Waar zeggen doopouders ‘ja’ op bij de eerste doopvraag in de GKV?

Er is wat rumoer ontstaan over de eerste doopvraag binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Die is in het nieuwe Gereformeerde Kerkboek van 2017 door Deputaten Eredienst eigenmachtig veranderd. In mijn vorige blog (klik hier) ging ik daar al op in.

In deze blog roep ik Deputaten Eredienst op om openlijk te erkennen dat de nieuwe formulering misverstanden oproept en dat het beter is om terug te keren naar de formulering die in 2011 officieel door de landelijke synode van de GKV is vastgesteld.

Die eerste doopvraag luidt binnen de GKV alsvolgt:

Erkent u dat uw kind zondig en schuldig ter wereld is gekomen en daarom aan allerlei ellende en zelfs aan het eeuwig oordeel onderworpen is, en dat hij toch in Christus voor God heilig is daarom als lid van zijn gemeente gedoopt behoort te zijn?

Deze tekst is in 2011 door de Generale Synode van Harderwijk definitief vastgesteld en drie jaar later, in 2014, sprak de Generale Synode van Ede uit, dat alle liturgische formulieren “in de tekst die is vastgesteld door de GS Harderwijk 2011 en deze synode” moest worden opgenomen in de nieuwe editie van het Gereformeerd Kerkboek.

Enkele kleine taalkundige aanpassingen

In het najaar van 2017 kwam dat nieuwe Gereformeerde Kerkboek uit. Dat viel samen met de Generale Synode van Meppel. De deputaten die verantwoordelijk waren voor de uitgave van het kerkboek lieten de synode weten  dat ze nog een taalcheck hadden uitgevoerd voordat alles naar de drukker was gestuurd. In hun beleidsrapport vertellen ze wat men zich daarbij moest voorstellen:

Alle formulieren zijn voor definitieve opname in het Gereformeerd Kerkboek nog een keer door deputaten gecheckt op taalfouten, onnodig moeilijke taal of kerkelijk jargon. Dat heeft enkele kleine wijzigingen opgeleverd (vanzelfsprekend zonder de inhoud te veranderen). Drie voorbeelden:

– In het formulier voor bevestiging Predikanten staat o.a. bij hun taak: ‘zij ontmaskeren de vruchteloze praktijken van de duisternis’. Deze woorden komen uit Efeze 5. In een voorgelezen formuliertekst zijn dit echter woorden van een hoge moeilijkheidsgraad. We hebben de tekst daarom veranderd in: ‘Ze ontmaskeren de zonde als een macht die het leven kapotmaakt.’

– Bij de gebeden aan het slot van de formulieren voor bevestiging Predikanten en bevestiging Ouderlingen en Diakenen is een voetnoot opgenomen na de zin: ‘Dan zal hij eens met al uw trouwe dienaren welkom zijn bij het feestmaal van zijn Heer.’ Die voetnoot luidt: ‘Op deze plaats zou voorbede voor de gezinsleden van de predikant toegevoegd kunnen worden.’

– In het formulier voor Openbare Geloofsbelijdenis wordt gevraagd naar ‘de ware en volkomen leer’. Bij een kleine enquête onder belijdeniscatechisanten bleek dat ze massaal vielen over het woord ‘ware’ en dat associeerden met het GKv denken over de ware kerk. We hebben ‘ware’ op grond daarvan veranderd in ‘echte’.

Maar toen het Gereformeerd Kerkboek uitkwam stond het er zo:

Erkent u dat naam zondig en schuldig ter wereld is gekomen en uit zichzelf niets goeds kan doen, en dat hij van nature blootstaat aan Gods toorn, maar dat hij toch in Christus voor God heilig is daarom als lid van zijn gemeente gedoopt behoort te zijn?

Afschuiven van verantwoordelijkheid

Het Nederlands Dagblad besteedde op 9 februari uitgebreid aandacht aan de moeiten die er in de vrijgemaakte kerken met deze formulering zijn. Bij een aantal kerken en voorgangers komt ook de officiële formulering te hard over. Daar ga ik nu verder niet op in. Maar volgens het ND vinden insiders dat deze nieuwe formulering “overduidelijk meer het werk is van taalkundigen dan van theologen.” Dat vind ik ook. Het is echt meer dan een ‘kleine wijziging’. Ook vraag ik me oprecht af of ‘blootstaan aan Gods toorn’ nu echt een verbetering is ten opzichte van ‘aan het eeuwig oordeel onderworpen’. Volgens mij is het minsten net zulke ‘onnodig moeilijke taal of kerkelijk jargon’.

Het valt me daarom tegen dat de voorzitter van Deputaten Eredienst in het ND niet wil ingaan op de kritiek dat de tekst wel degelijk inhoudelijk is aangepast. Hij maakt zich er maar wat van af door te zeggen dat er vanuit de vorige synode geen vragen kwamen toen deputaten meldden dat ze in 2015 in alle formulieren die net in 2011 en 2014 waren vastgesteld ‘enkele kleine wijzigingen’ hadden aangebracht. En het is helemaal flauw om te zeggen: laat de volgende synode er maar over oordelen. Waarom zou dat moeten? Deputaten Eredienst hebben zelf zonder de synode de nieuwe teksten te laten zien gezegd dat het allemaal niet zoveel voorstelde. Nu komt er gefundeerde kritiek, o.a. van de Kamper hoogleraar Erik de Boer, die op Twitter zegt: De doopvragen zijn eeuwenoud en in goed overleg ontstaan. Een grove verandering, zónder overleg ontstaan, moet gewoon teruggedraaid.” En wat doen Deputaten Eredienst? De verantwoordelijkheid voor hun eigenmachtige verandering afschuiven door te zeggen: laat de volgende synode het maar uitzoeken.

Herroep de omstreden doopvraag!

Ik zou het sterker gevonden hebben als men ruiterlijk erkend had: dit is inderdaad geen kleine taalkundige aanpassing. Dus had het niet op deze manier in het nieuwe Gereformeerde Kerkboek terecht moeten komen. En dus roepen wij als Deputaten Eredienst alle kerkenraden en predikanten op om de formulering van de eerste doopvraag zoals die zonder expliciete toestemming van de Generale Synode van Meppel 2017 in het nieuwe kerkboek terecht gekomen is, voorlopig niet te gebruiken en terug te keren tot de formulering die officieel door de Generale Synode van Harderwijk 2011 is vastgesteld en waarvan de Generale Synode van Ede 2014 aangegeven heeft dat die in het nieuwe kerkboek had moeten worden opgenomen.

Wrang is het allemaal wel. Deputaten Eredienst hebben in 2014 en 2017 zelf gezegd dat kerken zelf mogen weten op welke manier ze met het onderwijzend deel van de liturgische formulieren omgaan, maar dat de vragen bij  doop en belijdenis en bevestiging en de formules bij brood en wijn niet zomaar door eigen probeersels vervangen mogen worden. Maar toch zijn ze zelf gaan knutselen met die vragen en zitten we nu met een omstreden doopvraag opgescheept in het nieuwe gereformeerd kerkboek.

