Advent: met Zacharias jubelen over het Kind van Kerst

‘Op jullie oude dag zullen Elisabet en jij nog een zoon krijgen, en je moet hem Johannes noemen.’ Dat kreeg de priester Zacharias van de engel Gabriël te horen toen hij dienst had in de tempel. Meer dan negen maanden was Zacharias er sprakeloos van. Maar toen Johannes geboren was en na een week zijn naam ontvangen moest, jubelde vader Zacharias het uit: ‘Geprezen zij de Heer, de God van Israel!’ Zacharias dankt in zijn Zacharias lofzanglofzang (Lukas 1:68-79) God niet alleen voor hun persoonlijk geluk. Hij plaatst, geïnspireerd door de Heilige Geest, de geboorte van Johannes in het kader van Gods verlossingsplan. En dus zingt hij over Johannes die als profeet van de Allerhoogste voor de Heer zal uitgaan om de weg voor Hem gereed te maken. Maar meer nog zingt Zacharias over Gods goedheid en betrouwbaarheid: God doet wat Hij beloofd heeft op grond van zijn heilig verbond. En de reddende kracht die Hij geven zal is Jezus Christus. Die is ‘het stralende licht uit de hemel’ dat naar ons zal omzien zoals God Zelf naar ons heeft omgezien (de NV51 vertaalt in vs. 68b en in vs. 78b twee keer hetzelfde Griekse woord met ‘omzien‘).

Zacharias typeert Jezus Christus met een bekende uitdrukking uit het Oude Testament. Hij is nl ‘het stralende licht uit de hemel’. Dat is niet de letterlijke weergave van het Grieks. Een aantal andere vertalingen (SV, NV51, HSV) zeggen allemaal dat de Christus ‘de Opgang uit de hoogte’ is. In het Grieks staat hier het woord ‘anatolè’. Wie een beetje aardrijkskunde kent, weet, dat één van de provincies in Turkije ‘Anatolië’ genoemd wordt. Dat is vanuit het Grieks de naam voor het land dat ze aan de ander kant van de Egeïsche Zee lagen liggen in het oosten: het land van de opkomende zon. Zo betekent het woord ‘anatolè’ in het Grieks zowel ‘opkomst’ als ‘zonsopgang’ en werd het uiteindelijk ook het gewone woord voor ‘het oosten’.

Gelovige Joden die goed thuis waren in de Griekse vertaling van het Oude Testament hoorden in deze jubelende woorden van Zacharias een verwijzing naar maar liefst drie profeten.

Zacharias lofzang 2De bekendste is Maleachi 4:2. Daar wordt aangekondigd hoe mooi de komst van de Messias voor de gelovigen zal zijn: ‘Maar voor jullie, die ontzag hebben voor mijn naam, zal de zon stralend opgaan, de zon die gerechtigheid brengt en genezing in haar vleugels draagt.’ In het Grieks staat hier het werkwoord ‘anatolein’. Dit slaat op de Persoon van Jezus Chris­tus, zingt Zacharias, die mensen zal beschijnen / op mensen zal schijnen (NV51, BGT – een iets beter vertaling dan ‘verschijnen’ in de SV, NBV, HSV), zodat ze hun voeten weer kunnen zetten op de weg van de vrede met God.

Maar er zijn nog twee profetische teksten uit het Oude Testament waar in de griekse vertaling het woord ‘anatolè’ voorkomt. Namelijk in Jeremia 23:5 en in Zacharia 6:12. In die twee passages wordt de beloofde Messias die eens zal komen aangeduid met ‘de rechtvaardige Spruit / Telg (Anatolè) die uit de bodem /zal uitspruiten / opschieten (anatolein) en als rechtvaardig koning en priester op zijn troon zal zitten.

Met dat ene woord ‘anatolè’ ‘verwijst Zacharias dus naar twéé verschillen­de Messiaanse profetieën. De komende Messias is de beloofde Telg van David en is de opkomende Zon der gerechtigheid. Zo gebruikt Zacharias a.h.w. een dubbel adventsbeeld.

Alle vertalingen waarin Zacharias Christus bezingt als ‘de Opgang uit de hoogte’ gebruiken bij ‘Opgang’ een hoofdletter. Dat doen ze waarschijnlijk, omdat bij Jeremia en Zacharia het woord ‘Anatolè’ als titel voor de Messias gebruikt wordt, terwijl bij Maleachi alleen het werkwoord ‘anatolein’ staat en de komende Messias aangeduid wordt als ‘de Zon die gerechtigheid en genezing brengt’. Zo zie je ook in de vertaling (die terecht voor ‘Opgang’ kiest en niet voor ‘Spruit/Telg’) toch nog iets van die titel doorklinken.

Tegelijk zegt Zacharias er nog iets opmerkelijks bij. Christus komt als ‘de Opgang uit de hoogte’. Dat is een aparte manier van zeggen. De zon komt altijd op vanaf de horizon en gewassen komen op vanuit de grond. Maar hier zegt Zacharias: ‘De Opgang komt uit de hoogte’. Oftewel: onze redding komt van bovenaf God begint. Híj neemt het initiatief. Van de goede bedoelingen van mensen hoef en mag je het niet verwachten.

In de tijd van Zachari­as keken veel mensen alleen maar om zich heen. Zo zijn er nog steeds veel mensen die blijven staan bij wat ze hier beneden zien. Maar dan krijg je nooit goed zicht op Jezus. Dan is Hij alleen maar vertederend omdat Hij met Kerst het Kindje in de kribbe is.

Als je omhoog kijkt, dan zie je meer in Hem. Dan zie je waar Hij vandaan gekomen is om ons te redden. Dan zie je, waar Hij nu is, dicht bij God om het voor ons op te nemen en alvast een plekje voor ons te reserveren in de hemel. onze plaatsen. Dan geloof je, dat Hij straks definitief terugkomt als het stralende licht uit de hemel. Dat geeft tegelijk moed en uitzicht voor wie nu een donkere periode in het leven doormaakt of zelfs de schaduw van de dood op zich voelt afkomen. Kijk dan omhoog en richt je op Jezus. In Hem zie je Gods liefdevolle barmhartig­heid. Alleen Hij brengt vrede, is onze Vrede en zet je voeten weer op het pad van de vrede.

Advertenties

WEDDEN OP TWEE PAARDEN – schepping en evolutie in een spagaat?

Paul OorspronkelijkVlak voor de zomer van 2017 bracht Gijsbert van den Brink zijn boek En de aarde bracht voort uit. Een paar maand later verscheen het boek Oorspronkelijk van Mart-Jan Paul op de markt. Beide schrijvers gaan in op de vraag of en hoe je de bijbelse gegevens over de schepping en de evolutietheorie met elkaar kunt combineren. Gijsbert van den Brink stelt voortdurend de vraag: stel dat het waar is wat de evolutietheorie allemaal beweert, haalt dat dan het hele bijbelse scheppingsverhaal onderuit? Zijn antwoord is: nee, het scheppingsverhaal en de gangbare evolutietheorie zijn goed met elkaar te verenigen. Mart-Jan Paul komt tot een heel andere conclusie: “de Bijbel is het Woord van God dat gezaghebbend over onze oorsprong spreekt” (blz. 466). Daarom sluit hij zich nadrukkelijk aan bij alle kerkvaders en reformatoren die “het begin van het boek steeds [hebben] opgevat als een betrouwbare weergave van het ontstaan van de wereld en van de gebeurtenissen in het begin van de mensheid” en “meenden dat de aarde hooguit zesduizend jaar geleden geschapen was door Gods bijzondere ingrijpen (blz. 23). Bovendien is het volgens Mart-Jan Paul zo, dat de zeer verschillende theorieën over evolutie die in de 18e en 19e eeuw opkwamen “in meer of mindere mate samenhangen met verzet tegen het christelijk geloof.” Er is dus vaak ”vaak een samenhang tussen de persoonlijke levensbeschouwing en de voorgestelde theorie. Waar afstand genomen wordt van de Bijbelse beschrijving van het verleden, komen andere voorstellingen op. (blz. 60). Aan het eind van zijn boek leidt dat tot de volgende waarschuwing dat wie als christen op de vraag “of God evolutie als scheppingsmechanisme voor het ontstaan van de soorten gebruikt heeft (…) snel bevestigend antwoordt, weleens een wetenschapsopvatting kan hebben die op den duur op steeds meer punten in conflict komt met de Schrift” (blz. 465).

