgegaan. Sommigen verlieten zelfs de GKV om lid te worden van een PKN of evangelische gemeente waar vrouwen wel mochten preken. In de afgelopen decennia zijn een aantal vrouwelijk theologen uit de GKV en de CGK alvast predikant geworden in de PKN. Als ik daar dan een wat kritische kanttekening bij maakt, kreeg ik vaak een reactie terug in de trant van: ‘Maar je begrijpt toch wel dat bevlogen christenen deze stap zetten?’ Ja, ergens snapte ik het wel, maar ik vond het vooral jammer. En ook minder juist. Want mensen gingen weg terwijl we samen in een proces zaten. Dus zou ik het heel spijtig vinden als er straks nog meer mensen weglopen omdat een plaatselijke kerk besluit om op grond van de Bijbel de ambten níet open te stellen voor vrouwen. Dat wekt bij mij de indruk dat men het eigen gelijk belangrijker vindt dan de geloofseenheid met je eigen broeders en zusters in de plaatselijke gemeente.

Omgekeerd gebeurde de afgelopen drie jaren precies hetzelfde. Kerkleden vertrokken en sommige buitenlandse zusterkerken verbraken meteen de kerkelijke banden, omdat de GKV door dit besluit een valse kerk zou worden. Nu de kogel definitief zullen er nog meer zusterkerken volgen en gaan nog een aantal verontruste kerkleden actief op zoek naar een andere kerkelijke gemeente. Dat gaat nog niet meevallen trouwens, want de hele Gereformeerde Bond valt af omdat die ook de vrouw in het ambt tolereren in hun eigen PKN-kerkverband. Ook de CGK zal, denk ik, in de komende tien jaar hetzelfde traject aflopen als wij nu gedaan hebben, maar dan in een veel trager tempo. En de meeste evangelische gemeentes waar vrouwen niet toegelaten worden als voorgangers hebben een nog zwaarwegender breekpunt: ze eisen dat je je laat overdopen. De keus is dus beperkt tot nieuw-vrijgemaakt (DGK / GKN) of bevindelijk-gereformeerd (HHK / div. soorten GerGem). Wie dit soort keuzes maakt, terwijl in de eigen plaatselijke gemeente de vrouw in het ambt nog niet is ingevoerd, voelt zich zó verantwoordelijkheid voor wat de synode besluit en voor wat andere gemeentes beslissen, dat men plaatselijk liever een breuk forceert dan samen het gesprek aan te gaan over wat wijs en verstandig is voor de eigen gemeente.

In beide gevallen zie ik een negatieve trekje naar boven komen waar gereformeerden wel vaker last van hebben: de eigen mening staat gelijk aan Gods Woord en daar moet iedereen in het kerkverband voor buigen. Oftewel: men wil heersen over de mening van anderen: mede-christenen, andere GKV-gemeentes, het hele kerkverband. Dan heb ik meer respect voor een ouderling die aftrad op de dag nadat in zijn gemeente het principe-besluit om vrouwen toe te laten als ouderling en predikant en daarbij zei: “Ik kan dit besluit niet uitdragen in de gemeente, maar ik ga niet weg, want als je moet ‘lijden aan de kerk’ is dat een te gemakkelijke stap.’

Elkaar aanvaarden

Het kan ook anders. Als we beginnen met de erkenning dat we samen willen luisteren naar Gods Woord en onze redding bij Jezus Christus zoeken, moeten we elkaar ook kunnen vasthouden als we erg van mening verschillen over de vrouw in het ambt.

Echt vasthouden betekent dat we vooral plaatselijk met elkaar in gesprek gaan. En dat op grond daarvan elke gemeente zelf een besluit neemt. Een besluit dat gerespecteerd wordt binnen de gemeente en door de andere GKV-kerken. Een besluit waarvan, als het aan mij ligt, ook niet elk jaar opnieuw getornd wordt, maar dat voor de komende vijf jaar vast staat. Want als we echt vinden dat je vanuit de Bijbel twee lijnen kan aanwijzen, moet je elkaar ook de ruimte gunnen om een keus te maken die de rust in de gemeente ten goede komt. En moet je jezelf de gelegenheid geven om na een aantal jaren er nog eens goed over na te denken.

Ongeveer 15 jaar geleden zei een collega-predikant tegen mij toen het om de zondagsdiscussie in onze kerken ging (is de zondag als rustdag nu wel of niet gegrond op een goddelijk gebod?): ‘Dat is geen kwestie waarvoor christenen in de tijd van de Reformatie de brandstapel opgingen.’ Ik denk dat dat ook geldt voor de vraag of vrouwen wel of niet als diaken / ouderling mogen dienen of als predikant mogen voorgaan. Ik vind zelf van wel (hier vind je mijn argumentatie) en steun daarom de synodebesluiten. Maar ik heb er geen enkele moeite mee om te preken of te werken in een gemeente die niet of voorlopig niet overgaat tot de openstelling van de ambten.

Laten we ook bij dit verschil van mening elkaar blijven aanvaarden zoals Christus ons aanvaard heeft. (Romeinen 14).

Deze blog is een bewerking van de blog die ik op 22 juni 2017 onder dezelfde titel geschreven heb.

Een kerk die (niet) zingt

Op zondag 6 september preekte ik in de GKV van Frieschepalen. Daar werd door alle aanwezigen meegezongen. Ik vond het heerlijk: een kerk waar weer gezongen wordt. Niet uit volle borst, maar ingetogen. En niet in een volle kerk, maar in een ruimte waar men 1½ meter afstand van elkaar hield en ook aan alle andere voorwaarden voldaan werd. Toen ik dit op FB en Twitter vertelde, ontstond op beide social media een hele discussie. Veel likes + hartjes, maar ook veel gemengde reacties.

In mijn vorige blog (Geen zorgen voor de dag van morgen – maar wel voor die van vandaag) benadrukte ik, dat er geen reden is voor een lakse houding m.b.t. corona, maar dat we ook niet voortdurend zo voorzichtig mogelijk moeten zijn omdat er anders misschien een tweede golf aan komt.

Als het zingen om zingen in de kerk gaat, bespeur ik vooral die laatste houding.  ‘Je moet überhaupt geen risico’s nemen door te willen zingen’, zei iemand op Twitter. ‘Volgens het RIVM mag je nog niet in groepsverband zingen’, schreef iemand anders op Facebook. Ik ben het met beide opmerkingen oneens. En ik zal uitleggen waarom.

Is zingen in de kerk per definitie een risico?

Veel mensen vinden dat zingen in de kerk een groot risico is. Vaak wordt verwezen naar een kerk in Frankfurt waar half mei 107 besmettingen tijdens een kerkdienst plaatvonden. Ze droegen geen mondkapjes en zongen samen. Maar het hoofd van de GGD in Frankfurt verklaarde “dat de meeste geïnfecteerden niet tijdens maar na de kerkdienst werden besmet.” (bron: Algemeen Dagblad, 25 mei 2020). Zingen was dus niet de oorzaak.

De angst voor zingen wordt ook gevoed door corona-critici die zeggen dat de 1½ meter onzin is, omdat corona zich vooral zou verspreiden door middel van aerosolen, de kleine druppeltjes die door afgesloten ruimtes zweven, en niet door grote druppels die binnen 1½ meter naar beneden vallen. Deze mening, die onder anderen nogal stevig door Maurice de Hond wordt geventileerd, is na een aantal onderzoeken steeds ongeloofwaardiger geworden. Op 18 augustus liet het RIVM weten  dat het coronovirus net als ander virussen door grote druppels wordt overgedragen en dat de rol van aerosolen veel minder groot is. “De duidelijkste aanwijzing hiervoor is het reproductiegetal (Ro) van het nieuwe coronavirus. Dit getal is een maat voor hoeveel mensen besmet raken door een ziek persoon als je geen maatregelen treft. Voor het nieuwe coronavirus ligt het reproductiegetal tussen de 2 en 4. Ziekten die zich via fijne kleine druppeltjes verspreiden en lang in de lucht blijven ‘hangen’ hebben een hoger reproductiegetal. Enkele bekende voorbeelden hiervan zijn tuberculose en mazelen. Iemand met mazelen besmet (als er geen maatregelen zoals isolatie of vaccinaties getroffen zijn) ongeveer 17 personen.”

Bij een besmetting met mazelen is het R-getal 17, omdat de verspreiding vooral via aerosolen gaat. Op het hoogtepunt van de corona-crisis, tijdens het carnaval in Brabant, was het R-getal maximaal 4. Waarom? Omdat het corona-virus zich bijna altijd via grote druppels verspreid.