Daarin staan nog wel een paar dingen die mij opvielen trouwens. Er is best veel taalkundig gewijzigd in de formulieren. Het woordje ‘genade’ is bijna aldoor vervangen door ‘liefdevol’ of iets dergelijks. Ook staat plotseling toch één van de 51 gezangen die niet in de nieuwe bundel mochten worden opgenomen (Gezang 19 – Zingt en speelt voor de Heer van ganser harte’) er als Psalm 96a in. En het viel mij op dat er in de laatste regel van vers 8 van Psalm 40 een woordje vervangen is. Er staat nu niet meer ‘o toef niet langer, kom!’, maar ‘o wacht niet langer, kom!’. Op zich een verbetering, maar het is Liedboek-psalm die ook in het nieuwe Liedboek van 2013 nog steeds als laatste regel ‘o toef niet langer, kom!’ kent.

 

Advertenties

Een kind dat gedoopt wordt: te vies om aan te pakken of een parel in Gods hand?

Sinds Pinksteren worden wereldwijd in bijna alle kerkgenootschappen ook de kinderen van de gelovigen gedoopt. Gods beloften zijn immers ook voor hen, zei Petrus al in zijn Pinksterpreek. In Nederland wordt sinds de Reformatie (dus al bijna 500 jaar) aan doopouders een aantal vragen gesteld. Over de eerste doopvraag is binnen de GKV een discussie ontstaan, omdat die sinds 2017 volgens sommigen ingrijpend veranderd is. Een paar GKV-kerken hebben zelfs voor een eigen formulering gekozen en één classis heeft al een verzoek om herziening ingediend bij de volgende landelijke synode.

Doop foto ErnstHet gaat dus om de eerste doopvraag uit het klassieke ‘formulier voor de bediening van de heilige doop aan de kinderen van de gelovigen’, zoals die door de synode van Dordrecht in 1618 is vastgesteld. Die vraag luidde (volgens de versie die van 1933 t/m 1984 in de Gereformeerde Kerken is gebruikt) als volgt:

Bekent gij, hoewel onze kinderen in zonde[n] ontvangen en geboren zijn, en daarom aan allerhande ellendigheid, ja, aan de verdoemenis zelf onderworpen, dat zij toch in Christus geheiligd zijn, en daarom als lidmaten zijner gemeente behoren gedoopt te wezen?

In 1984 werd in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) het doopformulier taalkundig een beetje aangepast. Dus luidde de eerste doopvraag t/m 2011 als volgt:

Belijdt u, dat onze kinderen, hoewel zij in zonde ontvangen en geboren en daarom aan allerlei ellende, ja zelfs aan het eeuwige oordeel onderworpen, toch in Christus geheiligd zijn en daarom als leden van zijn gemeente behoren gedoopt te zijn?

In 2011 vond men dat er een grondige hertaling moest komen van het doopformulier. Dat leidde ertoe dat de eerste doopvraag er als volgt uit kwam te zien:

Erkent u dat uw kind zondig en schuldig ter wereld is gekomen en daarom aan allerlei ellende en zelfs aan het eeuwig oordeel onderworpen is, en dat hij toch in Christus voor God heilig is daarom als lid van zijn gemeente gedoopt behoort te zijn?

Als je dit zo leest, is er niet zoveel aan de hand. Er staat nog steeds hetzelfde, in een iets moderner jasje. Maar dan gebeurt het. Eind 2017 komt het nieuwe Gereformeerde Kerkboek uit. Daarin staan ook alle formulieren die in 2011 en 2014 officieel zijn vastgesteld. Met het oog daarop hebben de landelijke deputaten in hun rapport aan de Generale Synode van 2017 geschreven: “Alle formulieren zijn voor definitieve opname in het GK nog een keer door deputaten gecheckt op taalfouten, onnodig moeilijke taal of kerkelijk jargon. Dat heeft enkele kleine wijzigingen opgeleverd (vanzelfsprekend zonder de inhoud te veranderen).” In het rapport zelf en later in de Acte, de officiële notulen van de synode, wordt geen enkel voorbeeld gegeven, dus niemand kon checken wat er precies in al die formulieren zou gaan veranderen. Pas na de verschijning van het nieuwe kerkboek kun je gaan vergelijken. En dan blijkt, dat de eerste doopvraag, die officieel door de Generale Synode van 2011 is vastgesteld en waarvan de Generale Synode van 2014 uitsprak, dat die moest worden opgenomen in het nieuwe kerkboek “in de tekst die is vastgesteld door de GS Harderwijk 2011” toch door de deputaten behoorlijk is veranderd. Want nu staat er:

Erkent u dat naam zondig en schuldig ter wereld is gekomen en uit zichzelf niets goeds kan doen, en dat hij van nature blootstaat aan Gods toorn, maar dat hij toch in Christus voor God heilig is daarom als lid van zijn gemeente gedoopt behoort te zijn?

Ik heb het belangrijkste verschil rood gekleurd: “en daarom aan allerlei ellende en zelfs aan het eeuwig oordeel onderworpen is” is vervangen door “en uit zichzelf niets goeds kan doen, en dat hij van nature blootstaat aan Gods toorn”.

Verschillende kerken en verschillende personen vinden dit een groot verschil. De Christelijke Gereformeerde predikant Bert Loonstra schreef er twee keer over. In zijn eerste artikel ‘Komen onze kinderen schuldig ter wereld?’ (8 maart 2018) ) zegt hij:

“Maar nu lees ik in de GKv-formulieren dat dit individuele kind schuldig ter wereld is gekomen. Die formulering is nog scherper dan de oude. De oude formulering vroeg aandacht voor de verdorven natuur die Gods afkeer oproept, en die zich ook uitstrekt naar dit kind. Vanaf hun vroegste begin zijn ook onze kinderen in de macht van de zonde. Maar nu wordt gesteld dat de kleinste kinderen daarvoor persoonlijk verantwoordelijk zijn. Dat gaat mij te ver.”

Een maand later in ‘Komen onze kinderen schuldig ter wereld? (2)’ (17 april 2018) schrijft hij zelfs:

“Ik ben geneigd deze formulering als een theologische flater te beschouwen.”

Volgens het blad Onderweg (31 maart 2018) zijn er twee kerken die moeite hebben met deze nieuwe formulering. De GKV van Leek en de GKV van Zwolle-Centrum hebben daarom voor een alternatieve eerste doopvraag gekozen:

Jullie kinderen zijn één voor één prachtige en unieke schepsels van God! Maar ze zijn geboren in een wereld waar zonde en gebrokenheid heersen en daar hebben ze zonder het te weten ook deel aan. Zonder Christus zou hun leven geen toekomst hebben. Geloven jullie van harte dat jullie kinderen dankzij het offer van Christus voor God heilig zijn? En geloven jullie dat de doop de manier is waarop zij nu als lid van Christus in zijn gemeente worden ingelijfd?

In een recent nummer van Onderweg (29 januari 2019) valt te lezen dat de classis Amersfoort een voorstel van GKV Amersfoort-De Horsten heeft overgenomen om de eerste doopvraag te herformuleren. Het belangrijkste argument is, dat de uitspraak dat een kleine baby ‘uit zichzelf niets goeds kan doen’ inhoudelijk iets anders is dan wat er eerst stond, nl. dat een kleine baby ‘aan allerlei ellende onderworpen’ is. In dit bericht werd ook weer verwezen naar de alternatieve eerste doopvraag die men in Leek en Zwolle-Centrum aan doopouders stelt.