Onbijbels dualisme bij Van den Brink?

In zijn boek geeft Mart-Jan Paul ook de standpunten weer van christelijke wetenschappers die wel meer ruimte zien om de bijbelse gegevens over het begin van de schepping met de gegevens van de wetenschap te combineren. Eén van hen is Denis Alexander. In grote lijnen sluit Gijsbert van den Brink zich bij zijn opvattingen aan. Beiden mag je rekenen tot de theïstische evolutionisten (hoewel Gijsbert van den Brink zichzelf liever een evolutionistisch theïst noemt, omdat hij gelooft dat God deze wereld in de weg van evolutie geschapen heeft). Over Denis Alexander is het oordeel van Mart-Jan Paul niet mals. In aansluiting bij David Anderson stelt hij: “diens visie is een onbijbels dualisme. Alexander scheidt ‘het boek van de natuur’ van het ‘boek van de Schriftuur’. (…) Voor Alexander lijken de beweringen van de hedendaagse biologische wetenschap vaste waarheden te zijn, ook al wijzigen de details, terwijl de Bijbelteksten over de oorsprong slechte onzekere theologische duidingen opleveren. Ook al zijn voor hem de basale geloofsuitspraken nog steeds waar, zoals dát God geschapen heeft, vrij veel van de historische weergave in Genesis is niet langer houdbaar. (…) In theorie heeft de Bijbel bij hem het hoogste gezag –en dat kan in geloofszaken ook werkelijk zo zijn-, maar in de interpretatie van de eerste hoofdstukken van Genesis zijn het de externe factoren die de uitleg in sterke mate bepalen en ingrijpend veranderen” (blz. 271 / blz 271).

Dat zijn nogal forse uitspraken! Gijsbert van den Brink zou in navolging van Denis Alexander de bijbel langs de lat van de wetenschap en de evolutietheorie leggen. Daarmee zouden zij “een dualisme tussen geestelijk en lichamelijk” aannemen. Dat “blijft het punt” (blz. 271 noot 49). Ik snap deze kritiek wel. In mijn vorige blog gaf ik al aan, dat bij Gijsbert van den Brink de hedendaagse wetenschappelijke inzichten het uitgangspunt vormen. De bijbelse gegevens zijn daar volgens hem gelukkig goed mee te verenigen. Maar de actieve rol van God in het scheppingsproces worden wel heel erg passief geformuleerd. Maar om dat nu meteen ‘onbijbels dualisme’ te noemen, dat gaat me wel wat ver. Vooral omdat het een eigenlijk een heel merkwaardige uitspraak van Mart-Jan Paul is. Want verschillende keren in zijn boek schrijft hij dat de Bijbel niet geschreven is om ons natuurkundige informatie te verschaffen, maar vooral gericht is op het heil van de mensen (blz. 75), zodat we in Genesis geen antwoord krijgen op onze natuurkundige vragen (blz. 180), want “het eigenlijke wonder dat materie en leven tot aanzijn kwamen, wordt niet op natuurkundige wijze verteld, maar zo dat God de lof ontvangt als de Schepper” (blz. 170).

Toch verwerpt Mart-Jan Paul bijna alle wetenschappelijk theorieën over het ontstaan van de aarde omdat hij ondanks bovengenoemde passages vooral absoluut vast wil houden aan de letterlijke historiciteit van Genesis 1-3. Dat vind ik vreemd, want volgens de Nederlandse Geloofsbelijdenis maakt de schepping ons duidelijk hoe groot Gods eeuwige kracht en goddelijkheid is en maakt Hij Zich in de Bijbel nog duidelijker bekend “namelijk voor zover dat voor ons nodig is tot zijn eer en tot behoud van de zijnen” (citaat art. 2 NGB). Dus schept Denis Alexander geen vals dilemma als hij stelt dat de Bijbel een theologische boodschap bevat en geen natuurwetenschappelijk leerboek is (blz. 268).

De mal van de letterlijkheid bij Paul

Hoe kan het dat Mart-Jan Paul als het eropaan komt precies het tegenoverstelde doet als hij Denis Alexander en daarmee Gijsbert van den Brink verwijt? Hij wijst namelijk zo nadrukkelijk alle nieuwe inzichten van de wetenschap af als die niet met de letter van de Bijbel overeenkomen. Voor hem is de tekst van de Bijbel het uitgangspunt voor alle wetenschappelijke arbeid als het om de ouderdom van de aarde en de manier waarop God de wereld geschapen heeft (blz. 239). Dus is de aarde ongeveer 5.550 jaar (Griekse tekst) of 4.000 jaar (Hebreeuwse tekst) voor Christus in zes dagen geschapen (blz. 176, 188, 239). Wanneer christenen toch in een veel oudere aarde geloven, dan “lijkt hun argumentatie vooral ingegven te zijn door externe factoren –de huidige datering- ; zij voeren weinig exegetische argumenten aan” (blz. 289). Hier merk je, dat Mart-Jan Paul in hetzelfde dualisme vervalt, maar dan omgekeerd: de exgese van de Bijbel heerst over de resultaten van de wetenschap. En dat terwijl beiden én elkaar aanvullen (NGB art. 2) én voor nieuwe inzichten vatbaar horen te zijn.

Hoe kan dit gebeuren? Ik denk dat een diep respect voor het gezag van de Bijbel als het onfeilbare Woord van God daar de oorzaak van is. Dat proef ik uit heel zijn boek. Maar vervolgens wordt de klassieke opvatting over hoe we de Bijbel moeten lezen, namelijk de letterlijk-historische interpretatie, de trechter waar alle resultaten van de moderne wetenschap doorheen moeten. En kunnen ze eenvoudig niet waar zijn als ze er niet doorheen passen. Dat leidt tot wonderlijke opvattingen bij Mart-Jan Paul:

*) De snelle groei van de gewassen en de bomen die op de derde dag ontkiemen en aan het eind van die dag ook al zaad en vruchten voortbrengen, moet je vergelijken met de wonderboom van Jona (blz. 144). Blijkbaar is het geen optie dat de HERE in één keer de fruitbomen in volgroeide vorm geschapen heeft, ook al denken sommige kerkvaders daar anders over (blz. 66) en kon Jezus op de bruiloft van Kana wel in één moment water in heerlijke oude wijn veranderen (blz. 275). Maar de optie van een ‘volwassen schepping’ lijkt bij voorbaat uitgesloten, omdat het de weg opent naar een ingeschapen ouderdom bij de schepping, incl. alle fossielen enzo (blz. 352). Op die manier zou God de mensen bedriegen (blz. 353).

*) Waarschijnlijk waren er geen dorens en distels vóór de zondeval. Want zij vormen, net als het met pijn kinderen krijgen, een signaal dat er echt iets gewijzigd is in de schepping. Als God dit onkruid wel ‘goed’ geschapen heeft, zijn hun eigenschappen waarschijnlijk door de zondeval veranderd (blz. 167). Is dit geen pure speculatie? Alle groene planten waren toch voedsel voor de dieren? Dat bepaalde planten na de zondeval de akkers zullen gaan overwoekeren wil toch niet zeggen dat ze daarvoor geen stekels hadden? Zelfs Augustinus nam aan dat er voor de zondeval dorens, distels en zelfs verscheurende dieren waren (blz. 73, noot 55).

