OEREND HARD

TT Jack MiddelburgJack Middelburg was een bekende motorcoureur. Hij won in 1980 als laatste Nederlander de 500cc in Assen. Hij  was één van de laatsten die gewoon met z’n eigen motor en een privé-sponsorkring met de top mee kon. In 1984 raakte hij bij een crash tijdens een race in Tolbert dodelijk gewond en overleed een paar dagen later in het ziekenhuis in Groningen. Jumping Jack werd hij genoemd. Twee jaar geleden was er een een musical over zijn leven. Dat was al net zo onstuimig als zijn races.

TT Oerend hardDe manier waarop Jack Middelburg vroegtijdig aan het einde van zijn leven gekomen is, zou je kunnen samenvatten met het lied van Normaal – Oerend hard. ‘Mor zo as altied kump aan dat gejakker een end’. Met dit verschil, dat Jack Middelburg nog steeds een bekende Nederlander is. Je kunt bij Jack Middelburg ook denken aan een ander lied, namelijk “Go like Elijah’ van de Amerikaanse country- en rock-zangeres Chi Coltrane. In beide gevallen een passend lied bij een plotseling, onverwacht heengaan. Met ook wel een verschil: eindig je je leven zonder verwachting en toekomst (‘Iedereen die zee: van die luu heur ie nooit meer wat van’) of vanuit het verlangen (‘Lord, when I go, I wanna go, just let me go like Elijah when I go’).

Hemelvaart EliaElia ging ook oerend hard. Tijdens zijn leven ging Elia oerend hard tegen de tijdgeest in. Terwijl er bijna niemand meer in God geloofde, droeg hij de boodschap uit: ‘Men­sen, geloof niet langer in jezelf, keer je af van je eigen gekozen goden en keer terug tot onze God, die hemel en aarde gemaakt heeft, de God van Abraham, Isaak en Jakob, die God die ons uit Egypte bevrijd heeft en via Mozes zijn heilzame geboden aan ons gegeven heeft.’ Onvermoeibaar was Elia geweest, vooral in de strijd tegen de Baäldienst die de goddeloze koningin Izebel geïntroduceerd had.

En oerend hard was de manier waarop Elia door de HERE werd thuisgehaald. Dat verhaal staat in 2 Koningen 2:1-15. Elia weet dat zijn taak erop zit. Samen met Elisa steekt hij de Jordaan over, op een manier die herinnert aan Mozes en Jozua. Zij kregen ook geen natte voeten, toen ze, met het volk Israël, door de Schelfzee en door de Jordaan heengingen. De pro­feten uit Jericho, die hen op een afstandje volgen, zien het. Door dat teken krijgen ze nieuwe zekerheid: onze God is er nog steeds, Hij is gisteren en heden dezelfde. Aan de overkant van de Jordaan gaan Elia en Elisa al pratend verder. Elia heeft Elisa nog veel te vertellen. De laatste instrukties om Elisa voor te bereiden op de taak, die hij misschien krijgt. Dan opeens gebeurt het! Vuur en bliksem uit de hemel! Paarden van vuur, een vuri­ge wagen! Elia wordt aan boord getrokken, weg is hij, ineens. Elisa staat erbij, kijkt erna … en het is alwaar voorbij.

Wat zal dat een indruk op Elisa en, op een afstandje, die 50 profeten gemaakt hebben. God, die rechtstreeks zijn engelen stuurt om Elia op te halen en thuis te brengen. Voor Elisa is de hemelvaart van Elia een bemoedigend teken om verder te vechten tegen ongeloof en tegenstand. Hij is de getuige die het gezien en verder verteld heeft. Diep onder de indruk schreeuwt hij: ‘Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters van Israel!’

Hemelvaart Elia icoonIn Elia verliest hij niet alleen zijn meester. Elia was ook een geestelijk vader voor hem geweest. En met de eretitel ‘Wagens en ruiters van Israel’ wil hij zeggen, dat Elia voor Israel meer betekend heeft dan het hele leger van Israel. Dat leger van Israel streed in die dagen een felle strijd tegen de Arameeërs uit Damaskus om de zelfstandigheid van het 10-stammenrijk. Maar Elia was degene geweest, die tegen een veel gevaarlijker vijand had gevochten: de Baal-dienst. Als Elia er niet was geweest, zou (mense­lijkerwijs gesproken) het geloof in de HERE uit Israel verdwenen zijn en was Israel geestelijk vernietigd. Maar door de tomeloze inzet van Elia was er in Israel nog een groep van 7.000 gelovigen overgebleven, die geen afgoden aanbaden. Zo zorgde God er zelf voor, dat zijn Woord bekend bleef in Israel. Dat Woord houdt eeuwig stand. Elisa mag namelijk in het spoor van Elia verdergaan. Elisa had om die reden gevraagd om een dubbel aandeel in de geest van Elia. Want hij was er diep van doordrongen, dat het niet mogelijk is, om uit eigen kracht profeet te zijn. Geloven is niet iets, wat een mens uit zichzelf doet. Daar heb­ben we de heilige Geest voor nodig.

De wens van Elisa wordt door God verhoord. Hij is getuige van de hemelvaart van Elia. Zo wijst de HERE hem Zelf aan als opvolger van Elia. Want één ding van Elia ging niet mee naar boven. Zijn harige profetenmantel. Het is dezelfde mantel, die Elia hem bij zijn roeping toege­worpen had. Die mantel is nu van hem. Het is zijn ambtskleed. Daarmee maakt God hem duidelijk: ‘Jij, Elisa, zult optreden in de lijn van Elia. Bij je taak als pro­feet zul je, net als Elia, kracht van mijn Geest krijgen.’ Dat komt er direkt uit: als Elisa alleen bij de Jordaan terugkomt, her­haalt hij met de opgerolde mantel het teken van Elia. Zo kan Elisa als profeet beginnen. Hij heeft de hemel gezien en de overwinning van het Woord van God. Zo gaat het Woord van de Here verder. Het blijft bekend in Israel. Er gaat zelfs weer wervingskracht uit van de prediking van Elisa. En als hij sterft, krijgt ook Elisa de eretitel: ‘Wagens en ruiters van Israel!’ Hij heeft eveneens veel betekend voor Israel.

Het waren zware tijden voor de gelovigen in Israel, toen Elisa Elia opvolgde. Allebei riepen ze de mensen op om zich van hun zonden te bekeren. Daarna kwam de Here Jezus. Hij heeft hun werk voltooid en ons met God verzoend. Hij heeft de duivel verslagen. Toch probeert satan nog steeds, vanuit verslagen positie, zoveel mogelijk mensen van het geloof af te trekken. We zouden kunnen zeggen: de duivel gaat oerend hard. Vaak lijkt hij heel ver te komen. Maar hij redt het niet! God zorgt ervoor, dat op belangrij­ke punten, als de situatie kritiek wordt, er mensen zijn, die standhouden. Dat zijn de ‘wagens en ruiters van Israel’, de personen, die er -menselijkerwijs ge­sproken- voor gezorgd hebben, dat Gods Woord het heeft gered en dat er mensen bleven geloven Chi Coltrane Go like Elijahin de enige naam op aarde die redding biedt, die van Jezus. Soms zijn het er maar heel weinig meer. Maar ook dan, al zijn het er maar twee of drie die in de naam van Jezus bij elkaar komen – ook dan belooft onze Heer: ‘Ik ben in jullie midden!’ Hij geeft je het lef om ‘oerend hard’ van je geloof te getuigen, zoals Elia in zijn dagen deed. Dus ‘Go like Elijah’!