Daar reageerde Reina Wiskerke op in het Nederlands Dagblad van 2 februari 2019 onder de kop ‘Roze wolken’. Ze was blij dat de classis Amersfoort niet wil breken met de gereformeerde traditie, maar vraagt of men een recente opfrissing van de tekst wil terugdraaien. Tegelijk steigerde ze een beetje bij het lezen van alternatieve eerste doopvraag. Want die poetst volgens haar te veel weg dat ook kleine kinderen van nature onder Gods oordeel liggen en dus verloren gaan. Die donkere wolken worden volgens haar vervangen door roze wolken die benadrukken dat alle pasgeboren kinderen ‘prachtige en unieke schepsels van God!’ zijn.

Goed … wat is hier allemaal aan de hand? Volgens mij twee dingen.

1/ Deputaten hebben zonder goede verantwoording zitten knutselen aan reeds eerder vastgestelde teksten. Ze hadden de bedoeling om inhoudelijk niets te veranderen. Maar ze hebben zelfs een heel zinnetje aan de eerste vraag toegevoegd! Er stond: jullie kindje is vanwege de zonde ‘aan allerlei ellende en zelfs aan het eeuwig oordeel onderworpen.’ Dat is hetzelfde als: jullie kindje ‘staat van nature bloot aan Gods toorn.’ Maar nu komt daar nog bij dat je als ouders moet erkennen: ons kindje ‘kan uit zichzelf niets goeds doen.’ Dat is niet alleen een extra uitspraak, maar zonder nadere motivatie wordt er ook een stukje eenzijdige theologie in de eerste doopvraag binnengesmokkeld. Want als je al zoiets wilt benadrukken, moet je er, net als bij de Zondag 3:8 van de Heidelbergse Catechismus, meteen achteraan zeggen: ‘behalve wanneer wij door de Geest van God opnieuw geboren worden.’ Of, zoals de Dordtse Leerregels in hoofdstuk 3/4 art. 3 zeggen: ‘’niet in staat ook maar iets voor hun behoud te doen’ (in de oudere tekst van de D.L. staat: ‘onbekwaam tot enig zaligmakend goed’). Terecht constateert ds. Bert Loonstra dat hier sprake is van een “theologische flater”. Dat risico krijg je als deputaten ongecontroleerd gaan schaven aan teksten zonder daar publiek verantwoording over af te leggen en een synode de nieuwe teksten hooguit vlak voor de vergadering ter inzage krijgt.

Ik ben het van harte met de classis Amersfoort eens: deze uitglijder moet zo spoedig mogelijk hersteld worden. Dus plaatselijke kerken: vraag herziening aan via de classis bij de volgende landelijke synode!

2/ Aan de andere kant kan ik me het gevoel van Reina Wiskerke dat het bij de bediening van de doop in Leek en Zwolle-Centrum allemaal wat te lief toegaat, wel voorstellen. Volgens de predikanten van Leek krijgen doopouders van anderen wel eens de reaktie: “Een God die boos is op een pasgeboren kind? Hoe kun je zoiets geloven?” Daarom begint men in Leek met de positieve insteek dat onze kinderen stuk voor stuk prachtige en unieke schepsels zijn, maar dat ze vanwege de zondige wereld  waarin ze geboren zijn zonder Christus geen toekomst hebben.

Volgens mij is dit óók eenzijdig. Er mag blijkbaar niet meer hardop gesproken worden over zonde en schuld en eeuwig oordeel. Waarom niet? Omdat de doop voor veel mensen vooral een romantisch hoogtepunt moet zijn, zoals Reina Wiskerke suggeert? Ik ben bang dat ze daar wel eens behoorlijk gelijk in zou kunnen hebben. Want je kunt bij de doop wel uitspreken dat elke baby een parel in Gods aan is. Maar als je er niet gelijk openlijk bij zeg dat iedereen in Gods ogen tegelijk ook te vies is om aan te pakken, laat je heel wat van de diepe betekenis van de doop liggen. Dan wordt het inderdaad snel een vertederend familiemoment voor in de kerk.

Bovendien hebben we als kerken uitgesproken dat we qua formulieren heel veel mogen variëren, maar dat de vragen bij doop (en belijdenis en bevestiging) overal dezelfde horen te zijn. Nu heeft in 2017 de landelijk synode in een moment van onoplettendheid de passage ‘Dat uw kind zondig en schuldig ter wereld is gekomen en daarom aan allerlei ellende en zelfs aan het eeuwig oordeel onderworpen isverandert in ‘Dat uw kind zondig en schuldig ter wereld is gekomen en uit zichzelf niets goeds kan doen, en dat hij van nature blootstaat aan Gods toorn’. Maar dan kan de oplossing toch niet zijn dat je als plaatselijke kerk opeens het knutselwerk van deputaten over gaat doen? Wees dan zo netjes om a) te streven naar herstel van de gemaakte theologische flater; b) te blijven bij de betere formulering die tot 2017 gangbaar was; c) of doe, als je ook tegen die formulering bezwaar hebt, een voorstel om het anders onder woorden te brengen zonder inhoudelijk de donkere wolken wat rozer te kleuren. Ds. Bert Loonstra heeft een beter alternatief dan Leek en Zwolle-Zuid bedacht hebben. Hij verwijst ernaar in zijn blog zonder die vraag te noemen. Ik heb het bij hem nagevraagd. Dit is de manier waarop hij de eerste doopvraag formuleert:

Erken je dat onze kinderen vanaf hun ontstaan en geboorte deel uitmaken van de mensheid die in zonde ligt en waarop Gods oordeel rust? Maar ben je er tegelijk van overtuigd dat ze door Gods genade bij Christus horen, en dat ze daarom als leden van zijn gemeente gedoopt mogen worden?

Als sommige plaatselijke kerken moeite blijven houden met de formulering van oorspronkelijke eerste doopvraag, zouden ze behalve een verzoek tot herziening ook nog kunnen vragen om de eerste doopvraag in deze trant te herformuleren.

O ja … ik ben wel benieuwd wat kerken als Leek en Zwolle-Zuid doen met het begin van het doopformulier. Dat is binnen de GKV ook behoorlijk gemoderniseerd, maar legt inhoudelijk nog steeds dezelfde accenten. Worden die ook wat weggemoffeld en vervangen door meer geruststellende zinnen zoals: ‘Elk kind is een parel in Gods hand’?
Ten eerste: wij en onze kinderen zijn in zonde ontvangen en geboren. Daarom rust Gods toorn op ons, zodat wij in het rijk van God niet kunnen komen, of wij moeten opnieuw geboren worden. (Doopformulier GKV tot 2011)
Bij de doop word je in water ondergedompeld of ermee besprenkeld. Zo wordt zichtbaar gemaakt dat je in de ogen van God vuil bent, belast met zonde. Je bent al schuldig als je wordt geboren, al zondig sinds je moeder je ontving. Zo kan God je niet accepteren. Je kunt zijn koninkrijk alleen binnengaan als je opnieuw geboren wordt en een nieuw leven krijgt. (Doopformulier GKV vanaf 2011)

 

 

 

 

Wees consequent streng én rechtvaardig – open brief aan Klaas Dijkhoff over het kerkasiel in Den Haag

In het geval van de Armeense asielfamilie Tamrazyan is het de overheid die de procedure rekt. Daarom schreef ik deze open brief, die op maandag 28 januari in het Dagblad van het Noorden verscheen, aan Klaas Dijkhoff over het kerkasiel in Den Haag.