*) “Vanuit de archeologie zijn er sterke aanwijzingen voor het bestaan van culturen in Sumerië [het huidige Irak] en in Egypte, rond 3000 v. Chr. Dit is niet goed te combineren met een zondvloed rond 2400 v. Chr. [volgens de Hebreeuwse tekst]. Volgens de LXX [de Griekse tekst van het Oude Testament] vond de zondvloed echter rond 3300 v. Chr plaats en dat past beter (blz. 188).” Dus twee hoogstaande culturen die een paar duizend kilometer van elkaar verwijderd liggen, terwijl er duizenden kilometers ten oosten van Irak in die tijd ook al een Chinese cultuur bestond – dat zou allemaal binnen 300 jaar na de zondvloed (en als het om Egypte en China gaat pas na de torenbouw van Babel) plaatsgevonden hebben? Terwijl er vanwege de zondvloed een geweldige braindrain heeft plaatsgevonden waardoor alle complexe technieken opnieuw moesten worden uitgevonden? Ook wiskundig gezien lijkt het zeer onwaarschijnlijk dat de mensheid zich in zulke aantallen vermenigvuldigde, dat er binnen 300 jaar over grote afstanden drie afzonderlijke hoogstaande culturen ontstaan zijn.

Een weinig oorspronkelijk boek

Mijn conclusie is dan ook, dat Mart-Jan Paul de gegevens van de wetenschap niet serieus neemt in zijn overwegingen bij schepping en evolutie. Hij stelt soms wel terechte vragen (hoofdstuk 4 over het vermeende wereldbeeld van de oud-oosterse culturen is het beste deel van zijn boek), maar komt zelf niet verder dan een halsstarrig vasthouden aan de letterlijkheid van de Bijbel als het om nieuwe feiten en theorieën m.b.t de ouderdom van de aarde gaat. Daarbij doet hij vaak een beroep op de oude kerkvaders, terwijl die, voor zover ik kan inschatten, op een ander front tegen griekse filosofen en gnostische religies streden (zoals Henk Bakker en Stefan Paas in 2009 al tegenover o.a. Mart-Jan Paul aantoonden in hun opstel De kerkvaders over Genesis). En hij wijst voortdurend op de niet-christelijke en vaak zelfs vijandige levensbeschouwingen van de wetenschappers die de evolutietheorie in het begin hebben uitgedragen. Dat lijkt mij een zwaktebod, want de technieken die de zeer goddeloze nakomelingen van Kaïn uitgevonden hebben, worden volgens Mart-Jan Paul gebruikt om de ark te bouwen (blz. 174).

Gijsbert van den Brink vertelde dat iemand eerst zijn boek gelezen had en er behoorlijk van onder de indruk was geraakt. Zou het allemaal toch anders zijn dan er letterlijk in de Bijbel staat? Daarna las hij het boek van Mart-Jan Paul. Daardoor kwam hij tot de conclusie dat de evolutietheorie niet bewezen is en dat de Bijbel gelukkig toch echt gelijk heeft. Ik vind dat het teleurstellende effect van dit boek. Het geeft aan de ene kant veel mensen een gevoel van schijnveiligheid en aan de andere kant brengt het mensen in een spagaat. Dan vind ik de benadering van Gijsbert van den Brink beter, ook al deel ik lang niet al zijn afwegingen en heb tegen een paar ervan echt serieuze bedenkingen. Maar hij staat wel in de lijn van de gereformeerde belijdenis die ‘natuur en genade’ niet van elkaar wil scheiden en de kennis vanuit de schepping niet tegenover de kennis vanuit de Bijbel stelt. Daarmee bepaalt de wetenschap niet de uitleg van de Bijbel, maar vullen die twee elkaar juist aan (zie dit artikel van Gijsbert van den Brink), zoals God Zelf ook in Psalm 19 laat weten.

 

Groningers in 1834 over Hendrik de Cock en de Afscheiding (deel 2 – Jaapks Raize)

‘Doe fiene kokse! ‘ riep een jongen van de andere school in Oldehove mij een keer toe op straat. Ik zal een jaar of zeven geweest zijn. Geen idee wat hij ermee bedoelde, maar wij van onze school riepen gewoon terug: “Openboaren hemmen segoaren ien oren en kont vol bloaren!’ Toen ik mijn vader vroeg waarom al mijn klasgenootjes door de leerlingen van de andere school ‘fiene koksen’ genoemd werden (en ik met een paar anderen door eigen soms  ‘artikeltje’ naar mijn hoofd geslingerd kreeg), legde hij met uit dat alle gereformeerden op het dorp zo genoemd werden omdat Hendrik de Cock in 1834 uit de Hervormde Kerk gezet was en daarmee de eerste gereformeerde dominee van de Afscheiding was (en dat ‘artikeltje’ nog gevoeliger lag in het dorp, omdat de Vrijmaking toen nog geen 30 jaar daarvoor plaatsgevonden had).

Jaapks RaizeOok in de tijd van de Afscheiding had je al voor- en tegenstanders van die ‘Cockse’ beweging. Uit die tijd stammen ook twee brochures die in het Gronings geschreven zijn. In die periode (1816-1851) verschenen de eerste liedjes, voordrachten en samenspraken in het Gronings. Ze hadden niet alleen een amuserende waarde, maar ook vaak een opbouwende functie, aldus het “Handboek Nedersaksische Taal- en Letterkunde” (2008, Van Gorcum), die daarbij expliciet vermeldt: “Dit laatste komt duidelijk naar voren in een aantal publicaties uit 1834, waar samenspraken in dialect gebruikt worden als pamflet in de strijd rondom de Afscheiding.” (blz. 340). De schrijver van En Grunneger Roeker heeft duidelijk sympathie voor de underdog in deze ‘Cockse’ twist en laat dat kort en krachtig in niet mis te verstane bewoordingen weten. In 1834 verscheen er nog een tweede brochure, nl. Jaapks Raize naa Domenei Kok. Twee keer zo lang als ‘En Grunneger Roeker’, minder ruig geschreven en met als duidelijke slotkonklusie dat wie niets van Hendrik de Cock heeft gehoord, ook niets gemist heeft. Wie in die tijd z’n Bijbel goed kende, had dit waarschijnlijk ook wel verwacht, want op de titelpagina van dit vlugschrift staat “Jak. 3 : 16, 17” – en daar staat, in de Staten-Vertaling van toen: Want waer nijdt ende twist-giericheyt is, aldaer is verwerringe, ende alle boosen handel. Maer de wijsheyt die van boven is, die is ten eersten suyver, daer na vreedsaem, bescheyden, geseggelick, vol van barmherticheyt ende van goede vruchten, niet partydelick oordeelende, ende ongeveynst. Daarna volgt een soort aanbeveling van een vriend van Jaap, waarna Jaap op rijm vertelt van zijn zondags uitstapje om dominee De Cock een te horen preken.

Jaapk, ik heb diin Raize lezen, | Mit genougen en vermaak. | Nee – neit raizen, ’t hoes te bliven | ‘k Leuf di goud – dus elk ziin zaak.

Elke goude Hedder weit toch, | Wat het best ziin kudde past; | En gait mit ’t verstand te rade, |In ziin huiden – dat stait vast.

Hei bi joe ein beste Doomnei; | O, wi hebben ook ein man, | Dei de Wet van onze Schepper| Klaar en duudliik maken kan.

Of hei leeraart in de kerk – | Of hei an het zeikbed stait: | Licht en troost vluit van ziin lippen, | En is graag tot hulp beraid.

“Mensken” – leert hei – “Zeit op Jezus – | Ook veur joe kwam hei op aard. | Volgt ziin leer – dan is joe, boven, | Hemelzalighaid bewaard.

Wekt vaak ’t vrömde lust tot raizen; | ’t Olde vrömde haagt mi neit. | Jaapk, ik dank di veur diin rimen – | ‘k Bin en bliiv joe deinaar   Peit

INLAIDING

In de week dan mout ik warken, | ’s Mörgens vroug en ’s avens laat, | Veur miin wiif en veur miin kinder: | Neimand vindt mi leeg bi straat.

Söndags gaa ik graag naa kerke; | Want onz’ Doomnei is ein man – | Dei, zoo wel an heile wizen: | As miin slag wat leeren kan.

‘k Hol heil veul van onze Leeraar; | Want hei geft gezonde kost; | En stait – ja, dat duur ik zeggen, | Trauw as Daviid op ziin post.

Nooit draigt hei, met Hel en Duvel;| Maar maakt ons ’t ook lang neit ligt. | “Laat het kwade en dou het goude | Mensken,” zegt hei,” da’s joen pligt.

Vake mout i ’t woord deurzuiken, | Doun zoo as ’t er schreven stait; | Immer ’t beste veurbeeld volgen, | Dan vindt joe de dood beraid.