‘Bijna altijd’ – dus het kan ook via aerosolen, zal iemand zeggen, en dus moet je het zekere voor het onzekere nemen en in de kerk nog niet zingen.

Maar die redenering klopt niet. Als de kans op besmetting via zingen klein is, moet je die kans nog kleiner maken door goed te ventileren, door in de kerkdiensten ook anderhalve meter afstand te houden, door een goede check uit te voeren (bv. via www.eerstehulpbijventilatie.nl) en door bv. niet de hele dienst voluit te zingen, maar alleen de laatste twee liederen op een ingetogen wijze. En je moet kijken hoe het met het aantal besmettingen in jouw omgeving zit. Die is in het Noorden van het land dermate laag (volgens het coronadashboard in Drenthe al sinds begin mei t/m 6 september elke dag nooit meer 1  persoon op de 100.000 – by far het laagste getal in heel Nederland ). Als aan al die randvoorwaarden voldaan wordt, is er volgens mij niet zoveel op tegen om in kerkdiensten ook weer mondjesmaat te gaan zingen.

Wordt zingen in de kerk afgeraden door de overheid?

Maar je mag toch volgens de richtlijnen van de overheid nog niet zingen in de kerk? Het tegenovergestelde is juist het geval.  Sinds 1 juli zijn de corona-regels versoepeld en mag je wél weer zingen in de kerk! Op 1 juli brachten alle veiligheidsregio’s in Nederland een noodverordening uit. Artikel 2.4 gaat over het verbod op gezamenlijk zingen of schreeuwen in de publieke ruimte, hetzij buiten of binnen. Nadrukkelijk staat erbij vermeld: “Dit verbod geldt niet voor zang als onderdeel van de belijdenis van godsdienst of levensovertuiging.” (Bron: Veiligheidsregio Drenthe 21 aug. 2020)

Wel moeten de richtlijnen van het RIVM in acht genomen worden, nl. altijd in een goed geventileerde ruimte en met 1½ meter en bij voorkeur in een zigzag-opstelling. (Bron: Koornetwerk Nederland 30 juni 2020)

Als zingen mag en kan, waarom doen veel kerken het dan niet?

Zingen in de kerk mag dus. Zingen in de kerk kan vaak ook. En heel veel mensen missen het samen zingen enorm. Dus waarom doen veel kerken het dan niet?

Volgens mij omdat er tussen ‘mogen – kunnen – doen’ nog een tussenstap zit, namelijk ‘durven’.

Ik denk dat we elkaar als christenen een beetje aanpraten dat we kost wat het kost moeten voorkomen dat straks onze eigen kerk in Nederland de eerste kerk is waar weer een corona-brandhaard ontstaat. Zelf vind ik die angst alleen maar terecht als een kerk zich in een gebied bevindt waar de corona-cijfers hoog zijn of duidelijk weer omhoog gaan. Maar als dat nog niet zo is en je als kerk verder alle voorzorgsmaatregelen in acht neem, lijkt het mij heel bijbels om me nog geen zorgen voor de dag van morgen te maken en voorzichtig het zingen weer op te pakken.

Maar net als de veiligheidsregio’s ga ik er niet over. De verantwoordelijkheid ligt bij de plaatselijke kerkenraad. En waar ik ook preek, ik pas me daar zonder moeite bij aan. Maar ik mag, hoop ik, toch nog wel gewoon zeggen dat ik het fijn vond om weer eens lekker te zingen, omdat het in Frieschepalen mocht en kon en men het dus ook deed? Ze hebben mij in elk geval het pad gewezen ;-).  

Paula Brink: ‘ik mis het heel erg: de kerkgang én het zingen’

‘Samen zingen geeft verbinding, met elkaar en met Boven. Ik mis het om die reden heel erg: de kerkgang én het zingen’, zegt Paula Brink (30) uit Assen. ‘Met elkaar, als je naast een vriendin staat te zingen en aan één blik genoeg hebt. En naar Boven, zingen helpt me om me echt op God te richten, meer dan bij een gebed of preek. Zingend richt je je tot God, vraag je om kracht, of om de bijstand van de Heilige Geest.

Overgenomen uit: Nederlands Dagblad, 28 augustus 2020. Beeld: Philip Roorda

Elke zondag worden voor een kerkdienst in de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt van Assen-Peelo twee á drie kringen uitgenodigd. In zo’n dienst wordt er door een klein groepje van vier tot vijf voorzangers gezongen. De gemeente zingt niet mee, hooguit kan ze mee-neuriën. Hoe dat is, weet ik nog niet. Zelf mogen wij aanstaande zondag voor het eerst. Maar ik sta niet voorin de kerk, hoor. Zo goed ben ik niet, al houd ik erg van zingen.

Sinds het begin van de zomervakantie hebben vier kerkleden het plan opgevat om iedere zondagmiddag samen buiten te zingen. Dat gebeurt op een groot erf in het dorp Rolde. We zingen daar Opwekking, Gezangen, Psalmen, Johannes de Heer, Elly & Rikkert. Er is geen live-begeleiding, we zingen met YouTube-video’s die via een geluidsinstallatie te horen zijn. Het mooie is dat er spontaan mensen op af komen. Wandelaars, racefietsers, ze staan even stil, zingen een of twee nummers mee, en gaan weer door. Dat is heel bijzonder, het geeft een extra dimensie aan het zingen. Als er één voorkeurslied is dat ik nu graag samen zou zingen, is het ‘Lopen op het water’, Opwekking 789. ‘Leer ons gaan over de golven’, dat zijn we nu in deze crisis met elkaar aan het doen. Ik hoop dat we dat volhouden. Dat is een mooi lied om uit volle borst mee te zingen.’

Geen zorgen voor de dag van morgen

– maar wel voor de dag van vandaag –

De vakantie is voorbij en de scholen zijn weer begonnen. Maar deze keer is het niet zoals altijd. Het corona-virus houdt ons nog stevig in de greep. We pendelen wat heen en weer tussen versoepeling en verscherping van de maatregelen.

Hoe ben je daar als christen onder? Waar stel je je vertrouwen op?

Ik stel mijn vertrouwen op de Heer, mijn God.

Want in zijn hand ligt heel mijn levenslot.

Dat klinkt vroom.

Maar tegelijk vertrouw ik ook op de medische wetenschap. Zij hebben verstand van het grillige verloop van virussen.

En ik vertrouw op onze overheid. Want je kunt veel van onze regering zeggen, maar in tegenstelling tot Wit-Rusland en heel veel andere landen, zoeken onze overheid wel het goede voor haar burgers. Ze staat in dienst van God en is er voor uw welzijn, zegt Paulus in Rom. 13:4a.

Ook vertrouw ik op de mensen om mij heen. Er zijn altijd uitzonderingen, maar het overgrote deel van de Nederlanders begrijpt heel goed dat de meeste maatregelen echt nodig zijn om een tweede corona-golf te voorkomen.

Tenslotte vertrouw ik op mijn gezonde verstand. Dat zegt mij dat er in Assen in drie weken tijd maar 3 besmettingen plaatsgevonden hebben (waarvan 0 tussen 10-17 augustus) en in Amsterdam zo’n 1.850 (waarvan 734 tussen 10-17 augustus). En dat zegt mij, dat ‘thuis’ en ‘familie’ en ‘feesten’ vooral een virushaard zijn, terwijl ‘een religieuze bijeenkomst’ in de afgelopen slechts één keer de vermoedelijke oorzaak van besmetting was.

Maar al dat vertrouwen in mensen, van de overheid tot aan mijzelf, is een wankele basis als dat eerste er niet is: Ik stel mijn vertrouwen op de Heer, mijn God. Want in zijn hand ligt heel mijn levenslot.

Dus let ik vooral op wat Jezus, mijn Heer, mij te zeggen heeft aan het begin van een nieuw seizoen. Daarbij moet ik vooral denken aan deze woorden van Hem:

“Maak je dus geen zorgen over de dag van morgen,

want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben.

Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.”

Vaak zeggen christenen: je hoeft je geen zorgen te maken voor de dag van morgen, want Jezus heeft gezegd dat als God voor de vogels en de bloemen zorgt, Hij zeker ook voor jou zal zorgen. En dat is ook zo. Dat zegt Jezus ook.

Maar hier geeft Jezus een hele andere reden. Hier zegt Hij: je mag je wél zorgen maken, maar hou het wel binnen de perken. Je kunt allerlei scenario’s uitdenken voor hoe het morgen en volgende week en de komende maanden gaat, maar, zegt onze Heer: Bewaar die zorgen maar voor morgen. Je hebt het al moeilijk genoeg met vandaag. (Bijbel in Gewone Taal).