Geachte heer Dijkhoff, beste Klaas,

Al drie maanden is er in Den Haag in buurt- en kerkhuis Bethel een non-stop-kerkdienst. Met maar één doel: te voorkomen dat het Armeense gezin Tamrazyan alsnog wordt uitgezet.

kerkasiel tamrazyanAls fractievoorzitter van de VVD en oud-staatssecretaris asielzaken bent u iemand die goed op de hoogte is van heel de problematiek rondom het asielbeleid en het kinderpardon. Als staatssecretaris had u de naam streng en rechtvaardig te zijn. U liep toen niet weg voor de problemen die ontstonden door de grote toestroom van asielzoekers uit Syrië, maar reisde zelfs af naar het plaatsje Oranje in Drenthe.

Kinderpardon

Als voorman van de VVD bent u ook niet bang om een impopulair standpunt in te nemen als het om het kinderpardon gaat. U vindt dat ouders van asielkinderen als eerste verantwoordelijk zijn voor de situatie waarin ze hun kinderen brengen wanneer hun aanvraag om in Nederland te mogen blijven is afgewezen. En dus is het rot voor het jongetje Nemr, maar als het in Irak niet te onveilig is, moet hij dáár met zijn papa en mama aan de toekomst werken. Veel mensen zijn het niet met u eens, maar het is wel duidelijk waar u namens de VVD voor staat. In het TV-programma #BOOS zei u tegen Tim Hofman: “Ik geef je, ook als het niet een populair antwoord is, wel een eerlijk antwoord.”

Rotverhaal

Naar aanleiding van de film van #BOOS over het kinderpardon hebt u ook zelf een verklaring op YouTube geplaatst. Daarin zegt u nog een keer, dat als de rechter een asielaanvraag afgewezen heeft, een gezin terug moet naar het land van herkomst, ook al is dat “een rotverhaal voor zo’n kind”.

U bent daarin streng. Tegelijk geeft u in uw verklaring op YouTube aan dat u in uw periode als staatssecretaris 240 keer gebruik gemaakt hebt van uw discretionaire bevoegdheid om in schrijnende situaties toch een uitzondering te maken op de rechterlijke uitspraak dat mensen terug moesten naar hun eigen land. U was als staatssecretaris dus streng én rechtvaardig.

De familie Tamrazyan

Ik vraag u in deze open brief niet om als VVD de draai te maken naar een algemeen kinderpardon. Ik vraag u slechts om in één specifiek geval uw VVD-staatssecretaris Harbers te bewegen van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik te maken, namelijk door de familie Tamzaryan alsnog een verblijfsvergunning te geven. Ik doe dat op grond van uw eigen uitspraak in het interview met Tim Hofman. Daarin zie u, toen het over het eindeloos rekken van de asielprocedure gaat: “Dan zou ik ook zeggen: Na twee keer procedure is het afgelopen.”

Beroep

Wist u, dat na de standaardafwijzing van de IND in 2010 de rechter tot twee keer toe geoordeeld heeft dat de familie Tamrazyan recht heeft op een verblijfsvergunning? Maar de Nederlandse staat ging voor de derde keer in beroep en werd toen pas in het gelijk gesteld werd. Op grond van betwistbare en anonieme bronnen die door vluchtelingenorganisatie Inlia weerlegd zijn. Maar uw staatssecretaris Harbers wil dit nieuwe bewijsmateriaal niet in zijn afwegingen betrekken, zei hij op 20 december 2018.

Durf

Geachte heer Dijkhoff, ik denk dat u de enige bent die de impasse kunt doorbreken. Durf, als fractievoorzitter van de VVD, uit te spreken dat de staatssecretaris in deze specifieke situatie niet alleen streng, maar vooral rechtvaardig moet zijn. Want na twee keer procederen moet het zijn afgelopen, zei u zelf tegen Tim Hofman. Dat geldt, als je streng wilt zijn, voor asielzoekers. Het zou dan ook voor de IND moeten gelden: leg je na twee keer procederen neer bij de uitspraak van de rechter. Dat is streng én rechtvaardig. Durft u dat als VVD-leider hardop uit te spreken als het om de familie Tamrazyan gaat?

Assen – 28 januari 2018

Ernst Leeftink – predikant van Gereformeerde Kerk ‘Het Noorderlicht’ in Assen-Peelo

Verlangen naar een nieuwe (GKV-NGK) kerk

Wat maakt een kerk kerk? De GKV en de NGK zitten in een proces van hereniging. Plaatselijk is er steeds meer samenwerking en samensmelting. Landelijk zet een Regiegroep er vanaf 2017 flink de sokken in. De Regiegroep stelde onlangs een dokument op met de titel Verlangen naar een nieuwe kerk. Het heeft sterk het karakter van een wensdroom. Dat vind ik mooi. Na meer dan 50 jaar is het zover: ‘Zie toch hoe goed, hoe lieflijk is ’t dat zonen [en dochters] van ’t zelfde huis als broeders [en zusters]  samenwonen’ (Ps. 133:1 – berijming Liedboek). Samen wensen we ons een droom van een nieuwe kerk toe.

De aanhef van het ‘dokument van verlangen’ begint als volgt: Een nieuwe kerk bedenken… Zomaar, in je eigen hoofd. De ideale kerk. Ga er maar eens voor zitten. Hoe zou die eruit zien? Wat krijgt in die kerk een belangrijke plek en wie mogen er allemaal zijn?

Nu is het niet mogelijk om helemaal opnieuw te beginnen. Als GKV en als NGK nemen we onszelf mee. Ons verleden, ons heden en ons verlangen om samen een nieuwe kerk te worden. Een vernieuwde kerk. Een vernieuwende kerk. Kerk van Christus, gedragen door de Vader, gemotiveerd door de Heilige Geest.

Volgens het ‘dokument van verlangen’ kunnen we elkaar dan vinden op zes kernpunten. Zes kenmerken die je ook terugziet in de eerste gemeente van Jeruzalem. Aan iedereen die het leest vraagt de Regiegroep om  hierop te reageren n.a.v. vier vragen: *) Wat maakt je enthousiast? *) Wat stelt je teleur? *) Wat mis je? *) Wat zou je willen toevoegen? Daar ga ik graag op in. Dat doe ik door de zes kernpunten van een nieuwe kerk één voor één weer te geven met een korte samenvatting + wat opmerkingen van mijn kant.