 

‘Hoera fluisteren’

Het was eigenlijk een komisch moment tijdens de persconferentie van woensdag 24 juni. Onze minister-president Mark Rutte en minister Hugo de Jonge kondigden versoepelingen aan van de coronamaatregelen. Het maximum aantal bezoekers is losgelaten, mits de anderhalve meter afstand gewaarborgd blijft. Eén van de conclusies: voetbalstadions mogen voor een deel weer gevuld worden met supporters. Maar juichen kan nog niet en spreekkoren zijn verboden. Wat doe je dan als jouw favoriete club scoort? ‘Hoera fluisteren’, was het antwoord. Iedereen voelt wel aan dat dit een lastige opgave is. Hoera is geen fluisterwoord. Je wilt het uitschreeuwen van blijdschap. Maar ja, dat kan nu niet.

Halleluja is ook geen fluisterwoord. We willen graag onze Here God uitbundig prijzen. We willen graag uit volle borst zingen in de kerk. Dat is voor velen van ons één van de redenen om naar de kerk te gaan. Natuurlijk, er is meer. We mogen lezen, luisteren, bidden, vieren, stil zijn. Maar toch, we missen het samen zingen. Dat kunnen we zo goed in Ureterp. Ik vertel vaak met genoegen (en trots) hoe mooi onze gemeente kan zingen. Nu dus even niet. We willen geen verspreiders van een virus zijn.

Koor zingenWat zullen we hier nog meer van zeggen? Je kunt vechten voor meer ruimte voor gemeentezang. Je kunt in het negatieve blijven hangen en met een zuur gezicht praten over de regels. Je kunt ook leren van een bestuurder van een voetbalclub die in een televisieprogramma een andere toon aansloeg. Hij zei (in mijn eigen woorden weergegeven): blijven zeuren over wat niet kan, helpt je niets verder. Wees blij met wat wel kan en maak er dankbaar gebruik van.

Dat lijkt me een mooi advies. We mogen weer naar de kerk. Nog niet allemaal tegelijk, maar toch, het begin is er. We mogen zingen met een klein groepje. De andere kerkgangers kunnen in hun hart meezingen. En als je uit volle borst wilt zingen? Doe dat maar in je tuin of op de fiets als je door een mooi stukje Nederland rijdt. Niemand houdt je tegen en niemand wordt er ziek van. Halleluja fluisteren? Het kan. Maar je mag het ook uitroepen op plekken waar je alle ruimte hebt.

ds. A. Krijgsheld – kerkblad GKV Ureterp (met toestemming hier geplaatst)

PINKSTEREN – de geboorte van de kerk ten koste van het Joodse volk?

‘En de Geest doorbreekt de grenzen die door mensen zijn gemaakt.’

Dat zinnetje uit het gezang ‘Samen in de naam van Jezus’ klopt niet helemaal. Als het Pinksteren wordt, doorbreekt de Heilige Geest ook de grenzen die God Zelf tot die tijd gesteld had. Tot aan Pinksteren was het volk Israel Gods volk. Wie tot geloof kwam in de God van Abraham, Isaak en Jakob, moest zich aansluiten bij het Joodse volk. Vanaf Pinksteren keert Jezus dat om. Joodse christenen die gelooft dat Hij de beloofde Messias is, moeten erop uit trekken om alle volken tot zijn leerlingen te maken.

Israel tempelplein overzichtWat betekent dat voor het Joodse volk? Hebben die nu, in 2020, nog een streepje voor? In het Nederlands Dagblad van 3 juni beweerde een bestuurslid van de vrijgemaakte organisatie Yachad van wel. En in het Nederlands Dagblad van 6 juni schreef een PKN-predikant, dat Pinksteren niet de geboorte van de kerk is, maar dat ‘de kerk van de volken’ de buitenste kring is rond de Messias. Israel is nog steeds Gods volk-in-het-midden.

Inderdaad is Pinksteren niet de geboorte van de kerk. Want onder ‘kerk’ verstaan we alle samenkomsten van twee, drie of meer mensen die elkaar in de naam van Jezus ontmoeten. Dat gebeurde al in het paradijs, want elke avond praatten Adam en Eva even bij met hun Schepper in de koelte van de avondwind. En even later, in de tijd van Adam’s kleinzoon Enos, “begon men de naam van de HERE aan te roepen.” Terecht zegt de Heidelbergse Catechismus in Zondag 21, dat de kerk de verzameling van mensen is die Jezus “van het begin van de wereld tot het einde van de wereld vergadert, beschermt en onderhoudt.” De catechismus zegt erbij: “Hij doet dit door zijn Geest en Woord in eenheid van het ware geloof.”

De uitdrukking ‘het ware geloof’ heeft bij veel mensen een nogal negatieve klank. Maar er wordt mee bedoeld: het geloof in God die belooft dat Hij een Verlosser zal sturen om de mensen weer terug bij Hem te brengen. Wie in het Oude Testament verlangend naar die Messias uitkijkt en wie in het Nieuwe Testament met blijdschap Jezus Christus als die Verlosser erkent, hoort bij Gods volk.

Nu krijgen veel christenen (en in het ingezonden artikel van 3 juni met name de vrijgemaakt kerken) het verwijt dat ze het Joodse volk marginaliseren. Want we hebben van de kerk uit de heidenvolken de bruid van Christus gemaakt hebben, terwijl God Zelf het Joodse volk uitgekozen heeft als zijn bruid en daar vol liefde over spreekt.

Volgens mij klopt dat niet. In het Nieuwe Testament bestaat de kerk uit Joden en heidenen samen. Die kerk wordt in Openbaring ‘het nieuwe Jeruzalem’ en ‘de bruid, de vrouw van het Lam’ genoemd. Ze bestaat uit gelovigen uit alle landen en volken. Zo gaat vanaf Pinksteren o.a. Psalm 87 in vervulling, waar van allerlei volken gezegd wordt, dat de HERE ze inschrijft als burgers van Sion. De kerk is dus niet in plaats van het Joodse volk gekomen. De kerk is sinds Pinksteren hetzelfde volk van God gebleven, maar nu over heel wereld uitgebreid. Van die multi-etnische gemeenschap zegt Paulus: “Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus en als zodanig nakomelingen van Abraham.”

Verder stond in het artikel van 3 juni, dat het Joodse volk net als Jezus is vermoord en weer is opgestaan, en dat het nu wachten is op Pinksteren. Daarmee worden de Holocaust, de stichting van de staat Israel bedoeld, neem ik aan, en dat in de nabije toekomst religieuze en/of niet-religieuze Joden massaal Jezus als hun Messias zullen erkennen. Dat is een creatieve vondst, maar ook dit klopt niet met het Bijbelse verhaal. Het is in Handelingen 2 al Pinksteren geweest voor het Joodse volk. Daarna werd het in Handelingen 8 Pinksteren voor de Samaritanen en in Handelingen 10 Pinksteren voor de Romein Cornelius en daarmee voor alle heidenen. “Zij hebben op dezelfde wijze als wij de Heilige Geest ontvangen,” zegt Petrus nadrukkelijk. Zo zorgt Jezus er Zelf voor dat de kring van wie in Hem geloven steeds maar groter wordt, precies volgens de opdracht die Hij vlak voor zijn terugkeer naar de hemel aan de apostelen gegeven heeft.

Pinksteren is dus niet de geboorte van de kerk. Pinksteren is de lang beloofde en lang verwachte uitbreiding van Gods volk. De Geest doorbreekt de grenzen die God Zelf in het Oude Testament gesteld heeft. Jezus zegt bij het eerste avondmaal dat Hij vanaf nu een ‘nieuw verbond’ ingesteld heeft. De schrijver van het bijbelboek Hebreeën benadrukt dat het vorige verbond “verouderd, versleten en de teloorgang nabij” is. En de apostelen verzekeren in Handelingen 15 dat niet-joodse christenen op geen enkele manier meer gebonden zijn aan alle regels en feesten uit de wet van Mozes.