Ik ben blij met deze woorden van Jezus.

Zorgen maken mág.

Want het leven is niet altijd makkelijk, het christelijke geloof is geen zoetsappig verhaaltje waarin het goede het altijd en overal wint van het kwade, en als gelovige lukt het mij vaak niet om de lastige dingen van het leven altijd met goede moed te dragen omdat de Heer alle zorgen van mij wegneemt. Nee, het leven is soms loodzwaar en dan is er maar één overlevingsstrategie: eerst maar eens deze dag zien door te komen. En wie geeft dat advies? Jezus Zelf nota bene! Zo goed kan Hij Zich inleven in onze situatie. Zo goed kan Hij meevoelen met wat iemand allemaal moet ondergaan. Onze Heer is niet wereldvreemd, maar kent de rauwe werkelijkheid van het leven uit eigen ervaring.

‘Zie eerst maar eens deze dag door te komen’, zegt Jezus dus, ‘en doe dat in vertrouwen op Mij’. Wat betekent dat voor het komende seizoen? Misschien wel, dat je als christen redelijk relaxed met al het corona-nieuws kunt omgaan. Als het goed gaat in Assen (0 besmettingen tussen 10-17 augustus) en overal in Nederland weer kerkdiensten met 100 mensen gehouden die dankzij alle voorzorgsmaatregelen geen enkel risico voor de gezondheid vormen, kunnen ook wij elkaar weer op zondag ontmoeten en bv. plannen maken voor activiteiten met de kinderen of de tieners van 12-17 jaar oud. En als volgende week of volgende maand de situatie negatief verandert, is dat het ‘eigen kwaad’ van die periode en nemen we nieuwe maatregelen.

Geen zorgen voor de dag van morgen, zegt Jezus.

Ik stel mijn vertrouwen op de Heer, mijn God, zingen we.

Dan blijft het spannend. Er is geen enkele reden voor een ‘schijt-aan-corona-houding’. Hou je aan de maatregelen en adviezen.

Tegelijk weet ik dat God zorgt. Er is ook geen reden om aldoor krampachtig ‘Better safe than sorry’ te roepen. Wat kan kan, en wat mag mag.

En net zo belangrijk is: Laat iedereen zijn of haar eigen overtuiging volgen. (Rom. 14:5)

Een reis door de hemelsferen – over ‘Hemels’

“Er loopt een optocht door de tijd van de schepping tot de eeuwigheid”, zong cabaratier Paul van Vliet ooit. Tijdens mijn vakantie las ik de boeken ‘Oer’ en ‘Hemels’. ‘Oer’ gaat over de tijd vanaf de schepping tot nu. ‘Hemels’ gaat over iemand die een tijd lang de hemelse eeuwigheid heeft ervaren.

Hemels Marietta Davis (2)Marietta Davis leefde van 1823 – 1849 in New York. Ze is christelijk opgevoed, maar als twintiger gelooft ze niet meer in een hiernamaals. Totdat ze in de zomer van 1848 in een coma raakt die negen dagen duurt. Als ze bij komt vertelt ze aan familie, vrienden en haar predikant dat Jezus haar zowel de hemel als de hel als de aarde heeft laten zien, maar dan vanuit een geestelijk perspectief.

Hemels Marietta David ScenesZe leeft nog ruim een half jaar. Dominee J.L. Scott publiceert haar verhaal in 1854 in boekvorm onder de naam Scenes beyond the grave – Trance of Marietta Davis. Vanaf het eerste moment is het een bestseller in Amerika. In 1999 verscheen een nieuwe Engelse vertaling onder te titel Caught up into heaven. Sinds begin 2020 is het boek in het Nederlands vertaald door Willem de Vink en door hemzelf uitgegeven onder de titel Hemels – Mijn reis van negen dagen voorbij de dood. Via de website www.hemelsboek.nl is het zo lang de voorraad strekt gratis Hemels MAriette Davis Caught upte bestellen (je betaald wel verzendkosten). Op 12 augustus waren er al bijna 16.500 boeken verzonden en de lezer waarderen het boek met een 9+.

Wat is het geheim van het boek? Nou, zonder dat het ergens zo genoemd wordt (ook niet door Willem de Vink in zijn inleiding), heeft Marietta Davis een Bijna-Dood-Ervaring gehad. Daar is de laatste jaren steeds meer aandacht voor. Het komt ook steeds vaker voor dan vroeger, alleen al omdat door de vooruitgang van de medische techniek steeds meer mensen een hartinfarct of een coma overleven.

Bijna-Dood-Ervaringen heb je in soorten en maten. Heel bekend is het verhaal van Colton Burpo uit 2010, de kleuter die in coma raakte vanwege een blindedarmontsteking en daarna vertelde wat Jezus hem allemaal in de hemel had laten zien. Het boek Heaven is for real is in 2011 in het Nederlands verschenen onder de titel De jongen die in de hemel was.

In Hemels beschrijft Marietta hoe een engel haar rondleidt in de hemel en haar meeneemt naar de hel. Ook laat de engel haar zien hoe groot de geestelijke strijd rond het sterven van Jezus is geweest. En ze kreeg van boven een kijkje naar hoe mensen op aarde leven – met of zonder geloof in Jezus.

Persoonlijk vond ik het boek geen 9+. Dat komt niet alleen door de moeilijke stijl. De vertalers geven eerlijk toe dat ze het boek eigenlijk in alledaags Nederlands herschreven hebben en “zijn daarbij zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst gebleven.” (blz. 9) Maar het komt ook omdat er eigenlijk drie lijnen door het hele boek heenlopen. Lijn 1 is die van het baby-paradijs. Lijn 2 is de beschrijving van de hel. Lijn 3 is het belang van het offer van Jezus dat als enige genoeg is om mensen met God te verzoenen. Die drie lijnen lopen door elkaar heen. En, vind ik, twee van die drie lijnen zijn volgens mij niet erg goed bijbels te onderbouwen.

Vooral in het eerste deel van het boek wordt veel aandacht besteed aan baby’s en kinderen in de hemel. Engelen blazen de baby’s hemels leven in en de kinderen krijgen hemels onderwijs, onder andere doordat ze veel taferelen uit de bijbelse geschiedenis krijgen te zien en door engelen soms meegenomen worden naar de aarde om te zien hoeveel zorgen, pijn en dood daar is. Zo groeien ze in geloofskennis en beseffen ze dat ook zij uit genade gered zijn, hoe jong gestorven ze ook zijn. Een belangrijke tekst daarbij is Matteüs 18:10. Daar zegt Jezus: Kijk niet neer op één van deze kleinen. Ik vraag mij af of het terecht is om dit letterlijk op vroeggestorven kinderen te betrekken. Ik snap die aandacht wel, want in 1848 kwam kindersterfte heel vaak voor. In het baby-paradijs zegt een jongen die als baby gestorven is tegen Marietta, dat ze aan zijn ouders moet vertellen, dat hij en zijn ook zusje die ook vlak na de geboorte is overleden hier in de hemel thuis zijn en vrede hebben. En een vrouw die drie keer een dode baby in de armen hield, zegt tegen Marietta: “Als mijn geloof in die verdrietige tijd gesterkt was met wat ik nu weet, had ik veel meer vrede gehad. Want een baby die de zorgelijke wereld van zijn ouders verlaat, krijgt zoveel meer geluk terug.” Dat zijn de mooie passages uit dit eerste deel, vind ik. Maar verder blijft het naar mijn mening allemaal wat spekulatief.

In het tweede deel van het boeg geeft Marietta vooral een beschrijving van de hel. Die kent een aantal afdelingen. Er is een donkere plaats waar zielen van mensen zich helemaal overgeven aan zichzelf, maar daar geen enkele voldoening in vinden. Er is een nog donkerder plaats waar een verzameling zielen van mensen die het bestaan van God en Jezus voortdurend bekritiseren. En in de hel bevindt zich ook de huichelachtige kerk, met een voorganger en gemeenteleden bij wie het, net als tijdens hun leven op aarde, nooit om Gods liefde voor mensen draaide, maar alleen maar om hun eigen belangen. En dus eindigt nu elke ontmoeting in een gigantische ruzie, want in de hel is de ware aard van iedereen zichtbaar. Ook hiervan geldt: of dit allemaal echt zo is, kun je uit de Bijbel zelf niet afleiden. Wel wordt heel erg realistisch beschreven, dat de hel ‘de buitenste duisternis’ is voor mensen die hun leven nooit aan Jezus gegeven hebben. En, ook niet onaardig, ik begrijp nu waar C.S. Lewis zijn beschrijving van de hel in De grote scheiding aan ontleend heeft.