Maar eerst even over de nieuwe kerk die we samen willen gaan vormen. Die moet nog een naam krijgen. Ik ben niet voor modieuze namen als het om kerkgenootschappen gaat, dus wat mij betreft komt in elk geval de woorden ‘Gereformeerd’ en ‘Kerken’ erin voor. ‘Gereformeerd’ omdat we in die traditie staan. En ‘Kerken’ in meervoudsvorm omdat we niet, zoals de PKN en HHK, het landelijke verband als ‘Kerk’ aanduiden en de plaatselijke kerken allemaal afdelingen van die ene kerk zijn. En wat er dan verder nog bij moet? Mijn eerste optie: VNGK – Verenigde Nederlandse Gereformeerde Kerken. Daarmee behouden we allebei onze eigenheid (de N van NGK en de V van GKV). En door wat uitdagend het woord ‘Nederlandse‘ te gebruiken, geven we aan dat iedere plaatselijke kerk die ook echt in de gereformeerde traditie voelt staan, zich mag aansluiten. Mijn tweede optie: GGK – Gemeenschap van Gereformeerde Kerken. Dat benadrukt enerzijds de geestelijke verbondenheid en anderzijds de zelfstandigheid van de aangesloten plaatselijke kerken: de Gereformeerde Kerk van Assen-Peelo is aangesloten bij het landelijk platform van Gereformeerde Kerken. Maar omdat platform wel erg plat klinkt, kies is toch net iets liever voor het wat ouderwetsere woord ‘Gemeenschap’.

Maar goed … wat zijn volgens de Regiegroep de zes kernpunten van een nieuwe kerk waar we samen verlangend naar uitzien? De zes punten komen uit de verklaring, de samenvatting zijn mijn woorden.

1 Jezus Christus centraal, Gods Woord in het midden

Deze twee horen bij elkaar. Samen vormen zij de kern van ons bestaan als christen en van ons bestaan als kerk. Christus Zelf maakt door de Bijbel duidelijk dat alles begint bij Gods liefde voor ons. Dat wordt ook zichtbaar in doop en avondmaal. De Heilige Geest geeft de Bijbel gezag en maakt van ons een nieuwe schepping.

Ik vind het mooi dat men met dit eerste kernpunt begint. Vooral omdat naast Christus en de Bijbel ook twee andere basics van het christelijk geloof genoemd worden: het dubbele werk van de Heilige Geest (Auteur van de Bijbel en Schenker van het geloof) en de bijbelse fundering van de sakramenten (doop en avondmaal onderstrepen hoe God naar ons toekomt in zijn liefde).

2 Veelkleurig, en toch één in genade

Omdat Gods hart groter is dan die van ons, is er in zijn kerk ruimte om samen één en toch ook allemaal uniek te zijn. Ook al gaat God met ieder van ons een eigen weg, toch vinden we elkaar bij het kruis van Christus, want we leven allemaal van zijn genade. Die ruimte is één van de wonderen van samen kerk-zijn.

Dit punt vind ik wat vaag. Het bevat teveel open deuren en wordt pas konkreet in het volgende punt (waar het dus ook prima mee samengevoegd had kunnen worden).

3 Met ruimte voor iedereen

Gods huis is een open huis. Het moet een veilige ruimte zijn voor iedereen en tegelijk een heilige ruimte waar Gods Woord gezag heeft en Gods Geest mensen vormt naar het beeld van Christus.  Dat betekent dat we elkaar aanvaarden, elkaar verdragen, elkaar niet snel loslaten, maar samen blijven zoeken naar Gods wil. Vergelijk de kerk met een voetbalveld: daar spelen heel verschillende spelers en er zijn spelregels nodig om het doel te bereiken.

Dit vind ik weer een mooie passage. Ik had even de neiging om te denken: vul nu eens concreet in wat ‘veilige ruimte’ en ‘heilige ruimte’ inhoudt. Maar een wensdroom moet je niet meteen platslaan door alles meteen in te willen vullen. Het gaat om een sfeertekening, en die vind ik mooi geformuleerd.  Het voorbeeld van het voetbalveld vond ik een beetje mank gaan.  Op het voetbalveld heeft ook het team van de tegenstander een legitieme plaats, terwijl me dat in de kerk niet de bedoeling lijkt. En volgens mij is het de bedoeling van spelregels om de spelers fair te laten spelen. Niet met regels, maar met motivatie bereik je als christen en als kerk je doel, lijkt me.

4 Begaan met de wereld

Als gemeente van Christus mag je de wereld niet de rug toekeren. Door licht uit te stralen, gebrokenheid te helen en de schepping te koesteren laten we zien hoe God zijn wereld bedoeld heeft. Als hoopvolle kerk zien we vol verlangen uit naar Gods toekomst die nu al doorbreekt in deze wereld.

Bijzonder in dit gedeelte vind ik dat er niet alleen aandacht is voor de tweeslag woord en daad (evangelisatie = licht uitstralen + diakonaat = gebrokenheid helen), maar dat ook het superactuele thema van zorg voor de schepping benoemd wordt. Dat laatste is iets wat bij mij en ook in onze kerken nogal onderbelicht is, denk ik. Een theologisch vraagje heb ik wel bij dit punt: bedoelen de opstellers met die laatste zin nu, dat Gods toekomst nu al overal automatisch een beetje zichtbaar is en dat wij als christenen en als kerk ons daarom actief met de wereld bezig moeten houden? Dat geloof ik eigenlijk niet. Volgens mij is het eerder zo dat Gods wereld verloren ligt in zonde en schuld en dat het juist christenen persoonlijk en samen de eerste signalen zijn van de perfecte toekomst die God met zijn schepping voor ogen heeft.

5 Samen met alle gelovigen

Als gereformeerde kerken houden we vast aan wat we van onze voorouders meegekregen hebben aan belijdenisgeschriften en manieren van kerk-zijn. Tegelijk zijn we niet bang voor vernieuwing, want we willen het Evangelie alle ruimte geven. We toetsen wat van God komt en wat niet, en zijn nieuwsgierig naar de manier waarop Gods Geest in onze tijd aan het werk is, samen met alle mensen die bij Jezus horen.

Ik proef hier een hartelijke verbondenheid met de kerk van alle tijden en een open houding naar andere christenen in ons land. Wat ik hier wel een beetje mis is het lef om uit te spreken dat we in deze zoektocht om eigentijds gereformeerd te zijn, niet bang zijn om ook grenzen te durven stellen aan datgene wat volgens ons de toets van Gods Woord niet kan doorstaan. Nu staat er vrij onbeschermd, dat we “samen met alle mensen die bij Jezus horen” op zoek gaan hoe en waar Gods Geest werkt. Dat past prima bij de geloofsbeleving van onze tijd, maar ik vind het wat onbegrensd.

6 In een gemeenschap van kerken

In de plaatselijke kerk gebeurt het: leven volgens het Evangelie. Als kerken mogen we elkaar helpen bij het volgen van Christus. Als je samen afspraken maakt en vormen en structuren bedenkt, moeten die daaraan dienstbaar zijn. Een kerkverband is een geschenk, bedoeld om elkaar tot een hand en een voet te zijn, niet topzwaar maar lichtvoetig, open en uitnodigend naar andere kerkgemeenschappen.

Hier ben ik het helemaal mee eens. Ook nu was mijn eerste reaktie: graag wat meer invulling op dit punt, maar dat moet je juist niet doen in een ‘dokument van verlangen’.