Volgens sommigen had Jezus tijdens dat Pesachmaal het Joodse volk op het oog toen Hij over een nieuw verbond sprak. Zo hebben de leerlingen dat in eerste instantie zeker opgevat. Na de opstanding vragen ze of Jezus nu het koningschap over Israel gaat herstellen. Daarbij zullen ze niet meer aan een zelfstandige Joodse staat met Jeruzalem als hoofdstad gedacht hebben. Maar ze zaten nog wel gevangen in de gedachte dat gelovigen uit de volken naar Israel toe moesten komen. Jezus laat weten dat het na Pasen en Pinksteren echt omgekeerd zal gaan. De Heilige Geest gaat wereldwijd door het getuigenis van de apostelen. Paulus zegt het later zo: “Er is geen onderscheid tussen Joden en andere volken, want ze hebben allen dezelfde Heer. Hij geeft zijn rijke gaven aan allen die Hem aanroepen.” Ik denk dat juist dat één van de kenmerken van het nieuwe verbond is: al die gelovigen uit de heidenen hebben op dezelfde wijze deel aan het heil van Jezus Christus. Toen dat kwartje bij Petrus echt gevallen was, kon hij zelfs zeggen: “God heeft geen enkel onderscheid gemaakt tussen ons en hen. Nee, we geloven dat wij [gelovigen uit de Joden] alleen door de genade van de Heer Jezus gered kunnen worden, op dezelfde wijze als zij [gelovigen uit de heidenen].”  Het nieuwe verbond dat Jezus bij de Paasmaaltijd instelde, is een inclusief verbond. Christenen uit de heidenen hadden eerst “geen deel aan het burgerschap van Israel”, schrijft Paulus aan de Efeziërs, maar zijn nu dankzij Christus “geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen [de gelovigen uit het volk Israel], en huisgenotenvan God.”

Helaas zijn er de eeuwen door ook mensen die Jezus als Redder en Heer afwijzen. Zelfs als ze ermee opgegroeid zijn. Dat geldt voor het Joden, moslims en kerkverlaters. Dat zijn, als je het vanuit het perspectief van de misschien wel de bekende gelijkenis van Jezus bekijkt, allemaal verloren zonen en verdwaalde schapen.

Persoonlijk vind ik het heel riskant om van één groep afdwalers te zeggen dat ze de eeuwen door net als Jezus Zelf vermoord zijn, maar gelukkig ook weer zijn opgestaan. Mijn grootste bezwaar daartegen is, dat met deze bewering de unieke positie van Jezus Christus in gevaar komt. Dan komt er naast de enige Naam op aarde die de mensen redding biedt, nog iets anders waarop ze hun vertrouwen stellen. Dat noemt de Heidelbergse Catechismus in Zondag 35 ‘afgoderij’.

Dat risico lopen we als christenen voortdurend. Onder ons vrijgemaakten was dat heel lang de ware kerk. Bij andere christenen zou dat wel eens de ware doop op geloof door onderdompeling kunnen zijn. En nu komt hier opeens de ware Israel-visie om de hoek kijken. Als je die niet deelt, marginaliseer je Gods oogappel en laad je een zware schuld op je.

Dat vind ik een oneerlijk verwijt aan al die christenen die in opdracht van Jezus zonder onderscheid over heel de wereld de blijde boodschap verkondigen. We hoeven in 2020 niet allemaal eerst weer bij Jeruzalem en Israel en de Joden te beginnen. Die stad, dat land en dat volk hebben na Pinksteren geen streepje meer voor. Sterker nog, vlak voor zijn Hemelvaart heeft Jezus juist nadrukkelijk laten weten: ‘Heel de wereld moet het weten dat God niet veranderd is en zijn liefde als een lichtstraal doordringt in de duisternis.

Ik vraag mij sterk af hoe terecht het is om 1950 jaar ná de verwoesting van de tempel in het jaar 70 nog steeds te zeggen (zoals in het overigens bijzonder lezenswaardige visiedocument van Yachad staat), dat het Joodse volk heilshistorisch prioriteit heeft onder de volken. Ik vind het argument dat Paulus als heidenapostel toch altijd eerst naar de joden ging, en dat hij ons daarmee tot op de dag van vandaag een volgorde aanwijst, niet sterk. Ik zou eerder zeggen: het Joodse volk had een heilshistorische prioriteit, maar wij zitten nu al eeuwenlang in de derde cirkel (die van ‘tot aan de einden der aarde’). Die horde is al in Handelingen 10 principieel genomen. Dat we daarbij Jeruzalem + Judea (dat is: het Joodse volk als onze oudste broer) en Samaria (dat is: onze moslim-neven en -nichten) niet vergeten moeten, is voor mij evident. Maar dat heeft volgens mij geen heilshistorische prioriteit meer, maar is net als bij Paulus gebaseerd op persoonlijk hartzeer. Wie datzelfde verdriet en verlangen heeft, richt zich dan op het Joodse volk. Maar anderen hebben hart voor China of voor Oostenrijk of voor vluchtelingen en asielzoekers of voor drugsverslaafden en prostituees. Samen zijn we er voor heel de wereld. Ieder op de plek waar Jezus je roept om van Hem te getuigen.yachad_logo

Twee Amerikanen over de verhouding tussen schepping en evolutie

Oerknal LJvdZ“Eens, once upon a time, maakte God in korte tijd een kant en klaar heelal en schiep Hij één mensenpaar als zijn evenbeeld. En met het intellect dat God Zelf in onze hersenen gelegd heeft, kunnen we het allemaal narekenen: als God het niet in een krappe week geschapen heeft, zou het ongeveer 13,7 miljard jaar oud zijn. Zo’n machtig God is Hij!”

Met deze zin sloot ik in 2015 een drieluik af die ik begonnen was met de zin: “Waarschijnlijk ben ik een simpele gelovige.”

21/09/2015  God maakte een stofje en zag het met plezier miljarden jaren groeien
26/09/2015  Een goed christelijk gesprek over schepping en evolutie – kan dat?
30/09/2015  Een geloofwaardige versie 2.0 van het scheppingsverhaal? 

Meewarig

Een paar lezers lieten mij weten dat ik met dat woordje ‘simpel’ me te makkelijk af maak van de bevindingen van noeste wetenschappelijke arbeid en daarmee dus eigenlijk ook de integriteit van duizenden christelijke wetenschappers een beetje in twijfel trek. Ik kan me die reaktie wel een beetje voorstellen. Ik heb die drieluik over de verhouding tussen schepping en evolutie geschreven omdat ik toen de indruk kreeg, dat weldenkende bijbelgetrouwe christenen die niet volledig meegaan in de theïstische-evolutionistische visie van mensen als (om even twee voormannen te noemen) Gijsbert van den Brink en Cees Dekker) wat meewarig worden aangekeken, zelfs als ze nadrukkelijk afstand nemen van het klassiek orthodoxe standpunt van mensen als (om even een andere voorman te noemen) Mart-Jan Paul, die vinden dat de vormgeving van de aarde niet meer dan zo’n 6000 jaar geleden in exact  6 x 24 uur heeft plaatsgevonden.

Dat gevoel van meewarigheid tegenover wie niet volledig meegaat met de gedachte dat “de oerknal dus het daverende startschot was” (Dagblad Trouw 20-05-2020) van Gods plan met de schepping, maar waarbij de hele uitbouw van het heelal en het ontstaan van het leven op aarde incl. de eerste mens-achtigen volstrekt evolutionair bepaald is, is volgens mij nog steeds aanwezig.

Daar heb ik wat moeite mee. Vanuit natuurwetenschappelijk oogpunt begrijp ik wel dat een christenwetenschapper zo veel mogelijk meegaat in de algemeen aanvaarde opvattingen over het ontstaan van het heelal en onze aarde. Maar die houding wil nog wel eens doorslaan naar de mening dat de wetenschap in elk opzicht het laatste woord heeft als het om de vraag gaat hoe God precies hemel en aarde geschapen heeft (meer hierover in mijn blog ‘Houdt God ons voor de gek?’  van 01-09-2017).