Het derde deel laat mooi zien hoe belangrijk het offer van Christus aan het kruis is. Marietta ontmoet in de hemel de twee personen Recht en Genade. De één benadrukt dat alle mensen vanwege hun zonden eeuwig straf verdiend hebben. De ander wijst voortdurend op Jezus als de enige die die straf kan overnemen. Vanuit dat perspektief wordt het leven van Jezus op aarde, en vooral zijn lijdensweg, beschreven. Mooi is daarbij, dat er ook een ander tafereel een paar keer terugkomt, namelijk iemand die op sterven ligt en liefdevol door zijn familie omringd wordt, maar die pas rustig kan sterven als iemand hem op Christus wijst.

Tot zover mijn weergave van de hoofdlijnen van Hemels. Het boek spreekt veel mensen aan omdat bijna elke christen wel momenten heeft dat hij of zij graag een blik in de hemel wil werpen. Johannes schrijft in zijn brief: Wanneer Hij zal verschijnen, zullen we Jezus zien zoals Hij is. (1 Joh. 3:2) Vanuit dat verlangen is het niet verkeerd om ook nu al intensief betrokken te zijn op het leven in de hemelse heerlijkheid.  Door verhalen van mensen met een Bijna-Dood-Ervaring kun je je daar als christen misschien iets meer bij voorstellen.

Over het boek Hemels zou je, net als het boek over Colton Burpo, goed met elkaar kunnen doorpraten. Het biedt genoeg stof voor een mooi gesprek. Het nadeel is, dat je het dan over één ervaring hebt van iemand die zegt iets van de hemel gezien te hebben. Burke HemelZelf vind ik het interessanter om met elkaar een boek te bespreken waarin BDE’s getoetst worden aan wat de Bijbel ons over de hemel vertelt. Dat laatste doet John Burke, een Amerikaans theoloog, in zijn boek Stel je de hemel eens voor.  Hij heeft honderden BDE-verhalen gehoord en gelezen en die getoetst aan de Bijbel. Zijn startpunt is nadrukkelijk: “De BDE-ervaringen zijn geen vervanging of verdringing van wat de Bijbel zegt; ze voegen alleen kleur toe aan het bijbelse beeld.” Hij is zich ervan bewust dat veel mensen “net als bij ieder geschenk van God (…) niet  zien wat God hen wil laten begrijpen; dat ze de ervaring verkeerd interpreteren of dat ze zelfs de gave gaan aanbidden in plaats van de Gever.” (blz. 25). Oftewel: wat God in de Bijbel zegt is niet waar, omdat Marietta Davis een inkijkje in de hemel heeft gehad. Het is juist andersom: een inkijkje in de hemel is een extraatje waar je blij mee mag zijn, maar die voor waarheid van de Bijbel en mijn geloof in Jezus niet persé noodzakelijk is.

Over Bijna-Dood-Ervaringen schreef ik al eerder een aantal blogs:
12 juni 2013  In de hemel is de Heer en Colton heeft Jezus daar gezien 
24 mei 2014  Vol verlangen zingen op weg naar die grote dag
11 januari 2015  Heaven is for real – een oppervlakkige film en een aardig dagboek over Colton Burpos bezoek aan de hemel
20 maart 2015  Herkenning in de hemel – maar hoe?
22 november 2016 Paulus – de man die in de hemel was (over BDE – Bijna-Dood-Ervaring)
6 mei 2017 Zicht op de hemel – een christelijke kijk op bijna-dood-ervaringen
28 februari 2020 Zicht op de hemel – over bijna-dood-ervaringen (artikel in magazine Elisabeth met verwerkingsvragen)

Schepping! Via evolutie of door creationisme?

Het boek ‘Oer’ maakt onder christenen de tongen los over de vraag hoe je de schepping van hemel en aarde precies moet opvatten. Maakte God gebruik van krachten en mogelijkheden die Hij Zelf in zijn schepping gelegd heeft en die zich in de loop van miljoenen jaren ontwikkeld hebben? Of heeft Hij eens, ruim 6000 jaar geleden, gesproken en het was er in zes dagen?

In antwoord op één van de reakties op mijn blog over het boek ‘Oer’ zei ik, dat ik niet alle aannames van de schrijvers deel, maar wel met hen het principieel uitgangspunt deel dat we God op twee manieren kunnen kennen: via zijn schepping -zijn eerste boek- en via de Bijbel – zijn tweede boek-.  En ik voegde daaraan toe: “Met het creationisme daarentegen loop ik volledig vast.”

Iemand vroeg me of ik kon aangeven waar dat ‘vastlopen in het creationisme’ hem dan in zit. Goed, ik zal een poging doen. Maar het is een herhaling van zetten, want in de 10 eerdere blogs die ik al over schepping en evolutie schreef, staat het allemaal ook al.

En ik geef mijn mening maar voor wat het waard is. Ik ben namelijk geen deskundige op het gebied van evolutie, biologie en natuurwetenschappen. Een goede kennis van me schreef: jouw blogs zijn “een beetje te intern-kerkelijk qua perspectief”, dus “iemand van buiten of een studerende jongere kan daar niet zoveel mee.” Dat kan ik me goed voorstellen. Ik neem als theoloog alle informatie in me op en neem dus ook als theoloog een standpunt in.

Wat is dat standpunt dan? Kort en bondig gezegd: de Bijbel is geen wetenschappelijk boek en de wetenschap kan geen uitspraken doen over geloofszaken. Je hebt ze wel allebei nodig om Gods schepping te bestuderen en te begrijpen. Het is daarbij de kunst om beide in de goede verhouding tot elkaar te zien. Want, zoals gereformeerde christenen belijden in art. 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: we kunnen God op twee manieren kennen. Allereerst door de manier waarop God de hele wereld geschapen heeft en nog steeds in stand houdt en regeert. Daarin zie je zijn eeuwige kracht en goddelijkheid. Ten tweede maakt God Zich persoonlijk nog duidelijker en volmaakter bekend via de Bijbel met als bedoeling dat wij Hem eren en zelf gered worden.

Mijn bezwaar tegen het creationisme is, dat het meestal de resultaten van de natuurwetenschap volledig ondergeschikt maakt aan een letterlijke interpretatie van de Bijbel. Met als gevolg bv. alle vondsten van menselijke activiteiten in het verleden niet ouder dan 6.000 jaar kunnen zijn, omdat de zondvloed zo’n 4.000 jaar voor Christus heeft plaatsgevonden. En dat het onmogelijk is vóór de zondeval dat leeuwen af en toe eens een antilope scoorden en de zwaluwen op muggenjacht gingen, omdat God zei dat alles zeer goed was. En dat de zondvloed ervoor gezorgd heeft dat alle fossielen, incl. de dinosauriërs, in de diverse aardlagen terecht gekomen zijn.

Ik vind dat een geforceerde manier van omgaan met de resultaten van de natuurwetenschap. Want dat is juist een stuk kennis waarin wij als intelligente schepselen Gods eeuwige kracht en goddelijkheid waarnemen (wanneer we tenminste in Hem geloven). Die uitkomsten moet je m.i. als christen volledig serieus nemen als christen. Anders neem je je Schepper niet serieus.

Lever ik me dan met huid en haar uit aan de resultaten natuurwetenschap? Zeker niet! Want naast dit ‘boek der natuur’ is er ook nog het ‘Boek van behoud’. En wat ik daarin lees over mijn Schepper is net zo waar. Omdat het allebei zijn boeken waarin Hij iets van Zichzelf laat zien, kúnnen ze zelfs niet met elkaar in tegenspraak zijn. Daarom neem ik ze allebei even serieus.

Dat doe ik vanuit mijn vakgebied als theoloog. Daarom deel ik niet alle suggesties van christenen die geloven in een evolutionair scheppingsmodel. Ik denk bv. dat als Jezus in één klap van honderden liters water zomaar wijn kan maken, God Zelf ook in één keer een kant-en-klare wereld in elkaar kan zetten. Dat Hij er zes dagen over doet, is zelfs aan de lange kant, zei Henk Binnendijk eens. Met ingeschapen ouderdom heb ik ook niet zoveel problemen. Met de aanwezigheid van de biologische dood buiten de hof van Eden (die Adam en Eva moesten bewerken én bewaken, staat er) ook niet. Wat ik niet mee kan maken is de hypothese van een groep mensachtigen waarvan twee leden opeens door God worden aangesproken. En de pretentie dat alle leven uit elkaar is ontstaan, daarvoor ontbreken m.i. nog steeds de fysieke bewijzen als het om de overgangsvormen gaat. In mijn optiek is het net zo redelijk om te veronderstellen dat God dezelfde biologische principes op de verschillende soorten van leven heeft toegepast. Dus is de mens biologisch een zoogdier, maar als het gaat om het enorme verschil gaat tussen de mens en de rest als het om morele, kunstzinnige en religieuze eigenschappen gaat, heeft de natuurwetenschap voor deze ‘Cambrische explosie’ nog steeds geen logische verklaring kunnen geven.