Als afsluiting zou ik nog dit willen zeggen: ook ik verlang ernaar dat de eenheid tussen GKV en NGK hersteld wordt. Met deze zes kernpunten wordt een wensdroom geformuleerd. Daar sta ik van harte achter. Ik heb één ding gemist, en dus zou ik die willen toevoegen. Maar dat is wel een lastig punt. Namelijk: de wensdroom om ook op ethisch gebied eenheid uit te stralen. Op dogmatisch gebied vinden we elkaar wel (Christus, de Bijbel, doop, avondmaal). Op kerkelijk gebied lukt dat ook wel (plaatselijk gebeurt het, regionaal en landelijk is ondersteunend). Maar hoe geef je elkaar op ethisch gebied maximale christelijke vrijheid zonder alles maar van elkaar te accepteren en uiteindelijk een verwaterd christendom over te houden? Dat is ook een uitdaging waar we als christenen en als kerken voor staan wanneer we naar eenheid streven.

Tenslotte nog dit: laat Opwekking 767 het lied worden van de eenheid tussen GKV en NGK! Het is een eigentijdse melodie en berijming van Psalm 133. Luister zelf: https://www.youtube.com/watch?v=TDAbXrJpNPg

 

 

 

 

 

 

Avondmaal vieren met een formulier uit Oostenrijk

Het Avondmaal is een feestmaal van de gemeente van Jezus Christus. Hij nodigt al Gods kinderen uit om hun geloof te laten versterken door Hem in te nemen als geestelijk voedsel. In veel kerken wordt tijdens de Avondmaalsviering ook stilgestaan bij de diepe betekenis van de dood van onze Heer aan het kruis en bij de beste houding waarmee we we het Avondmaal kunnen vieren. Vaak gebeurt dat door het lezen van één van de Avondmaalsformulieren, al dan niet in een vrije weergave. In het kerkboek van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) staan vijf verschillende formulieren. Toch is er, denk ik, wel behoefte aan nog meer variatie. En wat kun je dan beter doen dan eens bij je gereformeerde zusjes kijken hoe zij het doen?

In Oostenrijk gebruiken onze zusterkerken van de Evangelisch-Reformierte Kirche Westminster Bekenntnisses (de ERKWB) vaak onderstaand formulier.  Ik vind het een mooi formulier, omdat het mij als christen echt toe aanzet, goed na te denken over de vraag waarom ik eigenlijk het Avondmaal wil vieren.

Hier volgt de tekst. Voel je vrij om ‘m als dokument en als PPP  te downloaden en te gebruiken.

Een Oostenrijks Avondmaalsformulier voor Nederlands gebruik

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

We zijn hier bij elkaar gekomen om het Avondmaal te vieren. Onze Heer heeft deze maaltijd ingesteld en aan zijn gemeente opgedragen om Hem op deze manier te gedenken.

Onze Heer, Jezus Christus, verzekert ons, dat Hij aanwezig in de teken van brood en wijn en overtuigt iedereen die in Hem gelooft ervan, dat alle schuld vergeven is.

Zoals het in het Oude Testament beloofd is, heeft de Vader zijn Zoon in de wereld gezonden. Jezus Christus is op dezelfde manier mens geworden zoals wij. Hij heeft geleefd zoals wij, maar zonder te zondigen. Hij is tegenover God volkomen gehoorzaam geweest en heeft zich in alles aan Gods geboden gehouden.

Hij heeft ook Gods toorn op zich genomen, Gods gerechtvaardigde woede die vanwege onze zonden op ons lag. Hij heeft die in onze plaats gedragen, vooral aan het einde van zijn leven. Toen heeft onze Heer Jezus voor ons de Godverlatenheid op zich genomen. Die was zo zwaar, dat Hij aan het kruis uitriep: “Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?” Hij heeft deze Godverlatenheid op Zich genomen, zodat wij nooit meer door God verlaten zouden worden. Hij heeft door zijn bloed en door zijn dood het Nieuwe Testament, het verbond van genade, rechtsgeldig gemaakt. Daarom kon Hij uitroepen: “Het is volbracht!”

Zijn offer aan het kruis is de enige grond voor onze verlossing.

Want Jezus onze Heer heeft eens en voorgoed voor al onze schuld betaald. Zo staat het geschreven in Romeinen 3 vers 22-25: God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven. En er is geen onderscheid. Iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God; en iedereen wordt uit genade, die niets kost, door God als een rechtvaardige aangenomen omdat Hij ons door Christus Jezus verlost heeft. Hij is door God aangewezen om door zijn dood het middel tot verzoening te zijn voor wie gelooft.

Zijn offer aan het kruis is de enige grond voor onze heiliging.

Want Jezus onze Heer heeft ons met zijn gerechtigheid aangekleed, zodat het geloof in ons werkzaam wordt, het geloof dat de wereld overwint. Zo staat het geschreven in Romeinen 6 vers 11-13: Zo moet u ook uzelf zien: dood voor de zonde, maar in Christus Jezus levend voor God. Laat de zonde dus niet heersen over uw sterfelijk bestaan, geef niet toe aan uw begeerten, maar stel uzelf in dienst van God. Denk aan uzelf als levenden die uit de dood zijn opgestaan en stel uzelf in dienst van God als een werktuig voor de gerechtigheid. Ja, schrijft de apostel Paulus even verder in Romeinen 8 vers 5, 6, 9 en 15: U hebt de Geest van Christus ontvangen om Gods kinderen te zijn. Wie zich laat leiden door de Geest is gericht op wat de Geest wil, want de Geest van God woont in U. En wat de Geest wil brengt leven en vrede.

Zijn offer aan het kruis is de enige grond voor onze gemeente.

Want Jezus onze Heer heeft ons samengevoegd tot leden van zijn lichaam. Zoals wij van het ene brood eten en van dezelfde wijn drinken, zullen we als leden van zijn lichaam ook in hartelijke eenheid en liefde samenleven. Zo staat het geschreven in Efeziërs 4 vers 32: Wees goed voor elkaar en vol medeleven; vergeef elkaar zoals God u in Christus vergeven heeft.

Het Avondmaal brengt ons in Gods heilige aanwezigheid. Daarom eist Hij in zijn Woord van ons, dat we onszelf oprecht toetsen.

Laat iedereen zichzelf daarom de volgende drie vragen stellen:

  1. Heb je oprecht verdriet van je zonden en heb je er van harte berouw over? En heb je vanwege je zonden een hekel aan jezelf?
  2. Vertrouw je ondanks dat toch volledig op Gods belofte, dat Hij je volkomen vergeving van al je zonden toezegt, alleen vanwege het leven en sterven van Christus in jouw plaats?
  3. Is het je oprechte voornemen om met heel je leven God, de Heer, te dienen? En wil je alle onverzoenlijkheid en verbittering afleggen om weer in liefde met je naaste te leven?

Laten iedereen hierover een moment nadenken, in een houding van inkeer, heiligheid en eenheid, want wie zo gezind is, wil God graag weer in genade aannemen en als gast aan de tafel van zijn Zoon ontvangen.