Als dat zo is, moet je wel komen met een verhaal zoals in het schitterend geschreven boek “Oer” van Gijsbert van den Brink, Cees Dekker en Corien Oranje. Die visie is niet nieuw. Die visie is ook niet onbijbels. Maar die visie hoef je niet meteen als dé waarheid te omarmen. Het is in mijn optiek niet meer dan een denkoefening van gelovige medechristenen die maximale input geven aan de huidige stand van de wetenschap als het om het scheppingsverhaal gaat. Aan de andere kant staan (excuus voor het woord) de biblicisten die bij de geringste onenigheid tussen bijbel en wetenschap zich meteen in allerlei bochten wringen om de resultaten van bv. natuurkundige hypotheses en archeologisch onderzoek in de mal van letterlijk bijbellezen te persen (zoals de ongeloofwaardige poging om de tijd tussen zondvloed en Abraham met duizend jaar op te plussen – meer hierover in mijn blog ‘Wedden op twee paarden’ van 08-12-2017)

Een wetenschappelijk scheppingsverhaal …

Al in 2003 hield de Amerikaanse briljante, veelzijdige, christelijke filosoof Peter van Inwagen een lezing over The Problem of Evil (uitgegeven in 2006). Daarin zegt hij dat het Bijbelse verhaal in Genesis over de zondeval van Adam en Eva niet letterlijk zo gebeurd kan zijn, omdat het volgens hem ingaat tegen wat de wetenschap ontdekt heeft over menselijke evolutie en de geschiedenis van het fysieke universum. Maar als christen gelooft hij wel dat Genesis 1 t/m 3 een weergave is van feitelijke gebeurtenissen in de menselijke prehistorie. Volgen Van Inwagen bestuurt God de gang van de evolutie. Op Evolutie aap naar menshet moment dat er een paar honderd primaten op de aarde zijn, laat God hen op wonderbaarlijke wijze ineens doorgroeien tot rationele wezen. Hij geeft hun gaven als taal en abstract denken, maar ook onbaatzuchtige liefde en het daarbij behorende geschenk van de vrije wil. Deze voorouders van ons leefden in een paradijselijke enclave waar ze leefden in volmaakte, harmonieuze liefde en waar ze gevrijwaard waren van ziekte, destructieve natuurlijke gebeurtenissen, veroudering en doodgaan. Deze eerste mensen waren geschapen voor een volmaakte wereld zonder lijden. Maar ze misbruikten het geschenk van de vrije wil en maakten zich los uit hun eenheid met God. Als logisch gevolg van hun opstand overspoelde het natuurlijke kwaad van lijden en dood door de willekeurige krachten van de natuur, dat in de rest van de wereld al aanwezig was, hen nu ook. Daarnaast kreeg de wereld nu voor het eerst te maken met moreel kwaad, omdat de menselijke natuur vanaf dat moment totaal verdorven was door zondige ik-gerichtheid.

… dat je niet klakkeloos hoeft te volgen

Bovenstaande weergave van Van Inwagen staat in het boek ‘Aan Gods hand door pijn en lijden’ van Tim Keller (voor de liefhebbers: op blz. 394-395 en nog een keer op blz. 399-400, merkwaardigerswijs twee keer op verschillende wijze in het Nederlands geciteerd). Maar Keller past ervoor om dit verhaal één op één over te nemen als de meest logische hervertelling van het scheppingsverhaal waar alle christenen in 2020 in zouden moeten geloven. “Van Inwagens verhaal en argumentatie zijn ingenieus, en christenen die in evolutie geloven kunnen met dit verhaal nog steeds de zondeval gebruiken als verklaring voor het bestaan van natuurlijk en moreel kwaad. Maar ook al is het (…) als filosofisch argument heel verdienstelijk, ik geloof niet dat dit verhaal te rijmen is met hoe het in de Bijbel verteld wordt. Als Adam en Eva niet werkelijk hebben bestaan, dan kunnen we niet verklaren waarom alle mensen even zondig zijn, en het klopt evenmin met wat Paulus in Romeinen 5 en in 1 Korintiërs 15 schrijft over Adam als vertegenwoordiger van het gehele menselijke geslacht.” (blz. 395) “Ik geloof dat er in het verleden echt een echtpaar heeft bestaan dat zich van God afkeerde, door wie het natuurlijke en morele kwaad in de wereld is gekomen en van wie alle mensen afstammen. (blz. 399).

Keller verwijst het verhaal van Van Inwagen niet linea recta naar de prullebak. Hij beschouwt het eerder als een interessante denkoefening voor wetenschappelijk en filosofisch ingestelde christenen. “Als je gelooft in een letterlijke Adam en Eva en tegelijk gelooft dat het leven op aarde ontstaan is door evolutie, dan kun je (…) wel iets hebben aan de lijn van het verhaal van Van Inwagen.  In dit verhaal adopteert God (of hij creëert uit het niets) Adam en Eva en plaats hen in de paradijselijke enclave, de Hof van Eden. Dit was de wereld waar God de mensen voor geschapen had en ook het soort leven dat gemeengoed geworden was als Adam en Eva God gehoorzaamd hadden. Maar zodra zij in zonde vielen, kregen ze met de omringende wereld te maken en werd aan het natuurlijke kwaad van de wereld het morele kwaad toegevoegd waardoor de wereld een vreselijk oord werd. Dit verhaal [van Van Inwagen]  steunt de Bijbelse grondlijn dat het lijden en het kwaad in de wereld, evenals al het morele kwaad en de dood van mensen, te wijten zijn aan menselijke zonde.” (blz. 399-400)

Een interessante denkoefening. Niet meer en niet minder. De ene christen vindt het redelijk overtuigend. De andere christen houdt het vast een historische Adam en Eva. De een hoeft zich niet meer en de ander zich niet minder te voelen. Of omgekeerd.

Naast de hierboven genoemde blogt schreef ik op 01/12/2015 ook nog En zo werd de mensaap beeld van God?

Als kerk thuis Avondmaal vieren: draaiboek met 10 tips

Hoe kun je als gemeente het Avondmaal vieren als er maar max. 30 of max. 100 mensen een kerkdienst mogen bijwonen? Dat kan gelukkig, weliswaar in verbondenheid op afstand, door het Avondmaal thuis mee te vieren. In mijn blog van 4 april gaf ik aan waarom ik dat, in het spoor van Calvijn, in deze tijd een goede oplossing vindt. De Geest doorbreekt ook de grenzen van de 1½-meter die door het corona-virus zijn gemaakt. In deze blog wil ik graag een aantal praktische tips geven hoe je zo’n ‘digitaal Avondmaal’ kunt vormgeven.

Voorvraag: Is er draagvlak in de gemeente? Verwacht je als kerkenraad veel weerstand, dan is het misschien beter om het niet te doen. Is er vooral een afwachtende houding en hebben gemeenteleden geen mening, dan zou je kunnen zeggen: er is geen behoefte aan, dus we doen het niet. Want onnadenkend Avondmaal vieren is niet goed en als de helft het achter de TV overslaat schiet het z’n doel wat voorbij.  Of je kunt zeggen: de gemeente moet zich ervan bewust worden dat Jezus onze Heer het Avondmaal toch echt heeft ingesteld om ons met Hem te verbinden. Dan kies je voor een stukje opvoeding van de gemeente.