Ik wil dus de wetenschap niet ondergeschikt maken aan een letterlijke interpretatie van de Bijbel. Want daarvoor is de Bijbel niet bedoeld, zegt onze gereformeerde belijdenis. De Bijbel gaat niet over de oudheid van de aarde. De Bijbel gaat over de eer van God en de redding van de mens door het bloed en de Geest van Jezus Christus.

Ik wil ook de Bijbel niet ondergeschikt maken aan de resultaten van de natuurwetenschap. Die zijn namelijk gebaseerd op zeer aannemelijke hypotheses, ook als het om de oorsprong van het heelal en het ontstaan van het leven op aarde gaat. Maar natuurwetenschappers, ook de christenen onder hen, rekenen niet met een goddelijk ingrijpen. Dat staat namelijk niet in Boek 1. Ze geloven er wel in,  maar dat leiden ze af uit Boek 2. Die twee moet je niet door elkaar halen. Of het ene boek alles laten bepalen ook al lijkt het andere boek iets heel anders te zeggen.

Zowel christenen die het creationisme aanhangen als christenen die zich erg thuis voelen bij het evolutionair theïsme lopen het risiko om teveel waarde te hechten aan maar één bron van informatie. Bij het creationisme is die ene bron (bij hen: de Bijbel) het uitgangspunt van alle onderzoek geworden. Dat is een principiële keus. Het evolutionair theïsme erkent tenminste dat er twee bronnen zijn, ook al leunen sommigen wel heel sterk op één been (bij hen: de natuurwetenschap). Dat is een valkuil.

Juist hierom kan ik met het creationisme niet zo goed uit de voeten. In mijn ogen doet het evolutionair theïsme meer recht aan God als onze Schepper, ook al zie ik in de uitwerking wel de nodige eenzijdigheden, waardoor de bijbelse inbreng wat tekort gedaan wordt. Tenminste, dat vind ik als theoloog.

 

Wie meer wil lezen kan terecht op mijn vorige blogs hierover.
21/09/2015  God maakte een stofje en zag het met plezier miljarden jaren groeien (een drieluik – 1)
26/09/2015  Een goed christelijk gesprek over schepping en evolutie – kan dat? (een drieluik – 2)
30/09/2015  Een geloofwaardige versie 2.0 van het scheppingsverhaal? (een drieluik -2)
01/12/2015 En zo werd de mensaap beeld van God?
25/08/2017  Over schepping, evolutie, DNA en het christelijk geloof (recensie Gijsbert van den Brink, En de aarde bracht voort)
01/09/2017  Houdt God ons voor de gek?
02/12/2017 Trouwde Kaïn met zijn zus of met een vrouw uit de clan van Adam en Eva?
08/12/2017 Wedden op twee paarden (recensie M.J. Paul, Oorspronkelijk)
28/05/2020 Twee Amerikanen over de verhouding tussen schepping en evolutie
07/08/2020 Een reis door de tijd – over ‘Oer’

Een reis door de tijd – over ‘Oer’

“Er loopt een optocht door de tijd van de schepping tot de eeuwigheid”, zong cabaratier Paul van Vliet ooit. Tijdens mijn vakantie las ik de boeken ‘Oer’ en ‘Hemels’. ‘Oer’ gaat over de tijd vanaf de schepping tot nu. ‘Hemels’ gaat over iemand die een tijd lang de hemelse eeuwigheid heeft ervaren.

Het boek ‘Oer’ vertelt volgens de ondertiteling “het grote verhaal van nul tot nu”. De auteurs, Gijsbert van den Brink, Cees Dekker en Corien Oranje, willen in dit verhaal het geloof in God zoals Hij Zich in de Bijbel bekend maakt en de huidige wetenschappelijke inzichten als het om de oorsprong en evolutie van ons heelal gaat, combineren. Is hun dat gelukt?

oer boekIk vind van wel. Het is, zoals de achterflap aankondigt, inderdaad “een meeslepende vertelling”. Vanuit de beleving van Proton, één van de deeltjes die tijdens de oerknal ontstaan zijn, wordt duidelijk hoe de Schepper alles uit niets geschapen heeft en tot ontwikkeling laat komen. Niet zomaar, maar omdat Hij een plan heeft: Hij wil een speciale band van liefde en vertrouwen aangaan met één van zijn schepselen. Daar neemt Hij alle tijd voor. In de miljoenen jaren dat de aarde zich ontwikkelt ontstaat er allerlei soort van leven. Als er uiteindelijk mensachtigen op het toneel verschenen zijn, verschijnt de Schepper Zelf aan twee van hen. Hij belooft hen zijn liefde en vraagt hen om Hem te vertrouwen. Dat doet deze groep mensen aanvankelijk ook. Maar hun geluk is van korte duur, want ze drinken uit de verboden bron. Toch gaat de Schepper door met zijn project. Uiteindelijk wordt de Maker van het universum één met zijn schepping om die te kunnen redden. Uit liefde voor de mensen deelt Hij zijn leven met hen. En als Jezus na zijn dood weer opgestaan en terug naar de hemel is gegaan, werkt de Schepper via zijn Adem verder aan zijn reddingsplan voor heel de wereld – tot de dag van vandaag toe.

Dit is in een notendop mijn samenvatting van ‘Oer’. Ik vind het echt goed en integer geschreven. De intenties zijn vooraf heel erg duidelijk: vertel het verhaal van Gods scheppings- en verlossingswerk op een manier die in overeenstemming is met de kennis en het inzicht over diezelfde schepping die we in de afgelopen eeuwen via de wetenschap ook van God ontvangen hebben. De Amerikaanse theoloog Leonard J. Vander Zee (door wie de schrijvers zich hebben laten inspireren volgens blz. 153/154) zei in 2015: als gereformeerd predikant belijd ik met artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat we God op twee manier kunnen kennen, nl. door het prachtige boek van zijn schepping en door de Bijbel als zijn heilig en goddelijk Woord, dus kunnen wetenschap en geloof niet tegenover elkaar staan als christenen de oorsprong van de schepping onderzoeken (in Een goed christelijk gesprek over schepping en evolutie – kan dat? geef ik een uitgebreide samenvatting van Vander Zee). Daarna doet Vander Zee hetzelfde als het boek ‘Oer’, maar dan in 11 minuten: hij geeft een indrukwekkende hervertelling van het scheppingsverhaal met verwerking van de ontdekkingen van de moderne wetenschap (samengevat na te lezen in Een geloofwaardige versie 2.0 van het scheppingsverhaal?).

Omdat ik de insteek van het boek deel, ben ik er enthousiast over. Maar is het ook een geslaagde hervertelling van het scheppingsverhaal? Nou, eigenlijk vind ik dat niet zo belangrijk. Het is maar ‘een’ hervertelling. Daar kun je best wat op afdingen (hieronder zal ik nog een paar dingen noemen), Waar het om gaat is, dat veel christenen die zich qua studie, beroepsmatig of puur uit interesse met de natuurwetenschappen bezighouden, zich vaak in een spagaat bevinden als het om christelijk geloof en wetenschappelijke kennis gaat (lees hierover bv. prof. dr. W. Scott McCullough). Met als risiko, zoals prof. dr. Eep Talstra in een –overigens vrij kritische– recensie van ‘Oer’ schreef: “Kerk en theologie hebben in onze tijd de neiging het debat over geloof en wetenschappelijke kennis te behandelen als een verloren, een overbodige, of als een risicovolle wedstrijd, zodat gelovigen zich terugtrekken op gevoel, beleving, kaarsjes, therapie en spirituele oefeningen.”