(…)

Zingen

Gebed

Heer, onze God en Vader, van harte danken we U voor het geschenk van het heilig avondmaal en voor de grote liefde die U ons in Christus hebt bewezen. We bidden U om een oprecht geloof bij het eten van uw brood en het drinken van uw wijn. Geef ons daartoe uw heilige Geest.

We prijzen U dat we aan deze tafel de verlossing van ons leven mogen vieren. Dank U voor de eenheid die we met elkaar mogen ervaren in de gemeente. Geef dat we elkaar van harte liefhebben. Dat vragen we U in de naam van Jezus Christus, onze Heer. Amen.

Zingen

Opwekking en uitnodiging

Kijk niet alleen naar brood en wijn. Maar kijk omhoog, naar Jezus Christus, die aan de rechterhand van de Vader in de hemel zit. Neem allemaal blij en eensgezind deel aan de tafel van uw Heer. Dank Hem voor de grote liefde aan ons betoond en bewaar de herinnering aan zijn dood voor eeuwig in uw hart. Zo zult u vervuld worden met liefde voor God en ook anderen tot die liefde bewegen.

Viering

Het brood dat we breken, maakt ons één met het lichaam van Christus. Neem, eet, gedenk en geloof, dat het lichaam van onze Heer Jezus Christus gegeven is om al onze zonden volkomen te verzoenen.

De beker met wijn, waarvoor we God loven en danken, maakt ons één met het bloed van Christus. Neem, drink allen daaruit, gedenk en geloof, dat het kostbare bloed van onze Heer Jezus Christus vergoten is om al onze zonden volkomen te verzoenen.

Zingen / musiceren tijdens de viering

Gebed

Heer, onze God, we danken u hartelijk dat we aan dit avondmaal de dood van Jezus Christus mochten gedenken en belijden. We danken U dat Hij stierf, opdat wij zouden leven. Nu U ons geloof hebt willen versterken door deze viering, vragen we U door Jezus Christus, onze Heer: geef dat we U in heel ons leven oprecht en met vreugde dienen. Daarom bidden we U: volgt het Onze Vader

Zingen

Zegen

Het ligt (niet) in mijn aard – een column over homo-zijn

Een aantal jaren geleden schreef Adrian Verbree, columnist en predikant binnen de (vrijgemaakte) Gereformeerde Kerken, een ‘kruimeldief’ in het Nederlands Dagblad over homofilie. Met zijn toestemming mag ik het, nu heel Nederland in rep en roer is vanwege de pas verschenen Nashville-Verklaring, hier plaatsen.

verbree adrian cartoonLeviticus 18

Je mag het bed niet delen met een man zoals met een vrouw, dat is gruwelijk. (Leviticus 18:22)

Het moeilijkste onderwerp binnen mijn werk, acht ik dat van de homofilie. Honderd procent hetero, worstel ik er regelmatig mee. Het is niet dat ik geen dingen op gezag wil geloven. Als de Bijbel zou vertellen: Elia liep over het plafond, dan denk ik: rustig laten lopen. Ik voel geen behoefte hem naar beneden te halen omdat ik me niet goed kan voorstellen hoe hij de zwaartekracht overwon. Wie de zwaartekracht kan scheppen, kan er ook mee spelen. Het is ook niet dat ik geen onwelkome geboden wil accepteren. Stel dat God zou voorschrijven: Ik verbied jullie asperges te eten, dan zou ik er vanaf willen zien.

Mijn probleem met homofilie is dat ik waar ik het tegenkomen, ik niet altijd herken wat ik in de Bijbel over dit onderwerp lees. Als ik op het journaal de gayparade door de grachten van Amsterdam zie drijven, ga ik over mijn nek. Maar als een meisje me geëmotioneerd toevertrouwt dat ze denkt dat ze ‘wel niet zo snel op een jongen zal vallen’, dan ben ik in een totaal andere wereld. Of neem de man die met tranen in zijn ogen vertelt dat hij twintig jaar voor zijn huwelijk heeft gevochten en heeft verloren.

Nu mag je aannemen dat vandaag de dag iedereen de gayparade weet te onderscheiden van deze heel andere homofilie. Zou je denken. Ik heb meer gesprekken meegemaakt dan me lief zijn, waarin met groot gemak werd geoordeeld dat homoseksualiteit niet mag omdat de Bijbel duidelijk tegen is. Nu is het een heksentoer om de Bijbel zo te schudden dat zijn vóór homoseksualiteit is. Niet aan beginnen, lijkt mij. Je kunt er niet onderuit dat volgens de Bijbel God man en vrouw voor elkaar schiep en dat het huwelijk de enige relatie is waarbinnen twee mensen zich geslachtelijk mogen verenigen.

Waar ik moeite mee heb, is het feit dat er nog steeds een beroep wordt gedaan op hoofdstukken als Leviticus 18 en 20 om te bewijzen dat God homofilie-relaties verbiedt. Als ik zo iets hoor, schaam ik me. Goedbedoelend citeert men de Bijbel op een manier waar je kippenvel van mag krijgen. Wat men vergeet, is de context waarin binnen deze hoofdstukken homoseksueel contact wordt verboden. Ik heb er lang over nagedacht hoe je deze passages zou kunnen lezen op een manier die voor iedereen duidelijk maakt dat je het meisje en de echtgenoot van hierboven er niet in tegenkomt. Ik geloof dat ik die manier gevonden heb. Hieronder geef ik Leviticus 18 vanaf vers 6 op een andere manier weer.

Het ligt in mijn aard dat ik met mijn moeder naar bed wil

Het ligt in mijn aard dat ik met de bijvrouwen van mijn vader naar bed wil

Het ligt in mijn aard dat ik met mijn zus naar bed wil

Het ligt in mijn aard dat ik met mijn kleinkind naar bed wil

Het ligt in mijn aard dat ik met de zus van mijn vader naar bed wil

Het ligt in mijn aard dat ik met de zus van mijn moeder naar bed wil

Het ligt in mijn aard dat ik met mijn tante naar bed wil

Het ligt in mijn aard dat ik met mijn schoondochter naar bed wil

Het ligt in mijn aard dat ik met mijn schoonzus naar bed wil

Het ligt in mijn aard dat ik met mijn dochter naar bed wil

Het ligt in mijn aard dat ik naar bed wil met een ongestelde vrouw

Het ligt in mijn aard dat ik mijn kinderen aan de Moloch wil offeren

Het ligt in mijn aard dat ik met een man naar bed wil

Het ligt in mijn aard dat ik seks met een dier wil

Iedereen heeft meteen in de gaten wat er mis is. Niemand gelooft dat het in iemands geaardheid ligt besloten dat hij of zij seks met een dier wil. Niemand gelooft dat er mensen zijn van wie de geaardheid hen drijft tot het offeren van de eigen kinderen. En niemand heeft een geaardheid die hem in het bed van zijn moeder doet belanden. Het is zonneklaar dat we het hier over perversiteiten hebben. De Egyptische en Kanaänitische ‘gruwelen’ waar de Bijbel wars van is. In dit rijtje kan ik de gayparade plaatsen. Maar wie durft het meisje van hierboven van perversiteit beschuldigen? Zij worstelt juist wél met haar geaardheid. Daarmee is zij absoluut de vreemde eend in de bijt van Leviticus 18. Onteer haar niet.