Tip 1: Vier en bedien het Avondmaal op een aansprekende manier. Juist in deze afstandelijke tijd is er extra behoefte aan symboliek. Nu alle vaste gewoontes en rituelen wegvallen, heeft dat echt een toegevoegde waarde. Dus in plaats van een viering vanachter de liturgische tafel kun je ervoor kiezen om alle stoelen uit het voorste gedeelte van de kerkzaal te verwijderen en daar een Avondmaalstafel in de vorm van een kruis neer te zetten.  Belangrijk daarbij is dat het kruis precies in de beeldlijn van de camera geplaatst wordt, want dan zien de gemeenteleden thuis het kruis a.h.w. ook echt staan. Bij ons in Assen-Peelo stond de kruistafel daarom ietsje schuin voor het liturgisch podium. Aan de kop van het kruis staat de predikant die het Avondmaal bedient.

Avondmaal Peelo CoronaTip 2: Vraag een aantal gemeenteleden die al ter ondersteuning in de kerk aanwezig zijn (ouderling, bijbellezer, musici, koster) om aan tafel het Avondmaal mee te vieren. Meet van te voren uit hoeveel stoelen er geplaatst kunnen worden op 1½ meter afstand van elkaar. Bij ons was er plaats voor vijf personen extra: twee aan de beide uiteinden van de dwarsbalk, twee halverwege de onderkant van het kruis en één aan de voet van het kruis. Een viering met alleen de predikant is ook mogelijk, maar geeft veel minder het gevoel van verbondenheid.

Tip 3: Neem vóór de dienst de hele gang van zaken goed door. Stem de looproutes goed op elkaar af. Laat de gemeenteleden die aan de tafel zitten dat gelijktijdig doen met de predikant en niet pas vlak voor de viering zelf aanschuiven.

Tip 4: Inventariseer van te voren wie er in de kerk het Avondmaal zullen meevieren. Dat zijn niet alleen de vier of vijf gemeenteleden aan tafel, maar ook degenen die niet in beeld kunnen of komen.  Vóór de dienst snijdt één persoon –na de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen genomen te hebben- het brood en schenkt wijn of druivensap in kleine bekertjes / cupjes. Die beide legt hij alvast op een bordje of een schotel. Vlak voor de dienst wordt dat op de plek neergezet waar iedereen zit, aan de tafel of elders in de kerkzaal. Zo kunnen na het uitspreken van de instellingswoorden alle aanwezigen gelijktijdig eten van het ene brood en drinken van de ene vrucht van de wijnstok. De predikant heeft een echte Avondmaalsschaal met één strook brood voor zich staan en de schenkkan + een Avondmaalsbeker. Hij kan uit die grote beker of ook zelf uit een klein bekertje drinken. En thuis eten en drinken de andere gemeenteleden op hetzelfde moment mee.

Avondmaal thuisTip 5: Regel niet teveel over hoe gemeenteleden thuis het Avondmaal mee moeten vieren. Laat iedereen er zelf voor zorgen dat er brood en wijn of druivensap klaar staat om het Avondmaal mee te vieren.

Tip 6: Geef van te voren aan, bijvoorbeeld via kerkblad, nieuwsbrief of gemeentemail, dat het contrast met een gewone Avondmaalsviering groot is. En dat het er daarom ook geen verplichting is om het thuis mee te vieren. Ook dan kun je nog steeds in dankbaarheid en gepaste eerbied de kerkdienst vanuit huis meebeleven.

Tip 7: Benoem ook van te voren dat het thuis Avondmaal vieren lastig kan zijn (in veel gereformeerde kerken tenminste), omdat kinderen en jongeren nog niet deel mogen nemen aan het Avondmaal. In sommige gemeentes krijgen de kinderen bij de gaande viering een Avondmaalszegen. Maak dat bespreekbaar door bv. de suggestie te doen om als ouders je kinderen te zegenen en je jongeren te omhelzen. Laat ze voelen dat Jezus net zo veel om hen geeft als om de volwassenen.

Tip 8: Bij een Avondmaalsviering online thuis lijkt het alsof iedereen zomaar mee kan vieren. Leg dan als kerkenraad uit dat dit ook geldt voor ‘gewone’ Avondmaalsdiensten die vroeger live uitgezonden werden. Daarvan wist je ook niet wie er allemaal meekeken en misschien wel meevierden. Maak voor de kijkers duidelijk, dat wie zich door hun doop kind van God weten, belijdenis van hun geloof hebben afgelegd, in hun eigen gemeente tot het Avondmaal zijn toegelaten en hun vertrouwen echt op Jezus Christus als Redder en Heer stellen, ook nu uitgenodigd worden  om het Avondmaal mee te vieren. Verder reikt de verantwoordelijkheid van een kerkenraad niet.

Tip 9: Hou de Avondmaalscollecte in stand. Die hoort per definitie voor de diakonie te zijn, omdat we elkaar niet alleen met woorden, maar ook met onze daden moeten liefhebben, zoals het klassieke Avondmaalsformulier zegt. Beveel deze collecte dus extra aan en attendeer de gemeenteleden die thuis meevieren van te voren op de mogelijkheden om digitaal te geven.

Tip 10: Bekijk eens hoe een andere kerk het Avondmaal al gevierd heeft. Bijvoorbeeld GKV ‘Het Noorderlicht’ in Assen-Peelo via de YouTube-link hieronder 😉

Verder zijn er nog allerlei tips te geven over de indeling van de dienst, het zingen van de liederen, wel of geen korte overdenking, de keus tussen een Avondmaalsformulier of een kort stuk onderwijs in eigen bewoordingen. Maar dat zijn keuzes die iedereen zelf kan maken. Voor verdere vragen hou ik mee aanbevolen, dus neem gerust kontakt met me op.

 

Krijgt het begrip ‘doopouder’ een nieuwe dimensie?

Het dopen van kinderen in corona-tijd is een hot issue in de katholieke, protestantse en gereformeerde kerken. Voor volwassendoop bij baptisten en evangelischen, en uiteraard ook in alle andere kerken, zal hetzelfde gelden, maar de discussie gaat vooral over de kinderdoop. Hoe kun je die als voorganger bedienen als je anderhalve meter afstand moet houden?

Waterdruppel 1In de GKV Zeewolde trokken de predikant en de doopouders zich er op het hoogtepunt van de corona-crisis niets van aan. De doopvader en de dominee bogen zich boven de doopvont gewoon naar elkaar toe. Er vanuit gaande dat de gemiddelde doorsnee van een doopvont zo’n 50 centimer is, stonden, stonden ze bijna neus tegen neus tegenover elkaar. Absoluut onverstandig, vonden velen, waaronder ikzelf.

Heel veel kerken zeiden: stel de doop maar uit tot het weer op de gewone manier mag van de overheid. Want de doop is niet noodzakelijk voor kleine kinderen om behouden te worden. Dat is de weg van de minste weerstand. In mijn optiek ondergraaf je daarmee de betekenis van de doop. Net als bij het avondmaal heeft Jezus deze twee sakramenten ingesteld als onderstreping van Gods genadige goedheid en aanwezigheid. Daarvan kun je niet zomaar zeggen, als het niet op de gewone manier kan: ‘Nou, dan stellen we het toch gewoon een half jaartje uit’?  Dat doen we in corona-tijd ook niet met verjaardagen, trouwerijen en moederdag. We bedenken alternatieven om toch zulke bijzondere dagen toch nog enigszins fleur te geven. Als doop en avondmaal door Jezus bedoeld zijn om ons geloofsleven juist in moeilijke tijden op te fleuren, kan uitstel voor onbepaalde tijd nooit de eerste oplossing zijn.

DoopschelpDus kwam het moderamen van de PKN met een creatief advies: bedien als predikant de doop met een verlengde arm, namelijk een doopstok met aan het einde een kleine schaal of een schelp. Want, is de redenering, de doop wordt bediend door de predikant, dus die moet zowel de doopformule uitspreken als de handeling uitvoeren. Net als bij het avondmaal horen de woorden en de handeling bij elkaar. Maar het wordt wel een gekwengel met water voor al die ongeoefende voorgangers. Moet je dit wel willen? Ook principieel gezien: is een geldige doop echt afhankelijk van de persoon die hem bedient?