Iemand zei tegen mij: boeken als ‘Oer’ maken het voor christenen moeilijk om nog onbevangen te geloven dat God de aarde in zes dagen geschapen heeft, dat Adam door God geboetseerd is en dat Hij Eva uit Adams rib genomen heeft, en dat de zondeval echt heeft plaats gevonden doordat de slang het eerste mensenpaar verleidde van de verboden vrucht te eten. Dat kan inderdaad zo zijn. Maar het is volgens mij geen argument. Want omgekeerd zijn er misschien wel net zoveel christenen die op basis van een overvloed aan wetenschappelijke informatie niet meer uit de voeten kunnen met een letterlijke interpretatie van Genesis 1 t/m 3 en daarom het christelijke geloof helemaal dreigen te verliezen. Het boek ‘Oer’ laat zien dat je als christen jezelf niet in een spagaat hoeft te wringen of schizofreen hoeft te voelen als je geloof en wetenschap probeert te combineren. Tegelijk houdt het boek duidelijk vast aan de bijbelse leer van verlossing en verzoening: “de Schepper zelf zou moeten ingrijpen. De mensen die hij gemaakt had, zelfs de besten onder hen, waren er immers niet toe in staat.” (blz 93) en: “de dood van Jezus [had] ervoor gezorgd dat de mensen zelf niet meer hoefden bij te dragen om bij zijn vader in de gunst te komen. Alles wat ze verkeerd gedaan hadden, wat het ook was – de Schepper rekende het ze niet aan, maar vergaf het ze. Hij keek zelfs naar ze alsof ze Jezus zelf waren en niets verkeerds hadden gedaan.”(blz. 125).

Ik zei al, dat er best wat af te dingen is op de hervertelling van het grote verhaal van nul tot nu in ‘Oer’. Dat zit ‘m voor mij met name vast op één punt. Volgens mij wordt het bijbelse scheppingsverhaal vooral herverteld vanuit het perspectief van de huidige natuurwetenschappelijke stand van zaken. Dat bergt het gevaar  in zich, dat de bijbelhistorische informatie (bewust?) wat wordt weggedrukt en dat de theologische inbreng (bewust?) wordt geminimaliseerd.

Zo vind ik het merkwaardig dat alle aspecten die mensen van dieren onderscheiden (taal, techniek, kunst, geloof in geesten en goden) al voordat God ‘Adam’ en ‘Eva’ (in het boek heten ze anders) aanspreekt, bestaan.  Alsof het beeld-van-God-zijn alleen maar bestaat uit het hebben van een band met God. “Homo divinus. De mens die door de Schepper aangesproken wordt. Dat maakt hem voorgoed tot een ander wezen, enig in zijn soort.” (blz. 59).

Verder worden een aantal bijbelse gegevens wel erg omfloerst weergegeven. De zondeval wordt niet veroorzaakt door de slang, maar door een diskussie van stamleden met ‘Adam’ en ‘Eva’, waarbij niet Eva, maar Adam uiteindelijk over stag gaat. Is dat samen met de opmerking dat de Schepper “expres twee gelijkwaardige varianten” van de mens gemaakt heeft een kleine knieval naar onze overgeëmancipeerde samenleving? Over de slang gezwegen: zowel de duivel als de engelen komen maar mondjesmaat voor. Als Jezus in de woestijn op de proef gesteld wordt, gebeurt dat door een passerende herder met achteraf de suggestie: “Volgens mij was het de tegenstander van de Schepper zelf” en zijn het mensen die Jezus daarna verzorgen met de opmerking erbij: “waren het mensen?” Ook de Hemelvaart van Jezus hangt letterlijk in de mist, terwijl Lukas toch met historische precisie vermeldt, dat Jezus eerst zegenend omhoog steeg, in een wolk werd opgenomen en op dezelfde manier zal terugkomen. Dat zal toch echt niet op een wereldwijde pot-dichte-mist-dag zijn :-). Als daarna de Heilige Geest komt (die ik in het hele verhaal tot aan Pinksteren trouwens gemist hebt), wordt die als ‘Adem’ heel terecht degene genoemd die Jezus heel dichtbij brengt, maar er wordt van Hem niet meer gezegd dan: “het was iemand die nauw met Jezus en zijn vader verbonden scheen te zijn … misschien … een hooggeplaatste engel” (blz. 128). Van mij had dit allemaal wel wat explicieter gemogen. Nu lijkt het toch een beetje alsof de inbreng van Bijbel en wetenschap niet helemaal in balans zijn.

Goed, en dan nu nog een paar spijkers en de slakken. De hoofdpersoon, Proton, is een grappig wezentje. Als er na 10 miljoen jaren bijna niets gebeurd is, moet hij wat meer geduld hebben, maar als Abraham eindelijk een kind krijgt, kan hij de tijd nauwelijks bijhouden omdat de jaren zo snel gaan. En vlak voordat Jezus geboren wordt, ziet hij het plan van de Schepper niet meer zitten, omdat het al 100x misgegaan is met mensen als Abraham en David die Gods plan zouden uitvoeren, terwijl Proton in het begin heel goed snapte dat één op de 10 miljard quarks niet vernietigd werden en dat dat genoeg was voor de Schepper om met zijn project verder te gaan.

Dat er ook één keer een echte kerktaal-zin in staat (“Waar geen wet is, is geen overtreding” – blz. 62) en dat sommige informatie wel heel erg veel christelijke voorkennis verondersteld (Jozua die eerst Hosea heette; Petrus die zonder verdere informatie huilend ‘Ach, Heer, vergeef me. Wat heb ik gedaan ….’ roept; Jezus die aan het kruis vergeleken wordt met een rechter die was vastgebonden, maar zichzelf weer los getrokken had); en dat wel heel vaak het woordje ‘schijnt’ gebruikt wordt als de Proton en de zijnen weer eens aan het filosoferen slaan over de bedoeling van de Schepper) mag de pret van het lezen niet drukken.

Net nadat ik klaar was met het maken van dit leesverslag, zag ik dat Gijsbert van den Brink op de site van het Nederlands Bijbelgenootschap een kort artikel Oer en de Bijbel geschreven heeft. Hij legt daarin uit hoe hij en de twee andere auteurs ook de Bijbel en de theologie volledig recht willen doen.

Ploegt de boer straks weer gewoon voort?

De redaktie van ‘Verbinding’, het kwartaalblad van de christelijke agrariërs van het CCA en het CGMV, vroeg mij om een artikel te schrijven vanuit bijbels perspektief over hoe agrariërs verder moeten na de corona-crisis.  In het juni-nummer stond mijn bijdrage onder de titel: ‘Maar de boer hij ploegde voort’. De foto’s bij het artikel zijn van Karla Leeftink Natuurfotografie.

Het gedicht ‘Ballade van de boer’ is in 1935 geschreven door J.W.F Werumeus Buning. Bijna niemand kent de dichter en maar weinig mensen hebben het hele gedicht gelezen. Alleen het zinnetje dat verschillende keren terugkeert is erg bekend geworden: ‘Maar de boer hij ploegde voort.’  

Ernst boerDe eerste indruk die je krijgt is die van een boer die onverstoorbaar verder gaat met zijn werk. Al staat de hele wereld in brand, hem raakt het niet, want het werk op het land is nooit af. Als je het hele gedicht op je laat inwerken, kom ik toch tot een andere conclusie. De boer ploegt onverstoorbaar voort omdat hij zich bewust is van zijn goddelijke roeping. God Zelf heeft na de zondvloed immers gezegd: ‘Zolang de aarde bestaat, zal er een tijd zijn om te zaaien en een tijd om te oogsten.’ (Genesis 8:22).

Prediker, de filosoof met een wat sombere kijk op het leven als je niet in God gelooft, zegt hetzelfde: ‘Werp je brood uit over het water, want je vindt het later weer terug. Bewaar je brood in zeven delen, zelfs in acht, want je weet niet welke ramp de aarde treffen zal.’ Hij waarschuwt daarbij tegen besluiteloosheid: ‘Wie altijd op de wint let, komt nooit aan zaaien toe; wie altijd naar de wolken kijkt, komt nooit aan maaien toe’ en trekt de conclusie: ‘Zo ken je ook de daden van God niet, die alles maakt. Dus zaai van de morgen tot de avond. Laat je hand niet rusten, want je weet niet of het zaad de ene of de andere , of elke keer ontkiemen zal.’ (Prediker 11:1-6)

De corona-crisis is zo’n ramp die heel de aarde treft. Niet alleen vanwege de meer dan 6,5 miljoen besmettingen en rond de 400.000 doden, maar ook vanwege de ekonomische gevolgen. Als christen zet mij dat aan het denken. Wat wil God mij persoonlijk en ons als mensheid hier mee duidelijk maken? Ik heb daar zo 1-2-3 geen antwoord op. Net als Prediker ken ik de daden van God niet, die alles maakt. Dat maakt mensen onzeker. Is het wel verstandig om in deze tijd een nieuw bedrijf te starten? Of om de boerderij van m’n ouders over te nemen? Is het wel verantwoord om een huis te kopen als ik aan het eind van dit jaar misschien op straat sta of failliet ben?