Nooit zel ’t “Heere! Heere!” roupen, | Joe beraiden veur Gods Riik. | Leer en leven – les en wandel | Mout in alles ziin geliik.

Hou g’ ook raizen meugt deur ’t leven, | Of ’t joe veur of tegenga; | Bei het schaiden van de wereld, | Volgen joe joen warken naa.

Eng is ’t pad en naauw de poorte, | As i naa ’t geweiten leeft: | Maar vertrauw op uwe Vader, | Dei joe troost en bistand geeft.

Waant suk eimand uutverkoren, | Dei lopt op de breide baan; | En zel, deur de wide poorte, | Einmaal zeker binnen gaan.”

Doomnei ken allein ’t neit zeggen; | Maar hei dut net as hei leert. | Dit getuugt de heil gemeinte, | En elk, dei mit hom verkeert.

‘k Had ein tiidlang heuren praten | Van ein Kok dei spize maakt; | Dei, veur veule soort van monden, | Overheerliik lekker smaakt.

’t Was allein veur mi gein honger, | Waardeur ik nou wor verlaid, | Om eins naa dei Man te raizen; | Maar ook mit neischirighaid. 

Einmaal eis, dat onze Doomnei | Boeten ’t Dörp te preken had, | Zee miin scheerbaas mi: “Jaapk weis toe ‘t? | Kok preekt mörgen digt bi stad.”

RAIZE.

’t Plan was klaar – en, eer het haantje, | Söndags mörgens was ontwaakt, | En ons dörp nog lag te rusten; | Was ik al op raize raakt.

’t Mörgenlicht begon te dagen;| Dou ik ankwam in Zuudbrouk. | ‘k Luip regt oet, en kwam nog even | Mit de Zön, op Martenshouk.

Schoon ik maar alleine raisde, | Vol de weg mi heil neit lang, | Bi het dankleid van de vog’len | En heur mörgen Lofgezang.

‘k Huil de trekweg, dei mi laidde, | En mi brogte in de stad: Waar ik g’lukkig arriveirde, | Dou de klok net zeuven had.

‘k Had gein tiid om lang te plaistren: | ‘k Luip de Stad deur – Drapoort uut, | En kreeg daar – doch bi vergunning – | Plaas in ein gehuurde Schuut.

‘k Heurde al gaauw, dat al dei mensken | Raisden, mit het doul as ik: | Maar, mit al heur fine flaiten; | Was ik juust neit in miin schik.

‘k Heurde hier veul van Hel en Satan, | Net of ’t meer dan Kristus was. | ‘k Mos mi nier maar stille hollen, | Tegenspreken gaf gein pas.

’t Heil gezelschap was van meining, | Dat de Kok juust was de man, | Dei het beter, as al Doomneis | En Perfessers, zeggen kan.

Nooit zag ik nog zoo veul drökte. | ’t Was ein leven – ’t was ein wark – | Koetsen, Sezen, Korrewagens, | Net of ’t was Zuudlaarder mark.

Snik legde an – wi wassen over; | ’t Was ein beetje naa acht uur – | ‘k Sprong an wal, en had de plase, | Waar de kerk stond, in de kuur.

’t Heile Kerkhof was vol mensken. | ’t Vrömde, dat miin oog hiir zag, | Deed mi denken – ‘k mout het zeggen: | An de leste oordeilsdag.

‘k Docht, ik bin einmaal te Romen, | ‘k Mout de Paus nou ook ja zein. | Maar hou in de kerk te komen? | In mos ik er – kon ’t geschein.

‘k Drong er deur – ‘k stöt ’t volk op zide, | En kwam end’ling bi de deur; Zoo da’k in de kerk kon kiken – | ‘k Bleef er half in – en half veur.

’t Kerki was gepropt vol mensken – | ‘k Kon neit veur – of achteruut. | ‘k Most wel in de knipe bliven, | Tot dat Mester had geluud.

En dat luden mos nog duren, | Om en bi zoon drei keteir. | ’t Zol veur mi plezeir gaan heiten; | Maar het was mi gein plezeir.

End’ling heurde ik buten roupen: | “Mensken wiikt – de Doomnei komt!” | Nau an ’t wuilen; steuten, knoflen – | Wiil de toren klokke bromt. –

‘k Zag mi Doomnei nader dragen, | Op de scholders van de schaar, |En dou hei de deur passeirde. | Kwam ‘k een schrede vot, mit haar.

Al de gangen, banken, leunings | Hadden gein doem spaatsi meer – | Zölfs tot in de kerkeglazen – | Laggen heurders zuchtend neer.

Mester vong nu an mit lezen | Oet het hailig Bibelblad. | En dou kregen wi ein pruifje, | Waar ik heil gein smaak in had.

“Mis is ’t Jaapk,” zee ‘k tot mi zölven, | “Doe krigst ’t loopen neit betaald; | “Heurst dou wel van onze Doomnei, | “Dat hij ooit op and’ren smaalt?”

‘k Zöcht de heile preek te vatten, | Mit miin boeren klain verstand; | Maar, bi ’t wark van onze Leeraar, | Vond ‘k gein regel of verband. –

’t Woord, dat hier de tekst bevatte, | Heurde ik einmaal bi ons meer, | O, ’t was net as licht en duuster! | Dou kwamt juust op waarheid neer.

Bauwen was ’t en ommesmiten, | Einmaal? nee verschaiden keer. | ’t Nuimen van veul bibelplasen, | Daarmit gong de tiid er heer.

‘k Loerde, of ‘k Doomnei ook kon kiken, | Maar het volk ston tweiman hoog, | ‘k Zag de leuning, veur mi, boegen, | Zoo dat z’endling nedertoog.

‘k Zag dei arme mensken tuumlen; | Ja, het dee mi zeer in ’t hart – | Was ik zölf neit vastgenageld, | ‘k Had gedeild in piin en smart.

Waar is ’t – dat ik, deur dat breken, | Van dei bank, kreeg roem gezigt: | ‘k Mos wel bi mi zölf, getugen, | Dat ’t geluk an touval ligt. –

‘k Had nou vrei gezigt op Doomnei; | Maar nog wol ’t mi neit voldoun – | ‘k Wenste mi wel doezend malen, | Boeten deure mit fersoun.

‘k Keek de Doomnei liik in d’oogen – | En docht: duurst doe wolven an – | Doomnei! Doomnei! an ein wolfiin, | Doomnei, hast, doe dik diin man.

’t Heufd allein maar kon ‘k bewegen – | ‘k Zag dus even om mi tou; | Maar dou wor ik kant verlegen: | ‘k Wost neit meer te maken hou.

‘k Heurde stennen, schreiven, zuchten, | ’t Hart wor weik, bi zoon allarm, | ‘k Zuchtte mit het oog naa boven; | Dat suk onze God erbarm’!

‘k Mout ’t bekennen, ‘k wör haast bange, | ‘k Wos neit, wat er gaande was. | ‘k Was ook zoo van zins te schreiven; | Dou ’t mit Doomnei Amen was.

Was ’t mi neit tot hiertou smaakliik, | Wat de k o k had klaar gemaakt: | Ook ’t dissert – half gruin en röttig – | Ha’k nog nooit neit zoo min smaakt.

Graag ha’k, an het slöt, mit zöngen – | Maar de borst zat mi haast digt. | ‘k Huil mi stil – en ’t leste zingen, | Wör ook, boeten mi, verrigt.

’t Volk rees op, zoo veul ’t kon rizen, | En nou heurde ik bibeltaal: | Hail an onze Zaligmaker | Jezus Christus al te maal!

’t Sain tot oftogt was vernomen | Pas, of ’t volk ston ommekeird – | ’t Zet suk veurwaarts in beweging: | Nooit was ‘k zoo nog neit temteird,

Veur mi gaf het niks as koppen – | ‘k Docht mos starven op dit stond, | En neit eer als boeten ’t kerkhof, | Vuilde ik mit miin vouten grond.

‘k Docht, en zag bedaard in ’t ronde: | Wat het toch neischirighaid, | Sunt de tiid van mouder Eva, | Mennig mensken kind verlaid.