Ja, wel binnen alle kerken met een ambtelijke struktuur. De doop is een teken en zegen van God waardoor je wordt opgenomen in zijn verbond en daarmee lid van de christelijke gemeente.  Die christelijke gemeente heeft voor het bedienen van doop en avondmaal speciale mensen aangewezen, namelijk apostelen en oudsten. In deze kerkelijke traditie wordt de doop bediend en het avondmaal gevierd in het midden van de gemeente. Dat kun en mag je dus niet zelf doen.

Alleen: is het persé noodzakelijk dat de voorganger zowel de woorden uitspreekt als de besprenkeling of de onderdompeling uitvoert? Als één van de eersten pleitte Robert Roth, GKV-predikant in Hengelo, in zijn blog ‘Dopen in coronatijd 1’ voor de optie dat de voorganger de doopformule uitspreekt en één van de daarbij het doopwater over het kind uitgiet. Hij pleit er daarbij voor om dat in een officiële kerkdienst te doen, met een beperkt aantal  aanwezigen, terwijl  de rest van de gemeente de dienst via een livestream op internet meebeleeft. Anderen vinden het zelfs een optie dat de doopouders thuis hun kind ten doop houden in een online-dienst, waarbij de predikant de woorden uitspreekt.

Wat moet je hier nu van vinden? Ik vind het lastig. Voor mijn gevoel horen de doopformule en het doopwater als twee kanten van één medaille bij elkaar. Het voelt voor mij toch een beetje als een loskoppeling wanneer de predikant op anderhalve meter afstand uit zou spreken: ‘Karla Jolien Leeftink, je wordt gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’, terwijl gelijktijdig één van de ouders hun dochter met het doopwater besprenkelt. Het heeft niet mijn voorkeur.

Maar de andere opties vind ik allemaal nog slechter. Het kunstmatige van een doopstok met een schaaltje of een schelp suggereert dat de geldigheid van de doop deels afhangt van degene die de doop bedient. Het is een vorm van hoogliturgisch denken waarbij  onder alle omstandigheden de handeling en de woorden gekoppeld moeten zijn aan het ambt. Een doop op afstand waarbij de dominee in de kerk staat en de doopouders thuis met een kommetje water of een kinderbadje voor zich hun kind besprenkelen of onderdompelen maakt van de doop een familiefeestje, terwijl de doop, net als het avondmaal, toch echt een sakrament van en voor de christelijke gemeente is. En wie zonder na te denken de doop voor onbepaalde tijd wil uitstellen draagt, misschien wel geheel onbewust, bij aan de onderwaardering van de doop. Ik ben nooit voor de vroegdoop geweest, maar je mag de Drie-Enige God ook niet te lang laten wachten als Hij je kind zijn prachtige belofte wil overhandigen.

Dus als het echt niet anders kan, kom ik toch uit bij een doopdienst in de kerk waarbij de predikant keurig op anderhalve meter van de doopvont staat en de doopformule uitspreekt, terwijl de doopouders het water over hun kleine uitgieten. Zo krijgt het woord ‘doopouder’ wel een hele indringende betekenis.

Dopen aankleedkussenHoewel: toen ik deze blog klaar had, zei Karla tegen mij: wat een ingewikkeld gedoe allemaal. Waarom moeten doopouders persé hun kind vasthouden bij de doop? Laat de vader of moeder hun baby op een doopkussen leggen en daarna samen een stap achteruit doen, zodat de dominee de kleine gewoon kan dopen incl. de besprenkeling, desnoods met wegwerphandschoenen aan.

Waarschijnlijk hoeft het trouwens met al die alternatieven helemaal niet zover te komen. Per 1 juni worden de corona-beperkingen versoepeld. Kerken mogen een maand gaan oefenen met maximaal 30 personen. Bij dat oefenen kan ook het dopen horen zoals we dat altijd deden. Want het predikantschap is een contact-beroep. Dus voordat er gedoopt wordt: eerst een gezondheidscheck bij voorganger en doopouders + baby, eerst handenwassen door de predikant, en bij de doop met gestrekte armen de kleine ten doop houden. Dan kan de predikant met gestrekte arm de doop bedienen: precies op anderhalve meter. Zo wordt zichtbaar wat David in Psalm 139 al zong: HEER, U legt uw hand op mij.

 

Oranje Boven – 75 jaar vrijheid

Een speciale WeekBreek n.a.v. 75 jaar vrijheid. Voor wie graag leest: de tekst staat hieronder. Wie liever kijkt én het gebed wil horen én wil genieten van foto’s met een glimpje (gemaakt door Karla Leeftink):

‘Oranje boven, Oranje boven – leve de koningin!’ Dat lied was in de oorlog erg populair, ook al werd het fluisterend gezongen. Op straat bemoedigden de mensen elkaar met de duim omhoog en zeiden ‘O Zo!’ – Oranje Zal Overwinnen’.

Na vijf bange, lange jaren was het zover: 75 jaar geleden, op 5 mei 1945, gaf het Duitse leger zich in Nederland zich over. Heel Nederland was bevrijd. Alleen op een paar Waddeneilanden duurde het wat langer. Het Zuiden van ons land was al in 1944 bevrijd. Het Oosten en het Noorden in maart en april 1945.

Wat een feest zal dat geweest voor de mensen. Eindelijk de bevrijding!

Vlaggen wapperen. Mensen gaan de straat op. Ze lachen. Ze vallen elkaar om de hals. Vrouwen en meisjes omhelzen de bestofte soldaten. Kinderen gluren nieuwsgierig naar al die tanks, jeeps en pantserwagens.

 

Zo zou het gegaan kunnen zijn, 75 jaar geleden.

Eindelijk vrijheid! Na vijf verschrikkelijke jaren. Het is, denk ik, niet voor te stellen hoe donker en onzeker die periode voor onze ouders en grootouders geweest is. Soldaten en verzetsmensen die zonder vorm van proces werden doodgeschoten. Uit Nederland alleen al 100.000 Joden en duizenden Roma en Sinti die nooit zijn teruggekomen.

 

Als je als land dan weer vrij bent … wat een opluchting!

En tegelijk … vrij zijn … hoe onwerkelijk.

En voor heel veel mensen tegelijk ook heel verdrietig. Zoveel lege plekken. Zoveel trauma’s.

 

Wanneer waardeer je vrijheid het meest? Ik denk: wanneer je het verschil weet met daarvoor. Zelf heb ik de Tweede Wereldoorlog niet meegemaakt. Voor mij is onze vrijheid dus heel normaal. Maar dat geldt niet voor iedereen. Je merkt het als je een tijdlang zelf in een land woont waar geen vrijheid van meningsuiting heerst. En hoor maar eens de verhalen van vluchtelingen uit Syrië of Eritrea.

Wanneer waardeer je vrijheid het meest?

Als ik de verhalen hoor over de oorlog, valt mij altijd op, dat je mensen heel vaak hoort zeggen: ‘Ik ben mijn geloof in God verloren. Want waar was God in Auschwitz?’

Het gekke is: ik lees in oorlogsverhalen bijna net zo vaak dat mensen zeggen: ‘Mijn geloof in God heeft mij de kracht gegeven om het vol te houden. En ik geloof dat wat mensen elkaar in Auschwitz aangedaan hebben, eens door God zal worden rechtgezet.’

Kennelijk is het belangrijk dat je weet wie jou er doorheen geholpen heeft.

 

Op wie kun je vertrouw als het moeilijk wordt?

En wie bedank je als het weer beter gaat?

 

In de Bijbel kwam ik een merkwaardig verhaal tegen. Het is niet zo bekend en staat in het bijbelboek 2 Kronieken, hoofdstuk 20. Moab en Ammon hebben Jeruzalem en heel Juda de oorlog verklaard. Ze zijn al bij de grens en willen met een groot leger de Jordaan oversteken.