BOODSCHAP

‘Maar de boer hij ploegde voort.’ Dat zinnetje triggert mij. Zou dat misschien Gods boodschap voor zijn kinderen zijn? Niet vanuit de ontkenning dat het allemaal wel mee valt – het corona-virus is niet te vergelijken met een onschuldig griepje. Niet vanuit de overschatting dat het mij niet zal overkomen – het coronavirus gaat aan niemand voorbij. Wel vanuit het vertrouwen dat dwars door deze verwarrende en wisselvallige tijd God bezig is om zijn plannen uit te voeren. Hij schakelt mij daarbij in als één van zijn medewerkers.

Als ik op m’n gevoel afgaat, denk ik soms: alles is voor  niets. Maar als christen hou ik mezelf dan voor: alles heeft zin. Want deze wereld is door God gemaakt. Aan mij geeft Hij de opdracht om mijn handen uit de mouwen te steken. Als christen mag ik werken ‘op hoop van zegen’. Prediker spoort mij aan om niet bezorgd naar de lucht en de wolken te blijven kijken. Ik kan beter naar de vogels en de bloemen kijken, zegt Jezus ergens anders in de Bijbel. Zoals God voor hen zorgt, zorgt Hij nog meer voor mij.

Toch kunnen we als christen niet aan de vraag voorbijgaan: wat gaan we straks doen als er een vaccin gevonden is tegen het corona-virus? Pakken we dan gewoon weer de draad op en keren we terug naar het oude normaal? Of moeten we het roer drastisch omgooien en de weg naar het nieuwe normaal inslaan?

Die vraag ligt er al veel langer. We werden er alleen niet samen in één klap wereldwijd mee geconfronteerd. Dus konden we tot voor kort die vraag vrij gemakkelijk voor ons uit schuiven en van ons afschuiven. Want smeltende ijskappen en gletsjers, tropische houtkap in de Amazone en leeggeviste oceanen vol met plastic soep raken ons in Nederland niet rechtstreeks. En als het om de uitstoot van stikstof door verkeer, industrie en landbouw gaat, wordt er meteen één van de andere partijen verwezen als mede-veroorzaker van het probleem.

VANUIT DE BIJBEL

Nu ben ik geen agrariër, geen ekonoom en geen politicus. Dus een concreet antwoord op de vraag ‘wat is onze christelijke opdracht nu’ kan ik niet geven. Ik kan als predikant vanuit de Bijbel wel een paar dingen aangeven.

Allereerst is onze christelijk opdracht niet veranderd sinds de corona-crisis. De boer moet nog steeds voortgaan met ploegen. De opdracht om de aarde te bewerken en er iets moois van te maken bestaat nog steeds. Wat we telkens weer moeten bijstellen is onze houding en motivatie. Die is sinds de zondeval niet meer 100% op het welzijn van elkaar en op de eer aan God gericht, maar veel meer op maximaal gewin, eigenbelang en afschuiven van de verantwoordelijkheid.

Verder confronteert deze crisis ons ermee dat we de les van Prediker 11 vergeten zijn. We hebben ons brood niet in zeven of acht delen verdeeld, maar al onze pijlen op ekonomische groei en onze eigen welvaart gezet. We hebben zoveel andere dingen verwaarloosd, zoals onderlinge relaties.

Opeens vallen door corona geliefden weg of kunnen we ze niet meer bezoeken. Plotseling beseffen we, hoe belangrijk ze voor ons zijn. En hoeveel respect al die werkers in de zorg verdienen. Waarom komen we daar nu pas achter?

Opeens komen veel bedrijven stil te liggen of dreigen om te vallen. Plotseling komen we erachter, hoeveel eigenwaarde we aan ons werk of ons maatschappelijke positie ontleenden. Wie zijn we nu ons dat allemaal uit handen geslagen wordt?

Opeens horen we de vogels fluiten en valt het ons op dat de luchten mooier zijn zonder al die vliegtuigstrepen. Plotseling realiseren we ons dat Gods prachtige schepping ook iets is om van te genieten. Hoe kan het dat we daar zolang aan voorbij geleefd hebben?

‘ANDERS GEWOON’

Al dit soort vragen komen nu gezamenlijk naar boven, omdat één ramp ons allemaal tegelijk treft en heel de samenleving lam slaat. Christenen erkennen dat er niets buiten God om gaat. Dus vragen veel gelovigen zich af: wat wil God ons hiermee leren? Moet het roer om? En zo ja, hoe dan?

Ik geloof dat God ons door elke crisis iets wil leren. Als we dat inzien, moet het roer inderdaad om. Maar hoe dat moet? Op die vraag moet iedere gelovige volgens mij voor zichzelf persoonlijk een antwoord zien te vinden. En als samenleving moeten we er in goed overleg met elkaar een weg in vinden.

Tegelijk gaat het dagelijkse leven gewoon door. Dus ploegt ook de boer gewoon voort. Maar het is niet meer ‘gewoon zoals altijd’. Het is ‘anders gewoon’ geworden, bewuster. Als het goed is in het besef: Morgen is voor ons verborgen. Jij en ik, wij weten niet wat de dag van morgen biedt. Maar Hij die ’t heelal omspant houdt ook ‘morgen’ in zijn hand.

 

Ballade van de boer
Er stonden drie kruisen op Golgotha,
Maar de boer hij ploegde voort.
Magdalena, Maria, Veronica,
Maar de boer hij ploegde voort.
En toen zijn akker ten einde was,
Toen keerde de boer de ploeg
En hij knielde naast zijn ploeg in het gras,
En de boer, hij werd verhoord.

Zo menigeen had een schone droom,
Maar de boer hij ploegde voort.
Thermopylae, Troja, Salamis,
Maar de boer hij ploegde voort.

Het jonge graan werd altijd groen,
De sterren altijd licht,
Gods woord streed in de wereld voort
En de boer heeft het gehoord.

Men heeft de boer zijn hof verbrand,
Zijn vrouw en os vermoord;
Dan spande de boer zichzelf voor de ploeg,
Maar de boer hij ploegde voort.
Napoleon ging de Alpen op
En hij zag de boer aan ’t werk,
Hij ging voor Sint-Helena aan boord
En de boer hij ploegde voort.

En wie is er beter dan een boer,
Die van de wereld hoort,
En hij ploegt niet, wat er al geschiedt
Op deze akker voort.
Zo menigeen lei de ploegstaart om,
En deed het werk niet voort,
Maar de leeuwerik zong hetzelfde lied,
En de boer hij ploegde voort.

Heer God! De boer lag in het gras,
Toen droomde hij deze droom:
Dat er eindelijk een rustdag was
Naar apostel Johannes’ woord.
En de kwaden gingen hem links voorbij
En de goeden rechts voorbij,
Maar de boer had zijn naam nog niet gehoord
En de boer hij ploegde voort.
Eerst toen de boer die hemel zag
Zo vol van lichte schijn,
Toen spande hij zijn ploegpaard af,
En hij veegde het zweet van zijn voorhoofd af,
En hij knielde naast zijn stilstaand paard,
En hij wachtte op Gods woord.

Een stem sprak tot aarde, hemel en zee
En de boer heeft haar gehoord:
“Ter wille van de boer die ploegt
Besta de wereld voort!”

J.W.F. Werumeus Buning – uit de bundel Negen balladen – eerste uitgave 1935

 

 

OEREND HARD

TT Jack MiddelburgJack Middelburg was een bekende motorcoureur. Hij won in 1980 als laatste Nederlander de 500cc in Assen. Hij  was één van de laatsten die gewoon met z’n eigen motor en een privé-sponsorkring met de top mee kon. In 1984 raakte hij bij een crash tijdens een race in Tolbert dodelijk gewond en overleed een paar dagen later in het ziekenhuis in Groningen. Jumping Jack werd hij genoemd. Twee jaar geleden was er een een musical over zijn leven. Dat was al net zo onstuimig als zijn races.

TT Oerend hardDe manier waarop Jack Middelburg vroegtijdig aan het einde van zijn leven gekomen is, zou je kunnen samenvatten met het lied van Normaal – Oerend hard. ‘Mor zo as altied kump aan dat gejakker een end’. Met dit verschil, dat Jack Middelburg nog steeds een bekende Nederlander is. Je kunt bij Jack Middelburg ook denken aan een ander lied, namelijk “Go like Elijah’ van de Amerikaanse country- en rock-zangeres Chi Coltrane. In beide gevallen een passend lied bij een plotseling, onverwacht heengaan. Met ook wel een verschil: eindig je je leven zonder verwachting en toekomst (‘Iedereen die zee: van die luu heur ie nooit meer wat van’) of vanuit het verlangen (‘Lord, when I go, I wanna go, just let me go like Elijah when I go’).