‘k Schol mi zölf uut veur ein dwaze, | Dei deur ziin neischirighaid; | Om van vrömd gebak te pruiven, | Tot zoon raize was verlaid.

‘k Wol nou graag ein beetje rusten; | Maar bina in ’t heile loug, | Was veur mi gein plasi open – | Neit in börgerhoes of kroug.

‘k Gong dus vort, na dat ‘k ein omzein, | Op deipskante zeten had; | Want ik had tot raisgezellen, | Heil veul mensken oet de stad.

‘k Heurde K o k nou rezenzeiren. | Veulen vonden ’t biister mooi – | Veulen vonden hom gein wachter | Bi ein goude schapenkooi.

Men wol ook miin oordeil weten, | Over Domenei ziin wark. | Nou kon ik neit langer zwigen, | ‘k Vuilde mi tot spreken stark.

“Volk!” zee’k – ‘k bid joe zeg mi eerst eis | Wat het Domenei gepreekt? | ‘k Wachtte ein beetje – nog ein omzein – | Allen zwigen – niemand spreekt,

’t Was gein wonder – wel zol roumen | Na ein feesteliik onthaal, | As ’t ein koeskas was van spizen, | Dei ons deinden tot het maal!

Bi de stad daar nam ik afschaid, | ‘k Wenste hail en beterschop; | Allen wensten mi goun raize, | En ik stapte allein fiks op

SLÖT.

’t Woord leert ons: er ziin veul woongen | In der braven Vaderland. – | Klain ken dan de schaar neit wezen, | Dei eins arft de zaalge stand.

Nee! gein leer van Dörds Sinode, | Vastgesteld veur eiw en jaar; | Zwaar belaan mit bloud en tranen, | Nee! Gods Woord blift eiwig waar.

Wat is anleg veur ontwikk’ling! | Wat is deugd – en pligtsgevoul! | Bint gein gaven van de Schepper! | En geft Hei ooit zönder doul?

’t Is ein leer van blinde haiden: | “God verdoumt en geft gena.” | Want, dan is de hoogste Leifde, | Wreider as Calligula.

Kristen! wee u, dei durft leeren | Anders as het woord van God – | I bin arger nog as tigers, \ En verdeint het zölfde lot.

Lasteraars, van uwe Schepper! | I verdraijen ’t leifde woord | En hebt mit joen snoode leugens, | Mensken hail en rust verstoord.

As ik neit zaai in de Lenten; | Ligt dan wel an God de schuld, | As miin land ligt wuist en ledig, | As elk ein ziin schuren vult?

Nee! dit is de leer des Bibels: | Dat ein ieder net zo maait – | Hier – en einmaal na dit leven; | Net zoo as hij hier ook zaait

Endling – om neit meer te rimen | Wat ik denk van Kok ziin leer? | Wel hom heuren – Wel hom lezen – | Dei niks heurt – dei heurt nog meer.

TOEGIFT

Men maakte in Dord een’ kost, | Voor ruim twee honderd jaren, | Waarvan men kon de kracht, | Tot op onze eeuw bewaren. | 

Hoe vaak ook opgestoofd, | Met look, of prei of uijen; | Behoudt hij voedzaamheid | Voor tragen en voor luijen. | 

En kan die Dordsche kost | Een ieders smaak niet streelen: | Zoo lang hij blijft bestaan | Zal hij gewis verdelen.

 

Trouwde Kaïn met zijn zus of met een vrouw uit de clan van Adam en Eva?

Gijsbert van den Brink schreef het boek En de aarde bracht voort. Daarin doet hij een poging om het orthodox-christelijk geloof en de gangbare evolutietheorie te laten samengaan. In hoofdstuk 7.5 van zijn boek behandelt Van den Brink het onderwerp De zondeval in een evolutionaire context (blz. 235-242). Hij is van mening dat de mensheid niet van één echtpaar kan afstammen, maar moet zijn voortkomen uit één relatief kleine populatie van zo’n 10.000-12.500 individuen in Afrika zo’n 200.000 jaar geleden, die samen de homo sapiens vormden. Pas veel later, ongeveer 45.000 jaar geleden, vindt er een plotselinge explosieve toename plaats van menselijke creativiteit en van religieus bewustzijn plaats. Het is niet vreemd of strijdig met de Bijbel, aldus Van den Brink, om te veronderstellen dat deze ‘culturele oerknal’ (blz. 236) ontstaan is doordat “God één van de vele geëvolueerde hominiden verkoos, deze de cognitieve sprong naar het echte mens-zijn liet maken en [hem] met zijn beeld toerustte” (blz. 238), waardoor hij een hoog genoeg ontwikkeld bewustzijnsniveau verkreeg om besef te hebben van transcedentie, van het bestaan van God en van wat goed en kwaad is. Daarbij staan Adam en Eva voor de eerste groep mensen die door hun Schepper persoonlijk werden aangesproken. Dat past bij het beeld dat bv. Paulus geeft van Adam en Eva als verbondshoofden en representanten van de mensheid. Dat geldt niet alleen voor hun nakomelingen, maar ook voor hun tijdgenoten, aldus Van den Brink.

In zijn samenvattende slothoofdstuk 10 Terugblik en vooruitblik brengt Van den Brink het op blz. 330 als volgt onder woorden: we moeten Adam en Eva “niet beschouwen als de enige toenmalige mensen. Ze kunnen beter gezien worden als de leiders -of vanuit theologisch perspectief: de verbondshoofden- van de eerste groep mensen die, vermoedelijk door een exponentiële verruiming van hun bewustzijn (een ‘cognitieve explosie’), de mogelijkheid ontving om een bewuste relatie met God aan te gaan.”

In noot 87 op blz. 237 schrijft Van de Brink vervolgens: “Natuurlijk strookt dit ook met vermeldingen uit Gen. 2-4 waaruit blijkt dat er meer mensen bestonden dan alleen Adam en Eva, zoals Kaïns vrouw (Gen. 4:17) en allen voor wie Kaïn bang was (Gen. 4:14), plus degenen voor wie hij een stad bouwde (Gen. 4:17).”

De suggestie dat deze bijbelse gegevens aanvullend bewijs zouden kunnen zijn voor de bewering dat Adam en Eva het aanspreekpunt waren voor een groep hominiden die God heeft uitgekozen om mens te worden naar zijn beeld, zijn naar mijn mening nogal zwak. Genesis 1-3 gaat er namelijk van uit, dat Adam en Eva als mensenpaar geschapen zijn. Pas na de zondeval in Genesis 3 krijgen Adam en Eva kinderen. Dat alle mensen op deze wereld uit dit echtpaar voortgekomen zijn, is vanuit vier gezichtspunten aannemelijk te maken.

1/ De biologie

Vanuit de biologie, en dan met name de biogeografie is aangetoond dat uit twee exemplaren die door omstandigheden geïsoleerd geraakt zijn, een complete levensvatbare populatie met uiteindelijk genoeg genetische variatie kan ontstaan, zodat het bezwaar van inteelt ondervangen wordt. In zijn boek Het lied van de dodo (Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1998) geeft David Quammen hiervan enkele voorbeelden.

Zowel de schepping van één mensenpaar als het feit dat Kaïn na de moord op zijn broer Abel samen met één van zijn zussen gevlucht is en zich elders heeft gevestigd, is dus een even aannemelijke mogelijkheid.

2/ De archeologie

Vanuit de archeologie en ook vanuit de taalwetenschap is aangetoond dat de term ‘stad’ niet in de eerste plaats duidt op een plek waar duizenden mensen tegelijk wonen, maar eerder op een vaste, omheinde, min of meer veilige plaats waar een aantal mensen zich blijvend gevestigd hebben. Dit in tegenstelling tot een dorp, zoals bv. uit Leviticus 25:31 duidelijk wordt. In zijn boek De Israëlitische stad (Uitgeverij Kok, Kampen, 1984) geeft C.H.J. de Geus aan, dat er in het Midden-Oosten in de vier millennia voor de christelijke jaartelling vooral sprake was van ‘kleinschalig urbanisme’ en dat ook agrarische nederzettingen met een wachttoren aangeduid werden als een stad (vgl. 2 Kon. 17:9) – zie ook R. De Vaux, Hoe het oude Israel leefde II, Uitgeverij J.J. Romen & Zonen, Roermond/Maaseik, 1961).