Tot zover deze kruimeldief van Adrian Verbree. Ik heb geprobeerd de datum van publicatie in het Nederlands Dagblad terug te vinden, maar dat is me niet gelukt, ook omdat op internet de titels van de columns in de loop der tijd zijn aangepast.

Memento Mori – gelovig gedenken als gemeente van Christus Anno Domini 2018

Laatst vroeg iemand mij: ‘Waarom gedenken wij in onze kerk de overledenen op 31 december en niet op de (één-na) laatste zondag van november?’ Mijn antwoord was: ‘Omdat we als gelovigen niet leven bij het kerkelijk jaar, maar bij de christelijke jaartelling. Als kerk van Christus deinen we mee op het ritme van de wereld die Hij in zijn hand houdt.’

Oudjaarsavond of ‘Eeuwigheidszondag’?

cropped-gentianen-drentheIn de gereformeerde kerken bestaat al meer dan 150 jaar de gewoonte om op Oudjaarsavond een kerkdienst te beleggen. Daarin blikken we als gelovigen terug op wat het afgelopen jaar ons gebracht heeft. Alle ingrijpende momenten uit het leven krijgen daarin een plaats. En dus gedenken we in die kerkdienst ook de gemeenteleden en de geliefden van gemeenteleden die het afgelopen jaar zijn overleden. Persoonlijk vind ik zo’n kerkdienst op 31 december een heel natuurlijk moment. Alle belangrijke gebeurtenissen gebeuren op een bepaalde datum en die datum zoveel jaar ‘na de geboorte van Christus’. Maar er is ook een andere ontwikkeling in onze kerken. Namelijk: als je het liturgisch helemaal goed wilt doen, zou je de overledenen moeten gedenken op de laatste zondag van het kerkelijke jaar. Dat is eind november, een week voordat de vier zondagen van advent beginnen. Ik schreef daar al eens een blog over met als titel Oudejaarsdienst 31 december – gelovig terugkijken, gelovig gedenken. In dat artikel haalde ik een collega aan die een aantal jaren geleden in de Gereformeerde Kerkbode van het Noorden een pleidooi voerde voor de invoering van ‘Eeuwigheidszondag’. Hij vroeg zich af: moeten we als kerk de overledenen herdenken in de deining van het wereldlijke jaar of in het ritme van de kerk en in de cadans van de heilsfeiten? Hij koos voor het laatste. In tegenstelling tot mij. Ik zal uitleggen waarom.

Als gelovige leef ik bij de christelijk jaartelling

Ik leef, als ik voor mezelf spreek, als gelovige veel meer bij de christelijke jaartelling dan bij het kerkelijk jaar. Iedereen van ons is in dit leven geboren op die ene, door God bepaalde datum in het jaar 1900- of 2000-zoveel. En de dag waarop de HERE het leven terugneemt koppelen we ook die ene datum uit de christelijke kalender. Dus komt een zondag in november op mij over als een wat onnatuurlijk, geforceerd en kunstmatig moment. Voor mijn gevoel gedenk ik dan de gemeenteleden en geliefden die overleden zijn wél in geloof, maar níet in het ritme van het gewone, dagelijkse leven. Een kerkdienst op Oudjaarsdag vind ik juist een heel natuurlijk, zinvol en kostbaar moment. In mijn beleving laten we aan het eind van het jaar als gelovigen samen Gods licht schijnen over alles wat er in het afgelopen jaar gebeurd is. Op de dag (tegenwoordig zelfs alle vijf dagen na Kerst) dat heel de wereld uitgebreid stilstaat bij weer een jaar voorbij, geven wij als christelijke gemeente daar de meest optimale invulling aan, namelijk met de Bijbel open en de blik vol emotie achterwaarts, vol vertroosting omhoog en vol verwachting vooruit gericht. Geef mij daarom dus maar een kerkdienst op Oudjaarsdag. Echt, 31 december is volgens mij dé meest geschikte avond om onze geliefden in geloof te gedenken. Die gewoonte ken ik al zolang ik mij ervan bewust ben. Eerst nog sober: toen ik als predikant begon werden de namen van overleden gemeenteleden alleen in het gebed genoemd (en dat ging een enkele bejaarde broeder of zuster al te ver: ‘Dat wil ik liever niet, dominee, als ik onverhoopt dit jaar uit de tijd raak.’) . Sinds een aantal jaren met meer aandacht en symboliek. Dus doen we het nu met kaarsen en passende bijbelgedeeltes, liederen en gedichten.

Deining en willekeur

Toen ik dit aan mijn collega liet weten reageerde hij als volgt.

Ik vind je argumentatie voor de Oudejaarsavond als gedenkmoment nogal zwak. Je schrijft : ‘Het ritme van de jaartelling is een scheppingsgegeven’. Ja dat lijkt me nogal logisch. Maar waar begint dat jaar? Dat is arbitrair. Als de kerk daarin wil kiezen voor een eigen cadans naast of misschien zelfs gegenüber de rest van de wereld lijkt me dat zo slecht nog niet. En dan kun je het reguliere jaarwisselingsgebeuren nog steeds kerkelijk zeer goed invullen in een terugkijken met de kalendermatige jaaroverzichten. Maar dan kies je wel stelling op het punt van: de kerk denkt in de deining van wat Christus hier op aarde heeft gedaan. En dan is Advent Nieuwjaar. Ik hoop dat je deze overpeinzing enige kans en stilte wilt geven en ben benieuwd naar je reactie.

We leven nu alweer bijna in 2019. Ik heb er niet permanent over nagedacht, maar toch wel regelmatig. En ik ben nog steeds niet van mening veranderd. Integendeel. Als 1 januari een willekeurig moment is, is de kalender van het kerkelijk jaar dat al helemaal. Die is namelijk gebaseerd op de geboorte van onze Heer. Volgens mij is overtuigend aangetoond dat dat niet op 25 december in de winter plaatsgevonden heeft.  Bovendien, waarom zouden we als kerk een alternatieve jaarcyclus invoeren en ons daarmee naast of zelfs tegenover de wereld gaan opstellen? Ik denk dat het veel beter is om een christelijke invulling te geven aan wat we in de samenleving belangrijke momenten vinden. Je moet als kerk daar zijn, waar de mensen zijn. Dus houden we op 24 december een Kerstnachtdienst en blikken we op 31 december gelovig terug op het afgelopen jaar, met speciale aandacht voor wie in dit jaar des HEREN door Hem uit dit leven zijn weggenomen. Dat is voor mij geen willekeurig moment, maar daarmee deinen we als kerk van Christus mee op het ritme van de wereld die Hij in zijn hand houdt.

Voor wie nog wat meer wil lezen: Eerder schreef ik de blog Oudejaarsdienst: gelovig terugkijken en gelovig gedenken. Verder schreef ik nog twee stukjes. De eerste ging over waarom wij in de Oudjaarsdienst kaarsen aansteken: Kaarsen met oudejaarsavond. In het tweede stuk stond de tekst van de gedichten die we tijdens een Oudejaarsdienst bij het ontsteken van de vier kaarsen hebben voorgelezen: Als het leven soms pijn doet op Oudejaarsavond.