Hemelvaart EliaElia ging ook oerend hard. Tijdens zijn leven ging Elia oerend hard tegen de tijdgeest in. Terwijl er bijna niemand meer in God geloofde, droeg hij de boodschap uit: ‘Men­sen, geloof niet langer in jezelf, keer je af van je eigen gekozen goden en keer terug tot onze God, die hemel en aarde gemaakt heeft, de God van Abraham, Isaak en Jakob, die God die ons uit Egypte bevrijd heeft en via Mozes zijn heilzame geboden aan ons gegeven heeft.’ Onvermoeibaar was Elia geweest, vooral in de strijd tegen de Baäldienst die de goddeloze koningin Izebel geïntroduceerd had.

En oerend hard was de manier waarop Elia door de HERE werd thuisgehaald. Dat verhaal staat in 2 Koningen 2:1-15. Elia weet dat zijn taak erop zit. Samen met Elisa steekt hij de Jordaan over, op een manier die herinnert aan Mozes en Jozua. Zij kregen ook geen natte voeten, toen ze, met het volk Israël, door de Schelfzee en door de Jordaan heengingen. De pro­feten uit Jericho, die hen op een afstandje volgen, zien het. Door dat teken krijgen ze nieuwe zekerheid: onze God is er nog steeds, Hij is gisteren en heden dezelfde. Aan de overkant van de Jordaan gaan Elia en Elisa al pratend verder. Elia heeft Elisa nog veel te vertellen. De laatste instrukties om Elisa voor te bereiden op de taak, die hij misschien krijgt. Dan opeens gebeurt het! Vuur en bliksem uit de hemel! Paarden van vuur, een vuri­ge wagen! Elia wordt aan boord getrokken, weg is hij, ineens. Elisa staat erbij, kijkt erna … en het is alwaar voorbij.

Wat zal dat een indruk op Elisa en, op een afstandje, die 50 profeten gemaakt hebben. God, die rechtstreeks zijn engelen stuurt om Elia op te halen en thuis te brengen. Voor Elisa is de hemelvaart van Elia een bemoedigend teken om verder te vechten tegen ongeloof en tegenstand. Hij is de getuige die het gezien en verder verteld heeft. Diep onder de indruk schreeuwt hij: ‘Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters van Israel!’

Hemelvaart Elia icoonIn Elia verliest hij niet alleen zijn meester. Elia was ook een geestelijk vader voor hem geweest. En met de eretitel ‘Wagens en ruiters van Israel’ wil hij zeggen, dat Elia voor Israel meer betekend heeft dan het hele leger van Israel. Dat leger van Israel streed in die dagen een felle strijd tegen de Arameeërs uit Damaskus om de zelfstandigheid van het 10-stammenrijk. Maar Elia was degene geweest, die tegen een veel gevaarlijker vijand had gevochten: de Baal-dienst. Als Elia er niet was geweest, zou (mense­lijkerwijs gesproken) het geloof in de HERE uit Israel verdwenen zijn en was Israel geestelijk vernietigd. Maar door de tomeloze inzet van Elia was er in Israel nog een groep van 7.000 gelovigen overgebleven, die geen afgoden aanbaden. Zo zorgde God er zelf voor, dat zijn Woord bekend bleef in Israel. Dat Woord houdt eeuwig stand. Elisa mag namelijk in het spoor van Elia verdergaan. Elisa had om die reden gevraagd om een dubbel aandeel in de geest van Elia. Want hij was er diep van doordrongen, dat het niet mogelijk is, om uit eigen kracht profeet te zijn. Geloven is niet iets, wat een mens uit zichzelf doet. Daar heb­ben we de heilige Geest voor nodig.

De wens van Elisa wordt door God verhoord. Hij is getuige van de hemelvaart van Elia. Zo wijst de HERE hem Zelf aan als opvolger van Elia. Want één ding van Elia ging niet mee naar boven. Zijn harige profetenmantel. Het is dezelfde mantel, die Elia hem bij zijn roeping toege­worpen had. Die mantel is nu van hem. Het is zijn ambtskleed. Daarmee maakt God hem duidelijk: ‘Jij, Elisa, zult optreden in de lijn van Elia. Bij je taak als pro­feet zul je, net als Elia, kracht van mijn Geest krijgen.’ Dat komt er direkt uit: als Elisa alleen bij de Jordaan terugkomt, her­haalt hij met de opgerolde mantel het teken van Elia. Zo kan Elisa als profeet beginnen. Hij heeft de hemel gezien en de overwinning van het Woord van God. Zo gaat het Woord van de Here verder. Het blijft bekend in Israel. Er gaat zelfs weer wervingskracht uit van de prediking van Elisa. En als hij sterft, krijgt ook Elisa de eretitel: ‘Wagens en ruiters van Israel!’ Hij heeft eveneens veel betekend voor Israel.

Het waren zware tijden voor de gelovigen in Israel, toen Elisa Elia opvolgde. Allebei riepen ze de mensen op om zich van hun zonden te bekeren. Daarna kwam de Here Jezus. Hij heeft hun werk voltooid en ons met God verzoend. Hij heeft de duivel verslagen. Toch probeert satan nog steeds, vanuit verslagen positie, zoveel mogelijk mensen van het geloof af te trekken. We zouden kunnen zeggen: de duivel gaat oerend hard. Vaak lijkt hij heel ver te komen. Maar hij redt het niet! God zorgt ervoor, dat op belangrij­ke punten, als de situatie kritiek wordt, er mensen zijn, die standhouden. Dat zijn de ‘wagens en ruiters van Israel’, de personen, die er -menselijkerwijs ge­sproken- voor gezorgd hebben, dat Gods Woord het heeft gered en dat er mensen bleven geloven Chi Coltrane Go like Elijahin de enige naam op aarde die redding biedt, die van Jezus. Soms zijn het er maar heel weinig meer. Maar ook dan, al zijn het er maar twee of drie die in de naam van Jezus bij elkaar komen – ook dan belooft onze Heer: ‘Ik ben in jullie midden!’ Hij geeft je het lef om ‘oerend hard’ van je geloof te getuigen, zoals Elia in zijn dagen deed. Dus ‘Go like Elijah’!

 

‘Hoera fluisteren’

Het was eigenlijk een komisch moment tijdens de persconferentie van woensdag 24 juni. Onze minister-president Mark Rutte en minister Hugo de Jonge kondigden versoepelingen aan van de coronamaatregelen. Het maximum aantal bezoekers is losgelaten, mits de anderhalve meter afstand gewaarborgd blijft. Eén van de conclusies: voetbalstadions mogen voor een deel weer gevuld worden met supporters. Maar juichen kan nog niet en spreekkoren zijn verboden. Wat doe je dan als jouw favoriete club scoort? ‘Hoera fluisteren’, was het antwoord. Iedereen voelt wel aan dat dit een lastige opgave is. Hoera is geen fluisterwoord. Je wilt het uitschreeuwen van blijdschap. Maar ja, dat kan nu niet.

Halleluja is ook geen fluisterwoord. We willen graag onze Here God uitbundig prijzen. We willen graag uit volle borst zingen in de kerk. Dat is voor velen van ons één van de redenen om naar de kerk te gaan. Natuurlijk, er is meer. We mogen lezen, luisteren, bidden, vieren, stil zijn. Maar toch, we missen het samen zingen. Dat kunnen we zo goed in Ureterp. Ik vertel vaak met genoegen (en trots) hoe mooi onze gemeente kan zingen. Nu dus even niet. We willen geen verspreiders van een virus zijn.

Koor zingenWat zullen we hier nog meer van zeggen? Je kunt vechten voor meer ruimte voor gemeentezang. Je kunt in het negatieve blijven hangen en met een zuur gezicht praten over de regels. Je kunt ook leren van een bestuurder van een voetbalclub die in een televisieprogramma een andere toon aansloeg. Hij zei (in mijn eigen woorden weergegeven): blijven zeuren over wat niet kan, helpt je niets verder. Wees blij met wat wel kan en maak er dankbaar gebruik van.

Dat lijkt me een mooi advies. We mogen weer naar de kerk. Nog niet allemaal tegelijk, maar toch, het begin is er. We mogen zingen met een klein groepje. De andere kerkgangers kunnen in hun hart meezingen. En als je uit volle borst wilt zingen? Doe dat maar in je tuin of op de fiets als je door een mooi stukje Nederland rijdt. Niemand houdt je tegen en niemand wordt er ziek van. Halleluja fluisteren? Het kan. Maar je mag het ook uitroepen op plekken waar je alle ruimte hebt.

ds. A. Krijgsheld – kerkblad GKV Ureterp (met toestemming hier geplaatst)