3/ De theologie

Vanuit de theologie kan ook nog worden aangedragen dat de toezegging van onsterfelijkheid die God aan de niet-gevallen mensheid heeft gedaan, ook voor de lichamelijke, natuurlijke dood gold. Pas wanneer de mens zou zondigen door van de vruchten van de boom van de kennis van goed en kwaad te eten, zou hij op die dag ‘voorzeker’ (NV’51) / ‘onherroepelijk’ (NBV) sterven (Gen. 2:17). Toch gebeurde dat niet en werden de eerste generaties mensen ongeveer 10x zou oud als tegenwoordig. Dat kan uitgelegd worden als een stuk genade van God, die als gevolg van de ongehoorzaamheid van de eerste mensen niet meteen zijn hele schepping laat vallen, en dus ook niet Adam en Eva niet meteen dood neer laat vallen. Hetzelfde geldt voor het feit dat Kaïn met zijn zus kon trouwen: de genetische degeneratie, waardoor er verhoogde risico’s op inteelt ontstaan, en die er mede de oorzaak van is dat een huwelijk tussen nabije bloedverwanten als on-etisch beschouwd wordt, was toen nog niet van toepassing. Peter Scheele schreef hierover het volgende boek: Degeneratie – het einde van de evolutietheorie, Uitgever Buijten en Schipperheijn, Amsterdam, 1997.

4/ De wiskunde

Tenslotte kan vanuit de wiskunde aangetoond worden dat een populatie zich binnen een korte periode explosief kan vermenigvuldigen. Volgens een betrouwbare berekening kom je dan tot de volgende aantallen:

In het jaar 130 na de zondeval 340 mensen (Kaïn slaat Abel dood – Gen. 4:8 i.c.m. Gen. 4:25)

In het jaar 250 jaar na de zondeval 27.023 mensen (‘In die tijd begon men de naam van de HERE aan te roepen’ – Gen. 4:26)

In het jaar 500 jaar na de zondeval 246.459.607 (korte tijd voor de geboorte van Henoch)

Daarbij ga ik uit van de volgende parameters:

  • 30 jaar = eerste kind (zie Gen. 11:14,18,22)
  • gemiddeld aantal kinderen = 30 per vrouw
  • gemiddeld 50% jongen/ 50% meisje
  • interval: één kind per vijf jaar (ervan uitgaande dat een vrouw weer vruchtbaar was nadat het kind van de borst af was – Gen. 21:8)
  • geen ingewikkelde complicaties meenemen zoals tweelingen / één man + twee vrouwen zoals Lamech / vroegtijdig overlijden of heengaan zoals Abel of Henoch (1 kind per 5 jaar is een ruime marge)
  • kruiselings in de stamboom kunnen een man en vrouw ook kinderen krijgen (vroege 4e generatie-man trouwt met late 3e generatie-vrouw)
  • gemiddelde leeftijd in de generaties tot de zondvloed 900, dus tot 500 jaar na de zondeval is het aantal sterfgevallen niet noemenswaardig van invloed

Samenvattend: Gijsbert van den Brink kan zich voorstellen dat Adam en Eva de stamleiders waren van een groep hominiden aan wie God collectie het vermogen gaf om in een bewuste wederkerige relatie met Hem te leven (blz. 237). Of dit werkelijk een aannemelijke hypothese is op grond van de gegevens die de wetenschap ons aanreikt, blijft voor mij een open vraag. Maar het gaat beslist te ver om als aanvullend argument te stellen, dat deze hypothese “natuurlijk strookt” met de gegevens uit Genesis 4, waarin ook meer mensen voorkomen dan Adam, Eva en hun twee zonen Kaïn en Abel.

 

Dit artikel is een essay dat geschreven is n.a.v. het boek van Gijsbert van den Brink als opdracht in het kader van de PEP (Permanente Educatie Predikanten). De wiskundige berekening is van de hand van dhr. G.J. Leeftink, derdejaars student AM -Advanced Mathematica- aan de Universiteit Twente.

 

Groningers in 1834 over Hendrik de Cock en de Afscheiding (deel 1 – Grunneger Roeker)

Op 1 december 2017 was ik in Kampen aanwezig bij de promotie van dr. Jan-Henk Soepenberg. Hij promoveerde die dag met het proefschrift ‘Op ongebaande wegen’ – een studie over ‘De Afscheiding in Amsterdam (1835) als landelijke proeftuin voor vrije kerken’. Tijdens de plechtigheid stelden verschillende opponenten kritische vragen aan de promovendus. Daarin kwam onder meer het beeld naar voren, dat ‘hervormden’ en ‘afgescheidenen’  elkaar soms behoorlijk wisten uit te schelden.

Grunneger RoekerDat herinnerde mij aan twee brochures uit 1834 waarin in het Gronings gereageerd wordt op de Afscheiding in Ulrum die in dat jaar plaats vond onder leiding van Hendrik de Cock. Ik heb die brochures ergens eind jaren ’80 / begin jaren ’90 in het archief van de ‘andere’ Theologische Universiteit aan de Oudestraat gevonden en laten kopiëren. Het is misschien wel aardig om te vertellen hoe dat ging. Ik zat wat te bladeren in de brochure ‘De dogmatische beteekenis der “Afscheiding” ook voor onzen tijd’ van dr. K. Schilder, een ‘uitgave van J.H. Kok N.V. te Kampen in het eeuwjaar der Afscheiding 1834’. Daarin wees Schilder erop, dat er in de tijd van de Afscheiding tientallen brochures verschenen zijn van voorstanders, tegenstanders en buitenstaanders zijn verschenen (blz. 20). Meer dan dertig ervan noemt Schilder dan met vindplaats in noot 98 (van blz. 52 t/m blz. 57!). Toen ik daar eens wat in zat te struinen, zag ik opeens, dat Schilder niet alleen een Groningse brochure noemde, maar van deze “Grunneger Roeker” zelfs bijna één hele pagina van aanhaalde. Blijkbaar vond de grote K.S. het bijzonder komisch dat de kerkstrijd rond de Afscheiding zelfs in het Groningse dialekt werd uitgevochten! Mijn interesse was direkt gewekt, dus ik heb eerst tevergeefs in de vrijgemaakte bibliotheek aan de Broederweg en daarna met sukses in de synodale bibliotheek aan de Oudestraat deze brochure opgeduikeld. Maar dat was nog niet alles! Die “Grunneger Roeker” zat in een samengevat bundeltje met nóg twee Groningse brochures uit 1834. De eerste heette “IJn gesprek tusschen Pijteroom Oetverkoren en Paul, op ijne avond verziete, over het riek der waarhaid. (op riem.) deur Paul zölf beschreven.” En daarna volgde nog “Jaapks Raize naa domenei Kok. Op ein einvaudige wize deur hom zölf beschreven. (op riim).”
De ‘Grunneger Roeker’ is het kortst (8 pagina’s), het meest recht voor z’n raap en bevat ook het beste Gronings. ‘Pijteroom Oetverkoren’ is behoorlijk langdradig (28 pagina’s) en gaat niet over de Afscheiding maar, zoals de titel al verraadt, over de uitverkiezing e. ‘Jaapks Raize’ gaat wel weer over de ‘Cockse twisten’, maar is ook wat aan de lange kant (15 pagina’s). Benieuwd naar de inhoud van die twee vlugschriften? Hier komt de ‘Grunneger Roeker’. Binnenkort volgt ‘Jaapks Raize’.

De ondertitel van deze brochure (‘Ook al over de Kockerij op de Groote Hofstede van Peiter’) verwijst, zoals ook K. Schilder op blz. 55 zegt, naar Petrus Hofstede de Groot, in die tijd professor theologie in Groningen en naar Hendrik de Cock, die in het gedicht ook een paar keer ‘de Haan’ genoemd wordt.

Op de binnenkant van de titelpagina staat een stichtelijke, of beter gezegd, een wat spottende bijbeltekst, nl: Ick sal dreck op uwe aengesichten stroyen. MAL. II. 3b.