De schrik slaat koning Josafat om het hart. Wat moet hij doen? Nou, hij roept een dag van nationaal gebed uit. Met duizenden mensen gaan ze naar de tempel. Daar bidt Josafat: ‘HEER, U bent onze God. U heerst vanuit de hemel over alle koninkrijken op aarde. Niemand is zo machtig als U. Wij zijn niet opgewassen tegen deze oprukkende legermacht. We weten niet wat we moeten doen. Maar U bent onze God. Onze hoop is op U gevestigd.’

Josafat krijgt ook antwoord. De Geest van de HEER werkt krachtig in op Jachaziël, een Leviet. Die bemoedigt de koning en het volk hen door te profeteren: ‘Majesteit! Wees niet bang, maar trek morgen op tegen de vijand, want de HEER staat aan uw kant.’

De volgende dag trekt Josafat meteen met heel het leger op naar de Jordaan. Maar weet je hoe hij dat doet? Hij houdt eerst nog een korte toespraak: ‘Bewoners van Jeruzalem en Juda, luister! Vertrouw op de HERE, uw God, en u zult sterk staan. Vertrouw op het woord van zijn profeten, en u zult slagen.’

En daarna … nou komt het merkwaardige … daarna laat hij de zangers en musici van de tempel in feestgewaden vóór het leger uitgaan, op weg naar het slagveld. Ze zingen: ‘Loof de HEER,  want eeuwig duurt zijn liefde.’

Wat volgt, is een glorieuze overwinning. Na vier dagen is de oorlog voorbij. En wat doet Josafat dan? Hij houdt op het slagveld een herdenkingssamenkomst en brengt hulde aan God. Vanaf dat moment heeft die plek ‘Emek-Beracha’ – Dal van de Hulde. Daarna, als ze terug zijn in Jeruzalem, houden ze daar een bevrijdingsfeest in de tempel. En in de jaren erna is er rust, vrede en veiligheid in heel het land.

 

Een bijzonder verhaal. Welke generaal zou in oorlogstijd de Koninklijke Militiaire Kapel ‘Johan Willem Friso’ voor het leger uit het slagveld op laten gaan?

Maar ik vind het ook een bemoedigend verhaal.

 

Het geloof in God levert uiteindelijk vrijheid, vrede en vreugde op!

Vrij van angst: met de Heer durf ik de strijd aan.

Vrede in het land en vrede in het hart.

Vreugde om het goede wat God geeft.

 

We leven nu alweer 75 jaar in een vrij land. Geen angst meer om zomaar doodgeschoten of op transport gezet te worden.

Tegelijk wordt onze vrijheid vandaag op een andere manier bedreigd en ingeperkt. Wat zullen we opgelucht zijn als er straks een vaccin beschikbaar is waardoor we weer gewoon de straat op kunnen gaan en elkaar ontmoeten.

 

Bevrijd van de angst in oorlogstijd.

Bevrijd van de angst om besmet te raken.

 

Daaronder zit nog een diepere laag van vrijheid.

Dat is de vrijheid die Jezus voor mij verdiend heeft door de oorzaak van alle ellende aan te pakken.

Hij versloeg Gods grote tegenstander, de duivel. En gaf zo mij mijn vrijheid als kind van God terug.

Dat geeft een vrede die verder reikt dan 75 jaar – de hemel staat nu weer voor mij open.

En de vreugde die dat geeft –  dat voel ik vaak beter dan ik het onder woorden kan brengen. Maar ik voel het wel.

Dus ben ik op 5 mei dubbel blij: als Nederlander en als christen.

De synode werkt niet achter de rug van kerkleden om

Onder deze titel plaatste ds. Dinand Krol, de tweede voorzitter van de Generale Synode van de GKV, op 1 mei 2020 een kort ingezonden in het Nederlands Dagblad. Het is een reaktie op een vijf pagina’s lang artikel van Pieter Pel in het blad Nader Bekeken van april 2020. Daarin beschuldigt hij de synode er opnieuw van achter gesloten deuren de revisieverzoeken behandelt van kerken die bezwaren hebben tegen de vrouw in het ambt.

Hieronder volgt de tekst van het artikel.

Het vergaderwerk van de vrijgemaakte synode staat momenteel op een laag pitje en speelt zich grotendeels achter schermen af. Doordat er weinig tot niets plenair gebeurt, onttrekt het zich veelal aan de waarneming. Het Nederlands Dagblad van 27 april gaf in een samenvatting de kritiek in het blad Nader Bekeken door, dat de openheid ook vóór de coronacrisis al te wensen overliet. Die kritiek is niet terecht.
Dat niet iedereen bij alle zittingen aanwezig mag zijn en niet meteen over alle stukken beschikt, wil niet zeggen dat de synode achter de rug van kerkleden om haar eigen gang gaat.

De kritiek betreft met name het vermeende gebrek aan openheid rond de behandeling van revisieverzoeken. De synode van Meppel (2017) besloot de kerken ruimte te geven om vrouwen tot de ambten toe te laten; een aantal kerken vraagt aan de huidige synode om op dat besluit te herzien.
Op twee momenten hebben die revisieverzoeken tot nu toe tijdens zittingen van deze synode op de agenda gestaan. De eerste keer was in november, tijdens toerustingsdagen voor nieuw aangetreden synodeleden. Het is gebruikelijk die in een informele, besloten setting te houden.

tussentijdse polsing

In januari heeft de synode om tafel gezeten met de commissie die de behandeling van de
revisieverzoeken voorbereidt. Deze commissie had haar eerste bevindingen aan de leden
van de synode voorgelegd, om te vragen of ze op de juiste weg zit. Deze vergaderingen,
waarin tussentijdse rapportage plaatsvond, waren wel toegankelijk voor pers en
belangstellenden. In eerdere synodes vond zo’n tussentijdse polsing door een commissie
vaak plaats buiten de publieke zittingen. Het moderamen koos in dit geval voor een
openbare bespreking, juist om zo transparant mogelijk te zijn. Dat het moderamen het
werkdocument dat tijdens deze vergaderingen besproken werd, niet publiek hebben
gemaakt, was om te voorkomen dat er voortijdig conclusies aan verbonden werden.

De kritiek bepaalt het moderamen er bij hoe belangrijk het is om helder te communiceren en openheid van zaken te geven. Die boodschap neemt het moderamen ter harte! Terugkijkend beseft het we dat dat soms te wensen overliet. Er is echter geen sprake van dat bewust de publiciteit wordt gemeden.

ruimte geven

Het moderamen ziet uit naar het moment waarop het mogelijk is om in alle openheid de
revisieverzoeken met betrekking tot het besluit de kerken ruimte te geven om vrouwen tot de ambten toe te laten, inhoudelijk te bespreken, in aanwezigheid van belangstellenden en pers.

Wie nog eens wil nalezen hoe de synode in alle openheid vergadert, kan terecht op mijn blog van 5 maart 2020. Ook op die weergave levert Pieter Pel in het genoemde artikel van Nader Bekeken stevige, maar in mijn ogen ongefundeerde kritiek.

Stille Zaterdag – Jezus op meer dan 1½ meter afstand

Anderhalve meter afstand. Dat is de nieuwe norm voor de komende maanden en misschien wel jaren. Opeens krijgt het woord afstand een hele bijzondere betekenis. We moeten allemaal afstand houden. Opeens viel het mij op dat bij de dood van Jezus het woord ‘afstand’ drie keer genoemd wordt. Nadat Jezus gestorven is, schrijft Matteüs: “Op een afstand stonden veel vrouwen toe te kijken” (27:55a). Ook Markus schrijft: “Op een afstand stonden ook vrouwen toe te kijken” (15:40a). Lukas beschrijft het zo: “Alle mensen die Jezus gekend hadden waren op een afstand blijven staan, ook de vrouwen die hem vanuit Galilea gevolgd waren en alles hadden zien gebeuren” (23:49). Ik heb er altijd overheen gelezen. Pas nu merk ik dit opvallende detail op.