En daarna start de anonieme schrijver zijn vijf pagina’s lange betoog!

( 3 ) VERMANING AN DE LEERAARS VAN DE REGFERMEIRDE KERKE.

Leive mensken! “wat viktorie!” | Ropt de Duvel nou in glorie, | Nou er zoveel leipe kwanten | Met zoo veule DÖRDSE Santen | Striiden over ’t waar geloof, | Schreiven mensk en beisten doof.

Wat bedut dat tiren, razen? | ’t Strekt tot spot van spottersbazen: | Ook dat zeut Perfessers flaiten, | Nog te duur veur olle daiten. | ’t Hekelriim, dat teunt genoug, | Hou men spot in stad en loug.

( 4 ) Wil men kristen-vrijhaid preken; | Laat men dan as mannen spreken, | Rond en flink en zönder flaijen | Zönder boegen, vringen, draijen; | “Förmeleiren! weg d’er met! | ’t Bibelwoord! allein de Wet!”

Das het wark van brave luden. | Mou’k dat wiizen nog beduden? | Leeraars! Leeraars! laat jou raden; | Holt jou an de Bibelbladen! | En holt met het plooijen op! | Of getroost jou schop op schop.

( 5 ) GROOT MIRAKEL. |DOL SPEKTAKEL.

Tot veurdeil van de Zundagschoulen, | Kiik het volk bij heile boulen!

Holla! wönder boven wönder! | Sla de blixem veur de dönder! | Jonge! en maak mij wat roem baan! | Ans mou’k van benauwdhaid stikken, | En verdold in ’t ronde flikken: | PEITER krait, nou krit DE HAAN!

Ons Perfessertien gong denken | (Zolt ziin harsenties ook krenken?) | Veir gedachten achter ein. | Kanst ze op veirtig ziidties lezen. | Vast wordt nou DE HAAN genezen: | PEITER snidt hom van de stein.

I “Bist de grootste gek der gekken, | (Heurst mij? HAAN!) en al diin bekken | Teunt, dou kenst de Geist nog neit. \ “Altiid mouten wie jae vedder, | ’t Schaap neit slegs, maar ook ziin Hedder. | II Zweur hij ans; das nix,” zegt PEIT. | ( 6 ) “Eiden mag men soms wel breken. | III En heufst na diin eid neit preken, | Ast hom deest an Kerkeleer. | IV Maar zoo is bij ons nooit zworen; | Schoon daar as Sunt Martens toren | ’t Förmeleir stait, Dört ter eer.”

Zoo kan PEITER disserteiren! | En de schuld glad weg pergeiren, | Dei DE HAAN op Leeraars smeet. | BRAUWER en REDDINGIES zamen | Smaakt het preuvien, zeggen: “Amen.” | En DE HAAN, dei löst een sch..t.

( 7 ) EN PRATIEN OVER ‘T STOKKIEN. | Hest ’t heurt; neem dan en klokkien.

(DERK en EVERT staan te praten | ’t Schimpen keunen bai neit laten.)

EVERT.

Hest het boukien lezen? | Waarin wordt bewezen, | Dat en Predekant, | Het hij zok verkeken; | Driest ziin eid mag breken | Zunder schade of schand.

Waarin daarbeneven | Ook nog stait beschreven | ’t Förmeleir van DÖRT, | Dat al de olle Doomnijs | Teikenden, as Oom eis, | Na ’t examen vort:

Waarbij dat ze zweuren | Nooit gien taal te veuren | Tegen DÖRDREGS leer! | In dat zulfde boukien | Stait (knap ’t as en koukien, | Walgt dij ’t neit te zeer.)

Denk reis an! met wanten! | Dat de Predekanten | Nooit in onze Kerk | ( 8 ) Zok an leer verbönden, | Deur de mensk oetvönden! | Hou liikt dij dat? DERK!

DERK.

Wip de Vent in ’t kakhoes | Met ziin vrome bakhoes, | Dei het volk beschit. | Laat hom spottrend spartlen; | En schreivt hij: +”das martlen!” | Vraag: wat HAAN al lidt.

Wil hij ’t volk beschiiten; | Laat dan hom ook kriiten | Midden in de stront. | Ropt hij: ” ‘k wil ’t neit weer doun!” | Help dan, zunder zeer doun. | Zoo maakst ’t nix te bont.

Wist dij neit de Classis, | Dat dit krek van pas is? | Hol dij driest daar an: | ’t Bin jae vrome Heeren, | Dei ons zuver leeren, | Hou het mout en kan.

Mout zij suspendeiren, | Dei neit om wil keiren, | Wat hom waarhaid is; | Wel zol ’t dan bekiiven, | Datst en zwiin latst driiven | In ziin drek en pis?

 

 

Niedrig und bescheiden – net als Jezus Zelf

– op bezoek bij de Evangelisch Reformierte Kirche in Neuhofen a/d Krems –

know-jesus-t-shirt-c28-1.pngOok in Oostenrijk en Zwitserland bestaan een aantal kleine gereformeerde kerken. Afgelopen maand, op zondag 19 november, bezocht ik in mijn vrije weekend de Evangelisch-Reformierte Kirche in Neuhofen. ‘s Morgens mocht ik er preken en ‘s avonds was ik aanwezig in de avonddienst waar verder over de preek doorgesproken werd. De preek ging over Micha 5:1-5 met als thema in het Engels: (K)NO(W) JESUS, (K)NO(W) PEACE. In het Duits kwamen zeven punten aan de orde, nl. Jezus onze Heer a) is nederig en bescheiden; b) regeert; c) is een Redder die bevrijdt; d) is eeuwig; e) vervult al Gods beloften; f) is een Herder; g) IS onze vrede.

De preek werd erg goed ontvangen. Dat kwam, merkte ik, omdat onze Geschwister in Neuhofen veel meer dan hier in Nederland ervan doordrongen zijn dat we pas echt Neuhofen - kerkgebouw deurvrede met God kunnen hebben dankzij Jezus Christus. Bij hen leeft echt het diepe besef van ‘Ohne Jesus kein Friede – Kenne Jesus, dann kennst du Frieden’. Eén van de gemeenteleden vertelde dat in haar nabije omgeving veel geliefden een algemeen geloof in God hebben, maar niet die persoonlijke band met Christus kennen. Daarom geloven ze oppervlakkig of zijn ze diep van binnen onzeker. In beide gevallen vermijden ze vaak elk inhoudelijk gesprek over het geloof.

’s Avonds bespraken we de preek in de Abendgottesdienst. Eén van de gemeenteleden zei: “Als je naar het bestaan van onze gemeente kijkt zijn wij net als onze Heiland: niedrig und bescheiden.” Dat kenmerkt de Evangelisch-Reformierte Kirche in Neuhofen. We bespraken ook een paar andere vragen, o.a. of ziekte uit Gods hand komt of niet. Die vraag houdt de gemeente bezig nu een broeder opnieuw vier chemokuren moet ondergaan incl. een beenmerg- / stamceltransplantatie.

Neuhofen 2017-11Op de foto na afloop van de morgendienst staan drie nieuwe gezichten. Joseph, een goede bekende van één van de gemeenteleden, kwam voor de eerste keer in de kerkdienst. Adam & Laura komen uit Hongarije en bezoeken sinds hun trouwen bijna elke zondagmorgen de kerkdienst. Ze zijn door hun plaatselijke Hongaarse predikant naar de ERKWB verwezen. Verder bezoekt Karl, een man van rond de 50, sinds een aantal maanden ’s avonds de kerkdienst. Dat zijn dus vier nieuwe gezichten! Op zo’n kleine gemeente van nog geen 25 leden (waaronder één familie met 8 kinderen die op 150 km. afstand woont en dus niet zo vaak de kerkdiensten kan bezoeken) is dat een groot getal. Dat heeft mij echt bemoedigd – God is goed!

Mijn wens is, dat we vanuit Nederland onze medegelovigen in Oostenrijk en Zwitserland niet vergeten, maar hen blijven bezoeken, voor ze blijven bidden en hen blijven ondersteunen. Waarom? Omdat we samen de vrede kennen waar de engelen op de geboortedag van Jezus van zongen: de vrede van God en de vrede met God dankzij Christus die Zelf onze vrede is.

 

ssro-logoDe SSRO (Stichting Steun Reformatie Oostenrijk) ondersteunt een aantal kleine gereformeerde kerken in Oostenrijk en Zwitserland. In Neuhofen a/d Krems, Rankweil, Wenen, Basel en Winterthur organiseren broeders en zusters activiteiten zoals bijbelcursussen, internetuitzendingen, vrouwenkringen, kinderclubs en kerstmarktstands. Zo brengt men het evangelie verder in een sterk geseculariseerde omgeving. In de afgelopen jaren mochten de meeste gemeenten nieuwe leden verwelkomen. Het bestuur van de SSRO is afkomstig uit de CGK, de GKV en de PKN (Geref. Bond). Kijk voor meer informatie op: http://www.ssro.nl of www.reformiert.at. Volg de SSRO op Facebook (SSRO.NL) of op Twitter (SSROnl). Giften zijn erg welkom op NL27 INGB 0000 0656 88 t.n.v. SSRO – Hasselt. Wilt u er deze keer bijzetten: ‘Kerstgift 2017’?

 

Met elkaar in gesprek over de vrouw in het ambt binnen de GKV

In juni 2017 namen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) het besluit om alle ambten open te stellen voor vrouwen. De plaatselijke kerken mogen zelf beslissen of ze dit wel of niet willen doen. Er is ook een deputaatschap Man/Vrouw in de kerk enoemd om de kerken te begeleiden in dit proces. Deze deputaten hebben een algemene handreiking opgesteld voor kerkenraden. Helaas is er verder nog weinig materiaal beschikbaar voor een goede bespreking op de kerkenraad en in de gemeente. Daarom wil ik hier graag het materiaal beschikbaar stellen dat we in GKV ‘Het Noorderlicht’ hebben opgesteld.

Wat hebben we gedaan? Eerst hebben we een gezamenlijke avond belegd voor alle ambtdagers. Daarin hebben we met elkaar gedeeld hoe iedereen persoonlijk over de synodebesluiten denkt. Daarna hebben we op ongeveer dezelfde manier aan alle gemeenteleden gevraagd hoe iedereen over vrouwen in de ambten denkt. Bij ons deden we dat vanwege de grootte van de gemeente in de kringen. Als voorstudie hebben alle ambtsdragers en alle gemeenteleden de synodebesluiten en twee artikelen ( voor en tegen) ontvangen. Ook hebben op twee achtereenvolgende zondagen twee verschillende gastpredikanten over het thema Man/Vrouw en Ambt gepreekt. We sluiten binnenkort af met een gemeente-avond en daarna zal de kerkenraad met de diakenen besluiten of en zo ja hoe we overgaan tot het openstellen van één of meer ambten voor vrouwen die belijdend lid van onze gemeente zijn.

Hieronder volgt een werkvorm voor het onderling gesprek. Het is geen handleiding voor de manier waarop de kerkenraad, al dan niet met de diaken, en al dan niet na de gemeente gehoord te hebben of zelfs mee heeft laten stemmen.

Opzet voor een KRINGAVOND over ‘VROUWEN in de AMBTEN’

Op deze manier hebben we in onze gemeente de kringavonden ingevuld. Ook de avond met de ambtsdragers zag er ongeveer zo uit. Iedere kring heeft het op z’n eigen manier ingevuld. Eén kring heeft bv. via YouTube de informatieve documentaire man vrouw in de kerk (met veel verschillende bekende en minder bekende GKV-ers, onder wie één zuster uit Assen-Peelo) bekeken.

Opening

Lees een passend bijbelgedeelte, bv. 1 Tessalonicenzen 5:12-28. Bid om de wijsheid van de Heilige Geest voor een goede avond. Zing eventueel een passend lied.

Ronde 1:   Hoe denk jij zelf over vrouwelijke ambtsdragers?

Ga in tweetallen met elkaar in gesprek. De één geeft haar/zijn mening. De ander luistert en stelt evt. vragen. Na drie minuten maak  je andere tweetallen. Nu geeft degene die in de vorige ronde geluisterd heeft, haar/zijn mening. Herhaal dit een aantal keren.

Ronde 2:   de Bijbel open

Op het A4-papier waarvan er meerdere uitgedeeld worden, staan een aantal uitgeschreven Bijbelteksten. Bespreek met de hele groep (of in twee kleinere groepen) waarom sommige bijbelteksten veel meer aandacht gekregen hebben dan andere. Hoe denk je dat dit zo gekomen is?

Ronde 3:   Elf vragen en twee dobbelstenen

Op het A4-papier staan elf stellingen. Gooi met twee dobbelstenen, tel de cijfers bij elkaar op en lees hardop de vraag voor die bij dat nummer hoort. Is het een even vraag, dan mag je ‘m zelf beantwoorden. Is het een oneven vraag, dan mag je iemand anders aanwijzen om de vraag te beantwoorden. Als een bepaald cijfer vaker gegooid wordt, kun je ook een andere vraag nemen die nog niet aan bod geweest is (even blijf even, oneven blijft oneven). Zorg ook dat iedereen een keer aan de beurt komt.

Ronde 4:   Naar de kern van de zaak

Zet op een flip-over of op een groot vel papier een kruis in het midden met daar een aantal cirkels omheen. Het kruis staat voor onze Heer Jezus Christus. Hij vormt de kern van ons geloof. Al het andere vloeit daaruit voort en hangt daarmee samen. Geef aan elke aanwezige vijf verschillende gekleurde of genummerde post-its. Elke kleur / elk nummer staan voor een onderwerp. Hoe belangrijk vind jij die? Plak ze in de cirkels. Hoe dichter bij het kruis, hoe belangrijker dit onderwerp voor jou is. Ga daarna met elkaar in gesprek over de keuzes die iedereen gemaakt heeft.

Kleur/nummer A:                Avondmaal vieren na belijdenis

Kleur/nummer B:                Doop als eenmalig teken van Gods verbond

Kleur/nummer C:                Psalmen of Opwekkingsliederen in de kerkdienst

Kleur/nummer D:                Twee kerkdiensten op zondag

Kleur/nummer E:                Vrouwen in het ambt

 

Ronde 5:   Turven

Elke gemeente moet een keus maken. Wat vind iedereen? Per onderdeel geeft iedereen haar/zijn mening (WEL / NIET). Eventueel kan de uitkomst genoteerd worden als dat voor het vervolg belangrijk is.

1/    Ik vind dat in onze gemeente vrouwen WEL / NIET diaken kunnen zijn.

2/    Ik vind dat in onze gemeente vrouwen WEL / NIET ouderling kunnen zijn.

3/    Ik vind dat in onze gemeente vrouwelijke dominees WEL / NIET mogen preken.

4/    Als meer 25% van onze gemeente moeite heeft met vrouwelijke ambtsdragers, moeten we het WEL / NIET invoeren.

5/ Andere kerken en bezwaarde broeders en zusters in het land roepen alle kerken op om pas in 2020 een besluit te nemen, nadat de volgende synode alle bezwaren behandeld heeft. Ik vind dit WEL / NIET een verstandig idee

6/    Welk besluit de kerkenraad met de diakenen uiteindelijk ook neemt, ik kan er WEL / NIET mee leven.

Misschien is het verstandig deze vraag uit te splitsen om duidelijk te krijgen met welk besluit men niet kan leven. Nu kunnen zowel leden die echt TEGEN de vrouw in het ambt zijn als leden die echt VOOR de vrouw in het ambt zijn deze vraag met NIET beantwoorden. Ook zou nog een tweede, verdiepende vraag gesteld kunnen worden, nl.: welke consequenties denken degenen die NIET met een bepaald kerkenraadsbesluit kunnen leven, te gaan trekken?
Sluiting

Hou een korte rondvraag, zing evt. nog een passend lied en sluit af met gebed.

Als je deze werkvormen gebruiken wil: ga je gang! Voel je vrij om ze aan te passen of te veranderen. Belangrijk is, dat het gesprek in iedere gemeente op een positieve, fijngevoelige manier gevoerd wordt.