Op afstand. Deze hele corona-crisis kan je ook op afstand van God en Jezus plaatsen. Je wilt wel dichterbij, maar je kunt het niet. Het is niet eens een kwestie van niet mogen (zoals toen), maar het lukt je niet. Iemand zei tegen mij: alle mooie woorden die we altijd zeggen en zingen, ze komen gewoon niet bij mij binnen. God en Jezus staan voor mij op afstand.

Tussen Goede Vrijdag en Pasen valt Stille Zaterdag. Het is geen stilte die tot inkeer brengt. Maar een verlammende stilte. Voor de vrouwen, de apostelen en de andere leerlingen van Jezus toen. Hun Messias ligt in het graf en ze hebben geen enkele verwachting meer. Ja, Hij was een Man van God, maar nu is Hij bij God. En wij … geen idee hoe we verder moeten zonder Hem.

Deze corona-crisis kon wel eens een hele lange Stille Zaterdag worden. We geloven dat Jezus leeft. Maar Hij voelt zo ver weg. Op minstens 1½ miljoen kilometer afstand. Zelfs als we Pasen vieren.

Bemoedigende woorden zijn fijn. Maar geven soms ook goedkope troost. Als het Stille Zaterdag is, kun je alleen maar klagen: ‘Dode Man, sta op!’ En dat doet Jezus ook. Maar misschien zal Stille Zaterdag in het jaar 2020 wel heel lang duren. Klaag je nood dan maar uit bij die Dode Man, waarvan je weet dat Hij leeft, maar de afstand is zo groot. Luister dan naar dit christelijk klaaglied in corona-tijd:

 

 

 

 

 

 

 

Goede Vrijdag 2020 – Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis

De week van Goede Vrijdag en Pasen is in 2020 anders dan in andere jaren. We gaan niet naar een uitvoering van de Matthäus-Passion, we volgen niet massaal de live-uitvoering van The Passion in Roermond en kunnen geen vespers en kerkdiensten bezoeken. We hebben wel volop keus om thuis op allerlei manieren te kijken en te luisteren naar de boodschap van Goede Vrijdag en Pasen. Ook onze kerk probeert wekelijks een soort ‘korte kerkdienst’ voor te bereiden en uit te zenden. Voor Goede Vrijdag 2020 is dat gelukt! Kijk en luister! En voor wie het nog eens rustig door wil lezen: de overdenking n.a.v. Johannes 19:25-30 staat hieronder.

Door God geliefde mensen, mijn zus en broer in Jezus Christus,

Zeven keer heeft Jezus aan het kruis gesproken. Johannes heeft zijn derde, vijfde en zevende kruiswoord voor ons opgeschreven. Met alle drie wil Jezus ons vandaag ook iets zeggen, als onze Verlosser aan het kruis.

Bij het kruis staat zijn lieve moeder Maria. En Johannes, de apostel van wie Jezus heel veel hield, staat naast haar. Jezus zegt ten hen: “Kijk, hij is nu je zoon” en “Kijk, zij is nu je moeder”. Dat zegt Jezus om twee redenen.

Allereerst wil Jezus hiermee zeggen: ‘Ik sterf aan het kruis voor iedereen. Dus ook u, lieve moeder, en jij, beste Johannes – jullie allebei hebben net zo goed verlossing van jullie zonden nodig. Jullie hebben geen streepje voor op al die andere mensen voor wie Ik hier ook aan het kruis hang.’ Vandaag zegt Jezus daarmee tegen jou en mij: ‘Bekijk Mij niet als een bijzonder mens of als een goede vriend of als een indrukwekkend voorbeeld. Nee, geloof dat Ik in de eerste plaats jouw Verlosser wil zijn! Daarvoor heb Ik jouw zonden het kruishout opgedragen.’ Geloof dat vooral!

Jezus wil met deze woorden nog iets duidelijk maken. Straks is Hij er niet meer. Dat is een gemis. Iedereen weet hoe moeilijk het is om dat te accepteren. Dus geeft Jezus Maria en Johannes aan elkaar. Ze moeten allebei leren om Jezus als zoon en vriend los te laten en vooral van Hem te blijven houden als hun Verlosser. Aan het kruis geeft Jezus al weten aan zijn volgelingen: er komt een nieuw gezin, de ‘familie van God’. Ik hoop dat jullie dat in deze coronatijd ook zo ervaren, dat je als christen op twee manieren extra steun ervaart: (pijl omhoog) als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? (pijl horizontaal) En door de steun en bemoediging, praktisch én geestelijk, van medechristenen.

“Ik heb dorst!” is het tweede wat we Jezus horen uitroepen in het Evangelie van Johannes. In het Grieks is het maar één woord, een rauwe kreet: Dorst!! Het verwijst naar Psalm 69 en Psalm 22. David wordt in beide psalmen getroffen door fysieke pijn: nog even en zijn lichaam houdt er mee op. Hij dreigt te sterven van de dorst – dat is één van de ergste kwellingen die een mens kan meemaken. Ook dat lijden, lichamelijk en wat dat vervolgens psychich en geestelijk met je doet, heeft Jezus voor ons gedragen. Niet alleen onze zonden en overtredingen. Ook onze ziektes en onze pijn. Op Goede Vrijdag staan we meestal vooral stil bij het eerste: Christus stierf aan het kruis voor onze zonden. Maar ik hoop, dat het je vandaag ook bemoedigt, dat Jezus onze ziektes, jouw stress en mijn spanning op Zich genomen heeft. Hij ging ermee naar God toe. Doe jij dat vandaag ook, in al je angst en zorgen?

En dan is daar het laatste woord van Jezus: “Het is volbracht!” In het Grieks gebruikt Jezus opnieuw één woord: Volbracht! Niet als zucht van verlichting, maar als bewuste uitroep: mijn reddingswerk is voltooid. Daarna buigt Hij het hoofd en, staat er letterlijk, geeft de geest. Wil je dat vanavond tot je laten doordringen? Jezus vol­brengt zijn levenstaak in onze plaats. Want onze levensopdracht is mislukt. Door de zonde missen we ons doel. Wij verdwalen bij God vandaan. Als gevolg van de zonde loopt heel de wereld vandaag vast in het corona-moeras. Om ons heen vallen duizenden doden. En geestelijk gezien liggen wij midden in de dood. Maar kijk dan naar het kruis van Golgota! Wie hangt daar? Jouw Heiland! Mijn Redder! Jezus, onze Heer! Hij hangt daar in plaats van Barabbas. En Barabbas – tegenover de hemelse Rechter ben jij dat – ben ik dat – ja, wij zijn allemaal van het type Barabbas in Gods ogen. Maar wie hangt daar? Jezus. Hij is vrijwillig onze Plaatsvervanger. En voor iedereen die in Hem gelooft, klinkt nog steeds de uitroep: “Het is volbracht!” Dat heeft Hij met luide stem ook voor jou geroepen, mijn broer en zus! Dat geeft houvast in dit zo onvoorspelbare leven. Balsem voor je ziel. En perspektief op het eeuwige, volmaakte leven. Ongekende geluk. Allemaal op grond van zijn volbrachte werk. Geloof je dat? Geloof je Jezus Christus en die gekruisigd? Amen

Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis,

en Hij hangt er mijnentwegen, mij ten zegen

Van de vloek maakt Hij mij vrij,

en zijn sterven zaligt mij.


Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis.

Zou ik dan in droeve dagen troostloos klagen?

Als ik naar zijn kruis mij richt

valt mijn eigen last mij licht.